Samenvatting History of Psychology David Hotersall 4th edition



Dovnload 73.09 Kb.
Datum23.08.2016
Grootte73.09 Kb.
Samenvatting History of Psychology

David Hotersall – 4th edition

Inhoud


Inhoud 1

Chapter 1 – Psychology and the Ancients (p 15) 3

1.1 Advances in Medicine: A Biological Approach (p 15) 3

1.2 Advances in Mathematics: The Search of Order (p 21) 3

1.3 Atomism: The Mind as Matter (p 22) 4

1.4 Advances in Philosophy (p 23) 4

1.5 The Importance of the Ancients (p 30) 5

Chapter 2 – Philosophical and Scientific Antecedents of Psychology (p 33) 5

2.1 The Renaissance World (p 34) 5

2.2 Renaissance Science (p 36) 5

2.3 Renaissance Philosophy (p 46) 6

2.4 Post-renaissance Philosophy: Empericism, Associationism, and Nativism (p 52) 6

2.5 A Seventeenth-Century Nativist Countervoice (p 63) 7

2.6 Eighteenth-Century Associationism (p 65) 8

2.7 Nineteenth-Century Associationism (p 67) 8

2.8 An Eighteenth-Century Nativist Countervoice (p 77) 8

2.9 The Importance of the Renaissance and Post-Renaissance Eras (p 79) 9

Chapter 3 – Early Studies of the Central Nervous System (p 81) 9

3.1 Experimental Investigations of Spinal Cord Functions (p 82) 9

3.2 Sensory Physiology (p 84) 9

3.3 Phrenology (p 89) 10

3.4 Localization of Function in the Brain (p 96) 10

3.5 Direct Stimulation of the Brain (p 104) 11

3.6 Progress and Challenge (p 112) 11

Chapter 4 – Wilhelm Wundt and the Founding of Psychology (p 115) 11

4.1 Wilhelm Wundt (1832-1920) (p 115) 11

Chapter 5 – Edward Titchener and Hugo Münsterberg (p 139) 12

5.1 Edward Bradford Titchener (1867-1927) (p 140) 12

5.2 Hugo Münsterberg (1863-1916) (p 155) 13

5.3 Titchener and Münsterberg in Retrospect (p 173) 15

Chapter 6 – German Psychologists of the Nineteenth and Early Twentieth Centuries (p 175) 15

6.1 Psychophysics (p 175) 15

6.2 Hermann Ebbinghaus (1850-1909) (p 179) 15

6.3 Franz Brentano (1838-1917) (p 189) 16

6.4 Carl Stumpf (1848-1936) (p 192) 16

6.5 Oswald Külpe (1862-1915) (p 199) 17

6.6 The Lost German Psychologists (p 205) 17

Chapter 7 – Gestalt Psychology in Germany and the United States (p 207) 18

7.1 The Conceptual Foundations of Gestalt Psychology (p 207) 18

7.2 Max Wertheimer (1880-1943) and the Beginning of Gestalt Psychology (p 208) 18

7.3 The Insight Learning Experiments of Wolfgang Köhler (1887-1967) (p 224) 18

7.4 Kurt Lewin (1890-1947) and the Application of Gestalt Pyschology (p 230) 18

7.5 Gestalt Psychology in Perspective (p 247) 18

Chapter 8 – The History of Clinical Psychology and the Development of Psychoanalysis (p 249) 18

8.1 Early Views of Mental Illness (p 250) 18

8.2 Early Institutions and ‘Cures’ for Mental Illness (p 253) 18

8.3 Reformation of Institutions of Mental Illness (p 253) 18

8.4 Reformation of Instituions for the Mentally Ill (p 256) 18

8.5 Sigmund Freud (1856-1939) (p 276) 18

8.6 Conclusion (p 298) 18

Chapter 9 – Darwin, Galton, Cattel, James and Hall (p 301) 18

Chapter 10 – Functionalism at the University of Chicago and Columbia University (p 361) 19

Chapter 11 – Historical Uses and Abuses of Intelligence Testing (p 393) 19

Chapter 12 – The Research of Ivan Pavlov and the Behaviorism of John B. Watson (p 443) 19

Chapter 13 – Four Neobehaviorist Psychologists (p 487) 19



Chapter 1 – Psychology and the Ancients (p 15)

1.1 Advances in Medicine: A Biological Approach (p 15)


Het meeste van de toenmalige psy zou nu medisch benaderd worden.

Alcmaeon begon met het ontleden van lichamen. Hij behandelde ziekte vanuit een holistisch perspectief (=het idee dat de eigenschappen van een systeem niet kunnen worden verklaard door de som van alleen zijn componenten te nemen).

Hippocrates wees al het bijgeloof en rituelen omtrent de medische wereld af en volgde Alcmaeon’s aanpak. Alle ziekten komen van natuurlijke oorzaken en moeten met natuurlijke methoden worden behandeld.

In The Art of Healing beschreef hij Melancholia, manies, postpartu depressies, phobias, paranoides en hysterie. Hij dacht dat hysterie aan vrouwen was voorbehouden, het verkeerd geplaatst zijn van de baarmoeder.

In The Nature of Men beschreef hij hoe lucht, aarde, vuur en water overeenkomen met zwart en geel gal, bloed en phlegm (= een stof afgescheiden door het slijmvlies). Imbalans van één van deze stoffen zorgt voor ziekte. Hier komt o.a. aderlaten vandaan en was een veel toegepaste praktijk in de eeuwen hierna. Imbalans beïnvloed ook temperament (chagrijnig/msnel boos/apathisch e.d.).

In De Morbu sacro beschreef hij epilepsie. TOendertijd was epilepsie een goddelijke interventie. Epilepsie beschouwde hij als een natuurlijke aandoening die te maken had met disharmonie van de hersenen.

Verder o.a. bekend van de Hipocrates eed en word beschouwd als een ancient father of psychology. Meeste van Hippocrates is bekend door Galen die 600 jaar later leefde.

Galen: A Link with the Past
Zijn gedachtes bleven belangrijk tot aan de 16de eeuw.

Hij was geen christen maar geloofde dat de bouw van de mens het bewijs van god was.

Het hart is de ‘verwarming’ van de mens, er brand een vuur in. Pas 1500 jaar later werd het hart gezien als pomp.

In On the Passions and Errors of the Soul Galen beschreef dat ziektes van de ziel voortkomen uit passies zoals boosheid, angst e.d. Een irrationele kracht verwijst ratio. Om hiervan te genezen is begrip van de eigen ziel en zelfkennis noodzakelijk.


1.2 Advances in Mathematics: The Search of Order (p 21)


Thales of Miletus speelde een belangrijke rol in de ontwikkeling van de wiskunde als taal van de wetenschap. Hij voorspelde met wiskunde een zonsverduistering.

Pythagoras was een leerling van Thales. Hij vond o.a. dat hele breuken op een gitaar harmonisch klinken waar oneindige of lange breuken niet mooi klinken.

1.3 Atomism: The Mind as Matter (p 22)


Democritus bedacht dat atomen ons universum vormen. The menselijke geest was hier ook onderdeel van. De inhoud van de geest is een indeling van atomen (en dus van ervaring). Verder beschreef hij hoe atomen uitgezonden worden door objecten en dat deze stroom aan atomen afhankelijk zijn van de presentatie van het objects. Pas sinds kort is deze theorie weer geaccepteerd sinds neuro wetenschappers het brein hebben onderzocht.

Zeno’s Paradoxes geven de onnauwkeurigheid van de zintuigen, vooral bij beweging. Bekendste paradox is Achilles and een schildpad die rennen. De schildpad krijgt een voorsprong op Achilles. Als achilles de beginplaats van de schildpad bereikt is de schildpad al verder, Achilles haalt nooit de schildpad in. Beweging is volgend deze paradox onmogelijk, alleen de geest kent het begrip beweging. Moderne versie is het verlaten van de kamer; telkens leg je de helft van de afstand af naar de deur. ½ + ¼ + 1/8, etc., je bereikt nooit de deur.

1.4 Advances in Philosophy (p 23)


Belangrijkste filosofen SPA: Socrates, Plato (leerling van Soc.) en Aristotles (leerling van Plato). Zij brachten epistemology voort, de filosofie die onderzoekt naar de oorsprong, natuur, methoden en limieten van menselijke kennis.

Socrates zocht overal kennis, in het dagelijks leven, ondervroeg mensen. Hij vroeg; wat is de waarheid? Hij betwijfelde elke aanname, elke zekerheid. Een rationalistische aanpak.

De waarheid zit verborgen in de geest, een leraar moet deze waarheid blootleggen. Hij helpt alleen.

Uiteindelijk werden de mensen Socrates beu omdat hij de waarheden continu aanviel en werd ter dood veroordeeld.

Plato zag een verschil tussen was wij waarnemen en wat hij noemde ‘Forms’ (= de eeuwige structuren die de wereld indelen). Sensaties zijn onstabiel, de Forms zijn ‘echt’ en eeuwig. Zijn voorbeeld: in een grot is iemand vastgebonden en die ziet de objecten die buiten bewegen alleen door de silhouetten van vlammen uit het vuur. De silhouetten zijn de sensaties en de objecten zijn Forms.

Plato accepteerde individuele verschillen en in The Republic beschreef hij een utopische samenleving met een oligarchisch systeem (degenen met het grootste vermogen tot redenering). Een nativistische houding. Deze verschillen meette hij door individuele verschillen tussen lichaamsdelen (hoofd = redenering, moed = borstkas, e.d.).



Aristotle in De memoria et reminiscentia zei hij dat geheugen voortkomt uit drie associatieve processen. Objecten, gebeurtenissen en mensen worden met elkaar geassocieerd op basis van gelijkheid, contrast en contiguïteit. De sterkte van de associatie hangt af van de frequentie en eenvoud.

Hij was een empiricist, kennis word opgedaan door ervaringen. Aristotle kwam met de metafoor van de geest als een leeg vel papier bij geboorte.

Verder bekend van de Theory of Causes:


  1. Material cause: description of what it is made of

  2. Formal cause: description of the form or essence

  3. Efficient cause: beschrijving hoe de form of essence ontstaan is

  4. Final cause: het beschrevene attributeren aan de maker

Aristotle zag het leven als een ladder van creatie met verschillende gradaties: nutritive (plants), sensitive (animals) and rational (humans). Deze stelling is belangrijk geweest in o.a. Darwin’s Evolutie theorie.

Verder zei hij dat het hart het belangrijkste is van de mens. Dit komt voort uit het feit dat de Egyptenaren de geest plaatste in de romp en niet in het hoofd. De hersenen werden niet belangrijk geacht. Ook hij word een vader van de psychologie genoemd.

Na Aristotle twee scholen voor psychologie belangrijk: Epicurians (doel van het leven is genieten van wat het leven te bieden heeft en het minimaliseren van lijden bij anderen) en de Stoic (een rationeel principe gidst het universum en iedereen moet deze ratio gebruiken om conflicten mee op te lossen). Passies en emoties moeten vermeden worden

1.5 The Importance of the Ancients (p 30)


Nog steeds worstelen psychologen en filosofen met de vragen die de grieken al stelden. Ten dele omdat we nog geen universele antwoorden hebben gevonden maar vooral dat we hetzelfde idee van de wereld hebben, dezelfde ethiek en wetenschappelijke aanpak.

Chapter 2 – Philosophical and Scientific Antecedents of Psychology (p 33)

2.1 The Renaissance World (p 34)


De Renaissance gaf geboorte aan de moderne psych.

2.2 Renaissance Science (p 36)


Nicolaus Copernicus publiceerde zijn heliocentrische idee (zon als centrum). Dit, in de tijdsgeest, was een zeer controversieel standpunt.

Galileo Galilei ontdekte m.b.v. de telescoop vier manen rond jupiter, details op de maan, de ‘melk’ van venus (hij dacht aan duizenden mini-sterren) en de twee ringen rond saturnus. Hij was aanhanger van Copernicus wat ervoor zorgde dat hij een verklaring van niet-publicatie van de katholieke kerk moest tekenen.

Verder ontwikkelde Galilei de wet van de vrije val, hij liet ballen rollen van een helling en meette de snelheid.



Isaac Newton refracteerde wit licht in het kleurenspectrum en wist deze weer terug te refracteren in wit licht. Later probeerden empericisten te doen wat Newton deed met licht: bewustzijn opbreken in zijn elementen.

In Principia beschreef hij de zwaartekracht en de gevolgen hiervan: het universum met zijn hemellichamen die om elkaar tollen. Hij schreef de pracht van dit alles toe aan God.

Aan het eind van zijn leven probeerde hij metaal in goud te veranderen; het kwik zou zijn rare gedrag aan het eind van zijn leven hebben veroorzaakt

Halley voorspelde dat een komeet (die van Halley) in 1758 op kerstavond weer langs zou komen. Toen hij gelijk bleek te hebben werd dit als een bewijs van de kracht van de menselijke geest beschouwd.

William Harvey wist te berekenen dat het hart als een pomp werkt en niet bloed aanmaakt. De Anatomical Treatise on the Heart and Blood in Animals is één van de grootste werken uit de Renaissance. Een biologisch systeem kan bestudeerd worden.

2.3 Renaissance Philosophy (p 46)


René Descartes bracht in zijn Geometry een analytische geometrie (o.a. x-y-z assenstelsel). Descartes leefde in NL en hield maar een klein aantal vrienden aan. Toen de zweedse koningin Christina hem naar Stockholm haalde om les te geven stierf hij korte tijd later.

Naast zijn wiskunde was Descartes ook één van de grondleggers van de moderne westerse filosofie. In zijn crisis waar hij het bestaan van alles betwijfeld (incl. god) bedacht hij Cogito ergo sum (ik denk, dus ik ben). Verder was de mens een duale machine: het lichaam draait op mechanische acties, het is een geavanceerde machine, de geest daarentegen is vrij, heeft geen substantie.

De mens (machine) wordt aangestuurd via dunne buisjes met daarin ‘animal spirits’. Deze animal spirits worden opgewarmd en rondgepompt door het hart en brengen zo beweging voort in de vorm van een ‘reflex arc’. De hersenen openen en sluiten de buisjes en zorgt dus voor de aansturing. Descartes wees de pijnappelklier aan als het centrum van deze interactie.

Descartes dacht dat de mens ‘innate ideas’ (natuurlijk) en ‘derived ideas’ (uit ervaring) bevat. De animal spirits leggen ‘paden’ aan in de hersenen die deze ‘derived ideas’ veroorzaken. Dit is de voorloper van het nature-nurture debat.

Descartes laatste karakteristiek zijn passies: wonder, love, hate, desire, joy and saddness. Alle andere emoties zijn afgeleiden hiervan.

Descartes was de eerste die een oog ontleedde.



Julien de La Mettrie zei dat mensen alleen verschillen van dieren in de complexiteit van de machine, niet omdat we een geest hebben zoals Descartes beweerde. De mens is niet volledig rationeel en dieren beschikken ook over ratio. Zij theoretiseerde dat apen symbolen-taal kunnen leren, aanvankelijk werd dit verwezen maar recent is dit bewezen in chimpansees.

2.4 Post-renaissance Philosophy: Empericism, Associationism, and Nativism (p 52)


Empericisten onderstrepen de ervaringen die inwerken op de passieve geest. Associationisten onderstrepen de rol van de actieve geest bij het vormen van associaties. Nativisme onderstreept dat niet alle kennis puur uit ervaringen opkomt maar beïnvloedt word door onze natuurlijke opbouw.

Thomas Hobbes zei dat een group’s integriteit alleen kan worden behouden door een sterke gecentraliseerde authoriteit. Mensen zijn van nature aggresief.

John Locke was de eerste belangrijke Britse empericist. In Two Treatises on Government beschreef hij dat de overheid gebaseerd is op een sociaal contract tussen ‘leiders’ en de onderdanen. Als de overheid dit sociale contract overtreedt mogen de onderdanen de overheid afzetten.

Locke ging uit van de goedheid van de mens, een leeg vel bij geboorte en deze wordt gevuld door ervaringen. Alleen vress voor pijn en verlies aan plezier zijn bij geboorte aanwezig. Kinderen hebben een hekel aan school omdat zij hier geslagen worden. De behandeling van angsten in kinderen komt erg overeen met die van de behaviourist John Watson.

Zijn Essay Concerning Human Understanding is het beginpunt van het Britse Empericisme. Hierin wordt getracht het bewustzijn op te delen in zijn elementen. Voor Locke bestaat het bewustzijn uit ideën die allen voortkomen uit ervaring. Hij verwees Descartes’s innate ideas. Ervaringen bestaan uit sensaties (met objecten) een reflecties (ofwel interne acties van de geest). Ervaringen zijn niet altijd betrouwbaar: neem drie kommen met water, één is heet, één is koud en één is op kamertemperatuur. Doe één hand in het koude water en de ander in het warme. Na 30 seconden doe ze in het neutrale water. Voor de ene hand voelt dit als warm aan, voor de ander als koud (bedenk zelf welke waar).

Er zijn simpele en complexe ideën. Complexe ideën ontstaan uit simpele ideën op de volgende manieren:



  1. Combinatie van simpele ideeën

  2. Relatie leggen tussen simpele ideeën.

  3. Abstractie: van simpel idee alle bijhorende ideeën weghalen.

Locke was het met Molyneux eens die zei dat een blind iemand die opeens kan zien niet direct vormen kan benoemen – hij moet de objecten eerst voelen.

George Berkeley was de opvolger en nog radicaler dan Locke. Alle kennis komt uit ervaring maar zei eveneens dat het bestaan van de wereld afhing van perceptie. Materie bestaat alleen omdat het waargenomen wordt, en niet anders. Dit idee werd als absurd verklaard. Johnsen bracht er bijvoorbeeld tegenin dat een vuur, ondanks dat je een tijd weg bent geweest, wel brandstof heeft verbruikt.

Perceptie gebruiken wij om bijvoorbeeld de afstand tussen objecten mee te schatten, we gebruiken signalen.


2.5 A Seventeenth-Century Nativist Countervoice (p 63)


Gottfried Wilhelm von Leibniz had grote eerbied voor Locke’s Essay maar was het oneens met het ongeschreven blad metafoor. In zijn New Essays on Understanding beweerde hij dat ¼ van de geest is aangeboren en niet voortkomt uit ervaringen.

In The Monodology beschreef Leibniz een systeem van monads, een oneindig aantal elementen waaruit alle dingen en activiteiten uit zijn opgebouwd. Monads zijn onverwoestbaar, onaanpasbaar en onmaakbaar. Zowel de echte als mentale wereld bestaan uit deze monads. Mentale monads kennen een activiteitsniveau die van bewust tot onbewust loopt. Ergens tussen deze bewust & onbewust schaal is een drempel van bewustzijn. Monads interacteren niet, ze lopen echter gelijk (paralel) en lijken daarom te interacteren.


2.6 Eighteenth-Century Associationism (p 65)


David Hume beschreef in Treatise of Human dat ideeën vage copieën zijn van inpressies, welke vaak voortkomen uit sensaties. Sensaties zijn voor Hume alles, sense ergo sum. Er is een causaal verband tussen inpressies en ideeën. Drie typen van verbanden: ze lijken op elkaar, contiguïteit in tijd of ruimte, en oorzaak-gevolg.

David Hartley beschreef beelden die lijken te bestaan zelfs als de stimuli verdwenen is: een kaars die lijkt te branden nadat hij net is uitgemaakt of een toon die je blijft horen zelfs als de toon al weggevaagd is. Dergelijke associaties zijn de basis voor alle ideeën, meningen en affecties. Hij gebruikte klinische ervaringen in zijn theoriën, hiervoor onbekend in de psych.

2.7 Nineteenth-Century Associationism (p 67)


James Mill beschreef in zijn Essay on Government een sterk argument voor een democratische overheid: mensen zijn gemotiveerd uit egocentrische overwegingen en zullen deze overwegingen doorzetten zelfs ten koste van anderen tenzij een overheid hen hiervan weerhoudt. De oplossing is een door het volk gekozen overheid die verantwoording af moet leggen aan het volk.

James Mill ging nam het idee over dat het verstand bestaat uit ideeën en sensaties. Associaties zijn sterk op basis van drie factoren: permanentie, correctheid en eenvoud. James Mill maakte ook onderscheid tussen simpele en complexe ideeën.



John Stuart Mill, de zoon van, kreeg een zware opvoeding waarbij gevoel en emotie werden uitgebannen. Dit bracht hem later tot een emotionele crisis waarbij hij het belang van emotie ontdekte.

In The Subjection of Women John Mill argumenteerde hij dat door de behandeling van vrouwen hun volle potentie onderdrukt wordt. Ook droeg hij een wetsvoorstel met vrouwen stemrecht in Engeland, deze faalde maar vormde een begin van women’s suffrage.

John Mill breidde zijn vader’s idee uit dat een complex idee meer is dan alleen de som van simpele ideeën. Zo is een huis meer dan alleen de bakstenen waar het uit bestaat. Verder zei hij dat het verstand onderzocht kan worden –een stelling die daarvoor niet gebruikelijk was. De wetenschap zal inexacter zijn dan bijv. scheikunde.

Door de strenge opvoeding voorzag hij de noodzaak voor het onderzoeken van invloeden op het (intellectuele) karakter? Dit onderzoeksgebied noemde hij Ethology, nu betekend dit iets heel anders.



Als alternatief op hedonism (mensen zijn alleen gemotiveerd door plezier en het vermijden van pijn) stelde hij utilitarianisme voor, een filosofie die uitgaat dat acties fout zijn in de proportie dat deze acties onvrede bij anderen veroorzaken.

Alexander Bain was de oprichter van het psychologische blad Mind. Verder vond hij gewoontes een belangrijk onderdeel van de menselijke geest. Willekeurige gebeurtenissen leiden tot een positieve of negatieve uitkomst. Die met positieve uitkomsten herhalen we: gewoontes. Dit standpunt lijkt op dat van Edward Thorndike.

2.8 An Eighteenth-Century Nativist Countervoice (p 77)


Immanuel Kant leefde in Köningsberg en heeft nooit ver gereisd. Hoewel hij de Britse empericisten accepteerde vroeg hij af hoe ervaring zelf mogelijk is. Hij geloofde dat bepaalde intuïties of categorieën van inzicht aangeboren zijn. Zij beïnvloeden onze ervaringen. Dit framework is a priori (vooraf bekend) en kennis uit ervaringen zijn a posteriori (achteraf bekend). Voorbeelden van a priori kennis zijn tijd en ruimte en de mogelijkheid een taal te leren. Kant was van belangrijke invloed op de eerste Duitse psychologen.

2.9 The Importance of the Renaissance and Post-Renaissance Eras (p 79)


Begin van nature-nurture debat d.m.v. empericisme-nativisme. Het empericisme gaf later geboorte aan het behaviourisme.

Chapter 3 – Early Studies of the Central Nervous System (p 81)

3.1 Experimental Investigations of Spinal Cord Functions (p 82)


Omdat de ruggemerg minder complex is dan het brein werd deze eerst onderzocht. Robert Whytt deed experimenten met kikkers waarbij hij zowel de hersenen als ruggemerg verwijderde. Kikkers zonder brein en ruggemerg bleken na onthoofding geen stimuli meer te verwerken, kikkers met alleen het breind verwijderd bleken dit nog wel te kunnen; ze bewogen hun poot na knijpen.

Alfred Volkman ontdekte dat bepaalde reflexen alleen na onthoofding voorkomen.

Francois Magendie beschreef in een drie pagina tellende paper zijn experimenten met puppies waarbij een dorsal root section ervoor zorgde dat een deel van het lichaam sensatieloos wordt en na een ventral root section beweging niet meer mogelijk is. Charles Bell probeerde de claim op deze ontdekking eigen te maken door een paper die hij hiervoor al geschreven had. Bell’s claim is maar ten dele correct maar desondanks wordt dit feit regelmatig als de Bell-Megandie wet genoemd.

3.2 Sensory Physiology (p 84)


Charles Bell beschreef dat dezelfde stimuli op verschillende zenuwen verschillende sensaties opwekken en verschillende stimuli op dezelfde zenuw dezelfde sensatie opwekt.

Benjamin Franklin deed experimenten met een elektrisch geleidende doos waarin een persoon plaats kan nemen en de doos onder stroom kan worden gezet. De persoon zelf overkomt niets.

Galvani beschreef dat zenuwactiviteit elektrisch van aard is.

Emil Du Bois-Reymond wist voor het eerst definitief aan te tonen dat zenuwactiviteit elektrisch van aard is. Hij verwijderde een stuk van zijn huid en met wat geleidend materiaal wist hij de elektrische puls 30x sterker en daarmee waarneembaar te maken.

Hermann von Helmholtz gebruikte Thomas Young’s theorie dat het oog drie zenuwbanen kent die de primaire kleuren kunnen onderscheiden.

Verder meette hij de snelheid van zenuw reacties. Hij bevestigde o.a. een kikker op een trommel om de snelheid te meten en liet mensen op een knop drukken na een stimulus. Hoewel dit laatste experiment variabele data opleverde bleken de tijden gemiddeld langer te zijn voor een stimulus aan de teen dan aan het dijbeen.


3.3 Phrenology (p 89)


Franz Joseph Gall claimde dat persoonlijkheidskenmerken getraceerd kunnen worden door de vorm van het gezicht. After examening the skulls of the homeless, inprosined, lunatics and the dead he developed a doctrine of the skull.

Johann Caspar Spurzheim was een assistant van Gall. Na de dood van Gall bracht Spurzheim Phrenology van een ‘wetenschap’ tot een cult.

Drie Amerikanen brachten later allerlei Phrenologie apparaten en handleidingen uit en wisten hier een aardige duit mee te vangen. Soms werd phrenologie als een solicitatie vereiste gebruikt.

Fouten Phrenologie: 1) Lokalisatie van eigenschappen op de schedel zijn willekeurig, 2) Phrenologie argumenten zijn circulair, 3) het gebruiken van onnozelen is voor serieuze studenten van hersenfunctie onacceptabel en 4) phrenologie kan nooit gefalsifieerd worden.

Magendie was een criticus van Phrenologie en liet Spurzheim de schedel van de Franse wiskundige Pierre Laplace onderzoeken. Wat Spurzheim niet wist is dat Magendie de schedel had vervangen met die van een imbiciel. Spurzheim bewonderde de schedel enorm wat Magendie uiteindelijk publiceerde.

Pierre Flourens bracht de belangrijkste kritiek voort; de contouren van de schedel komen niet overeen met die van de hersenen. De aanname waarop Phrenology is gebaseerd is fout.

3.4 Localization of Function in the Brain (p 96)


Jean Cesar Legallis lokaliseerde de eerste breinfunctie, die van ademhaling. Hij voerde experimenten uit door delen van de hersenen uit dieren te verwijderen, ze te laten herstellen en hun gedrag nogmaals analyseren.

Marie-jean Pierre Flourens beschreef dat de cerebrale lobben alle vrijwillige acties regelen. Zo bewoon een duif niet meer zomaar nadat zijn cerebrale lobben verwijderd waren. Hij kon nog wel vliegen maar gaf de indruk van een slaperig dier. De cerebrale lobben zijn verantwoordelijk voor waarneming (we zien en horen in de hersenen) en hogere functies als geheugen, will, mening.

Hij beschreef dat een specificiek gebied, de medulla oblongata (the vital knot), belangrijke zaken regelde als hartslag, ademhaling en andere basisfuncties. Hij zag ook dat verloren functies langzaam deels herstelden, hij schreef dit toe aan de overige hersenen die het verlies aan functie overnemen.

In het geval van Phineas P. Gage, een treinspoor bouwer, bleek dat na een ongeluk –een metalen staaf door zijn hoofd. Zijn gedrag was na dit ongeluk drastisch veranderd. Hij was veel sneller afgeleid, weinig vooruitziendheid, lichtzinnig en onbetrouwbaar in hun handelen.

Joseph Gall lokaliseerde de praat functie van de brein net achter de ogen na onderzoek bij mensen die niet meer konden praten.

Broca’s patiënt ‘Tan’ (hij kon alleen het woord ‘tan’ uitspreken) bleek na autopsie dat de lokalisering van de praat functie correct was. Het verbazende is dat de alleen de linker frontale lob deze functie heeft en niet de rechter die qua grootte, plaats volledig symmetrisch zijn.

3.5 Direct Stimulation of the Brain (p 104)


Gustav Fritsch en Edward Hitzig ontdekten dat wanneer verschillende plaatsen van de hersenen gestimuleerd werden met elektriciteit verschillende spieren samentrekken. Daarbij bleek dat stimulatie aan één kant van de hersenen altijd aan de tegenovergestelde kant een reactie veroorzaakten.

David Ferrier bracht het belangrijkste werk voort; The Functions of the Brain. Ferrier plaatste electroden in een grote groep dieren. Ferrier lokaliseerde 15 breinfuncties.

Later werd ontdekt dat de grootte van het gebied te maken had met de functie i.p.v. de grootte van het onderdeel, bijv; de handen zijn oververtegenwoordigd in de hersenen.



John Huglings-Jackson beschreef Jacksonian Epilepsy bij zijn vrouw, een epilepsie die van het ene deel van het lichaam naar het andere verplaatst. Hij concludeerde uiteindelijk dat remmingen van functies een teken is van een gezond breind. Bij deze stelling is hij waarschijnlijk beïnvloedt door de politieke standpunten van Thomas Hobbes; wat we niet doen als samenleving is het teken van beschaving.

Dr. Roberts Barthalow was de eerste die naalden met electroden plaatste in het menselijke brein, in dit geval bij Mary Rafferty. Na enkele experimenten bleek Rafferty na een paar dagen bleek en depressief. Ze had moeite met lopen en had last van ongevoeligheid en een kietelgevoel. Na vier dagen kreeg ze een beroerte gevolgd door verlamming en uiteindelijk dood. Barthalow biechtte zijn resultaten eerlijk op en dit leidde tot een ethisch schandaal.

Hersenstimulatie met electriciteit heeft veel opgeleverd voor de wetenschap.


3.6 Progress and Challenge (p 112)


Karl Lashley concludeerde dat het lokaliseren van psychologische processen zoals leren, geheugen en intelligentie niet mogelijk is.

Chapter 4 – Wilhelm Wundt and the Founding of Psychology (p 115)

4.1 Wilhelm Wundt (1832-1920) (p 115)


Wundt had een eenzame jeugd. Hij ging in dienst bij Hermann von Helmholtz als assistent. Uiteindelijk gaf hij meer les dan onderzoek. Hij ontwikkelde wel een nieuwe tak in de psych.: sociale psychologie (de relatie van de individu met de samenleving). Hij schreef ook zijn eerste boek waarin hij psychologie beschreef als wetenschap tussen de sociale wetenschappen en natuurwetenschappen.

Hij kreeg een positie in Leipzig en plaatste aanvankelijk alle materialen voor zijn demonstraties in het Konvikt gebouw. Later werd dit zijn laboratorium. 1879 is het jaar dat psychologie hier een onafhankelijke experimentele wetenschap werd. Hoewel het laboratorium regelmatig verhuisde deden Wundt’s belangrijkste leerlingen de experimenten in het Konvikt gebouw.

Wundt’s Grunzüge der Physiologischen Psychologie (principles of physiological psychology) was een succes, het beschreef een niet het moderne physiologie (basis van gedrag en bewustzijn) maar psychologie: een wetenschap gebaseerd op experimentele methoden analoog aan de physiologie.

Volgens Wundt dient de psychologie de directe ervaring te beschrijven en niet het bemiddelde (d.m.v. instrumenten). Hij beschreef hiervoor als methode Introspectie; zelf-rapportages inclusief objectieve metingen (tijd en woord associaties).

Voor Wundt is het hoofd een dynamische, creatieve kracht. Het kan nooit begrepen worden door alleen onderzoek naar de elementen hiervan. Wundt noemde zijn wetenschap voluntarism en had weinig te maken met het structuralism van Titchener en James. Wundt was geen reductionist, elementarist of structuralist.

Klassieke introspectie komt in de onderzoeken bij Wundt en zijn studenten nauwelijks voor. Om zijn experimenten te publiceren richtte hij het blad Philosphische Studien, het eerste blad volledig aan psychologische studies geweidt. 50% van de studies gingen over sensaties en perceptie, 17% meette reactie tijden, 10% ging over aandacht (en dan met name apperceptie: wanneer iets in ons blikveld ook onze focus krijgt), nog eens 10% ging over gevoel (veelval schalen van uitersten: gespannen-ontspanne) en nogmaals 10% ging over associatie (werd meestal door woord-woord experimenten benaderd).

Er zat een groot verschil in Wundt’s proefpersonen en die van tegenwoordig in de Psychologie. Bij Wundt waren proefpersonen getrained en werkten in de psychologie. Wundt zelf was vaak de proefpersoon in de beginjaren.

Wundt begeleidde 186 Ph.D.’s waarvan 70 in de filosofie en de rest over psychologie. Lang niet al van deze Ph.D’s werden bekend, velen zijn waarschijnlijk de gymnasia in gegaan en werden niet verplicht onderzoek te doen. Velen van zijn buitenlandse studenten gingen terug en zette eigen psychologische laboratoria en faculteiten op. Wundt richtte niet alleen psychologie op maar onderwees een groot deel van de eerste psychologen.

Wundt schreef veel; 2.2 pagina’s per dag, 53.735 pagina’s in totaal. Weinig hiervan wordt nog gelezen.

In de laatste 20 jaar van Wundt’s leven richtte hij zich weer op de sociale psychologie en bracht zijn 10 delige Volkerpsychologie uit. Dit werd grootdeels genegeerd omdat mogelijk door zijn omvang niet aantrekkelijk is en Wundt’s overlevingen bestaan uit algemene aannames over zijn werk (waar dit werk buiten valt), óf omdat Boring in zijn History of Experimental Psychology maar 1 pagina weidt aan dit werk.

Als man is hij over het algemeen positief beoordeeld maar soms ook als onvermoeibaar, humorloos en aggresief.

Chapter 5 – Edward Titchener and Hugo Münsterberg (p 139)

5.1 Edward Bradford Titchener (1867-1927) (p 140)


Titchener ging al snel van Oxford (waar geen psychologie werd gegeven) naar Cornell. Hij verbleef maar 2 jaar in Leipzig bij Wundt maar deze twee jaar waren erg belangrijk. Hij nam alles over van Wundt (zoals Titchener hem herinnerd, niet zoals hij was).

Hij schreef veel, 216 werken in totaal. De lezer werd vrij dom geacht, alles is uitgespeld. Titchener was niet flexibel, vooral niet als het ging om zijn basisprincipes.

Titchener was geïntereseerd in de algemene geest, niet in de individuele. De geest moet onderzocht worden door: 1) de som van mentale processen te indentificeren en aangeven hoe ze samenwerken, 2) wetten vinden voor deze connecties tussen elementen en 3) de correlatie uitwerken tussen de geest en de zenuwstelsel. Titchener was in zijn leven vooral bezig met (1). Zijn psychologie is structuralisme gaat heten, een term die William James in 1890 al bezigde in zijn Principles of Psychology.

Hij gebruikte voornamelijk introspectie; een techniek die alleen door gezonde mensen kan worden toegepast en zelfs dan moeten deze zeer getraind zijn. Titchener oordeelde of introspecties goed werden uitgevoerd of niet. Functies zoals leren, motivatie, geheugen, ontwikkeling en klinische psychologie ontbreken bij Titchener. In zijn werken komen ook geen voorbeelden van correcte introspecties voor…?

Een correcte introspectie bestaat uit sensaties, beelden en gevoelens. Dit komt overeen met de visie van de Britse associationisten. Complexe mentale handelingen zijn altijd combinaties hiervan, bijvoorbeeld aandacht is een combinatie van sensaties en ideeën die meer duidelijk en uniek worden. Titchener had weinig op met de toegepaste insteek van zijn collega’s.

Kritieken op introspectie: 1) introspecties zijn altijd retrospecties (groot tijdsverschil tussen ervaring en rapportage), 2) introspecties op het bewustzijn zijn saai, irrelevant en hebben weinig functionele waarde, 3) introspectie is op zichzelf een bewustzijn’s proces en moet daarom interfereren met het onderzoek naar bewustzijn.

Uiteindelijk zei zelfs de trouwen Boring dat Titchener’s introspectie was niet nuttig en daarom zal uitsterven.

Met degenen die Titchener’s methoden volgde was hij warm en loyaal, de afvalligen kregen zware kritiek te verduren. Hij bemoeide zich ook snel met iemand’s privé leven.

Titchener’s grootste bijdrage aan de psych is zijn emperische aanpak. Verder zijn bijdrage aan The American Journal of Psychology.

5.2 Hugo Münsterberg (1863-1916) (p 155)


Münsterberg werkte in zijn vroege carrière als privé docent en schreef in die periode zijn Activity of the Will. Titchener wees het boek af maar William James was erg onder de indruk. Hij zei dat de vrije wil niet voorkomt in het bewustzijn. Hij claimde dat spiercontracties de basis vormde voor aandacht en bewustzijn.

Münsterberg kreeg de opdracht een psych. Lab in Harvard op te richten maar was lange tijd de Engelse taal niet machtig. Desondanks was zijn psych afdeling na drie jaar een succes. Ook Münsterberg was een productief schrijver. Er waren kritieken op zijn publicaties: 1) zijn eerste grote werk in Engels werd bekritiseerd door Mind, 2) hij schreef in bladen met grote oplages maar weinig academische waarde, 3) hij herhaalde zich vaak en gaf weinig kredit aan anderen en 4) hij publiceerde nauwelijks volledige onderzoeken+data.

Münsterberg zocht naar praktische toepassingen van psych. Hij gebruikte reciprocal antagonism dat een tegenovergesteld idee werd ‘versterkt’ om het negatieve idee te blokkeren. Hiervoor gebruikte hij ook op een conservatieve wijze hypnose. In Psychotherapy beschreef hij zijn successen met alcoholisme, drugsverslaving, hallucinaties, fobieën en sexuele kwalen.

Münsterberg geloofde niet in Frued’s onderbewustzijn, deze bestaat niet. Hij onderzocht wel naar 2de persoonlijkheden; zo bekeek hij het fenomeen ‘automatisch schrijven’ waarbij de persoon 4/5 woorden achterloopt op wat hij aan het schrijven is.



Forensische psychologie

On the Witness Stand is zijn werk over forensische psych. Zo zijn getuigenverklaringen niet gebaseerd op de objectieve waarheid. Zelfs in ideale omstandigheden (goede intenties, korte tijdspanne tussen gebeurtenis) zijn herinneringen onbetrouwbaar. Hij demonstreerde dit door een stressvolle gebeurtenis plaats te laten vinden en hierna omstanders te vragen wat er gebeurde. Vanuit de rechterlijke macht kwam veel kritiek en pas 70 jaar later werd er pas weer forensische psychologie uitgeoefend.

Verder bezigde hij zich met de detectie van criminaliteit. Zo bevond hij Harry Orchard –een moordenaar die zelf bekend had vanwege zijn religieuze omwending- onschuldig na zijn testen waarbij hij de reactietijd meette van de reacties op een lijst woorden. De reacties op gevaarlijke woorden (revolver, bloed) waren gelijk aan de anderen.

Onware bekentenissen beschreef hij eveneens: lange intensieve ondervragingen van mensen die makkelijk onder druk toegeven/depressieve zijn hier ontvankelijk voor.

In zijn onderzoek naar jury beslissingen maakte hij de controversiële conclusie dat vrouwen ongeschikt waren om rationale beslissingen te maken.



Industriële psychologie

Om de beste personen voor een bepaalde taak te krijgen moet als test de taak in miniatuurversie worden voldaan (een simulatie). Bij tram en trein bestuurders paste hij zo’n simulatie toe en bleek dat personeel met een goede track record het beter deden dan degenen die op het punt van ontslaan stonden. Ook voor een groep telefonist operators deed hij een grote reeks testen.

Bij werk efficiëntie bevond hij dat het monotone werk zo niet door werknemers werd ervaren: een vrouw die al 5 miljoen lampen ingepakt had zag hier nog steeds variatie in. Münsterberg concludeerde dat wat de maatschappij als monotoon en vervelend werk zit geen goed oordeel velt over de werkelijke ervaring: moraal en andere factoren zijn veel belangrijker.

Wat betreft reclame concludeerde hij dat dit effectief kon zijn maar verantwoord gebruikt moet worden.



Fame en neergang
Münsterberg kreeg veel erkenning voor zijn werk. Hij raakte uit de gratie door zijn zelfverklaarde rol als woordvoer van het Duitse rijk in de eerste WW. Nadat een Duitse onderzeeër de Lusitania liet zinken en 1200 levens eiste kreeg Münsterberg veel negatieve reacties. Het ging zelfs zo ver dat een man 10 miljoen dollar over had dat Harverd Münsterberg zou ontslaan. Münsterberg reageerde door aan te geven dat als hij daarvan 5 miljoen kreeg hij zelf zou vertrekken. De man ging niet akkoord.

Münsterberg’s opvolger, William McDougall, was net zo controversieel. Harvard faalde in zijn poging een minder controversiële opvolger te vinden.


5.3 Titchener and Münsterberg in Retrospect (p 173)


Titchener beschreef zijn psych als de studie van de mind en zocht naar de basiselementen hiervan. Münsterberg weigerde zijn psych te definiëren omdat geen definitie breed genoeg zou zijn. De geschiedschrijving behandelde Titchener in het algemeen veel meer dan Münsterberg.

Chapter 6 – German Psychologists of the Nineteenth and Early Twentieth Centuries (p 175)

6.1 Psychophysics (p 175)


Ernst Weber deed onderzoek naar de verschillen die mensen kunnen voelen in waarnemingen. Weber vondt bijvoorbeeld dat mensen tot 1/100ste verschil konen aanwijzen bij lengten, zo kunnen zijn een lijn van 99mm met die van 100mm differentiëren, en die van 198 met die van 200.

Gustav Fechner gebruikte Weber’s onderzoek en gaf de formule: S = k log R, S = sensatie, k= constante en log R = logaritme van fysieke intensiteit van de stimulatie. Er zit een ‘boog’ in de vermeende waarneming en daadwerkelijke stimulatie (zie p 178!).

Fechner hypothetiseerde dat wanneer de corpus callosum (verbinding tussen de 2 hersenhelften) verbroken zou worden de persoon twee verschillende bewustzijnen zouden ontstaan. Later bleek hij gelijk te krijgen.


6.2 Hermann Ebbinghaus (1850-1909) (p 179)


Hermann Ebbinghaus werd geïnspireerd door Fechner’s Elemente der Psychophysik. Ebbinghaus hoorde niet bij het psych. Establishment van die tijd en kon velen van zijn experimenten alleen op zichzelf uitvoeren. Desondanks was zijn bijdrage groot op het gebied van geheugen. Hij kwam met de nonsense syllables (woorden zonder betekenis).

Hij onderzocht eerst hoe lang het duurde voordat hij een lijst met nonsense syllables uit het hoofd kon opzeggen (op basis van een metronoom). Hij onderzocht ook hoe lang het hem koste iets opnieuw te leren uitgezet tegen het aantal originele herhalingen. Verder is hij bekend van Ebbinghaus’ vergeet-grafiek. Ebbinghaus zelf gebruikte geen grafiek maar formules, hij heeft meerdere bijdragen aan de wiskunde geleverd. Verder kwam hij erachter dat tijdens slaap minder kennis verloren gaat en dat betekenisvol materiaal makkelijker te onthouden is dan niet-betekenisvol materiaal.

Kritieken op zijn onderzoek waren voornamelijk positief. Titchener aanvankelijk niet maar uiteindelijk erkende hij dat nonsense syllables een belangrijke bijdrage zijn geweest.

Recent is er kritiek ontstaan op het onderzoek naar geheugen in een laboratorium setting; het verklaard bepaalde fenomen niet zoals waarom bepaalde kennis wel voor zeer lange tijd bewaard blijft en andere kennis niet.

Toen H. Griesbach de dagindeling van lagere scholen in Duitsland onderzocht bleek dat deze niet goed waren ingedeeld, te weinig pauzes. Ebbinghaus betwijfelde zijn aapak (content validity) en stelde tests op die wel geschikt zouden zijn. Zo kwam hij o.a. met het invullen van woorden in zinnen. Dit werd later gebruikt voor intelligentietests maar zijn oorspronkelijke opdracht raakte in de vergetelheid.

Ebbinghaus heeft geen school opgericht, zijn overlevering bestaat uit zijn werken. Titchener voorspelde het al: zijn werk op gehuegengebied is nog altijd belangrijk in de psych.


6.3 Franz Brentano (1838-1917) (p 189)


Aanvankelijk als priester bij de Dominicans kwam hij in de problemen vanwege zijn kritiek op de pauselijke onfeilbaarheid, hij verliet zijn Dominicaanse broederschap en moest afscheid nemen van zijn academische positie in Würzburg.

Zijn aanpak in psych onderzoek kenmerkte zich door: 1) resultaten op basis van ervaringen moeten geanalyseerd worden, 2) zijn psych. zou niet meer veranderen en 3) het is een act psychology -> i.p.v. de producten van mentale acties moeten de mentale acties en processen zelf onderzocht worden. Brentano gebruikte de term imagination waar Locke reflection voor gebruikte; ideeën van een object bewerkstelligen zonder dat dit object aanwezig is. En 4) Brentano gebruikte geen introspectie (die hij ‘interne observatie’ noemde), hij geloofde niet dat introspectie iets kan zeggen over ons bewustzijn. Hij gaf aan dat studenten vaak tot een eindconclusie kwamen dat zij zichzelf niet konden observeren. Brentano suggereerde het geheugen te gebruiken in testen (wat gebeurde er toen je voor het laatst boos was?) en imagination. Verder is het bestuderen van dieren, kinderen en gestoorden interessant.

Brentano heeft niet veel geschreven, slechts 38 werken waarvan 8 op psychologische onderwerpen. Zijn boek Psychology bleek zijn grootste werk en hij werkte tot aan zijn dood aan een 2de editie. Zijn bijdrage is een alternatieve aanpak op die van Wundt te formuleren. Zijn psych of mental acts was een belangrijke voorganger op het Amerikaanse functionalisme .

6.4 Carl Stumpf (1848-1936) (p 192)


Stumpf werd slechts drie kwartielen onderwezen door Brentano maar zijn hele leven beschouwde Stumpf Brentano als zijn meester.

Stumpf moest toen hij terugkwam bij de universiteit van Würzburg alle filosofie en psychologie lessen geven. Desondanks publiceerde hij zijn eerste grote psychologische werk: perceptie van diepte. Hij had hierbij een nativistisch uitgangspunt

In 1875 begon hij zijn Tonpsychologie waarin hij tonen, kleuren en beelden ofwel sensory of imaginary zijn. Verder onderzocht hij hoe tonen worden ervaren door muzikale en niet-muzikale mensen.

Stumpf ging naar de universiteit van Berlijn, op dat moment een bolwerk in de psychologische wereld, voornamelijk doordat de keizer in de buurt was.

Stumpf onderzocht gedrag in kinderen (met name mentale ontwikkeling) en de oorzaken van angsten bij kinderen. Hij benadrukte het direct observeren i.p.v. vragenlijsten.

Zelf heeft Stumpf nooit grootschalige experimenten opgezet.



Clever Hans was een paard dat kon rekenen, het klopte het juiste antwoord op een wiskunde vraag met zijn hoef. Ingewikkelde vragen –die kennis van de taal nodig hebben- werden juist beantwoord. Een eerste commissie geleid door Stumpf concludeerde dat het paard daadwerkelijk kon rekenen. Oskar Pfungst wist te ontdekken dat het paard alleen het juiste antwoord raadde wanneer de vrager zelf wist wat het antwoord was. Door de vrager achter een scherm te plaatsen bleek dat Clever Hans werkte m.b.v. visuele aanwijzingen. Clever Hans benadrukte dat subtiele hints van de ondervragen de geobserveerde kunnen beïnvloeden.

Tijdens de oorlog was Stumpf vrij eenzaam in zijn praktijk, studenten zaten in het leger en zijn bevriende collega’s waren vooral engelsen, amerikanen en russen.


6.5 Oswald Külpe (1862-1915) (p 199)


Oswald Külpe ging aan de slag met Ebbinghaus’s nonsense syllables en had als kritiek dat Ebbinghaus vooral zelf de proefpersoon was. Hij bracht “demand characteristics” onder de aandacht: de proefpersoon zijn kennis over de verwachte resultaten van de onderzoeker. Külpe was onderwezen door Wundt maar toen Wundt Külpe vroeg om een eenvoudigere versie van zijn Physiologische Psychologie te schrijven was Wündt niet tevreden: Külpe’s conceptie van de Psychologie begon af te wijken van die van Wundt. Külpe zag Psychologie die ook hogere metnale functies zou onderzoeken zoals denken, judging, remembering en doubting.

Karl Marbe liet met een experiment de Würzburg aanpak van Külpe zien: hij liet mensen twee gewichten voelen en ze moesten raden welke het zwaarst was. Hierbij kwamen inderdaad veel beelden en waarnemingen voor zoals Wundt voorspelt had. Echter ook twijfelen en zoeken, iets wat Marbe conscious attitudes noemt. Deze vormen de achtergrond waarop oordelen worden gebaseerd. De beschrijving van Wundt’s sensaties, beelden en emoties als bouwstenen van bewustzijn kloppen niet met dit experiment.

Külpe en Bryan beschreven apprehension wat een actief mentaal proces is dat een abstractie maakt van een element. Bijv: vertel iemand dat deze de letters van een willekeurige reeks van 6 letters en 6 cijfers moet onthouden. Hierna kan de persoon eenvoudig de letters benoemen. Wanneer gevraagd word de cijfers op te noemen dan zullen dit er maar 1 of 2 zijn.

H.J. Watts beargumenteerde dat reactietijd opgedeeld moet zijn in 4 fasen: 1) instellingstijd, 2) stimulus, 3) streven naar een reactie en 4) de daadwerkelijke reactie. De instellingstijd is gedaan wanneer de instructies voor de opdracht gegeven worden, wat er moet gebeuren wordt ‘ingesteld’ waardoor een snelle reactie kan volgen. Bijv: geef een subordinate en superordinate van een woord. Vraag: vogel, subordinate: mus, superordinate: animal. Deze reacties verlopen snel en (1) is bij de instructie al voltooid.

Karl Bühler deed zeer interessante onderzoeken bij de Würzburger school en onderzocht gedachteprocessen in complexe situaties d.m.v. ingewikkelde vragen of gedachtepuzzels. Hij achterhaalde hoe de proefpersonen tot hun antwoorden komen dit ging meestal niet gepaard met beelden of sensaties, ze waren ‘imageless’.

Thomas Verner Moore concludeerde uit zijn experimenten bij Würzburg dat er minstens 4 elementen zijn in het bewustzijn: sensaties, beelden, gevoel en meaning.

Er was veel kritiek op de Würzburger school, vooral van Wundt en Titchener. Met de dood van Külpe in 1915 kwam een einde aan de Würzburger school.


6.6 The Lost German Psychologists (p 205)


Veel van de Duitse psychologie heft niet de aandacht gekregen die het verdiende door de twee WW’s. Gestalt Psychologie is de uitzondering hierop.

Chapter 7 – Gestalt Psychology in Germany and the United States (p 207)

7.1 The Conceptual Foundations of Gestalt Psychology (p 207)



7.2 Max Wertheimer (1880-1943) and the Beginning of Gestalt Psychology (p 208)



7.3 The Insight Learning Experiments of Wolfgang Köhler (1887-1967) (p 224)



7.4 Kurt Lewin (1890-1947) and the Application of Gestalt Pyschology (p 230)



7.5 Gestalt Psychology in Perspective (p 247)



Chapter 8 – The History of Clinical Psychology and the Development of Psychoanalysis (p 249)

8.1 Early Views of Mental Illness (p 250)



8.2 Early Institutions and ‘Cures’ for Mental Illness (p 253)



8.3 Reformation of Institutions of Mental Illness (p 253)



8.4 Reformation of Instituions for the Mentally Ill (p 256)



8.5 Sigmund Freud (1856-1939) (p 276)



8.6 Conclusion (p 298)



Chapter 9 – Darwin, Galton, Cattel, James and Hall (p 301)



Chapter 10 – Functionalism at the University of Chicago and Columbia University (p 361)



Chapter 11 – Historical Uses and Abuses of Intelligence Testing (p 393)



Chapter 12 – The Research of Ivan Pavlov and the Behaviorism of John B. Watson (p 443)



Chapter 13 – Four Neobehaviorist Psychologists (p 487)









De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina