Samenvatting Child Development



Dovnload 190.38 Kb.
Pagina1/15
Datum23.08.2016
Grootte190.38 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   15
Samenvatting Child Development
Laura E. Berk 8th edition

Door Niels Krijger, niels@kryger.nl

Eerste vijf hoofdstukken ontbreken; deze waren in 2009 geen onderdeel van de stof.

Hdst 6 (p 222)

Piaget’s cognitieve-ontwikkelings theorie (p 224)


Constructieve benadering: kinderen worden gezien als ontdekkend en construerend, ze leren de wereld kennen door hun eigen handelen.

4 stages: Sensorimotor, preoperational, concrete operational en formal operational.



Schema’s zijn methoden om begrip van de wereld te krijgen en deze schema’s veranderen gedurende de ontwikkeling.

De verandering van een sensorimotor tot cognitieve benadering is gebaseerd op mentale representaties (interne voorstellingen van informatie).



Aanpassen:

  • Assimilatie: we gebruiken onze huidige schema’s om de wereld te begrijpen. Kind bevindt zich in een equilibrium, een aangename stabiele staat.

  • Accommodatie: nieuwe schema’s ontwikkelen of oude aanpassen om de wereld beter te begrijpen. Kind bevindt zich in disequilibrium, een cognitieve onaangename staat.

Equilibration: Het heen en weer gaan tussen assimilatie en accommodatie.

Organiseren: een intern proces waarbij de schema’s veranderen –dus los van de omgeving.

Sensorimotor stage (geboorte tot 2 jaar)


Peuters ‘denken’ met hun ogen, oren, handen en andere motorische elementen.

Circulaire reactie: eerste methode om schema’s aan te passen. Peuter komt toevallig in een situatie terecht door zijn motorische activiteiten. Gedreven door kans.

De sensorimotor stage bestaat uit:



  1. Reflex schema’s (geboorte-1 maand) -> gedreven door baby reflexen

  2. Primaire circulaire reacties (1-4 maand) -> gedreven door simpele motorische gewoontes rond de baby (dichtbij), weinig voorspellingsvermogen

  3. Secundaire circulaire reacties (4-8 maand) -> Acties gericht op het herhalen van interessante effecten in de omgeving

  4. Coördinatie van secundaire circulaire reacties (8-12 maand) -> intentioneel, doelgericht gedrag. Probeert verborgen objecten te vinden op één plaats, verbeterde anticipatie op gebeurtenissen, imitatie gedrag veranderd iets ten opzichte van eerder gedrag.

  5. Tertiaire circulaire reacties (12-18 maand) -> Verkennen eigenschappen objecten door nieuwe manieren van interactie. Imitatie van nieuw gedrag, Probeert verborgen objecten te vinden op meerdere plaatsen (succesvolle A-B zoektocht).

  6. Mentale representatie (18-24 maand) -> Interne voorstellingen van objecten. Zoektocht ook wanneer object zonder dat baby het zag is verplaatst.

A-B zoektocht: het begrijpen van object permanentie (object blijft bestaan buiten zichtveld). Een object wordt verborgen bij A, vervolgens ziet de baby dat het verplaatst wordt naar B maar zal nog bij A gaan zoeken.

Uitgestelde imitatie: het kunnen herinneren en copieren van modellen die niet aanwezig zijn. Leidt tot imaginatie spelen.

Overtreding van verwachtingsmethode: onderzoekers gebruiken deze methode om te achterhalen in hoeverre baby’s van de omgeving op de hoogte zijn. Ze gebruiken fysieke elementen en laten deze volgens een verwachtingspatroon lopen. Vervolgens laten ze iets onverwachts gebeuren. Dit leidt tot verassing en geeft daarmee aan in hoeverre de baby de omgeving begrijpt.

Categoriseren: ook jonge baby’s kunnen elementen groeperen. Dit zorgt ervoor dat ze grote hoeveelheden informatie kunnen verwerken.

Analogisch probleem oplossen: vanaf 10-12 maanden kunnen baby’s een oplossingsstrategie op andere relevante problemen toepassen.

Piaget’s stages houden weinig rekening met het categoriseren, object permanentie, analogisch probleem oplossen en uitgestelde imitatie.


Preoperationele stage (2-7 jaar)


Vooral mentale representaties boeken in deze stage vooruitgang. Piaget gaf hier taal een belangrijke rol. Door te denken m.b.v. taal kunnen we meer informatie verwerken.

Voordelen imaginatie spelen: uitvoeren van representationele schema’s en heeft een emotionele integratie functie. Piaget zag dit alleen als een uiting maar tegenwoordig wordt het gezien als een belangrijke bijdrage aan cognitieve en sociale vaardigheden van kinderen.



Tekenen:

  • Gekras

  • Eerste representationele vormen (rond 3 jaar)

  • Meer realistische tekeningen (5-6 jaar), worden complexer

Hoe goed kinderen kunnen tekenen is voor een belangrijk deel cultureel bepaald.

Duale representatie: kinderen tot 3 jaar hebben moeite met beschouwen van een symbolisch figuur als zowel een object als een symbool.

Operaties: volgens Piaget zijn kinderen niet in staat tot mentale representaties van acties die logische regels volgens.

Problemen preoperationeel denken:

  • Egocentrisme: het niet kunnen onderscheiden van de eigen symbolische uitgangspunten en die van anderen.

  • Animistisch denken: geloven dat niet-levende objecten gedachten/gevoelens hebben.

  • Conserveren: Piaget’s beroemde experimenten geven aan wanneer een kind kan onderscheiden dat wanneer bijv. een hoeveelheid vloeistof wordt weggegoten de totale hoeveelheid vloeistof gelijk blijft. Onderdeel hiervan is centreren. Het concentreren op één aspect en andere negeren (bijv. de hoogte van de vloeistof als maatstaf gebruiken voor de hoeveelheid water).

  • Onomkeerbaarheid: het niet kunnen voorstellen van het terugdraaien van een serie acties.

  • Hiërarchisch denken: het subklasseren van objecten op basis van grote en kleine eigenschappen is een probleem bij preoperationele baby’s.

Deze problemen van Piaget zijn in nieuw onderzoek regelmatig verzwakt of onwaar gebleken.

Concrete operationele stage (7-11 jaar)


Een belangrijk omslagpunt in cognitieve ontwikkeling. Het kind ontwikkeld conserverend te denken, classificerend, seriation (dingen ordenen naar kwantitatieve eigenschappen), ruimtelijk denken.

Cognitieve map: mentale representaties van bekende grootschalige ruimtes.

De grootste tekortkoming in concreet operationeel denken is een gemis aan abstract denken.

Formele operationele stage (11 jaar en ouder)


Ontwikkeling van abstract, wetenschappelijk, systematisch denken.

Hypothetisch-deductief denken: het vormen van een hypothesis, voorspellingen doen en het daaruit deductisch bepalen van logische, testbare interferenties.

Prepositioneel denken: het kunnen evalueren van verbale stellingen zonder het gebruiken van echte omstandigheden. Jonge kinderen falen hier mede door vanwege een gebrek aan logische noodzakelijkheid van de stelling, de juistheid van de conclusies zijn afhankelijk van validiteit van voorafgaande stellingen en hangt dus samen met logica, niet met wereldlijke verificatie.

Er ontstaan twee vertekende beelden op de werkelijkheid door de grote veranderingen die optreden gedurende de puberjaren:



  • Imaginair publiek: het geloven dat de adolescent de focus heeft van ieders aandacht.

  • Persoonlijk fabel: omdat tieners denken dat ze ieders aandacht hebben krijgen ze het gevoel dat ze uniek en speciaal zijn.

Deze twee worden belangrijk geacht omdat ze gevolgen hebben voor het zelfvertrouwen en daarmee geluk van de tiener.

Tieners idealiseren de wereld en hierdoor wordt het gat groter tussen ouders (worden bekritiseerd) en kind (stelt zich een ideale wereld voor).

Tieners gebruiken bij het vormen van besluiten niet de meest logische routes, leren moeilijker van fouten. Wegen de voordelen niet tegen de nadelen af.

Abstract, hypothetisch, denken moet getraind worden. Afgezonderde groepen komen niet tot de formele operationele fase.


Evaluatie van Piaget’s theorie


Zeer belangrijke invloed op onderwijs (individuele verschillen, gevoeliger voor de bereidheid van kinderen om te leren, ontdekkingsleren).

Kritiek op Piaget:



  • Piaget gaf niet aan hoe de verschillende resultaten van de stages tot een enkele, onderliggende vorm van gedachten leiden.

  • De meeste cognitieve vaardigheden zijn niet plotseling opeens beschikbaar maar gedurende eerdere fases ook aanwezig.


  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   15


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina