Samenvatting hoofdstuk 10 Paragraaf 1



Dovnload 24.41 Kb.
Datum24.07.2016
Grootte24.41 Kb.
Samenvatting hoofdstuk 10
Paragraaf 1
Temperatuur.
De temperatuur meet je met een thermometer. De temperatuur meet je in Graad Celsius C. Je hebt 3 soorten thermometers:

De vloeistof thermometer bestaat uit een reservoir met vloeistof, een maatverdeling en een stijg buis. Het reservoir is meestal gevuld met alcohol. Als de temperatuur stijgt, zet de vloeistof uit. Daardoor stijgt de vloeistof in het dunne glazen buisje.


De elektronische thermometer werkt met een NTC. De NTC laat meer stroom door als de temperatuur stijgt.
De bimetaal thermometer werkt doordat er een bimetaal (een dun plaatje van twee verschillende metalen aan elkaar vast gemaakt) in zit. Het bimetaal trekt krom als het warm wordt. Het metaal dat het meeste uitzet neemt de buitenbocht
Om een thermometer te maken moet je hem ijken. Ijken is vergelijken met vaste punten, de ijkpunten.
In tabellenboeken voor natuur en scheikunde en techniek staat de temperatuur in Kelvin (K).
De laagst mogelijke temperatuur heet het absolute nulpunt.
0 K = -273 Graad Celsius

273 K = 0 Graad Celsius


Omrekenen:

Van Graad Celsius naar Kelvin = +273

Van Kelvin naar Graad Celsius = -273
Kern 2
Barometer: meetinstrument om de luchtdruk te meten, de luchtdruk wordt vermeld in hectopascal (hPa)

Luchtdruk: druk van de lucht om de aarde, je meet de luchtdruk met een barometer, de luchtruk daalt naarmate je hoger in de lucht komt.
Op 1 cm² drukt ongeveer 1 kg lucht.

De zwaartekracht op 1 kg is 10 N. (10N/cm²)

De eenheid van druk is pascal (hPa)
De luchtdruk in Nederland is gemiddeld 1000 hPa. Als we een luchtdruk onder het gemiddelde hebben noemen we dat een lage luchtdruk. En erboven heet een hoge luchtdruk.

Lage luchtruk is slecht weer.

Hoge luchtdruk is goed weer.
Hoe hoger je komt hoe kleiner de luchtdruk word.

Een barometer kun je ook als hoogtemeter gebruiken.

Op 10000 meter is de luchtdruk nog maar 400 hPa.
Door verschillen in luchtdruk gaat de lucht stromen. Dat heet wind. Lucht stroomt van een gebied met een hoge druk naar een gebied met een lage druk of andersom.
Overdruk: het verschil tussen een druk hoger dan de luchtdruk en de luchtdruk
Onderdruk: Het verschil tussen de luchtdruk en een druk lager dan de luchtdruk
Kern 3
Faseovergangen:

Gas


Rijpen verdampen

Sublimeren condenseren

Vaste stof





stollen


smelten

Vloeistof




  • In een vast stof trillen de moleculen op een vaste plaats.

  • In een vloeistof bewegen de moleculen langs elkaar heen.

  • In een gas komen ze helemaal los van elkaar.

Koude lucht kan minder waterdamp bevatten dan warme lucht. Als lucht afkoelt dan condenseert een deel van de waterdamp tot kleine waterdruppeltjes. Er ontstaat Condens ,Dauw of mist.


Condens:

Kleine waterdruppeltjes die ontstaan doordat waterdamp uit de lucht condenseert op een koud voorwerp.


Dauw:

Kleine waterdruppeltjes die ontstaan doordat waterdamp uit de lucht condenseert op gras of andere planten.


Mist:

Kleine waterdruppeltjes die in de lucht ontstaan doordat bij afkoeling van de lucht waterdamp condenseert.


Het dauwpunt:

De temperatuur waarbij waterdamp in de lucht begint te condenseren.


Als waterdamp condenseert ontstaan wolken. Als het te sterk afkoelt krijg je ijskristalletjes. Deze groeien uit tot vlokken sneeuw. De ijskristallen smelten meestal tijdens het vallen. Dat is de regen.

Als de regen bevriest heb je hagel.


Kern 4
Onweer:

In onweerswolken kan lucht zeer snel opstijgen. Door de luchtstroming ontstaat een verschil in elektrische spanning tussen de bovenkant en de onderkant van de wolk. Ook tussen de aarde en de wolken ontstaat er een groot verschil in spanning.

Als het verschil er groot genoeg is, dan ontstaat er een bliksemflits in de wolk of tussen de wolk en de aarde.

Een bliksemflits is een grote vonk. Een vonk is een korte stroom door de lucht dat heet Ontlading.


De flits duurt minder dan 0,001 s.

De stroomsterkte is meer dan 100.000 A.


Bliksem en donder:
Een bliksemflits is heel kort, maar de temperatuur is wel 30 000 Graden.

De lucht zet zeer uit en krimpt weer. Dat is de Donderslag.

Als de bliksem 2 km van je vandaan is, duurt het bijna 6 sec. voor je de donder hoort. Dus voor elke km 3 seconde.
Onweer in een vliegtuig is niet gevaarlijk alleen piloten vliegen vaak om, omdat in onweer het vliegtuig moeilijk te besturen is.
Veiligheid bij onweer is belangrijk.

Het veiligste is naar binnen gaan of in de auto gaan zitten. Ben je op een openveld ga dan op je hurken zitten en ga niet liggen.


Paragraaf 5
Informatie vind je in verschillende informatiebronnen:

  • folders

  • kranten

  • internet

Als je een presentatie houdt kan je dat op verschillende manieren doen:




Verdieping:
In 1953 was er een grote waternoodsramp, het grootste deel van Zeeland en Zuid-Holland liepen onder water.
Storm:

Je spreekt van een storm als om het gehele uur windkracht 9 is. Een zware storm heeft een windkracht van maximaal 117 km/h.



Orkaan:

Bij een orkaan heb je een windkracht van meer dan 117 km/h. In Nederland komt dit niet voor.



Wervelwind/windhoos/tornado:

Hierbij komen zware windstoten voor



Wervelstorm:

Dit zijn tropische reacties. In oost en zuidoost Azië noemen ze het een typhoon.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina