Samen bouwen aan schone lucht



Dovnload 48.43 Kb.
Datum20.08.2016
Grootte48.43 Kb.


Samen bouwen aan schone lucht



Inleiding


De luchtkwaliteit moet beter. Vooral de concentraties stikstofdioxide en fijn stof in de lucht moeten dalen om aan Europese normen te voldoen. Deze Europese verplichting, opgenomen in het Besluit Luchtkwaliteit 2005, wordt vastgelegd in de Wet milieubeheer. In dit position paper geven wij onze visie op dit wetsvoorstel en gaan we in op oplossingen voor schone lucht.
Samenvatting

In grote delen van Nederland voldoet de luchtkwaliteit niet aan de Europese normen. Op nationaal niveau moeten de overheden beter gaan samenwerken en via een nationale aanpak hun krachten bundelen. Het Rijk neemt in ieder geval de generieke bronmaatregelen en maatregelen langs rijkswegen. Gemeenten investeren in een schoner eigen wagenpark, schonere bussen en meer openbaar-vervoervoorzieningen. Uit een quick-scan van de VNG blijkt dat rond de 90 gemeenten in overschrijdingsgebieden met in totaal zo’n 9 miljoen inwoners, dergelijke maatregelen treffen of in voorbereiding hebben.


Het Besluit luchtkwaliteit 2005 biedt oplossingen. Echter, een aantal grote (bouw)projecten kan nog steeds niet doorgaan. Deze projecten - zoals de projecten uit de Nota Ruimte, de Nota Mobiliteit, de Spoedwet Wegverbreding en de herstructureringsopgave in de steden - hebben een aanzienlijk maatschappelijk belang. De aanpak in de Wet luchtkwaliteit biedt hiervoor een oplossing. Daarom steunen wij de hoofdlijnen van deze wet. De nieuwe wet moet regelen dat de lucht schoner wordt èn dat onze inwoners prettig kunnen blijven wonen, werken en recreëren.
Aanvullend vragen wij het volgende:


  1. De wet moet bepalen dat één Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit wordt opgesteld. Luchtkwaliteit is immers een nationaal probleem, dat nationaal moet worden aangepakt, door alle overheden gezamenlijk. Dit waarborgt inzet van alle betrokken overheden.




  1. De wet moet bepalen dat het programma alleen kan worden gewijzigd na instemming van alle betrokken overheden. Het Nationaal Samenwerkingsprogramma gaat uit van een gedeelde verantwoordelijkheid, die van alle partijen grote inspanningen vergt. Daarom is ook het vaststellen en wijzigen van het NSL een gezamenlijke verantwoordelijkheid, waarmee alle betrokken partijen moeten instemmen.



  1. Er moet snel duidelijkheid komen over de risico’s van de nieuwe werkwijze. De wet voorziet in een nieuwe aanpak en beoordelingssystematiek. Grote projecten worden binnen het programma beoordeeld op hun invloed op de luchtkwaliteit. Ter compensatie van deze ontwikkelingen worden binnen hetzelfde gebied maatregelen getroffen. Deze grote projecten hoeven niet meer aan de Europese norm te worden getoetst, maar aan het doel van het programma om op een gegeven momentaan de Europese normen te voldoen. De Raad van State moet via een gerichte vraag op korte termijn duidelijkheid geven of deze werkwijze past binnen de Europese richtlijn.




  1. Er moet een transparant monitoringsysteem door het Rijk worden ontwikkeld. Met een transparant monitoringsysteem kunnen burgers controleren dat de luchtkwaliteit landelijk en per regio, binnen de afgesproken termijn wordt gerealiseerd.




  1. Extra inzet van middelen. Voor de korte termijn vragen wij om aan de reeds gereserveerde € 100 miljoen minimaal € 150 miljoen toe te voegen en deze beschikbaar te stellen voor lokale maatregelen voor een schone lucht. Ca. 10% hiervan zou gereserveerd moeten kunnen worden voor de voorbereiding van maatregelen. Voor de lange termijn moet op basis van de uitkomsten van nader onderzoek worden bezien welke middelen nodig zijn opdat de overheden een ambitieus bronbeleid kunnen opstellen om in 2015 aan de normen voor fijn stof en stikstofdioxide (NO2 ) te voldoen.




  1. De termijn om de grenswaarden van stikstofdioxide en fijn stof te bereiken, moet worden verlengd tot 2015. De Europese richtlijn voor luchtkwaliteit wordt herzien. Tot nu toe wordt als einddatum 2010 gehanteerd om de grenswaarden te bereiken. Wij steunen de Nederlandse regering in haar initiatief om bij de Europese Commissie aan te dringen op uitstel tot 2015.



1. Gemeenten en luchtkwaliteit

Gemeenten, Rijk en Europa investeren in een schone lucht. De buitenlucht is daardoor schoner dan tien jaar geleden. Daarnaast zijn via het Besluit luchtkwaliteit (BLK 2005) de regels herzien. Desondanks kunnen veel grote (bouw)projecten niet doorgaan. Voorbeelden zijn de aanleg van de Tweede Maasvlakte, nieuwe woonwijken en de herstructureringsopgave in de steden. Totaal is hier zo’n € 7,7 miljard mee gemoeid. De Wet luchtkwaliteit moet voor deze projecten een oplossing bieden.

Gemeenten, provincie en Rijk investeren in een betere luchtkwaliteit


Steeds meer gemeenten nemen maatregelen voor een schonere lucht. Gemeenten investeren onder meer in een schoner eigen wagenpark, schonere bussen en meer openbaar-vervoervoorzieningen. Ook via een actief fiets- en parkeerbeleid en het instellen van milieuzones, waarbinnen uitsluitend schone vrachtauto’s mogen rijden, dragen gemeenten bij aan een beter leefmilieu in de steden. Uit een quick-scan van de VNG blijkt dat rond de 90 gemeenten met in totaal ca. 9 miljoen inwoners, deze en andere maatregelen al treffen of in voorbereiding hebben. Steeds meer steden kiezen voor een programma-aanpak voor verbetering van luchtkwaliteit. Steden als Amsterdam, Utrecht, Tilburg, Arnhem, Nijmegen en Den Haag hebben hun plannen zelfs al af.

Gelijktijdig neemt het Rijk generieke bronmaatregelen - subsidies voor roetfilters op auto’s - en maatregelen langs rijkswegen voor zijn rekening en wordt op Europees niveau strenger bronbeleid bepleit, o.a. de invoering Euro-5 normen voor (bestel)auto’s.


Door deze aanpak is in Nederland de uitstoot van stikstofoxiden (NO2) en fijn stof in de periode 1993-2003 met resp. 30 en 50 procent afgenomen (MNP 20051). Verwacht wordt dat door de gezamenlijke aanpak in Nederland, maar vooral in de grote steden de komende jaren de luchtkwaliteit sterk verbetert en dat minder mensen worden blootgesteld aan vuile lucht. Het MNP verwacht dat Nederland voor 2020 en wellicht zelfs al in 2015 aan de Europese normen zal voldoen.2
Europese wetgeving

In de Europese richtlijnen zijn grenswaarden/normen vastgesteld voor de luchtkwaliteit3. Het gaat daarbij om stikstofdioxide (NO2) en om fijn stof (PM10). De norm voor fijn stof moet op 1 januari 2005 zijn gerealiseerd (daarvoor geldt een daggemiddelde en een jaargemiddelde). De norm voor stikstofdioxide moet op 1 januari 2010 zijn gehaald.

En dan is er nog het zeer fijne stof. Er is een voorstel in de maak om naast de huidige PM10-grenswaarde, een nieuwe norm in te voeren: de PM2,5-norm voor de zeer fijne stofdeeltjes. Deze norm zal moeten gelden vanaf 2020.
Europese richtlijnen luchtkwaliteit

Stof

Grenswaarde

Vanaf

NO2

40 μg/m3 jaargemiddelde

2010

NO2

200 μg/m3 uurgemiddelde

maximaal 18 overschrijdingen per jaar



2010

PM10

40 μg/m3 jaargemiddelde

2005

PM10

50 μg/m3 24-uurgemiddelde

maximaal 35 overschrijdingen per jaar



2005

PM2,5

20 μg/m3 jaargemiddelde

2020


Knelpunten bij toepassing Europese richtlijnen

Bij de toepassing van de Europese richtlijnen doen zich twee majeure knelpunten voor. Ten eerste is 2010 niet haalbaar voor zowel fijn stof als stikstofdioxide, en ten tweede dreigen in Nederland grote geplande ruimtelijke ontwikkelingen niet van de grond te komen. Niet alleen in Nederland, maar ook in veel stedelijke gebieden elders in Europa wordt op dit moment niet voldaan aan de grenswaarden. Vooral in de grote steden in de Randstad en Utrecht zullen in 2010 de Europese luchtkwaliteitsnormen worden overschreden. Geen enkele maatregel kan dit voor die tijd voorkomen. Echter, naar verwachting zal wel in 2015 in deze gebieden aan de norm voor fijn stof en NO2 worden voldaan.


Nederland heeft de Europese richtlijnen geïmplementeerd met het Besluit luchtkwaliteit (BLK 2005), dat op 5 augustus 2005 in werking is getreden. Het BLK 2005 vervangt het oude Besluit luchtkwaliteit uit 2001. Voor projecten in Noord- en Oost-Nederland, waar lagere achtergrondwaarden heersen voor fijn stof, biedt het BLK 2005 een oplossing. De reden is dat de Raad van State de zogenoemde saldobenadering lijkt te accepteren, waardoor de luchtkwaliteitsnormen voor een samenhangend gebied mogen worden berekend.
Voor de grote steden en grotere projecten echter, is een nationale aanpak nodig. Grote projecten – zoals de Zuidas Amsterdam, het stationsgebied Utrecht, de verbreding van de A2 tussen Eindhoven en Den Bosch – zijn ernstig vertraagd. Gemeenten dragen de financiële lasten als projecten niet kunnen doorgaan of worden vertraagd als gevolg van de wettelijke normen voor de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij om grote bedragen. Uit een onderzoek van de VNG (2005) blijkt dat in gemeenten projecten op het spel staan met een gezamenlijke waarde van € 7,7 miljard. De Wet luchtkwaliteit moet hiervoor een oplossing bieden.


2. Standpunt VNG over Wet luchtkwaliteit

De VNG onderschrijft de hoofdlijnen van het voorstel voor de Wet luchtkwaliteit. Wij zijn een voorstander van de programmatische aanpak in de nieuwe wet.


De Wet luchtkwaliteit


Het voorontwerp tot wijziging van de Wet milieubeheer, ook wel de Wet luchtkwaliteit genoemd, bevat een aantal wijzigingen ten opzichte van het BLK 2005. De belangrijkste daarvan zijn:

  1. Flexibele koppeling: ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen worden gedeeltelijk of flexibel aan elkaar gekoppeld. Alleen ruimtelijke projecten die de lucht 'in betekenende mate' vervuilen worden in een programma beoordeeld. Het voordeel is dat de projecten niet meer aan de Europese norm worden getoetst, maar aan het doel van het programma om op een gegeven moment aan de Europese normen te voldoen. Ze zijn daarmee ontkoppeld. Bouwprojecten die nauwelijks gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit worden ook niet meer getoetst aan de norm en zijn daarmee ook ontkoppeld.

  2. Saldering: alle ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied mogen doorgaan, als maar maatregelen worden genomen om de luchtkwaliteit in het hele gebied op z'n minst gelijk te houden.

  3. Beoordeling op programmaniveau: gemeenten waar de lucht te vuil is, moeten al aangeven welke maatregelen ze nemen om aan de Europese grenswaarden te voldoen. In het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit doen ze dat gezamenlijk voor het hele programma en niet langer voor elk afzonderlijk project of elke ruimtelijke ontwikkeling

  4. Flexibele uitvoering: overheden stellen in een gebiedsgericht programma vast in welk jaar het gebied aan de Europese normen voldoet. En ook in hoeverre de luchtkwaliteit dan is verbeterd. Gemeenten moeten vervolgens aantonen dat projecten bijdragen aan deze doelen. Als bijvoorbeeld de Zuidvleugel in 2014 aan alle normen wil voldoen, dan moet de overheid aantonen dat ze met het project 'Mainportontwikkeling Rotterdam' dat doel ook halen.


Flexibele koppeling

De belangrijkste bouwsteen is de flexibele koppeling van bouwprojecten via de programma-aanpak. Het programma zoals bedoeld in art. 5.12 van de Wet luchtkwaliteit, is een totaalpakket van ontwikkelingen en maatregelen om de grenswaarden te bereiken. De maatregelen compenseren de ontwikkelingen die een negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. Zij moeten ervoor zorgen dat alle geplande ruimtelijke en economische ontwikkelingen kunnen doorgaan terwijl tegelijkertijd de grenswaarden voor luchtkwaliteit worden gerealiseerd. Bij zo’n stelsel is het niet meer nodig om besluiten over nieuwe projecten afzonderlijk te toetsen aan de grenswaarden. Immers, de effecten van nieuwe projecten zijn al verwerkt in het programma.

Deze programmatische en integrale benadering is ons inziens meer in overeenstemming met wat de Europese richtlijnen voorstaan dan de toetsing van individuele besluiten aan de grenswaarden.


Een voorbeeld:

In een gebied worden de komende tien jaar 50.000 extra woningen gebouwd, 100 ha bedrijfsterrein aangelegd en een bepaald aantal kilometers nieuwe snelwegen gerealiseerd. Dit wordt in het luchtkwaliteitsprogramma opgenomen zonder vast te leggen in welke gemeente nu precies hoeveel woningen mogen komen en welke snelweg waar zal worden aangelegd. Wel wordt het effect van deze ontwikkelingen als geheel berekend en meegenomen in het programma. Er staat dan bijvoorbeeld in dat de reducerende maatregelen de luchtkwaliteit met 15 procent per jaar verbeteren, maar dat nieuwe projecten in datzelfde gebied tegelijkertijd leiden tot een verslechtering van 8 procent per jaar. Per saldo verbetert de luchtkwaliteit dus met 7 procent per jaar. Ten slotte staat in het programma dat de grenswaarde bijvoorbeeld in 2012 wordt bereikt.




Minder capaciteit door programma van maatregelen

Met alle voorgenomen maatregelen van het Rijk en gemeenten duurt het naar verwachting nog tot 2015 tot de lucht schoon genoeg is en aan de wettelijke normen voldoet. In Nederland kan natuurlijk niet vijf tot tien jaar worden gewacht met de uitvoering van de Nota Ruimte, de Nota Mobiliteit, stedelijke vernieuwing en woningbouwafspraken. Ook kleinere, veelal lokale investeringen in woningbouw, bedrijventerreinen en de daaraan gekoppelde ontsluitingswegen, zijn van groot belang voor de steden en moeten op korte termijn kunnen doorgaan. Daarom is het goed dat de Wet luchtkwaliteit deze ontwikkelingen niet toetst aan de afzonderlijke luchtkwaliteitsnormen, maar aan een pakket van maatregelen.


Flexibele uitvoering

In de uitvoering kunnen zich altijd zaken voordoen die vooraf niet bekend zijn. Projecten worden immers vaak anders uitgevoerd. Ook kunnen in de loop van het programma nieuwe, efficiëntere maatregelen worden ontwikkeld. Wij pleiten daarom voor flexibiliteit, door de ontwikkelingen en maatregelen in het programma globaal te beschrijven. Bovendien moeten tussentijdse wijzigingen mogelijk zijn. Voorwaarde is dat het effect gelijk blijft of beter is voor de luchtkwaliteit. Deze flexibiliteit is nodig omdat het programma anders te bureaucratisch wordt. Verder willen wij daarbij benadrukken dat daar waar het opstellen en uitvoeren van het NSL een gedeelde verantwoordelijkheid is die van alle partijen grote inspanningen vergt, het vaststellen en wijzigen van het NSL ook een gezamenlijke verantwoordelijkheid dient te zijn. Hierover zal dus overleg met betrokken overheden noodzakelijk zijn.




Met de wet zijn echter niet alle problemen opgelost. In de volgende paragraaf wijzen wij op een aantal zaken die van groot belang zijn bij de uitwerking van dit programma en het wetsvoorstel.
3. Nationaal programma

Aantasting van de luchtkwaliteit is een nationaal probleem dat nationaal moet worden aangepakt. Daarom pleiten wij voor een Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), dat elke 5 jaar wordt vastgesteld en flexibel is. Binnen dit programma vindt een regionale uitwerking plaats, in ieder geval voor die regio’s waarin de grenswaarde wordt overschreden. Het programma bevat alle ruimtelijke en economische ontwikkelingen uit bijvoorbeeld de Nota Ruimte, Nota Mobiliteit, streek- en structuurvisies, met maatregelen om de effecten daarvan op de luchtkwaliteit te compenseren. De overheden streven ernaar dat de Nederlandse luchtkwaliteit in 2015 voldoet aan de Europese normen.

Nationaal programma


Luchtkwaliteit is een nationaal probleem. Wij vinden dat er daarom een nationaal programma moet komen, in een intensieve samenwerking tussen alle betrokken overheids­lagen. Dit programma -het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)- beschrijft:

  • De huidige situatie; het startpunt van het programma.

  • De autonome luchtkwaliteit. De effecten van kleinere projecten, die in geringe mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, worden hierin meegenomen.

  • De effecten van maatregelen voor luchtkwaliteit in het programma (uitgedrukt in de concentratie van stof in de buitenlucht) en een indicatie van het tijdstip waarop de normen kunnen worden gehaald (1).

  • De verwachte negatieve effecten van ontwikkelingen op de luchtkwaliteit (2).

  • De prognose van het tijdstip waarop de grenswaarde gerealiseerd kan zijn. Deze prognose is gebaseerd op de ontwikkelingen en de bijbehorende maatregelen (3).

Een nationaal programma zou ertoe kunnen leiden dat in Groningen compensatiemaatregelen worden getroffen voor ontwikkelingen in de Randstad. Uit de advisering van de Raad van State bij het BLK 2005 en het Wetsvoorstel luchtkwaliteit blijkt echter dat deze vorm van saldering niet te rechtvaardigen is. Het nationale programma zal daarom per regio moeten aantonen dat de luchtkwaliteit verbetert.
Ruimtelijke ontwikkelingen

De Wet luchtkwaliteit schrijft voor dat het programma alle ruimtelijke projecten en ontwikkelingen bevat. Daarbij is niet duidelijk hoe die moeten worden geselecteerd en beschreven. Wij vinden dat in het NSL alle bekende en voorziene activiteiten met hun verwachte gevolgen voor de luchtkwaliteit moeten worden begroot en (bijvoorbeeld in een bijlage) worden opgesomd. Het betreft in ieder geval de ruimtelijke projecten waartoe al is besloten in de Nota Ruimte, de Nota Mobiliteit, streekplannen en/of structuurvisies.


Wij wijzen prioritering van de projecten in het NSL af. Prioritering leidt ons inziens tot onnodig tijdsverlies. Het heeft immers al in een eerder stadium plaatsgevonden, bij de vaststelling van de nota’s en plannen. Bovendien gaat het hoe dan ook om projecten die maatschappelijk en economisch gewenst en urgent zijn. Voorbeelden zijn de herstructureringsopgave in de steden en de aanleg van de Tweede Maasvlakte. Prioritering zal tevens leiden tot een verdere centralisatie, terwijl juist het rijksbeleid gericht is op een verdere decentralisatie.
In het programma worden de effecten van àlle ruimtelijke en economische ontwikkelingen meegenomen. Echter, bij de uitwerking is gebleken dat de effecten van kleine projecten, die slechts in geringe mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, het beste kunnen worden gebundeld als ‘autonome ontwikkelingen’. De effecten van grotere ruimtelijke ontwikkelingen kunnen het beste apart inzichtelijk worden gemaakt.
Maatregelen

De effecten van de ontwikkelingen in het NSL worden gecompenseerd met maatregelen. Deze zijn vaak niet direct gekoppeld aan één project, maar kunnen voor meerdere projecten gelden of van een heel gebied de luchtkwaliteit verbeteren. Vaak hangen maatregelen onderling samen. Minder auto’s in de stad door bijvoorbeeld een hoog parkeertarief, zijn alleen mogelijk in combinatie met alternatieven en aanvullende voorzieningen zoals aantrekkelijke transferia, fietspaden, fietsenstallingen en goed aansluitend, frequent openbaar vervoer. De maatregelen moeten er wel toe leiden dat op enig moment de grenswaarde wordt gerealiseerd.


Gemeenten en provincies nemen hun verantwoordelijkheid en zullen zoveel mogelijk zorgen voor lokale maatregelen via gemeente- of gebiedsprogramma’s. Wij verwachten van het Rijk dat het alles op alles zet om daar een ambitieus maatregelenpakket aan toe te voegen. Alleen dan kan de norm tijdig worden gehaald en is uitvoering van alle projecten mogelijk.
De maatregelen zijn in eerste instantie gericht op het halen van de norm, maar wij vinden het belangrijk dat ook wordt gekeken naar verbetering van de kwaliteit van de lokale leefomgeving als geheel. Bij luchtkwaliteit gaat het immers om de gezondheid van burgers. In de Memorie van toelichting van de wet moet hier aandacht aan worden besteed.


4. Voortgang bouwprojecten

Zo’n 150 grote bouwprojecten kunnen alleen worden gerealiseerd via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Het gaat daarbij om projecten zoals de Zuidas Amsterdam, de tunnel in Maastricht, de Tweede Maasvlakte, Stationsgebied Utrecht, vele woningbouwprogramma’s maar ook tweederde van de projecten uit het Meerjarenprogramma Infrastructuur en Transport (MIT). Voor deze projecten is het programma cruciaal. Wij pleiten er daarom voor dat het programma ter toetsing wordt voorgelegd aan de Raad van State. Zo ontstaat snel duidelijkheid.
Snel duidelijkheid over programma als toetsingskader

Wij dringen erop aan dat voordat het programma van kracht is, duidelijkheid bestaat over het gebruik ervan als toetsingskader voor ruimtelijke ontwikkeling, projecten en voor het verlenen van milieuvergunningen voor activiteiten uit het programma. De Raad van State zou deze duidelijkheid kunnen geven via een voorlichtingsvraag. Als dit niet gebeurt, kan de gewenste duidelijkheid pas worden verkregen zodra beroepsprocedures waarbij het programma is gebruikt, zijn afgerond. Dit duurt te lang en brengt te veel onzekerheid met zich mee. Gemeenten maken hoge voorbereidingskosten bij grote projecten en willen daarom van tevoren weten of deze, gezien de geldende luchtkwaliteitsnormen, inderdaad kunnen doorgaan.


Natuurlijk is nooit van te voren bekend hoe de rechtspraak omgaat met de nieuwe aanpak en het programma, maar de juridische risico’s kunnen wel worden ingeschat. Gelet op de juridische beschouwing over het wetsvoorstel (Backes 2006) komen wij tot de conclusie dat een programma-aanpak alleen gerechtvaardigd is als uit het programma blijkt dat:

  1. De verslechtering van de luchtkwaliteit door voorziene ontwikkelingen, slechts leidt tot een kleine vertraging bij het realiseren van de grenswaarde;

  2. De grenswaarde wordt gerealiseerd binnen de termijnen die daarvoor in de Europese richtlijnen zijn vastgesteld. Er vanuit gaande dat Nederland van de Europese Commissie vijf jaar uitstel krijgt, betekent dit dat voor fijn stof en NO2 vooralsnog in resp. 2010 en 2015 de grenswaarde per regio moet worden gerealiseerd. Ook de meest recente cijfers van het Milieu- en Natuurplanbureau (MNP) laten zien dat in 2010 niet overal aan de grenswaarde kan worden voldaan. Wij dringen daarom ook in Europees verband aan op een langere uitstelperiode, bijvoorbeeld ook voor fijn stof tot 2015. Wij vragen aan u dit pleidooi te ondersteunen.


Vrijstelling voor kleine projecten

De kleinere projecten, die een verwaarloosbare invloed op de luchtkwaliteit hebben, moeten worden uitgesloten van toetsing aan de luchtkwaliteitseisen. Dit zijn naar verwachting rond de 75 procent van de te realiseren spitsstroken, alle woningbouwlocaties tot 2000 huizen en bedrijvenlocaties tot 40 hectare. Deze zouden binnen de vrijstelling moeten vallen, waarvoor in de wet een criterium moet worden gesteld. Wij pleiten ervoor om wettelijk te verankeren dat het gaat om projecten die leiden tot een toename van maximaal 3 procent van luchtverontreinigingen. In een ministeriële regeling moet concreet worden uitgewerkt welke projecten hieronder vallen.



5. Nationaal meetnet

Het meten van luchtkwaliteit en fijn stof is ingewikkeld. Dit blijkt ook uit de recente rapportage van het MNP. Wij pleiten voor een landelijk meet- en monitoringsysteem. Met een transparant monitoringsysteem kunnen burgers controleren dat de luchtkwaliteit landelijk en per regio, binnen de afgesproken termijn wordt gerealiseerd.
Het is niet alleen lastig de concentratie van fijn stof vast te stellen, ook moet op de ‘goede plek’ worden gemeten. Uit een vergelijking van prof. Backes met de praktijk in enkele andere EU-lidstaten, blijkt dat Nederland hier een bijzonder strenge interpretatie van het Europees recht aanhoudt. In Nederland wordt overal gemeten, ook op de meest vervuilde plekken, terwijl de Europese regels dat helemaal niet vereisen. Sterker nog, aangezien in de richtlijn eisen zijn gesteld aan de locaties waar moet worden gemeten, zou de Nederlandse werkwijze zelfs in strijd kunnen zijn met de Europese regels.
Wij pleiten daarom voor een nationaal meetnet, over Nederland verspreid volgens een nader te bepalen algemeen grid. De uitkomsten van de daarmee verkregen metingen zijn de basis voor de berekeningen voor het NSL en de updates die in de toekomst zullen volgen. In de nieuwe wet en in het bijzonder in de Memorie van toelichting moet dit nader worden uitgewerkt.
Via deze werkwijze kan het programma voortdurend worden gemonitord. De effecten, die van tevoren niet altijd duidelijk zijn, kunnen zo worden geregistreerd. Bovendien is er op deze manier, ook voor burgers, een waarborg dat maatregelen worden uitgevoerd en dat dit binnen de afgesproken termijn gebeurt. Rijk, provincies en gemeenten moeten hiervoor een systeem ontwikkelen.
6. Financiële aspecten

Het wetsvoorstel vraagt van alle partijen een extra inspanning, ook financieel.
De huidige beschikbare budgetten zijn fors – totaal € 900 miljoen tot 2015, waarvan € 100 miljoen is gereserveerd voor lokale maatregelen- maar niet voldoende. Grove berekeningen laten zien dat ca € 3 miljard euro nodig is om aan de norm te voldoen. Uit een eerste schatting blijkt dat rond de € 1 miljard nodig is voor lokale maatregelen. Deze middelen zijn nodig om in 2015 aan de norm te kunnen voldoen en ervoor te zorgen dat projecten kunnen doorgaan. Deze middelen zijn aanvullend op de flinke investeringen die gemeenten zelf kunnen doen. Dit is echter niet voldoende.
Gemeenten en provincies hebben aangedrongen op meer inzet van Europese gelden voor luchtkwaliteit. Maar wij vragen ook van het Rijk meer middelen voor een schone lucht.

Voor de korte termijn vragen wij om aan de reeds gereserveerde € 100 miljoen minimaal € 150 miljoen toe te voegen en deze beschikbaar te stellen voor lokale maatregelen voor een schone lucht. Ca. 10% hiervan zou gereserveerd moeten kunnen worden voor de voorbereiding van maatregelen. Gemeentelijke plannen – die onder meer al in Amsterdam, Den Haag, Utrecht, Rotterdam en Rijnmond gebied zijn vastgesteld – kunnen momenteel niet worden uitgevoerd.


Voor de lange termijn moet op basis van de uitkomsten van nader onderzoek worden bezien welke middelen nodig zijn opdat de overheden een ambitieus bronbeleid kunnen opstellen om in 2015 aan de normen voor fijn stof en stikstofdioxide (NO2 ) te voldoen.

7. Europees beleid

Wij dringen er bij het kabinet op aan er bij de Europese Commissie voor te pleiten dat de Europese richtlijnen de gekozen Nederlandse aanpak ondersteunen. De verplichting om de grenswaarde van fijn stof en NO2 te bereiken, moet worden uitgesteld tot 2015. Daarnaast is een ambitieus Europees bronbeleid gewenst.
Inmiddels wordt gewerkt aan herziening van de Europese richtlijn met grenswaarden/ normen voor stikstofoxiden en fijn stof. Er ligt nu een voorstel van de Europese Commissie om de lidstaten uitstel te verlenen voor het realiseren van de grenswaarde van fijn stof.

Voor de grote steden in West- en Zuid-Nederland zal luchtkwaliteit een hardnekkig probleem blijven. Ondanks een ambitieus pakket van rijks-, provinciale en gemeentelijke maatregelen zal Nederland niet in 2010, zoals voorgeschreven, maar pas in 2015 aan de Europese norm voor fijn stof kunnen voldoen. De VNG pleit dan ook voor uitstel tot 2015 van de Europese verplichting om aan de fijn-stofnorm te voldoen.


Ook op Europees niveau zijn maatregelen nodig. De milieueisen waaraan auto’s en vrachtwagens moeten voldoen, worden immers in Europees verband vastgesteld. Van belang is dat op termijn hiervoor Euro 6-normen worden ingevoerd.

1 Beck, J.P., J.A. Annema, W. Blom, R.M.M. van den Brink, P.Hammingh, W.L.M. Smeets, 2005, Effecten van aanvullende maatregelen op de luchtkwaliteit. Milieu- en Natuurplanbureau.

2 Beck, J.P., K. Wierenga, 2006, Nieuwe inzichten in de omvang van de fijnstofproblematiek. Milieu- en Natuurplanbureau.

3 Richtlijn nr. 1999/30/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 april 1999, betreffende grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes en lood in de lucht (PbEG L 163).

Richtlijn nr. 2000/69/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 november 2000 betreffende grenswaarden voor benzeen en koolmonoxide in de lucht (PbEG L 313).










De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina