Samengesteld door: Hanneke Rozema Handleiding



Dovnload 238.35 Kb.
Pagina1/8
Datum16.08.2016
Grootte238.35 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7   8
Hé, het vliegt!

Een verzameling lesideeën rondom

het thema ‘in de lucht’


Relevante vakgebieden:
beeldende vorming

wereldoriëntatie

techniek

taal

Samengesteld door:

Hanneke Rozema

Handleiding
In dit document zijn lessen opgenomen rondom het thema ‘in de lucht’. Deze lessen variëren van geschiedenis lessen en lessen over techniek, tot lessen waarbij de kinderen beeldend bezig zijn.
Doelgroep
De lessen zijn gericht op kinderen van groep (6) 7/8 en kunnen zowel zelfstandig als klassikaal uitgevoerd worden. De lessen zijn als een serie (projectmatig) als losstaand te gebruiken.
Leeswijzer
De lessen zijn opgebouwd uit de volgende onderdelen:

Informatie- en werkbladen waarmee de kinderen zelfstandig of waarmee de leerkracht klassikaal aan de slag kan.

Antwoordbladen van de werkbladen.

Les ideeën: op deze bladen zijn lesideeën opgenomen die naar inzicht van de leerkracht gebruikt en/of aangevuld kunnen worden.


Didactiek
De meeste informatie- en werkbladen kunnen zowel zelfstandig door de kinderen verwerkt als klassikaal worden behandeld. Soms is het verstandig om de kinderen een korte voorinstructie te geven voordat zij zelfstandig aan de slag gaan. Alhoewel de informatie- en werkbladen volledig zijn, is het aan de leerkracht om zo nodig aanvullingen te geven om zodoende aansluiting te geven bij de beginsituatie van de kinderen. Ook zullen sommige thema’s kunnen inspelen op actualiteiten.

Naast het lezen van en luisteren naar informatie komen de volgende didactische activiteiten aan de orde:



  • schriftelijke verwerking (met eventuele mondelinge nabespreking)

  • experimenten uitvoeren

  • opdrachten beeldend verwerken

  • klassikale gesprekken


Kerndoelen
De volgende (nieuwe) kerndoelen komen bij deze lessen in meer of mindere mate aan de orde:
Schriftelijk taalonderwijs

5 - De leerlingen leren naar inhoud en vorm teksten te schrijven met verschillende functies, zoals: informeren, instrueren, overtuigen of plezier verschaffen.

6 - De leerlingen leren informatie en meningen te ordenen bij het lezen van school- en studie-teksten en andere instructieve teksten, bij systematisch geordende bronnen, waaronder digitale.
Natuur en techniek

40 - De leerlingen leren in de eigen omgeving veel voorkomende planten en dieren onderschei-den en benoemen en leren hoe ze functioneren in hun leefomgeving.

41 - De leerlingen leren over de bouw van planten, dieren en mensen en over de vorm en functie van hun onderdelen.

42 - De leerlingen leren onderzoek doen aan materialen en natuurkundige verschijnselen, zoals licht, geluid, electriciteit, kracht, magnetisme en temperatuur.

44 - De leerlingen leren bij producten uit hun eigen omgeving relaties te leggen tussen de werking, de vorm en het materiaalgebruik.

45 - De leerlingen leren oplossingen voor technische problemen te ontwerpen, deze uit te voeren en te evalueren.


Tijd

51 - De leerlingen leren gebruik te maken van eenvoudige historische bronnen en ze leren aanduidingen van tijd en tijdsindeling te hanteren.

52 - De leerlingen leren over kenmerkende aspecten van de volgende tijdvakken: jagers en boeren; Grieken en Romeinen; monniken en ridders; steden en staten; ontdekkers en hervor-mers; regenten en vorsten; pruiken en revoluties; burgers en stoommachines; wereldoorlogen; televisie en computer.
Kunstzinnige oriëntatie

54 De leerlingen leren beelden, taal, muziek, spel en beweging te gebruiken om er gevoelens en ervaringen mee uit te drukken en om er mee te communiceren.


Vogels
Lichaamsbouw
Vogels zijn gewervelde dieren. Gewervelde dieren hebben botten in hun lichaam. De botten in de rug worden wervels genoemd. Alle botten bij elkaar wordt het geraamte of skelet genoemd.

Vogels hebben een speciaal skelet. Het is namelijk heel erg licht. Dat komt omdat in de botten van een vogel een heleboel kleine 'kamertjes' zijn die gevuld zijn met lucht. Daardoor zijn de botten sterk maar toch licht. Dat is nodig om te kunnen vliegen! Als vogels dezelfde botten zouden hebben als zoogdieren zouden ze nooit kunnen vliegen, dan zijn ze veel te zwaar!


Een vogel kan vliegen omdat het vleugels heeft. Door de speciale vorm van de vleugel van een vogel stroomt de lucht aan de bovenkant van de vleugel sneller langs de vleugel dan aan de onderkant. Aan de bovenkant ontstaat een druk die ‘onderdruk’ genoemd wordt waardoor de vleugel een “duwtje” naar boven krijgt. Deze kracht is zo groot dat een vogel de zwaartekracht kan trotseren. Een heel belangrijk bot in het skelet van een vogel is daarom het borstbeen. Hier zitten de spieren van de vleugels aan vast. Die spieren zijn heel sterk en daarom moet het borstbeen ook heel sterk zijn.

Daarnaast zijn vogels in staat om tijdens het vliegen voldoende zuurstof in hun lichaam rond te pompen.


Snelheid
Hoe snel een vogel kan vliegen hangt af van de grootte en vorm van de vleugel. Wanneer je de vleugel van een merel en een mus met elkaar vergelijkt zie je dat een merel grotere vleugels en grotere vliegspieren heeft. Hierdoor is de “trekkracht” van een merel groter dan bij een mus. De hoeveelheid lucht die verplaatst wordt is immers groter. De “topsnelheid” van een merel is ongeveer 55 km/h, die van een mus ruim 30 km/h.
Vliegen is heel erg zuinig als je naar het energieverbruik per afgelegde kilometer kijkt: één kilometer vliegen kost een vogeltje van tien gram slechts één procent van de energie die een tien gram wegende muis voor dezelfde afstand daarvoor nodig heeft! De meeste vogels vliegen niet harder dan dat ze hoeven om zo weinig mogelijk energie te verbruiken.
Vliegtechniek
Sommige vogels kunnen in de lucht scherpe bochten maken terwijl sommige vogels vooral rechtuit vliegen. Dit hangt af van de vorm van hun staart. Vogels gebruiken hun staart als soort roer. (Denk ook aan een schip.) De staartveren zijn breed en stijf en de staart kan open en dichtgaan als een waaier. De staart kan naar boven of naar beneden, links of rechts gedraaid worden. Ook de vleugels moeten meedraaien in de richting waar de vogel heen wil. Sommige vogels gaan ook met hun ene vleugel iets harder klappen dan de ander om hun bocht te ondersteunen. Wanneer een vogel naar beneden of boven moet beweegt hij zijn staart precies de andere kant op.

Door het klappen met zijn vleugels zorg een vogel ervoor dat er lucht langs zijn vleugels komt. Vogels kunnen zweven op thermiek (opstijgende lucht) en zweven op de wind. Denk aan een arend die tijden in de lucht kan blijven zonder zijn vleugels te bewegen door gebruik te maken van thermiek, dit is eigenlijk niet echt vliegen, maar zweven. In plaats van constant te klapwieken, wisselen vogels klapwieken af met zweven.


De kleinste vogeltjes ter wereld zijn de kolibries. De kleinste onder hen, de bijkolibrie, is met zijn 1,6 gram nauwelijks zwaarder dan veel insecten. De belangrijkste gelijkenis tussen kolibries en insecten is hun manier van vliegen: ze vliegen beiden met een soort helikoptervlucht. Hiervoor hebben ze kleine, stijve vleugels, die niet tegen het lichaam kunnen liggen.

Kolibries kunnen stil in de lucht blijven hangen door hun vleugels horizontaal te bewegen. Om vooruit te komen, moeten ze hun lichaam lichtjes kantelen. In plaats van draaiende bewegingen te maken, bewegen de vleugels van kolibries en insecten alleen voor- en achteruit. Ze be-schrijven eigenlijk een liggende acht: ¥ Om op deze manier in de lucht te blijven moet een kolibrie met een verschrikkelijk hoge frequentie (hoeveelheid) met zijn vleugels slaan. De meeste soorten halen wel 25 slagen per seconde, maar de absolute recordhouder is de zonnestraalkolibrie die wel 90 vleugelslagen per seconde haalt!


Er zijn heel wat vogels die niet kunnen vliegen: zoals bijvoorbeeld struisvogels (zie plaatje). Hun vleugels zijn te klein en zwak om hun zware lichamen in de lucht te krijgen. Ook pinguïns kunnen niet vliegen. Pinguïns zijn zeevogels van het Zuidelijk Halfrond. Ze hebben smalle, stijve vleugels, die wat op peddels lijken en waarmee ze zich onder water voortbewegen. Hun manier van zwemmen lijkt wel op vliegen onder water.




Wist je dat…


  • De vleermuis het enige zoogdier ter wereld is dat echt kan vliegen.




  • Een kolibri nog geen 100 veren telt terwijl een grote vogel als een zwaan wel 25.000 veren telt.




  • Het grootste ei van een struisvogel is en het kleinste ei van een kolibri.



W
Naam:
erkblad ‘vogels’

I. Vul het ontbrekende woord in:
Door de speciale vorm van de vleugel van een vogel stroomt de lucht aan de bovenkant van de vleugel sneller langs de vleugel dan aan de onderkant. Aan de bovenkant ontstaat een druk die ‘______________’ genoemd wordt waardoor de vleugel een “_________” naar ________ krijgt.
Hoe snel een vogel kan vliegen hangt af van de grootte en vorm van de vleugel. Wanneer je de vleugel van een merel en een mus met elkaar vergelijkt zie je dat een merel grotere _________ en grotere _________________ heeft. Hierdoor is de “trekkracht” van een merel groter dan bij een mus. De hoeveelheid lucht die verplaatst wordt is immers groter. De “topsnelheid” van een merel is ongeveer 55 km/h, die van een mus ruim 30 km/h.
In plaats van constant te ________________, wisselen vogels ________________ af met ____________.

II. Kruis het goede antwoord aan:
Hoe noemen we opstijgende lucht?

Lagedruk gebied

 Smog

 Thermiek


Welke soort vogels zijn de kleinste ter wereld?

 De mus


 Kolibries

De Atlantische klapzwaluw



III. Geef antwoord op de volgende vragen:
a. Bedenk een woord of omschrijving voor het begrip “trekkracht”.

b. Waarom kunnen struisvogels en pinguïns niet vliegen?



Werkblad ‘vogels’


Antwoordenblad



I. Vul het ontbrekende woord in:
Door de speciale vorm van de vleugel van een vogel stroomt de lucht aan de bovenkant van de vleugel sneller langs de vleugel dan aan de onderkant. Aan de bovenkant ontstaat een druk die ‘onderdruk’ genoemd wordt waardoor de vleugel een “duwtje” naar boven krijgt.
Hoe snel een vogel kan vliegen hangt af van de grootte en vorm van de vleugel. Wanneer je de vleugel van een merel en een mus met elkaar vergelijkt zie je dat een merel grotere vleugels en grotere vliegspieren heeft. Hierdoor is de “trekkracht” van een merel groter dan bij een mus. De hoeveelheid lucht die verplaatst wordt is immers groter. De “topsnelheid” van een merel is ongeveer 55 km/h, die van een mus ruim 30 km/h.
In plaats van constant te klapwieken wisselen vogels klapwieken af met zweven.
II. Kruis het goede antwoord aan:
Hoe noemen we opstijgende lucht?

 Lagedruk gebied

 Smog

Thermiek


Welke soort vogels zijn de kleinste ter wereld?

 De mus


Kolibries

 De Atlantische klapzwaluw


III. Geef antwoord op de volgende vragen:
a. Bedenk een woord of omschrijving voor het begrip “trekkracht”. Naar inzicht leerkracht.
b. Waarom kunnen struisvogels en pinguïns niet vliegen? Hun vleugels zijn te klein en zwak om hun zware lichamen in de lucht te krijgen. Ook kunnen niet vliegen.
Eventuele bordvraag: Waarom beweegt een vogel zijn staart naar beneden wanneer hij naar boven wil en naar beneden wanneer hij naar omhoog wil? Leg het uit in woorden, of teken je antwoord.
Bij het dalen doet een vogel zijn staart beneden zodat de luchtstroom wordt afgebogen en de kop omhoog komt. Hierdoor gaat de hele vogel stijgen. Bij het dalen gebeurt het tegengestelde; de staart gaat omhoog, zodat de luchtstroom wordt afgebogen, en de kop naar beneden gaat.
Opdrachten vogels
Dit werkblad is gemaakt door:______________________________________________
Dit heb je nodig voor het uitvoeren van de opdrachten:

  • 2 papiertjes van 10 cm x 15 cm (¼ deel van een A4tje)

  • 2 WC-rollen

  • Een rietje


Opdracht A

Er is een wet die zegt dat stromende lucht een onderdruk veroorzaakt. Dit kun je zelf nagaan door twee papieren op een kleine afstand van elkaar te houden en er precies tussendoor te blazen. Wat gebeurt er met de twee papiertjes?




Opdracht B

Houd een papiertje net onder je onderlip en blaas hard uit? Wat gebeurt er met het papiertje?




Opdracht C

Leg twee WC-rollen voor je, met de openingen naar je toe. Neem een rietje en blaas lucht tussen de twee kokers. Wat gebeurt er ?





Opdracht D

Welk antwoord is juist, op basis van de proefjes die je net gedaan hebt?

 Een voorwerp beweegt in de richting van snel stromende lucht.

 Een voorwerp beweegt zich af van de richting van snel stromende lucht.


Opdracht E
Leg in je eigen woorden uit waarom vogels kunnen vliegen. Gebruik hierbij wel de woorden ‘lucht’ en ‘onderdruk’.




Antwoordenblad werkblad ‘vogels’:
 Deze opdrachten kunnen het best in tweetallen gemaakt worden.
Antwoorden opdrachten:
A – De twee papiertjes gaan dan naar elkaar toe! Dit komt doordat de stromende lucht een onderdruk veroorzaakt tussen de papiertjes. Om dit te compenseren bewegen de papiertjes zich naar elkaar toe.
B – Het papiertje gaat naar boven. Wanneer lucht in beweging is, drukt ze minder dan wanneer die lucht niet in beweging is, daarom gaat papiertje omhoog (de druk is onder het blaadje hoger).
C – De kokers rollen naar elkaar toe.
D - Een voorwerp beweegt in de richting van snel stromende lucht.
E – Naar inzicht leerkracht.

Lesideeën bij het onderwerp ‘vogels’:
Beeldende vorming:


  • Laat de kinderen in groepjes een collage maken van verschillende plaatjes met vliegende vogels.

  • Laat de kinderen van klei een vliegende vogels boetseren. Let hierbij op ruimte, vorm en textuur.

  • Bouw met de kinderen een vogelhuisje. (Koppel dit aan een les over vogels en voeding.)

  • Plaats een aantal opgezette vogels in het lokaal en laat de kinderen deze vogels natekenen. Laat de kinderen informatie opzoeken over ‘hun’ nagetekende vogels en dit samengevat opschrijven. Neem bijvoorbeeld de volgende punten: naam vogel, leefgebied, voeding, voortplanting/nestgedrag, eventuele bijzonderheden. Presenteer de tekeningen samen met de schriftelijke informatie.

Biologie:

 Vetbollen maken:



  • Smelt drie pond ongezouten rundvet in een pan. Wacht tot het warm is, maar niet heet! Voeg daar al roerend een mengsel van 6 ons gebroken hennepzaad en maanzaad en 3 ons zonnepitten aan toe.

  • Giet de warme brij in een vorm, bijvoorbeeld een blikje, een melkkarton of een theeglas.

  • Leg daarin, voordat de brij stolt, een stevige katoenen draad die ruim uitsteekt. -Zodra de massa hard is geworden, kunnen de bollen buiten aan de draad worden opgehangen.

  • Soms is de vetbol moeilijk uit de vorm los te krijgen. Een melkkarton kan rondom worden afgescheurd; houd een theeglas of blik even in heet water, de vetbol komt dan gemakkelijk los. Uiteraard kunnen naar eigen inzicht ook kleinere hoeveelheden worden gebruikt.

 Laat de kinderen observeren welke vogels ze rondom hun huis tegenkomen. Hiervoor moeten de kinderen wel enige kennis hebben van vogelsoorten. Eventueel kan voorafgaande aan deze opdracht door elk kind op school een eigen “vogelcatalogus” gemaakt worden met daarin een afbeelding en belangrijke kenmerken van de meest voorkomende vogels.


Taal:


  • Laat de kinderen een verhaal schrijven die begint met de volgende zin: “Als ik kon vliegen zou ik….”


Leuke sites voor leerlingen m.b.t. het onderwerp vogels:

  • http://www.schooltv.nl/nudn/index.jsp

  • http://bovenbouw.kennisnet.nl/werkstuk/

  • http://www.leerlinks.nl/

  • http://www.gco.nl/vogels/vogels1.htm

  • http://natuur.ariena.com/

  • http://www.spreekbeurten.info/

  • http://www.rangerclub.nl/

  • http://www.vogelbescherming.be/

  • http://www.baaij-hoveniers.nl/informatie/vogelbescherming.htm



Vliegende insecten
Niet alle kleine beestjes zijn insecten, maar een insect is gemakkelijk te herkennen.
Een insect heeft altijd 6 poten en een lijf dat uit 3 delen bestaat. Veel insecten kunnen vliegen. Vleugels van insecten zijn niet zo stijf als vleugels van vogels maar gaan net zo goed op en neer. De vleugels van insecten veroorzaken een kleine luchtwervel wanneer ze heen en weer gaan. Omdat de insectenvleugel naar beneden beweegt  (aan het einde van de vleugel sneller als aan het begin) ontstaat aan de punt van de vleugel de onderdruk. Deze luchtwervel verschaft de insectenvleugel een opwaartse (naar boven) kracht waardoor hij kan vliegen!


Voor insecten zijn hoeveelheden van maar liefst 500 bewegingen per seconde helemaal geen ongewone zaak. Zij hebben speciale spieren die zulke aantallen mogelijk maken.
Hommels kunnen wel 60 km per dag vliegen.
Zweefvliegen danken hun naam aan het vermogen om lange tijd op één plek in de lucht stil te staan. Toch is hun naam niet helemaal juist, want ze zweven niet echt. In werkelijkheid gaan de vleugels zo snel op en neer, dat er weinig meer van te zien is dan een vage vlek. Daarbij wordt een heel licht gezoem geproduceerd.


  1   2   3   4   5   6   7   8


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina