Samenvatting economie module 15



Dovnload 47.62 Kb.
Datum23.08.2016
Grootte47.62 Kb.
Samenvatting economie module 15


Sectoren

Ingaande geldstroom

Uitgaande geldstroom

Gezinnen

Y

C + B + S

Bedrijven

C + I + O + E

Y + M

Banken

S

I

Overheid

B

O

Buitenland

M

E

Het nationaal inkomen wordt gevormd door de binnenlandse productie:

Y = C + I + O + E – M

Y is ook gelijk aan de inkomensbesteding: Y = C + S + B

Het saldo op de lopende rekening is het overheidssaldo plus het particulier spaarsaldo (S).

De handelsquote is de exportquote plus de importquote. De import- of exportquote is het de waarde van de export / import gedeeld door het nationaal inkomen.

Het primair inkomen bestaat uit inkomen uit arbeid, eigen onderneming of uit vermogen. Het bruto (/secundair) inkomen is het primair inkomen plus alle toeslagen, subsidies, uitkeringen, enz. Het besteedbaar (/tertiair) inkomen is het bruto inkomen min alle verzekeringspremies en (directe) belastingen.

De gini-coëfficiënt is een cijfer tussen de 0 en 1 dat aangeeft hoe het inkomen in een land is verdeeld. Bij 0 is er sprake van volkomen gelijke inkomensverdeling, bij 1 juist volkomen ongelijk. Als B = de ruimte onder de grafiek en A = de ruimte boven de grafiek, dan is de gini-coëfficiënt A / A + B.

De AIQ is een verhouding tussen het arbeidsinkomen en het nationaal inkomen:

AIQ =

arbeidsinkomen

× 100% =

L × A

× 100% =

L × (Aw + Az)

× 100%

Y

P × Yr

P × Yr

Hierin is:

Y = nominaal nationaal inkomen Aw = aantal werknemers

L = loonkosten per arbeider Az = aantal zelfstandigen

A = aantal arbeiders (= Aw + Az) P = prijspeil

Yr = reële nationaal inkomen = productievolume

De arbeidsproductiviteit is Yr gedeeld door het aantal arbeiders.


Het stelsel van inkomstenbelasting bestaat in Nederland uit drie boxen. Box 1 heeft betrekking op de inkomsten uit arbeid en eigen woning, box 2 op inkomsten uit aanmerkelijk belang (in het geval een belastingplichtige meer dan 5% van het geplaatste kapitaal aandelen heeft in een vennootschap) en in box 3 wordt het vermogen belast door middel van een vermogensrendementsheffing.
Het begrip economische groei kan op twee manieren worden benaderd. In de meeste publicaties wordt economische groei gelijk gesteld aan de groei van de productie. Gelet wordt dan op de feitelijke toename van de productie, zoals die door het bbp wordt gemeten. Daarnaast wordt economische groei wel omschreven als de groei van de productiecapaciteit van een land. In dat laatste geval spelen de aanbodfactoren een beslissende rol. Daarbij gaat het uiteindelijk om de omvang en de kwaliteit van de productiefactoren. Hierbij leveren onderwijs en technische ontwikkeling de belangrijkste bijdragen voor economische ontwikkeling.

De omgevingsfactoren die in dit verband een belangrijke rol spelen, zijn het politieke en rechtssysteem, de bereidheid te innoveren en innovaties toe te passen en het vestigingsklimaat in brede zin. Voor de economische groei is naast de verandering in het aanbod van arbeid de groei van arbeidsproductiviteit van belang. Deze arbeidsproductiviteit wordt beïnvloed door de kwaliteit van de arbeid, die o.a. door scholing toeneemt. De arbeidsproductiviteit neemt ook toe door meer kapitaal per eenheid arbeid te gebruiken, de kapitaalverdieping. De belangrijkste factor is volgens het CBS echter de multifactorproductiviteit ofwel het meer kunnen produceren met de zelfde set van productiefactoren als gevolg van bijvoorbeeld technologische vooruitgang of behaalde schaalvoordelen.


In de theorie worden verschillende vormen van convergentie onderscheiden. Als het inkomen van verschillende landen naar elkaar toegroeit, onafhankelijk van hun verschil in startpositie, spreekt men van absolute convergentie. De verklaring voor het optreden van deze absolute convergentie zou zijn dat ook de structurele karakteristieken (zoals scholingsgraad, stand van de techniek en overheidsbeleid) naar elkaar toegroeien. In werkelijkheid blijkt deze verklaring onjuist en is er van convergentie in de laatste betekenis geen sprake.

Bij conditionele convergentie ligt het oorzakelijk verband anders. De veronderstelling is dat het inkomen per hoofd in landen met vergelijkbare structurele karakteristieken, los van de beginsituatie, op lange termijn naar elkaar zou toegroeien. Hierbij wordt bijvoorbeeld gewezen op de landen in de Europese Unie.

Een derde theorie stelt dat landen naar elkaar toegroeien als ze dezelfde structurele kenmerken hebben en er sprake is van een vergelijkbare beginsituatie. Deze convergentie zou dan gelden voor bepaalde clubjes landen. Dit wordt dan clubconvergentie genoemd. Tegelijk neemt men dan waar dat ten opzichte van andere clubjes landen er juist divergentie optreedt.
De conclusie van de convergentietheorie is dat op korte termijn landen met identieke structurele kenmerken door verstoringen of schokken van elkaar kunnen verschillen, maar op lange termijn naar het zelfde groeicijfer zullen tenderen. Voor de groep van OESO/landen lijkt dit een plausibele beschrijving, maar wie de inkomensverschillen in de wereld wil verklaren, zal toch meer ruimte moeten bieden voor de mogelijkheid van divergentie: rijke en arme landen verschillen ook op de lange termijn van elkaar en er zijn geen mechanismen die een convergentie op afzienbare termijn bewerkstelligen.
Samenvatting module 16




begrippen die gevraagd kunnen worden op het centraal examen


conjunctuurbeleid

Krimp

(Trendmatige) Groei

bezettingsgraad

nominale en reële economische groei.

productiecapaciteit

hyperinflatie

Prijsniveau

Inflatie

deflatie

Wisselkoersen (zwevend en vast)

Begrotingspolitiek

tekort

appreciatie

verkeersvergelijking




allocatiefunctie


herverdelingsfunctie

stabiliseringsfunctie

anti-cyclisch begrotingsbeleid

monetaire beleid









In de economie worden perioden van snelle economische groei afgewisseld met perioden van weinig groei of zelfs een daling van de productie.




De bezettingsgraad is een indicator waaraan je kunt zien in welke fase de conjunctuur van een land zich bevindt en hij geeft een idee over de waarschijnlijke ontwikkeling van de conjunctuur. De bezettingsgraad geeft weer welk deel van de productiecapaciteit daadwerkelijk wordt ingeschakeld voor productie. Een andere indicator voor de conjunctuur is de economische groei: de productie in een land neemt toe, want er worden in totaal meer goederen en diensten geproduceerd. Aangezien de waarde van het binnenlands product gelijk is aan de waarde van het binnenlands inkomen1, gaat een toename van de productie gepaard met een even grote toename van het inkomen. Er moet echter onderscheid worden gemaakt tussen nominale en reële economische groei. Met economische groei wordt de procentuele groei van het reële bbp bedoeld ten opzichte van de voorgaande periode (meestal een jaar). Daarnaast moet de feitelijke groei van het bbp worden onderscheiden van de trendmatige groei van het bbp.
Eind jaren tachtig van de vorige eeuw kampte Argentinië ook met hyperinflatie. De overheid streeft naar een stabiel prijsniveau en wil daarom geen prijsstijgingen (inflatie), maar ook geen prijsdalingen (deflatie). De oorzaken van inflatie zijn divers en hebben te naken met de vraagkant van de economie (bestedingsinflatie) en met de aanbodkant van de economie (kosteninflatie). Het CPI is in Nederland de maatstaf voor de inflatie. Het CPI is een gewogen gemiddeld prijsindexcijfer van een pakket van goederen en diensten. Als de prijzen stijgen, kun je met dezelfde hoeveelheid geld minder goederen kopen. Dit betekent dat de koopkracht (reële waarde) van het inkomen daalt. Inflatie die gedurende langere tijd hoger is dan in het buitenland tast de concurrentiepositie ten opzichte van het buitenland aan, zowel op de binnenlandse markt als op de wereldmarkt. Een voordeel van inflatie is dat schulden, zoals hypothecaire leningen, in reële zin minder waard worden en bij een stijgend nominaal inkomen dus gemakkelijker kunnen worden afgelost. Hyperinflatie betekent een dagelijkse stijging van de prijzen, hierdoor gaan consumenten sneller kopen vanwege de snel stijgende prijzen. Het kan ook betekenen dat consumenten overgaan tot een directe ruileconomie gebaseerd op goederen- en dienstenruil in plaats van een indirecte ruileconomie gebaseerd op geld.
Bij vaste wisselkoersen wordt de koers van een valuta binnen nauwe grenzen gehouden ten opzichte van andere valuta met vaste wisselkoersen. Dreigt de koers buiten die grenzen – de bandbreedte – te komen dan gaat de Centrale Bank over tot het kopen of verkopen van de eigen valuta, waarbij bijvoorbeeld dollars worden verkocht of gekocht. Vaste wisselkoersen hebben als voordeel dat er veel minder risico is in het internationale betalingsverkeer. Dit bevordert de internationale handel. Als een land zijn concurrentiepositie ziet verslechteren door een relatief hoge binnenlandse inflatie kunnen tekorten op de goederen- en dienstenrekening ontstaan. Om deze tekorten op te vangen moet er een overschot zijn op de kapitaalrekening. Dit overschot kan ontstaan door buitenlandse investeringen of beleggingen in dat land, maar zal bij tekorten op de lopende rekening vaker worden gefinancierd door buitenlandse leningen. Hierdoor ontstaat een buitenlandse schuld. Een devaluatie van de eigen valuta kan in dit geval de hoge binnenlandse inflatie compenseren en de concurrentiepositie verbeteren. Bij een systeem van zwevende wisselkoersen wordt de koers op de valutamarkt bepaald door vraag en aanbod. In theorie heeft de Centrale Bank geen rol bij de totstandkoming van de koers. Het nadeel van zwevende wisselkoersen is het koersrisico dat nu verbonden is aan internationale transacties. Daar staat tegenover dat een tekort op de lopende rekening van land A leidt tot een koersdaling die het tekort terugdringt. De import leidt immers tot aanbod van eigen valuta en vraag naar buitenlandse valuta. De export betekent dat het buitenland zijn valuta aanbiedt en de valuta van land A vraagt. Als de import groter is dan de export zal het aanbod van eigen valuta ( is vraag naar buitenlandse valuta) groter zijn dan de vraag naar eigen valuta (is aanbod buitenlandse valuta). De koersdaling van de eigen valuta (= koersstijging buitenlandse valuta) zorgt dan via het prijsmechanisme voor meer evenwicht op de lopende rekening.

Het tekort van de overheid


In Nederland heeft de centrale overheid de regie over de begrotingspolitiek. Daarmee is zij in Nederland als enige verantwoordelijk voor de overheidsfinanciën. In Argentinië is dat anders. De lagere Argentijnse overheden hebben zelfstandig invloed op de eigen financiën. Zo kunnen lagere overheden zelf geld op de kapitaalmarkt lenen om hun begrotingstekort te dekken. In de periode van 1992 tot 2001 liepen in Argentinië de overheidstekorten flink op, vooral door de tekorten van de provincies. Een begrotingstekort betekent dat de overheid van een land meer uitgaven heeft dan inkomsten. De overheid kan dat alleen doen als ze geld leent. Ze doet dit vooral door middel van het uitgeven van staatsobligaties. Staatsleningen moeten niet alleen worden afgelost, jaarlijks moet er ook rente worden betaald. Zolang de overheid tekorten heeft, moet ze óók de aflossingen betalen uit nieuwe leningen. Het begrotingstekort is dan het jaarlijkse tekort inclusief de aflossingen en geeft de financieringsbehoefte van de overheid aan. Landen met grote overheidstekorten lopen het risico dat de kapitaalmarkten niet langer bereid zijn die tekorten te financieren tegen de geldende rente. Voor deze landen wordt dan een hogere rente berekend, wat hun financieringsprobleem alleen maar groter maakt. In extreme gevallen moet de overheid van een land zelfs staatsleningen uitschrijven in een valuta waarin de internationale markten wel vertrouwen hebben. Voor Argentinië betekende dat in het verleden dat de staatsleningen in US-dollars luidden. Toen de vaste koers van de peso tegenover de US-dollar werd beëindigd en de koers van de peso daalde, nam de overheidsschuld in eigen valuta (peso) sterk toe. Het aflossen van dergelijke staatsschuld gaat dan gepaard met grote binnenlandse offers. Het verminderen van een begrotingstekort betekent vaak een combinatie van hogere belastingen en bezuiniging op overheidsvoorzieningen. Hier is sprake van ruilen over de tijd. Het tekort van de overheid werd niet gecompenseerd door een voldoende particulier spaarsaldo. De binnenlandse welvaart is in het verleden voor een deel gefinancierd met leningen. Nu komt de tijd van terugbetalen en moet een deel van de welvaart worden ingeleverd.

Loonstarheid


Bij een conjuncturele neergang blijken in werkelijkheid hoeveelheden veel meer te veranderen dan prijzen. Dit geldt bijvoorbeeld voor het bbp, de werkgelegenheid en de werkloosheid. Inflatie en lonen veranderen echter nauwelijks. Dit is niet in overeenstemming met de klassieke visie waarin een daling van de vraag naar arbeid zowel tot lagere lonen als een lagere werkgelegenheid leidt. Het evenwicht verschuift van A naar B. Er ontstaat alleen (extra) vrijwillige werkloosheid (Q1-Q2) van degenen die voor het geldende loon (P2) niet willen werken. Zie onderstaande figuur.

De werkelijkheid kan in de klassieke zienswijze alleen verklaard worden als wordt uitgegaan van een aanbodcurve van arbeid die bijna horizontaal verloopt. Het arbeidsaanbod zou dan sterk elastisch zijn. Alleen dan leidt een recessie vooral tot een daling van de werkgelegenheid en nauwelijks tot lagere lonen.


Uit onderzoek blijkt echter dat het arbeidsaanbod op kortere termijn in hoge mate inelastisch is. Een daling van de vraag naar arbeid zou volgens de klassieken in dat geval moeten leiden tot een forse loondaling. Maar dat gebeurt in werkelijkheid niet. Een verklaring voor deze tegenspraak tussen theorie en werkelijkheid kan mogelijk worden gevonden als er van uit wordt gegaan dat de lonen star zijn en niet snel reageren op veranderingen in de vraag naar arbeid. In combinatie met een inelastisch arbeidsaanbod op korte termijn leidt een lagere vraag naar arbeid dan niet tot lagere lonen, maar alleen tot minder banen. Er ontstaat nu onvrijwillige werkloosheid (zie Q1-Q3 in onderstaande figuur). Mensen willen werken tegen het geldende loon, maar kunnen geen werk vinden. Op langere termijn zijn de lonen niet meer star en is ook het arbeidsaanbod niet meer inelastisch. In dat geval werkt het marktmechanisme weer. Bij die langere termijn moet dan wel gedacht worden aan meer dan drie jaar



Van een currency board is sprake wanneer een monetaire instelling wettelijk verplicht is te zorgen voor:

  • Een vaste wisselkoers ten opzichte van een bepaalde buitenlandse valuta;

  • Een binnenlandse geldhoeveelheid die voor honderd procent gedekt is door reserves in de desbetreffende buitenlandse valuta.

In het verleden wilden landen die pas zelfstandig geworden waren vaak hun eigen valuta koppelen aan de valuta van het oorspronkelijke moederland om op die manier te profiteren van het vertrouwen in de sterke valuta van het moederland. In het verleden was het Engelse pond de meest gebruikte ankervaluta, ook de US-dollar en de euro (ten opzichte van enkele Oost-Europese landen) vervullen tegenwoordig soms die rol. In Argentinië werd in 1991 de Centrale Bank verplicht de peso tegen een vaste koers om te wisselen voor de dollar, in de verhouding 1 peso is 1 dollar.
De appreciatie van de peso als gevolg van de duurder wordende US-dollar was het gevolg van de currency board. Toch had de currency board ook voordelen. De inflatie, die ooit 4000 procent bedroeg, daalde tot onder de 10 procent. Een van de oorzaken hiervan was dat onder de currency board de begrotingstekorten van de overheid niet meer mochten worden gefinancierd door de centrale bank. Als de centrale bank overheidstekorten dekt door staatsobligaties te kopen, verleent ze de overheid daarmee financiële middelen. Dit wordt monetaire financiering genoemd, de geldhoeveelheid neemt in zo´n geval toe. Omdat onder de currency board iedere peso gedekt moest zijn door dollars, kon en mocht de centrale bank de overheid niet te hulp schieten. De overheid was nu gedwongen haar tekorten terug te dringen of tekorten in het buitenland te financieren, voor zover de Argentijnen zelf daar niet voor voelden. Het verband tussen de geldhoeveelheid en de inflatie wordt vaak in eenvoudige vorm weergegeven met de verkeersvergelijking van Fisher: MV = PT 2.
Hierin is M de geldhoeveelheid, V de omloopsnelheid van het geld (het aantal keren dat het geld gemiddeld in een periode van hand tot hand gaat), P het prijsniveau en T het volume van de tot stand gekomen transacties. Volgens Fisher zal op den duur een toename van de geldhoeveelheid M altijd leiden tot een stijging van het prijspeil. V is op korte termijn redelijk constant en T zal slechts tijdelijk kunnen stijgen. Bovendien ondermijnt een toename van de geldhoeveelheid het vertrouwen in het geld. De currency board droeg dus bij tot minder inflatie omdat de groei van de geldhoeveelheid in de hand werd gehouden. Er is een duidelijk onderscheid tussen de overheidsschuld en de buitenlandse schuld. De overheidsschuld is in feite een schuld van de belastingbetalers van een land aan de houders van staatsobligaties. Zij wordt onder normale omstandigheden uitgegeven in de eigen valuta van het land. Een deel van de schuld is vaak in handen van buitenlandse beleggers. Zij lopen dus een koersrisico op het moment dat de schuld wordt afgelost. Een buitenlandse schuld is een schuld van overheid, publiek en banken in eigen land aan overheden, banken, instellingen, bedrijven of gezinnen in een ander land. Als een deel van de staatsschuld in handen is van buitenlanders beleggers vallen staatsschuld en buitenlandse schuld voor dat deel samen.

Oplossingen


Inflatie kan niet direct door het marktmechanisme worden opgelost. Inflatie is immers (voor een deel) de reactie van de markt op vraagoverschotten op de markt. Dat geldt zowel voor de goederenmarkten als voor de markten van productiefactoren. Welke mogelijkheden zijn er dan wel? Inflatie is het gevolg van meer vraag dan aanbod op de goederenmarkten (bestedingsinflatie) of van tekorten op de markten van productiefactoren (kosteninflatie). Het ligt dan voor de hand om bestedingsinflatie te bestrijden door de vraag te beperken, omdat het aanbod in veel gevallen niet op korte termijn kan worden uitgebreid. Wanneer de inflatie vooral wordt veroorzaakt door te hoge consumptieve bestedingen van de gezinnen, kan de overheid via belastingverhoging het besteedbaar inkomen verlagen en daarmee de bestedingen terugdringen. Ook zou de centrale bank de rente kunnen verhogen, als gevolg waarvan banken een hogere rente op leningen zullen vragen. De daling van de kredietvraag die daar het gevolg van is, remt dan de bestedingen af. Als een overheid forse begrotingstekorten heeft en dus per saldo de nationale bestedingen stimuleert en daarmee inflatie veroorzaakt, ligt de oplossing voor de hand. Zij moet of bezuinigen op haar uitgaven of de belastingen verhogen, waarmee ze in het laatste geval weer de particuliere bestedingen vermindert. In het geval de overheid haar tekorten monetair financiert – bijvoorbeeld door staatsobligaties te verkopen aan de centrale bank, die de waarde vervolgens bijschrijft op een rekening van de overheid bij die centrale bank – wordt het probleem alleen maar groter. De geldhoeveelheid in dat land neemt immers toe en dit zou op den duur altijd leiden tot inflatie, omdat tegenover dezelfde hoeveelheid goederen nu meer geld staat. Om inflatie te bestrijden, moet monetaire financiering dus worden vermeden. Bij kosteninflatie zijn minder gemakkelijk maatregelen te nemen. Als deze inflatie het gevolg is van tekorten op de factormarkten zouden deze tekorten moeten worden aangepakt. Maar vergrijzing die via minder aanbod op de arbeidsmarkt leidt tot hogere lonen kan niet gemakkelijk worden gecompenseerd. En hogere energie- en grondstofprijzen die het gevolg zijn van een stijgende vraag van sterk groeiende landen als China en India kunnen niet eenvoudig via een vergroting van het aanbod worden voorkomen. Bovendien spelen op de arbeidsmarkt gedeeltelijk institutionele factoren. Sociale wetten leiden tot minimumlonen, AOW-uitkeringen en WIA-uitkeringen. Een toename van het aantal uitkeringsgerechtigden leidt, via hogere sociale premies, tot hogere lonen. Daar staat geen productiviteitsverbetering tegenover. En een verhoging van het minimumloon op sociale gronden heeft hetzelfde effect. Loonmatiging, waarbij de loonstijging achterblijft bij de productiviteitsstijging, kan dan een middel zijn om loonkosteninflatie te voorkomen.
Onder het begrotingsbeleid verstaan we de maatregelen die de overheid neemt om bepaalde economische doelen te bereiken via haar begroting. Bij dit beleid kunnen de uitgaven worden vergroot of verkleind of de belastingen kunnen worden verhoogd of verlaagd. De overheid kan haar begrotingspolitiek ook inzetten voor het stimuleren van het openbaar vervoer ten koste van het wegennet of de belastingen gebruiken om de inkomensverdeling te beïnvloeden. De overheid kan, ten slotte, met haar begroting de economie stimuleren of juist proberen wat af te remmen. Er is achtereenvolgens sprake van de allocatiefunctie, de herverdelingsfunctie en de stabiliseringsfunctie van de overheid. In deze paragraaf beperken we ons tot die laatste functie. De overheid beïnvloedt via haar stabiliseringsfunctie, allocatiefunctie en herverdelingsfunctie de economie van een land. Bij het bestrijden van een recessie of het afremmen van de economie bij overbesteding gaat het om de stabiliserende functie van de overheid. Waar de Klassieke economen van mening waren dat het marktmechanisme uiteindelijk weer voor evenwicht zou zorgen, leerde de depressie van de jaren dertig van de vorige eeuw dat een dergelijk evenwicht samen kon gaan met een omvangrijk verlies aan productie en grote werkloosheid. Onder invloed van John Maynard Keynes (1883-1946) werd duidelijk dat de economie zich niet vanzelf herstelde en dat een actieve rol van de overheid gewenst was. Die rol hield in dat er een anti-cyclisch begrotingsbeleid moest worden gevoerd. In (te) goede tijden moest de overheid haar eigen uitgaven beteugelen en de belastingen verhogen om de particuliere bestedingen terug te dringen. Dit moest dan leiden tot een begrotingsoverschot. In slechte tijden koos de overheid dan voor het tegenovergestelde. Zelf moet de overheid dan meer besteden en door de belastingen te verlagen de gezinnen en bedrijven ruimte te geven voor extra bestedingen. Het overheidstekort dat hierdoor zou ontstaan, kon worden opgevangen met de overschotten uit de goede tijden. Ondanks successen van dit beleid bleken er in de praktijk ook problemen te ontstaan. Zo was vaak niet duidelijk in welke fase van de conjunctuurgolf de economie zich nou precies bevond, waardoor het ingrijpen door de overheid soms plaatsvond als de economie alweer uit het dal kroop. Bovendien bleek het voor de politiek heel moeilijk haalbaar om in goede tijden extra belastingopbrengsten niet direct uit te geven aan allerlei nuttige overheidsvoorzieningen. Het gevolg hiervan was dat de tekorten niet werden gecompenseerd en via de uitgifte van staatsleningen leidde dit tot een groeiende staatsschuld. Toch is, onder invloed van de diepe economische recessie van 2008-2009, weer meer begrip gekomen voor overheidsingrijpen als de markt het laat afweten.
Het monetaire beleid in Nederland wordt niet langer gevoerd door de Nederlandse centrale bank (DNB) maar door de Europese centrale bank in Frankfurt (ECB). Het hoofddoel van de ECB is prijsstabiliteit. Zij heeft daarvoor verschillende monetaire instrumenten. We beperken ons hier tot het rentebeleid van de ECB en de invloed die de ECB direct uitoefent op de geldhoeveelheid. De ECB bepaalt de rente waartegen Europese banken bij haar geld kunnen lenen. De banken op hun beurt passen veel van hun rentetarieven aan als de ECB de rente verhoogt of verlaagt. Een rentestijging door de ECB leidt dus tot hogere rentetarieven voor gezinnen en bedrijven die geld willen lenen. Omdat een hogere rente het lenen onaantrekkelijker maakt, kan de ECB op deze wijze de particuliere bestedingen beïnvloeden. De ECB kan ook de banken ruimere kredietmogelijkheden bieden. De banken beschikken dan over meer ruimte voor kredietverlening aan bedrijven of gezinnen. De ECB let daarbij op de geldhoeveelheid binnen de Eurozone. Ze onderscheidt daarbij verschillende soorten geld. Al het beschikbare chartale geld en de direct voor betaling beschikbare banktegoeden (het girale geld) voor zover in handen van gezinnen en bedrijven noemt men M1 (de primaire geldhoeveelheid). Telt men hier nog bij de banktegoeden op die op korte termijn en zonder veel kosten kunnen worden omgezet in direct voor betaling beschikbaar geld dan spreekt men over M3 (de liquiditeitenmassa, dus M1 plus de secundaire liquiditeiten). In een eerdere analyse is al een verband gelegd tussen de geldhoeveelheid en het prijsniveau, via MV = PT. Een te sterke groei van M3 kan dus gemakkelijk leiden tot inflatie. Om die reden houdt de ECB de geldhoeveelheid in het oog. Inflatie is volgens de econoom Milton Friedman uiteindelijk altijd een monetair verschijnsel. Zoals wordt bevestigd door een aantal empirische studies bestaat er over het algemeen verband tussen lange perioden van hoge inflatie en hoge monetaire groei. Andere factoren (zoals schommelingen in de totale vraag, technologische veranderingen en externe schokken) kunnen de prijsontwikkeling binnen een korte periode beïnvloeden. Deze effecten kunnen soms worden beperkt door aanpassing van het monetair beleid. De wisselkoers komt tot stand op de valutamarkt onder invloed van vraag en aanbod. Vraag en aanbod worden voor een deel bepaald door het goederen- en dienstenverkeer met het buitenland en daarnaast door het kapitaalverkeer. Het goederen- en dienstenverkeer wordt sterk beïnvloed door de concurrentiepositie die weer afhankelijk is van kwaliteit en prijs. Een relatief hoge inflatie kan dan, via weinig export en veel import, leiden tot minder vraag naar de valuta dan aanbod en dus een lagere koers. Hiermee is de binnenlandse geldontwaarding, die het gevolg is van de inflatie, via een lagere wisselkoers in feite gecorrigeerd voor het buitenland. Bij een voldoend lagere koers heeft het buitenland immers geen last meer van die inflatie. Bij het kapitaalverkeer zijn de investerings- en beleggingsmogelijkheden in het buitenland van belang. Investeringen of beleggingen in een land met een hoge inflatie lijken daar in eerste instantie niet onder te leiden. Het vermogen wordt in het algemeen niet in dat land besteed en de belegger wordt dus niet geconfronteerd met hogere prijzen. Toch wordt investeren in een dergelijk land minder aantrekkelijk vanwege de grotere onzekerheid die samengaat met hoge inflatie. Bovendien lopen investeerder en belegger een koersrisico omdat landen met relatief veel inflatie hun wisselkoers op termijn zien dalen. Tot slot wordt de koers ook bepaald door speculatief kapitaalverkeer, waarbij het doel is om op korte termijn te profiteren van koersfluctuaties. Vaste wisselkoersen veronderstellen aanvullende maatregelen van centrale banken. Als door een (tijdelijk) tekort op de betalingsbalans de koers van de valuta van een land te veel daalt en buiten de bandbreedte dreigt te komen, kan de centrale bank het aanbodoverschot van eigen valuta opkopen met, bijvoorbeeld dollars, en zo de koers steunen. Dit veronderstelt wel dat de centrale bank over voldoende buitenlandse valuta (deviezen) beschikt. Hebben de tekorten op de betalingsbalans een blijvend karakter, dan ligt een aanpassing van de vaste wisselkoers voor de hand. Een devaluatie, waarbij de spilkoers ten opzichte van andere valuta daalt, corrigeert dan tegenover het buitenland het te hoge binnenlandse prijspeil.

1 alle inkomen ontstaat immers bij de verdeling van de productiewaarde

2 Ook bekend als MVY = pY, waarin VY de inkomensomloopsnelheid van het geld is en Y het reële binnenlands inkomen




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina