Samenvatting studieboek vwo klimaatvraagstukken 3 Klimaatverandering en beleid



Dovnload 31.03 Kb.
Datum07.10.2016
Grootte31.03 Kb.


Samenvatting studieboek VWO

Klimaatvraagstukken

3 Klimaatverandering en beleid

De hoofdvraag van dit hoofdstuk is: Welk beleid is nodig om klimaatveranderingen in goede banen te leiden?






Hoge CO2-uitstoot blijft
Brongerichte maatregelen
Symptoombestrijding

Handel in CO2 emissierechten

Transportbesparing

Duurzame energiebronnen
- zonnenergie,
- aardwarmte

(warmtepompen)
- windenergie


- verbranding en

vergisting

Duurzame energie niet altijd milieuvriendelijk
Zeespiegelstijging: situatie verschilt per land

Nederland: grotere overstromingskans


Dijkaanleg
Verzwaring en verhoging van dijken

Beleid sinds 1995: ruimte voor de rivier:
- ontruiming
- overloopgebieden
- nevengeulen
- herinrichting gebieden

langs rivieren

Bangladesh:

overstromingen ver-

oorzaken grote schade

Wie betaalt?

Bij moesson wateroverlast in een derde van het land


Voor maatregelen is nauwelijks geld
Steeds vaker oplossingen toegespitst op het gebied

Internationale conferenties: verdragen om CO2 terug te dringen
Aanpak is lastig
1997: Kyotoverdrag

Reductiedoel per land
Aantal grote landen tekenden niet

EU: 8% minder uitstoot
Oude’ lidstaten helpen nieuwe; vorm van emissiehandel
Aanpak per land verschilt

Maatregelen passend bij situatie

Tolheffing


Nederlands beleid: duurzame energie en afremmen automobiliteit


Meerdere ministeries


Zoeken naar balans in mobiliteit afremmen en noodzakelijk transport voor economie

§ 3.1 Maatregelen om schadelijke effecten van broeikasgassen te beperken

Welke maatregelen worden genomen om de schadelijke effecten van broeikasgassen terug te dringen?
►Fossiele brandstoffen leveren wereldwijd nog altijd het grootste deel van de energie. De verbranding zorgt voor een verhoogde CO2-uitstoot, waardoor het versterkte broeikaseffect ontstaat met schadelijke gevolgen voor mens en milieu.

● Om deze schade te beperken kunnen brongerichte maatregelen worden genomen. Dat is een structurele aanpak omdat het de oorzaak van het probleem aanpakt. Een ander manier is symptoombestrijding: het bestrijden van de effecten. Dat is een kortetermijnoplossing.


Enkele belangrijke maatregelen om het broeikaseffect te beperken zijn:

Handel in emissierechten

● Bedrijven hebben een recht om een bepaalde hoeveelheid CO2 uit te stoten, het zogenoemde emissieplafond. De uitstoot van methaan en lachgas (■ schadelijker dan CO2) wordt omgerekend naar uitstoot van CO2 omdat dat makkelijker verrekend. De rechten zijn verhandelbaar.

● Wie onder de norm blijft verkoopt emissierechten, wie er boven komt koopt rechten van anderen.

● Vooral energiebedrijven en grote industrieën halen de emissiereductie niet.
Transportbesparing. Transport van goederen is een belangrijke economische sector die het milieu sterk belast. Dat is te beperken door het transport efficiënter te organiseren door:

● De afstanden klein te houden tussen leveranciers en afnemers. Bewerking van goederen in de regio zelf is een vorm van regionale specialisatie.

● Vermindering van volume en gewicht van goederen.

■ Digitale communicatie.

● Optimaal gebruikmaken van retourstromen: het beter benutten van lege laadruimtes van vrachtwagens bijvoorbeeld.
Duurzame energie. Duurzame energiebronnen worden door de natuur in relatief korte tijd aangemaakt. Er zijn verschillende soorten.

► Bronnen die direct warmte afgeven zijn zonne-energie en aardwarmte.

● Zonne-energie wordt maar beperkt gebruikt omdat de kosten voor het maken van zonnepanelen en -collectoren hoog zijn.

● Ook heeft niet elk gebied voldoende zonne-uren.

► Aardwarmte is warmte die uit de korst van de aarde wordt gehaald. Die warmte is er in overvloed.

● Dat geldt ook voor warmte uit lucht of water, die warmte heeft een relatief lage temperatuur, maar die kan door warmtepompen worden verhoogd.

● Warmtepompen worden steeds vaker toegepast voor woningen en tuinbouwkassen.

►Met andere bronnen kan ook elektriciteit opgewekt worden, bijvoorbeeld met windenergie. Dat is alleen rendabel in gebieden met gunstige windomstandigheden

■ zoals in Nederland.

● Nadelen van windenergie: de kosten van windturbines zijn hoog, het landschap wordt visueel aangetast en bedrijven vinden het risico nog te groot.

►Bio-eniergie is een verzamelnaam voor energie die vrijkomt door verbranding of vergisting van organisch materiaal.

● Een voorbeeld is de verbranding van hout. Dat is pas duurzaam als nieuw hout wordt aangeplant.

● Andere vormen zijn verbranding van afval en

● Het winnen van gas uit mest via biogasinstallaties.

● Ook uit rottend GFT afval kan energie opgewerkt worden. Bio-energie is relatief goedkoop, maar niet geheel schoon omdat bij verbranding vaak schadelijke stoffen vrijkomen. Het roept soms ook ander problemen op, zoals bij het gebruik van palmolie als brandstof. De vraag hiernaar stijgt fors, maar voor de productie wordt bestaand regenwoud gekapt.
► Duurzame energiewinning is dus niet per definitie milieuvriendelijk.

§ 3.2 Nederland en Bangladesh, twee laaggelegen kustgebieden

Op welk schaalniveau zijn deze maatregelen het meest effectief?
► Laaggelegen kustgebieden moeten maatregelen treffen tegen de dreiging van de stijgende zeespiegel. De situatie in deze gebieden kan nogal verschillen. We vergelijken Nederland en Bangladesh.
Nederland

►Voor Nederland is berekend dat als de zeespiegel flink stijgt en dit een hogere kans op overstromingen geeft. De stijgende zoutwaterspiegel leidt in de kustgebieden tot nadelige gevolgen voor de drinkwatervoorziening en voor de landbouw omdat de landbouwgrond verzilt. De overheid investeert veel geld in maatregelen die deze gevolgen beperken.

● Belangrijkste maatregel is dijkaanleg bij de kust en rond rivieren en kanalen. Dat is al eeuwen aan de gang.

● Andere maatregelen zijn dijkverzwaring en dijkverhoging, die moeten vooral in het rivierengebied het achterland voor overstromingen behoeden. In de kustgebieden wordt vaker zandsuppletie toepast om de kustlijn te behouden.


►Na 1995 is het beleid voor rivieren veranderd. Geen dijkverhoging of –verzwaring, maar ruimte geven aan het rivierwater om meer veiligheid te bieden tegen overstromingen én de ruimtelijke kwaliteit van het riviergebeid te verhogen.

►Om ontruiming van gebieden bij hoog water tegen te gaan, worden concrete maatregelen genomen:

● Het aanwijzen van overloopgebieden waar, als het nodig is, het rivierwater in kan stromen.

● Het graven van nevengeulen in uiterwaarden, wat de doorstroom bevordert.

● Het herinrichten van het riviergebied zodat meer ruimte wordt gegeven aan de rivier. Dat betekent dat functieverandering plaatsvindt: woongebieden worden bijvoorbeeld aangewezen als natuurgebied.
Bangladesh

► Bangladesh is net als Nederland een laaggelegen en dichtbevolkt land.

● Jaarlijks komen er veel overstromingen voor. Het land heeft nauwelijks financiële middelen om maatregelen te nemen.

● De klimaatverandering is grotendeels veroorzaakt door kernlanden, terwijl de gevolgen veel groter zijn en harder aankomen voor perifere landen als Bangladesh. De overstromingen in Bangladesh zullen jaarlijks groter worden door een hogere afvoer van rivierwater, grotere verschillen in het debiet van rivieren en een toenemende kans op tropische stormen. Dat leidt weer tot veel slachtoffers en grote schade aan de landbouwgrond.

● De vraag is wie er op moet draaien voor de kosten. De rijke landen zullen de arme landen moeten helpen om maatregelen te kunnen nemen.
► In Bangladesh is er in de zomer een natte moesson. In een derde van het land zorgt dit voor wateroverlast. De bijkomende tropische stormen kunnen leiden tot enorme vloedgolven langs de kust. Bij een stijgende zeespiegel krijgt het land nog meer water te verwerken.
Veel mensen wonen noodgedwongen in de rivierdelta. Door het kappen van bomen en het ontbreken van drainage verdwijnen bij overstromingen hele stukken land. Duizenden doden en veel daklozen zijn het gevolg. Maatregelen ontbreken omdat er geen geld is, noodhulp is moeilijk omdat getroffen gebieden onbereikbaar zijn.
Eerst legde men in Bangladesh polders aan om te voorkomen dat land door rivierwater overstroomde. De rivier zette echter vruchtbaar slib af, waardoor de landbouw groeide en de welvaart steeg. Na de inpoldering zette het water geen sediment meer af op het land, maar in de weinige kanalen en rivieren, die ondiep werden en voor nieuwe overstromingen zorgden. Ook klonken de polders in, waardoor het overstroomde water niet meer weg kon en ging rotten. De opbrengst van het land verminderde sterk. Tegenwoordig wordt meer gekeken naar de specifieke situaties in de dorpen. Met de aanleg van een sluizen bijvoorbeeld krijgen de bewoners meer invloed op het water.
3.3 Beleid en belangen

Welke maatregelen worden genomen in laaggelegen kustgebieden om de gevolgen van klimaatverandering tegen te gaan?
Wereldwijd

► Tussen landen zijn afspraken gemaakt om over de aanpak van de klimaatverandering, onder andere in klimaatconferenties en -verdragen. De aanpak is lastig omdat de belangen per land verschillen.

● De technisch en economisch ontwikkelde landen, zijn vaak het meest verantwoordelijk voor de uitstoot van CO2, en het beste in staat om efficiënte maatregelen te nemen en te investeren in milieubeleid, maar doen dat niet altijd.

● Arme landen willen ook economisch groeien, groei stellen zij vaak vóór het milieu.

■ China en India zijn grote groeiers.
Kyoto

►In de klimaatconferentie van Kyoto in 1997 ondertekenden 150 landen een belangrijk verdrag met afspraken om broeikasgassen terug te dringen.

● Per land of gebied is een reductiedoelstelling voor broeikasgassen vastgesteld, de aanpak van de reductie bepalen de landen zelf. Enkele grote landen waaronder de Verenigde Staten, Australië, China en India ondertekenden het verdrag niet.
Europees beleid

► De EU landen ondertekenden het verdrag van Kyoto gezamenlijk.

● De EU moet tussen 2008 en 2012 de uitstoot van broeikasgas hebben verminderd met gemiddeld 8% van ten opzichte van het niveau van 1990.

● De rijke landen mogen gemiddeld minder uitstoten dan armere landen.

● De afspraken gelden alleen voor de vijftien landen die voor 1 mei 2004 EU-lid waren. De nieuwe EU-lidstaten krijgen financiële hulp van de EU om de CO2-uitstoot te beperken. Daar zit een dubbelbelang in, want een land dat hulp geeft kan zelf een hoger uitstootrecht verkrijgen. Het is een vorm van emissiehandel.
► Tussen de EU landen onderling bestaan flinke verschillen in aanpak. Die hangt af van de economische en politieke belangen en de sociaal-culturele achtergrond van een land. Zo hebben de Scandinavische landen altijd een vooruitstrevend milieubeleid gevoerd.

► De verschillen in beleid zijn niet altijd nadelig. Iedereen kan doen wat goed past bij de situatie van het eigen land. Zonne-energie is vooral rendabel in landen met veel zonuren, in bosrijke gebieden zal vooral energie uit hout kunnen worden gewonnen en vlakke, open gebieden zijn meer geschikt voor windenergie.

► Een belangrijke beperkende maatregel die steeds meer landen invoeren is tolheffing. Dat is een vorm van rekeningrijden die de mobiliteit en daarmee de uitstoot van CO2 vermindert.
Nederlands beleid

► Het Nederlandse beleid kent twee belangrijke pijlers: het stimuleren van duurzaam energieverbruik en het afremmen van automobiliteit. Er zijn verschillende ministeries bij betrokken.

● Het ministerie van Verkeer, Ruimtelijke ordening en Milieu (VROM) coördineert het klimaatbeleid en heeft beleid uitgezet voor het bevorderen van energiebesparing, het verminderen van automobiliteit, het stimuleren van het gebruik van openbaar vervoer en voor het compact bouwen in stedelijke gebieden.

● Het ministerie van Economische Zaken houdt zich bezig met energie-efficiëntere productie en de toepassing van duurzame energie in industrie.

● Het ministerie van Verkeer en Waterstaat is (mede)verantwoordelijk voor het afremmen van mobiliteit.

■ Gemeenten hebben vaak een voorbeeldfunctie, bijvoorbeeld door de dienstauto’s op alternatieve brandstof te laten rijden. Het is niet te verwachten dat het gebruik van auto’s wereldwijd zal afnemen.

► Transport is nodig voor de economische ontwikkeling van bedrijven.

● Tussen het afremmen van mobiliteit en het gebruik van auto’s moet een balans worden gezocht. Dat vergt onderzoek naar alternatieve brandstoffen en het maken van beleid gericht op ‘schone’ energie.






De Geo voor de tweede fase - vwo Samenvatting Klimaatvraagstukken H3




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina