Samenvatting Geschiedenis Hoofdstuk 1: De tijd van jagers en boeren



Dovnload 132.4 Kb.
Pagina1/3
Datum24.07.2016
Grootte132.4 Kb.
  1   2   3
Samenvatting Geschiedenis
Hoofdstuk 1: De tijd van jagers en boeren
Rond 10.000 voor Christus kwam er een einde aan de laatste ijstijd en vond in het Midden-Oosten de landbouwrevolutie plaats, waardoor mensen gingen leven in een landbouwsamenleving. Ze gingen graan verbouwen en geiten, schapen, varkens en runderen houden. Ze trokken niet langer rond, maar leefden op een vaste plaats. Rond 3000 voor Christus leefden de meeste Europeanen in een landbouwsamenleving. De prehistorische boeren hebben de hunebedden nagelaten, die vanaf 3500 voor Christus in Drenthe en omgeving werden gebouwd. Hunebedden waren grafkamers van belangrijke doden. Deze prehistorische boeren hadden dus een cultuur met voorouderverering en geloof in een hiernamaals.


    1. Het leven van jagers en verzamelaars

De jagers en verzamelaars leefden in kleine groepjes zo tussen de 10 en 25 mensen.


Als er op 1 plek niet meer genoeg voedsel was, vertrokken de jagers en verzamelaars.

De mannen gingen op jacht, en de vrouwen hadden de zorg voor de kinderen en zij zochten ook voedsel zoals paddenstoelen, bessen en knollen. De jagers en verzamelaars hebben waarschijnlijk heel veel afgeweten van de natuur, ze wisten bijvoorbeeld op welke plek en in welk seizoen het meeste voedsel te vinden was.

De jagers en verzamelaars waren niet alleen erg slim ze waren ook heel erg handig.
Van vuursteen maakten ze messen, pijlpunten en krabbers. Van botten en van het gewei van een edelhert werden priemen, bijlen en andere werktuigen gemaakt. Vezels van moerasplanten werden gebruikt om touw, fuiken en manden van te maken. Er werden grotschilderingen gemaakt. Ze sneden beeldjes uit bot en uit hout.

Ötzi werd in 1991 gevonden in de Ötztaler Alpen. Zijn lichaam had al die tijd in het ijs gelegen en was zo bewaard gebleven. He stuk brood (einkorn) dat in zijn darmen gevonden werd, wijst erop dat Ötzi contact had met landbouwers.



1.2 Het ontstaan van de landbouw
Rond 10.000 v.C veranderde de leefwijze van de mensen. De jagers en verzamelaars trokken niet meer rond. Het werden boeren. Dit was zo’n grote overgang dat we spreken van een landbouwrevolutie. De landbouwrevolutie begon in de Vruchtbare Halvemaan. Dat is een gebied dat zich uitstrekt van het Nijldal naar Israel, Libanon, Jordanië, Syrië en Irak. In deze verschillende gebieden groeiden verschillende graansoorten. Deze graansoorten werden eerst verzameld door de Nomaden. Met de kennis die ze opdeden over deze planten, gingen ze de zaden zelf planten. In het begin waren deze agrarische producten een aanvulling op het verzamelde en gejaagde voedsel, maar uiteindelijk werden ze de belangrijkste voedselbron. De landbouwers gingen ook runderen, geiten en schapen die in het wild liepen, temmen. Brood en melk kwamen op het menu.

Van verzamelaars werden de prehistorische mensen voedselproducenten. Ze waren niet meer afhankelijk van wat ze vonden, maar brachten het land in cultuur en kregen zo meer greep op de natuur.

De landbouwsamenleving verschilde helemaal met de samenleving van de jagers en verzamelaars. Boeren trokken niet meer rond, maar woonden in dorpen bij hun akkers. De landbouw stimuleerde uitvindingen en ontdekkingen, waardoor de productie geleidelijk toenam. Ze vonden het wiel en de ploeg uit. Ze kwamen erachter dat je klei kon bakken en zo konden ze potten van aardewerk maken waarin ze hun voorraden konden bewaren. Ze volgden de bewegingen van de zon en de maan, en op basis daarvan maakten ze de eerste kalenders. Hierdoor wisten ze wanneer het de beste tijd was om te zaaien en te oogsten.
1.3 De eerste steden


Ieder jaar overstroomden de rivieren De Eufraat en de Tigris. Dit was het gevolg van de smeltende ijskappen in het Noorden. De slib die achterbleef was zeer geschikt voor de landbouw. De boeren bouwden dijken om de overstromingen onder controle te krijgen. Iets verder van de rivier af bouweden ze irrigatiesystemen. Op een gegeven moment gingen de boeren meer produceren, dan dat ze voor eigen gebruik nodig hadden.

Twee belangrijke gevolgen hiervan waren:


- Andere boeren konden zich specialiseren op ander gebied, zoals het maken van gereedschap en kleding

- Handeldrijven met de overschotten

Hierdoor ontstonden sociale verschillen. Door de toename van de landbouwproductie konden ook steeds meer mensen in een klein gebied wonen. Sommige dorpen groeiden uit tot steden.

In een gewonen landbouwnederzetting woonden ongeveer 400 mensen.


Na Jericho en Cantal Hüyük volgden er meer stedelijke beschavingen. Een stedelijke beschaving is een ontwikkeling van gewoonten, gebruiken, technische kennis, omgangsvormen, maatschappelijke verhoudingen, etc.

In Somerië lag een tempel. Priesters voerden vanaf hier rituelen uit, coördineerden het irrigatie systeem en hielden toezicht op de verdeling van het graan en op de handel.


Begrippen hoofdstuk 1


Agrarisch; Heeft betrekking op de landbouw. Landbouw wordt tegenwoordig onderverdeeld in akkerbouw, veelteelt, tuinbouw en bosbouw. Graan en vlees zijn agrarische producten. Boeren werken in den agrarische beroepensector.

Cultuur; oorspronkelijk betekend het woord cultuur het verbouwen van gewassen. Natuur wordt daarmee in cultuur gebracht. Tegenwoordig wordt er ook beschaving mee bedoeld, de totale manier van leven, doen en denken van de mens. Zoals; taal, godsdienst, eten, normen en waarden. In beperkte zin heeft cultuur betrekking op kunt, ontspanning en vermaak.


Samenleving van jagers en verzamelaars;

Samenleving van nomaden die leven van wat ze vinden in de natuur. Ze jagen, vissen en verzamelen voedsel. De jagers en verzamelaars leefden in kleine groepje van enkele tientallen. Gedurende het grootste deel van de prehistorie leefden mensen als jagers en verzamelaars.



Landbouwsamenleving; Samenleving waarin de landbouw een overheersend middel van bestaan is en waarin steden met handel en ambachten vrijwel niet verkomen. In het Midden - Oosten ginge jagers en verzamelaars van 10.000 v.C aan landbouw doen.

Landbouwrevolutie; ingrijpende verandering waarbij mensen op de landbouw overgaan van een samenleving van jagen en verzamelen naar een landbouwsamenleving.

Steden; Plaatsen waar grotere groepen mensen bijeenwonen, afgescheiden van het platteland. Voor de moderne tijd gebeurde die afscheiding vaak door middel van een muur of wal. Steden hadden vaak een eigen bestuur en munt. In steden ontstond al snel een arbeidsverdeling. Een deel van de stadbewoners hield zich niet bezig met de voedselproductie.

Hoofdstuk 2: De tijd van Grieken en Romeinen
De tijd van 3000 voor Christus t/m 500 na Christus kunnen we opdelen in de oudheid en in de tijd van de Grieken en de Romeinen. In deze lange periode hebben veel hoogontwikkelde culturen bestaan. Vanaf 3000 voor Christus ontstonden er hoog ontwikkelde culturen. Vooral langs grote rivieren, zoals de Nijl, de Tigris, de Eufraat en de Indus. In de vruchtbare rivierdalen ontwikkelden landbouwsamenlevingen zich tot landbouw stedelijke (agrarisch-urbane) samenlevingen.
Er ontstonden stadsstaten, bestuurd door vorsten, vaak met zowel politieke als religieuze macht. Kenmerkend voor deze culturen waren de sociale hiërarchie, de polytheïstische godsdiensten (godsdiensten met meerdere goden) en het gebruik van het schrift.

Na de verovering van het Perzische rijk onder leiding van Alexander de Grote, ontstond een Grieks – Perzische cultuur (hellenisme). Andere culturen die in opkomst waren, waren het Hindoeïsme, het Boeddhisme en het grote keizerrijk van China. De Chinese Muur werd gebouwd tegen invallen van de nomadische Hunnen.

Rond het jaar 2.000 v.C ontstond op Kreta de Minoïsche cultuur. Dit was de eerste hoge ontwikkelde beschaving van Europa. Op het vaste land van Griekenland was er de Myceense cultuur van de ‘oude’ Grieken. In deze tijd spelen de verhalen die Homerus opschreef in de Ilias en de Odysee. Vanaf deze tijd stichtten de Grieken ook kolonies in Italië, langs de Zwarte zee en het oosten van de Middellandse Zee, waardoor de Griekse cultuur in een groot gebied verspreid raakte.

In de 2e eeuw voor Christus werd Griekenland bij het Romeinse rijk getrokken.

Het Romeinse rijk groeide en groeide. Rome groeide in de 4de en 3de eeuw voor Christus uit tot een groot imperium dat heel Italië beheerste. Na Italië verlegde de Romeinen hun grenzen aan alle kanten. Rond 117 na Christus was het Romeinse rijk op z’n grootst. Er kwamen steden met een landbouwstedelijke samenlevingen en een geldeconomie.

Er kwam volksverhuizingen op gang en veel Germaanse volken trokken naar het Romeinse rijk, waardoor het westen in verval raakte. Daarom benoemde keizer Constantijn het Griekse Byzantium tot de hoofdstad Constantinopel (rijk van Constantijn). In 395 splitste het Romeinse rijk in een Oostelijk gedeelte en in een Westelijk gedeelte. Constantijn bekeerde zich tot het christendom, dat de officiële godsdienst van het rijk werd.

Vanaf 57 voor Christus kwamen de Romeinen naar Nederland. Ze veroverden Nederland tot aan de Rijn. Tussen 50 voor Christus en 12 voor Christus vestigden de Bataven en de Canninefaten zich in Nederland. Andere volkeren in Nederland waren de Kelten, de Franken, de Friezen en de Saksen.


2.1 Wetenschap en politieke in de Griekse stadsstaat


Hellas, zo noemde de Grieken hun leefwereld, was niet een centraal geregeerd rijk, maar onderverdeeld in verschillende stadsstaten (poleis). Het was een landbouwstedelijke samenleving. De stadstaten waren niet echt groot, hoogstens met een paar duizend inwoners, behalve Athene telde in den 5e eeuw voor Christus al 250.000 inwoners.

Alle stadsstaten hadden een eigen leger, eigen munten en een onafhankelijk bestuur. Er waren veel verschillende regeringsvormen, zoals een monarchie (een koning), een tirannie, een aristocratie (regering van de besten, families), oligarchie (een paar mannen) of een democratie (volk). De regeringsvormen wisselden elkaar vaak af, tot Kleistenes de macht greep. Hij voerde in 507 voor Christus de democratie in en gaf de al bestaande volksvergaderingen (ekklesia) de hoogste macht. De ekklesia zorgde voor stemrecht van alle vrije Atheense mannen en iedere burger kon voortaan deelnemen aan de volksvergadering en meebeslissen. Vrouwen, kinderen en slaven (de grote meerderheid), waren van het burgerschap afgesloten. De ekklesia besliste over wetten, koos de militaire commandant en andere leiders en controleerde de ambtenaren en bestuurders. Als er een nieuwe wet moest komen, moesten er meer dan 6.000 mannen aanwezig zijn. Iemand die zo’n menigte toe wilde spreken, moest een goede spreker zijn, dus gingen velen bij een sofist (een rondtrekkende filosoof) in de leer.

De democratie hield bijna 200 jaar stand. Maar voor de Grieken was democratie niet het beste politieke systeem. Het duidelijkste alternatief was Sparta, dat een strak georganiseerde, militaire aristocratie was. De grote filosofen voelden meer voor een oligarchie of een aristocratie. De filosoof Socrates vond dat de democratische leiders geen andere keus hadden dan hun principes te verloochenen en de mensen naar de mond te praten. Plato een leerling van Socrates vond de democratie de dictatuur van de armen. Zijn ideaal beeld was een republiek waarin den filosofen de macht hadden.

Toch ontstond de filosofie buiten Athene. De filosofen gingen op een wetenschappelijke manier nadenken over de natuur. Filosofen betekend letterlijk ‘liefhebbers van de wijsheid’. Waar de Griekse filosofen zich mee bezighielden, zijn nu allemaal aparte takken van wetenschap: biologie, astronomie, natuurkunde, wiskunde en politicologie.



2.2 Het Romeinse Imperium


Rome werd gesticht in 754 voor Christus. De Romeinen gingen vanaf de 5de eeuw v.C steeds meer gebieden veroveren, zo werd het Romeinse rijk groter. Rome was nog een republiek, maar steeds meer krijgsheren trokken de macht naar zich toe. De meest succesvolle was Julias Caesar. Ceasar greep in 48 voor Christus de alleenheerschappij.

In 27 voor Christus stichtte zijn opvolger Augustus een keizerrijk. Daarin was het militaire leger erg belangrijk, om de grens te verdedigen van wel duizenden kilometers lang. In het noorden van Brittanie liet keizer Hadrianus een 130 km lange muur bouwen om het rijk te beschermen tegen de ‘barbaren’. Binnen het Imperium Romanum heersten welvaart, rust en vrede: de pax romana.

De Romeinen hadden een paar dingen waar ze echt in uitblonken, zoals hardheid, taaiheid, discipline en organisatie.

Door hun organisatiekracht maakten ze van hun enorme rijk een geordend en stabiel bouwwerk. Het rijk werd geregeerd vanuit een centraal punt: Rome. In de provincies regeerden gouverneurs vanuit provinciehoofdsteden, die de Romeinen in het hele rijk hadden gesticht. De gouverneurs hieven belasting, zo kon het leger worden betaald. Ook werden er verharde wegen mee aangelegd.

Er ontstond een samensmelting van 2 culturen, een Grieks-Romeinse mengcultuur, waarin Romeinse hardheid en Griekse fijnzinnigheid waren gecombineerd. De Romeinen hadden diep respect voor de Griekse cultuur. Er moesten verschillende mensen vanuit Griekenland naar het Romeinse rijk komen, zoals artsen, schrijvers, beeldhouwers en bouwmeesters. De Romeinen gingen alles nabootsen van de Grieken.
Overal waar de Romeinen kwamen, bouwden ze aquaducten, bruggen, amfitheaters en triomfbogen. Op kruispunten van wegen stichtten ze steden volgens een Romeins recept, namelijk met een marktplein (forum), tempels in Griekse stijl gebouwd en straten in ‘schaakbordpatroon’ (bijvoorbeeld Keulen). De Romeinen waren tolerant tegen over ander culturen. Onderworpen volken mochten hun cultuur en godsdienst handhaven. Maar dat betekende niet dat ze door de Romeinen werden beïnvloed. Het leger bevorderde de romanisering. De grens tussen het Romaanse en het Germaanse rijk komt ook bijna overeen met het taal gebruik van de Romeinen en Grieken.
2.3 De Griekse – Romeinse cultuur

De Griekse kunst was in het begin zeer beïnvloed door de Egyptische kunst. De kunstwerken waren vaak zonder rondingen en stijf. De Grieken ontdekten dat ze veel meer konden doen met de beelden om ze levendiger te maken, zoals bijvoord een glimlach beeldhouwen of de benen wat losser van de grond maken, armen in een andere stand beeldhouwen. De afbeeldingen die ze maakten waren goden dus ze moesten perfect zijn. De perfectie werd dan ook gezien als goddelijk. De mooiste beelden werden gemaakt in de 5e eeuw voor Christus. Dit wordt ook wel de klassieke periode genoemd.

Robuust en sober  In de 7e eeuw voor Christus werden er tempels gebouwd in Dorische stijl

Ionische stijl  Later werden de beelden vrolijker, ranker en van boven tot onder versierd

In 447 voor Christus werden tempels en gebouwen weer opgebouwd. Er moesten mooiere en ook vooral grotere gebouwen komen. Beeldhouwer Phidias en de 2 bouwmeesters Kallicrates en Ictinos kregen de opdracht om een tempel te bouwen voor Athena (godin) op de Akropolis.
In het begin konden de Romeinse kooplieden de vraag naar Griekse beelden maar net aan. Daarom bedachten handige zakenlieden om in Rome ateliers in te richten waar goede beeldhouwers Griekse ‘originelen’ konden produceren. Daardoor weten wij hoe de Griekse beelden eruit zagen, want veel oorspronkelijke beelden zijn verloren gegaan.

Op een gegeven moment ontwikkelden de Romeinen een eigen stijl. De Griekse beeldhouwers gingen voor een ideaal, maar de Romeinse beeldhouwers gingen realistische portretten beeldhouwen.


De Romeinen leverden ook knappe prestaties op het gebied van de bouwkunst.

In bijna iedere Nederlandse stad is wel een gebouw te vinden met een klassiek uiterlijk.


2.4 Romeinen en Germanen
Caesar veroverde tussen 58 en 52 voor Christus heel Gallië en een deel van Germanië. In 12 voor Christus trokken de Romeinse troepen Nederland binnen. Keizer Augustus wilde het rijk uitbreiden tot aan de Elbe. Maar in 9 na Christus werd het Romeinse Leger in de pan gehakt door Germaanse stammen. Daarom trokken de Romeinen zich terug, de Rijn bleef 400 jaar de grens.

Germanen deden aan landbouw en dreven handel in het grensgebied met de Romeinen, aan wie ze ondermeer huiden leverden. Romeinen noemden alle volken waarvan ze de taal niet kenden of de cultuur niet begrepen, barbaren, zo dus ook de Germanen.

Romeinen keken op de Germanen neer, maar hadden ontzag voor hun onverschrokkenheid. Toen de grens zo in verval raakte trokken de Germaanse krijgsheren en hun volgelingen het rijk binnen. Zij stichtten daar eigen koninkrijken en gingen de oorspronkelijke bevolking overheersen. De Germanen bewonderden de Romeinen, en wilden hun cultuur niet vernietigen, maar overnemen; ze namen de Romaanse talen en gewoonten over.
2.5 Jodendom en Christendom
Het Joodse volk weigerde de Romeinse keizer als een god te vereren. In hun godsdienst was plaats voor één god: Jahweh. Monotheïstisch godsdiensten zijn geloven met één god (Jodendom, Christendom en Islam). Abraham zag volgens die geschiedenis als eerste in dat er maar één God was die hemel en aarde had geschapen. Abraham zou een nomade zijn geweest die op aanwijzing van God terechtkwam in Kanaän (Israël/Palestina). Abrahams nakomelingen trokken, mogelijk vanwege hongersnood, naar Egypte. Ze woonden en werkten daar tot de Farao hen tot slavernij dwong. Onder leiding van de profeet Mozes gingen ze in de 13e eeuw v.C. terug naar ‘het beloofde land’ Kanaän. Op de berg Sinaï ontving Mozes de tien gebeden die later ook voor de Christenen gingen gelden.
Rond 1000 voor Christus verenigden de joodse stammen zich in het koninkrijk Israël, onder de koningen Saul, David en Salomo. Maar het koninkrijk viel in 926 voor Christus uiteen, een deel ging Juda heten. De inwoners werden Judeërs (joden) genoemd. In de Tenach staat: ‘maar ooit, zou de Messias komen die hen zou verlossen van vreemde overheersers’.

De bijbel is het heilige boek van de Christenen die bestond uit het oude testament (de Tenach) en de nieuwe testament ( evangeliën).


Tussen 26 en 30 na Christus trok volgens de Bijbel in Judea en het noordelijker gelegen Galilea een man (Jezus van Nazareth) rond die naastenliefde predikte en het opnam voor armen en zieken. In 30 na Christus arresteerden de Romeinen hem.

Zij kruisigden hem en hij werd begraven in een grot. Maar hij stond na drie dagen weer op. In het begin van de 2e eeuw na Christus werden de volgelingen van Christus voor het eerst Christenen genoemd. Geleidelijk ontstond een onoverbrugbare kloof tussen Jodendom en Christendom. 


De eerste volgelingen van Christus vormden een stroming binnen het jodendom. In het begin van de 2e eeuw na Christus werden de volgelingen van Christus voor het eerst christenen genoemd. Geleidelijk ontstond een onoverbrugbare kloof tussen jodendom en christendom.


De christenen werden in het Romeinse rijk vervolgd omdat ze de keizer niet vereerden. In 312 gaf keizer Constantijn de christenen godsdienstvrijheid. Hij bekeerde zich tot christendom en keizer Theodosius I verhief het in 394 zelfs tot een staatgodsdienst en verbood de andere godsdiensten. Constantijn organiseerde concilies (kerkelijke bijeenkomsten) waarbij de bisschoppen een geloofsbelijdenis en een orthodoxe geloofsleer vast moesten leggen. 

Begrippen hoofdstuk 2
Christelijke jaartelling: De in 525 door paus Johannes 1 ingestelde jaartelling, warbij de jaren tellen vanaf het jaar waarin Christus geboren zou zijn (jaar 1). Het Latijnse anno Domini (afgekort AD) betekent: in het jaar van onze Heer.
Joodse jaartelling: Jaartelling van joden, waarin de jaren tellen vanaf het jaar waarin God de wereld zou hebben geschapen, volgens de christelijke jaartelling in 3760 voor Christus.
Landbouwstedelijke samenleving: Synoniem: agrarisch-stedelijke of agrarisch-urbane samenleving. Een samenleving waarin de meerderheid van de bevolking op het platteland woont en in de landbouw werkt; een minderheid woont in steden, die centra van handel en nijverheid en bestuurcentra zijn. In de grote rijken van de oudheid en in de Griekse stadsstaten waren landbouwstedelijke samenlevingen.

Hoofdstuk 3: De tijd van monniken en ridders
3.1 De opkomst van de islam
In 610 na Christus wilde de Arabische koopman Mohammed in wanhoop van een berg springen, toen hij een stem uit de hemel hoorde die hem opriep om Allahs woord door te geven. Vanaf die dag kreeg Mohammed visioenen waarin hij God meende te horen spreken. De profeet zei dat wat hij van Allah te horen kreeg hardop, en na zijn dood werden al deze dingen opgeschreven in de Koran. Zo ontstond de islam.
De overeenkomsten met het christendom en Jodendom waren dat alle drie leerden dat er èèn god is, die kan worden gekend via de openbaring in een heilig boek, ze geloofden in een individueel leven na de dood, waarin goeden en slechten gescheiden worden en het geloof gaf normen van goed en kwaad. Volgens de Koran was Allah dezelfde die zich eerder via Mozes (voor de joden) en via Jezus (voor de christenen) bekend had gemaakt.
De islam was een universele godsdienst. Dat betekent dat zij zich richtte tot de hele mensheid. De moslims waren verplicht om de islam te verbreiden.
Mohammed werd in 62 verdreven uit Mekka en vestigde zich in Medina, een gebeurtenis die het begin is van de islamitische jaartelling. In Medina kreeg Mohammed de politieke macht, zodat dit de eerste islamitische staat werd.
In 630 veroverde Mohammed zonder bloedvergieten Mekka. Na de dood van Mohammed veroverde de islam een ontzettend groot gebied. Ook in Europa drongen ze door. Daar werden ze na lange tijd weer teruggedreven maar de Turken hadden de islam overgenomen en maakten deel uit van Europa. In Europa zouden altijd moslims blijven.
De passie waarmee de islam streed werd bevorderd door de beloning die hen wachtte: wie in de heilige oorlog (jihad) sneuvelde, ging rechtstreeks naar het paradijs.
De moslims stonden het heidendom niet toe, maar waren tegenover christenen en joden erg tolerant.
3.2 Hofstelsel en horigheid
In vergelijking met de islamitische wereld maakte Europa in de vroege middeleeuwen een armzalige indruk. Van het Romeinse rijk waren alleen nog ruines over. Steden en wegen waren bijna verdwenen. Handel was er bijna niet meer. De gekrompen bevolking leefde op het platteland.
Toch waren de nog bestaande steden van levensbelang. Het waren de centra van waaruit het rijk werd georganiseerd, van waaruit handel werd bedreven en de cultuur bloeide. De landbouwsamenleving was grotendeels autarkisch, dat betekent dat mensen leefden van de opbrengst van het eigen land en consumeerden het grootste deel zelf. Het was een karig bestaan, honger en gebrek lagen altijd op de loer. En de boeren werden overheerst, onderdrukt of zelfs geterroriseerd door de adellijke heren van wie ze afhankelijk waren.
De horigheid ontstond in de nadagen van het Romeinse Rijk. In de 4e eeuw daalde de agrarische productie dramatisch. Om een verdere daling te voorkomen werd het boeren verboden hun grond te verlaten. Boeren voelden zich gedwongen oom zich onder bescherming te stellen van grootgrondbezitters. In ruil voor die bescherming gingen ze allerlei verplichtingen aan. Zo ontstond ook het hofstelsel. Daarbij had de grootgrondbezitter op zijn landgoed (domein) een centrum, het hof, van waaruit hij zijn gehele gebied beheerste. Dit domein was in tweeën gesplitst, het ene deel (vroonland), was van de heer zelf, en het andere deel (hoevenland), was van de boeren. De boeren moesten hier voor herendiensten bewijzen. Hofstelsel en horigheid waren in grote delen van Europa overheersend.
3.3 Het feodale stelsel
In 800 kroonde de Paus koning Karel de Grote tot keizer. Hij zij als heerser over de opvolger zijn van de Romeinse keizers. Maar het verschil werd enorm. In de plaats van de verdwenen Romeinse overheid kwam een nieuw bestuurssysteem, namelijk: het feodale stelsel.
Omdat er geen goede wegen meer waren, konden heersers alleen in een beperkt gebied hun gezag doen gelden. Koningen waren afhankelijk van lagere heren. Door al deze persoonlijke banden ontstond het feodalisme. Dit kwam erop neer dat een heer een stuk grond of een ambt in leen gaf aan een dienaar, de vazal of leenman. In ruil zwoer de vazal dat hij zijn leenheer zijn leven lang trouw met raad en daad zou dienen. Meestal kwam dat neer op krijgsdienst te paard.
Clovis, een krijgsheer, onderwierp rond 500 bijna heel Gallie. In de 8e eeuw had het Frankenrijk weer een aantal sterke heersers, zoals Karel Martel, Pippijn de Korte en Karel de Grote. Karel de Grote werd de machtigste Europese vorst van de vroege Middeleeuwen. Hij vergrootte zijn rijk. Door technische verbeteringen werden voor het eerst in Europa ridders (adellijke ruiters) te paard beter dan het voetvolk. Ze kregen betere zwaarden, lansen, een maliënkolder en een stijgbeugel.
Karel verdeelde zijn rijk in een paar honderd districten (gouwen), die elk een graaf/hertog aan het hoofd kregen. Ze moesten namens hem in hun gebied recht spreken, besturen, etc. In ruil kregen ze hun ambt in leen met daarbij bijbehorende burcht, belastingrechten en domeinen.
De vazallen gingen hun leen zien als erfelijk bezit en probeerden het aan hun kinderen door te geven. Hierdoor verminderde steeds meer het idee van gezag. Het gevolg van dit alles was dat rond het jaar 1000 in grote delen van Europa de feitelijke macht in handen was van kleinere kasteelheren. Ze hieven belasting en terroriseerden de bevolking met eigen legertjes die op hun kasteel woonden.
3.4 Christendom in Europa
De veroveringen van Karel de Grote bevorderden ook de verbreiding van het christendom. De christenen zagen de bekering van de heidenen als plicht van naastenliefde. Toch kwam het christendom in de verdrukking, onder andere door de Germaanse invasies. Een keerpunt was de bekering van Clovis.

Tegelijk begon de paus vanuit Rome de kerstening (bekering tot het christendom) te bevorderen. Karel de Grote drong het christendom met geweld op. De bisschop van Rome, de paus, was uitgegroeid tot leider van de kerk. Toen de paus eiste dat hij ook Byzantium werd gehoorzaamd, kwam het in 1054 tot een breuk, die nooit meer is geheeld.


Begrippen hoofdstuk 3

  1   2   3


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina