Samenvatting TechnologyAssessment Hoofdstuk 3 Technologische ontwikkeling: een theoretisch model



Dovnload 42.28 Kb.
Datum17.08.2016
Grootte42.28 Kb.

Samenvatting TechnologyAssessment

Hoofdstuk 3 Technologische ontwikkeling: een theoretisch model

3.1 Technologieontwikkeling: Geen autonoom proces


Technologische ontwikkelingen zijn geen autonoom proces  wederzijdse beïnvloeding van technologie en maatschappij: Co-evolutie.

Maatschappelijke invloed is vaak niet / slecht zichtbaar, echter zeer veel actoren zijn betrokken: bedrijven, universiteiten, instituten enz.. Dus niet autonoom.



Voor TA belangrijk: waar, wanneer en hoe te beïnvloeden?
Voor integratie v/e technologie is vaak nodig:

  • Infrastructuur

  • Regulering en instituties

  • Vaardigheden

  • Organisatiestructuur

  • Culturele aanpassingen (waardepatronen, opvattingen en gedragswijzen)

3.2 Een eenvoudig lineair model


Vijf fasen in lineair technologieontwikkelingsmodel

  1. Genereren nieuwe fundamentele technologische kennis

    1. Onderzoek naar iets nieuws, hoeft geen specifieke toepassing te zijn

    2. Strategisch onderzoek: onderzoek met globale verwachtingen van uitkomsten

    3. Fundamenteel onderzoek: geen specifieke verwachtingen voor toepassingen

    4. Toepassingsgericht onderzoek: moet direct leiden tot toepassingen

  2. Ontwikkeling en ontwerpen van werkbaar product of systeem

    1. Prototype

    2. Ervaringen / verbeteringen

  3. Introductie eerste gebruiks- of marktfase

    1. Soms gericht op specifieke doelgroep / marktniches

    2. Soms alleen van toepassing op specifieke doelgroep / marktniche

    3. Technologische niche: ruimte waarin een technologie beschermd wordt (financieel), voor overlevingskansen (bescherming tegen concurrentie)

  4. (Eventuele) brede maatschappelijke diffusie

    1. Verspreiding vanuit marktniche naar breder publiek

    2. Kan ook blijven steken  soms alleen geschikt voor de niche.

  5. Effecten op maatschappij

    1. Direct: komen rechtstreeks voort uit het beoogde gebruik

    2. Indirect: gevolgen van het gebruik

    3. Kunnen gewenst en ongewenst zijn

Te simpel en gebrekkig  zou intern proces zijn  geen invloed maatschappelijke omgeving, daarnaast veel terugkoppeling naar eerdere fasen.

Introductie in bepaalde toepassingen en specifieke gebruikersgroep: marktniches  gevolgen in deze groep bepalen of brede maatschappelijke diffusie optreedt, slaat het aan of niet.

Gaat hier vooral om ‘sciencebasedtechnologies’. Hoeft niet, kunnen ook voortvloeien uit bestaande technologieën.

3.3 Een complexer model met feedback


Ontwikkelaars hebben een bepaald gebruikersbeeld dat ze hanteren. Hier ontstaan vaak inschattingsfouten. Gebruikers kunnen ook andere toepassingen van een technologie gebruiker, dit zijn onverwachte gebruikersinitiatieven.

Hierdoor moet in elke fase van het eerder beschreven model de maatschappij worden betrokken. Hierdoor kan terugkoppeling van de ene fase naar een eerdere ontstaan. Hier zijn de volgende feedbackmogelijkheden:



Effecten brede maatschappelijke diffusie
Mensen staan door veranderingen in de maatschappij niet meer achter een technologie, waardoor de diffusie verandert.

Effecten introductie in eerste gebruiks- of marktfase
Door onverwacht effecten vergroot of verkleind de gebruikersgroep, wat weer gevolgen heeft op de maatschappelijke diffusie.

Effecten ontwikkeling van werkbaar product
Effecten van een toepassing hebben invloed op verdere uitwerking en toepassingen.

Effecten genereren van nieuwe fundamentele technologische kennis
Effecten leiden tot nieuwe ideeën en inzichten voor nieuwe technologische kennis en onderzoek.

Brede maatschappelijke diffusie ontwikkeling van werkbaar product
Mate van afname of toepassing van een technologie of product hebben invloed op de verdere ontwikkeling en motivatie voor nieuwe producten of verbeteringen.

Introductie eerste gebruiks- of marktfase ontwerp van werkbaar product
Bij het testen en eerste gebruik komen problemen naar voren of ontstaan nieuwe ideeen.

Brede maatschappelijke diffusie genereren fundamentele technologische kennis
Komt niet vaak voor. Bijvoorbeeld samensmelting van twee concepten tot iets geheel nieuws.

Ontwerp van werkbaar product genereren fundamentele technologische kennis
Bij de ontwikkeling van bijvoorbeeld een prototype komen al gebreken naar voren die eerst moeten worden opgelost of worden al aanpassingen bedacht of gevonden.

3.4 Quasi-evolutionaire theorie voor technologieontwikkeling


Oorzaken voor het afbreken van een technologieontwikkeling:

  • (onvoorziene) technische problemen, zoals ontbreken van materialen en geen productiemogelijkheden

  • verlies van de competitie vanwege te hoge prijzen, te traag, niet-ondersteunde technologie, geen distributienetwerk

  • maatschappelijke of culturele weerstand zoals bij klonen, kernenergie en cfk’s


In ontwikkeling zijn er meerdere mogelijkheden en richtingen, dit mondt uit in een technologisch traject.

3.5 Variatie en selectie


Variatie
Gebruik van ‘heuristiek’ om richting te geven aan het zoeken naar oplossingen, door het stellen van bijvoorbeeld beperkingen in oplossingen. Hierdoor worden bepaalde opties al afgekapt, waardoor een bepaald traject ontstaat in de ontwikkeling, ook wel padafhankelijkheid (lock-in) genoemd. Ook hierbij moet rekening gehouden worden met gebruikers.

Selectie
Ex post-selectie (selectie achteraf). Zoeken naar oplossingen wordt gedaan door gebruikers en actoren beslissingen te laten nemen, waaruit de oplossing volgt.

Ex ante-selectie (selectie vooraf). Hierbij kan geanticipeerd worden op eisen van gebruikers zonder ze daar direct bij te betrekken.



Koppeling van variatie en selectie
Twee vormen van koppeling:

Anticipatie


Vooruit keuzes maken en oplossingen zoeken door rekening te houden met selectieprocessen en daarop te anticiperen (bestaande of toekomstige selectieomgevingen). Hierbij kan TA een rol spelen.

Technologische nexus en articulatieprocessen


Heeft betrekking op contacten tussen techniekproducenten en gebruikers (technologische nexus). Hierdoor kunnen wederzijdse leerprocessen ontstaan door feedback en articulatie:

  • Verduidelijking van de wensen van de gebruiker

  • Eisen aan de technologie

  • Maatschappelijke en politieke verduidelijking voor bijvoorbeeld maatregelen

Deze drie worden ‘leerprocessen’ genoemd. Deze kunnen onbewust en impliciet plaatsvinden, maar ook bewust en expliciet. Dit is belangrijk voor de ontwikkeling van de technologie.

Relatie tussen het terugkoppelingsmodel en het quasi-evolutionaire model
Deze twee zijn met elkaar verbonden, omdat ze invloed op elkaar hebben. Keuzes binnen variatie en selectie hebben invloed op de fasen die worden doorlopen en de feedback daarop enzovoorts.

Technology push en market (demand) pull
Market pull is een sterke vraag uit de maatschappij of markt voor een bepaald product of een bepaalde handeling met betrekking tot een technologie of toepassing.
Technology push is het ongevraagde aanbod van technologie of mogelijkheden, de technologie dringt zich op aan de maatschappij, waardoor maatregelen genomen moeten worden (denk aan klonen).

Hoofdstuk 4 Effecten van technologieontwikkeling nader beschouwd

4.2 Drie visies op de relatie tussen technologie en maatschappelijke effecten


Technologisch determinisme
Een visie waarbij maatschappelijke gevolgen direct voortvloeien uit het karakter van de informatietechnologie. De technologie is niet neutraal.

Voluntarisme
Technologie is zelf neutraal en de samenleving kiest bewust voor de ontwikkeling als de toepassingen, met de vrijheid om dit niet te doen.

Constructivisme
Technologieontwikkeling en maatschappelijke verandering zijn met elkaar verbonden en hebben invloed op elkaar.

4.3 Inzicht in toekomstige effecten


Inzicht in effecten komt vaak pas na de maatschappelijke diffusie (verspreiding).

4.3.1 Directe en indirecte effecten
Direct  komen rechtstreeks voort uit het beoogde gebruik
Indirect  zijn het gevolg van het gebruik

4.3.2 Het ‘control dilemma’
Effecten zijn vaak pas later zichtbaar en in te schatten, maar zijn dan moeilijker tegen te houden. Dit is het control dilemma. Ongewenste effecten zijn door de maatschappelijke diffusie zeer moeilijk op te lossen. Hierdoor zijn verschillende vormen van TA ontstaan (hoofdstuk 7).

4.4 Betrokken actoren en hun belangen


Vier typen:

  • Ontwikkelaars en producenten: R&D afdelingen van/en bedrijven

  • Gebruikers: organisaties, consumenten, professionals

  • Regulatoren: overheden, commissies

  • Overige betrokkenen: indirecte gebruikers, belangengroepen

Conflicterende belangen en waarderingsmaatstaven
Er zijn vaak verschillende belangen voor verschillende groepen, die ieder vanuit een eigen kader naar een technologie kijken. Hierdoor kunnen normen en waarden veranderen (indirecte gevolgen). Ook wel vermaatschappelijking genoemd (hoofdstuk 7).

4.5 Effecten van keuzes in de technologieontwikkeling


Hier worden de eerste drie fasen van het ontwikkelmodel (hoofdstuk 3) bekeken en wordt gekeken naar de maatschappelijke aspecten die hier invloed op hebben.

4.5.1 Van fundamentele technologische kennis (fase 1) naar effecten
Hier wordt gekeken naar:

  • Virtuositeitwaarden: aanzien, status, eer, grenzen verleggen en controle

  • Economische waarden: efficiencyverhoging, tijd- en geldbesparing

  • Zorgwaarden: zorg voor medemens en natuur

4.5.2 Van productontwerp (fase 2) naar effecten
Hier wordt een script ontwikkeld (gematerialiseerde vooronderstellingen over het beoogde gebruik). Het script omvat het technisch ontwerp zelf dat bepaalde vormen van gebruik veronderstelt / oplegt.

Gebruikersbeeld
Ontwikkelaars hebben vaak een beeld van de beoogde gebruiker en wat de mogelijkheden voor hem/haar moeten zijn. Dit hoeft niet correct te zijn.

Eerste mechanisme van onbewuste eenzijdige representaties
Gebruik maken van de ‘ik-methodologie’ met het gevolg dat de gebruiker wordt over- of onderschat.

Tweede mechanisme van onbewuste eenzijdige representaties
Ontwikkelen voor een specifieke doelgroep. Hierbij wordt gebruik gemaakt van stereotypen van gebruikers.

Scripts als bron van maatschappelijke ongelijkheid
Er worden nieuwe technologieën ontwikkeld om een bepaalde doelgroep te ondersteunen, hierdoor ontstaat maatschappelijke ongelijkheid. Dit kan tot gevolg hebben dat de nieuwe technologie wordt ‘rechtgetrokken’, waardoor het voor iedereen een bevordering is. Hierbij kan ook gedacht worden in verschillen in gender, genderscripts genoemd. De ongelijkheid kan ook blijven bestaan, waardoor bijvoorbeeld stereotypen worden versterkt.

Toedelen van verantwoordelijkheden: moralisering van technologie
Technologie kan ook gebruikt woorden om bepaalde verantwoordelijkheden op af te schuiven. Bij onverantwoordelijk gedrag van een gebruiker zou de technologie dan ‘in kunnen grijpen’.

4.5.3 Van de eerste gebruiks- of marktfase (fase 3) tot effecten
Dit gebeurt vaak via een groep ‘earlyadopters’. Een specifieke doelgroep die de eerste producten gaan gebruiken, omdat dit bepaalde virtuositeitwaarden heeft. Een andere mogelijkheid is een marktniche. De technologie kan daarna worden uitgebreid voor een breder publiek.

Hoofdstuk 5 Maatschappelijke effecten van informatietechnologie

5.1 Effecten op arbeid


Kwaliteit van arbeid
Door automatisering verdwijnen niet zelden banen, echter er ontstaan ook een hoop nieuwe banen door de ontwikkeling. Hier kunnen voor de betrokkenen drie situaties optreden:

  • Degradatie: kwaliteit van de functies wordt lager

  • Regradatie: kwaliteit van de functies wordt hoger

  • Polarisatie: toename van laag- en hooggekwalificeerd werk is gelijk

De kwaliteit wordt onderzocht aan de hand van:

  • Complexiteit van de taken

  • Gevarieerdheid

  • Autonomie

  • Sociale contacten

Arbeidsmarktsegregatie  ongelijke verdeling van het werk over onderscheiden groepen werknemers. Veel laag- en hooggekwalificeerde werkzaamheden. Voor de middenklasse zijn er weinig of geen loopbaanmogelijkheden (dead-end jobs).

Internationalisering en globalisering
Grenzen vallen steeds meer weg en bedrijven worden steeds meer internationaal. Hierbij wordt het hooggekwalificeerde werk in de westerse landen gedaan en worden de simpele taken uitbesteed naar lage lonen landen.

5.2 Maatschappelijke aan- en uitsluiting


Democratiseringsmiddelen
Het gaat hier om drie aspecten:

  • ICT versterkt mogelijkheden van directe democratie (zoals verkiezingen)

  • ICT vergroot de responsiviteit van parlementaire democratie

  • ICT bevordert actief burgerschap

Toegankelijkheid van de informatiemaatschappij
Kent drie niveaus van drempels:

  • Beschikking over computers (fysieke toegang): voor armere groepen vaak niet haalbaar

  • Vaardigheden: werken met en het vergaren van informatie vergt vaardigheid

  • Motivatie en behoeften: veel mensen vinden het niet zinvol genoeg en gebruiksvriendelijkheid van systemen

Risicogroepen

  • Ouderen kunnen niet omgaan met nieuwe ontwikkelingen en hebben hier onderwijs in nodig

  • Etniciteit. Onbekend of bepaalde groepen meer moeite hebben met bepaalde technologieën.

  • Sekse. Vrouwen worden steeds handiger met technologie, maar dit is nog niet zo lang

5.3 Privacy


Definitie van privacy
Er zijn verschillende definities:

  • Informationele privacy: het recht op selectieve openbaarmaking, controle die een individu heeft over gegevens.

  • Relationele privacy: het recht op selectieve contactlegging. Individu bepaald wie er in zijn/haar ‘eigen ruimte’ of omgeving komt.

Bedreigingen van privacy
Hierbij gaat het om doorzichtigheid, traceerbaarheid, volgbaarheid en controleerbaarheid. Hoe betrouwbaar is technologie echt? Koppeling van gegevens is erg belangrijk hierbij. Combinatie van persoonlijke gegevens waar informatie uit kan worden afgeleid.

Bescherming van privacy
Vier vormen van bescherming van privacy:

  • Juridisch: wetten om persoonsgegevens te beschermen

  • Sociaal: bewuste weigering van producten door gebruikers, hier wordt steeds meer op ingespeeld

  • Systeemtechnisch en organisatorisch: beveiliging van informatie in systemen

  • Technische alternatieven: autorisatie en identificatie zonder gevoelige persoonsinformatie op te geven

Hoofdstuk 6 Normatieve beoordeling en maatsch. Verantwoordelijkheid

6.2 Normatieve beoordeling van effecten


Gevonden gevolgen van een technologie moeten beoordeeld worden (positief en gewenst of negatief en ongewenst). Hieruit volgen dan eventuele veranderingen.

Hierbij wordt gekeken naar drie aspecten:



  • Meningsverschillen over het gevolg door verschillende betrokkenen

  • Verschillende gevolgen voor verschillende maatschappelijke groepen

  • Afwegen van positieve tegen negatief effecten van een gevolg

Belangrijk bij het beoordelen van gevolgen zijn ook normen en waarden. Daarnaast kunnen rechterlijke uitspraken bepaalde normen ‘opleggen’. Er moet dus gekeken worden naar beoordelingen van anderen en niet alleen van je zelf.

6.3 Normatieve kaders


Voor het beoordelen van de gevolgen is de ethiek een goed referentiekader. Zaken als privacy, toegang, omstandigheden, autonomie, milieu, veiligheid etc. zijn hierbij van belang. Het boek geeft er meer weer, maar ook dit is een fractie van de totale lijst van aandachtspunten.

6.4 Keuzes en beïnvloeden van technologieontwikkeling


TA-studies moeten sturend werken, wat betekent dat de uitkomst van een TA invloed heeft op de toekomst. Vaak heeft dit echter maar zeer beperkte mogelijkheden. “Als de een er mee stopt, gaat de ander er wel mee door”.

6.5 Verantwoordelijkheid


Dit begrip wordt verder toegelicht middels drie aspecten/niveaus.

6.5.1 Individueel niveau
Bijvoorbeeld ingenieus hebben directe invloed op de ontwikkeling en daarmee dus verantwoordelijkheid. Dit wordt door Nijholt en Van den Ende in vier dimensies opgedeeld:

  • Organisatorisch: ingenieurs moeten hun werk goed doen, naar normen en heersende bedrijfscultuur

  • Beroepsverantwoordelijkheid: kwaliteit van geleverd werk (lijkt op organisatorisch), hier spelen ook algemene kwaliteitseisen mee

  • Eigenbelang: bijvoorbeeld ingenieurs kunnen niet makkelijk in opstand komen, ivm mogelijk werkverlies

  • Maatschappelijk: morele verantwoordelijkheid, gevolgen en betekenis van de ontwikkelde technologie

Klokkenluiders  personen die naar buiten treden met gevoelige informatie, om zo druk uit te oefenen op bijv. bepaalde ontwikkelingen. Dit moet door bedrijven voorkomen zien te worden. Ingenieurs kunnen vaak alternatieve ontwerpen of technologieën aandragen.

6.5.2 Institutioneel / organisatie niveau

Beroepscodes
Volgens het Rathenau Instituut zijn er drie typen codes:

  • Aspirationeel: waarden, idealen, belangen en verantwoordelijkheden die richtinggevend moeten zijn

  • Adviserend: professionals gevoelig maken voor centrale beroepsproblemen en de morele relevantie daarvan, bevat geen verplichtingen

  • Disciplinerend: formele handelingsaanwijzigen waaraan professionals zich moeten houden in bepaalde ethisch gevoelige situaties (strafbaar bij overtreding)

Institutionele verantwoordelijkheid
Hierbij wordt verantwoordelijkheid bij een instituut gelegd, zoals bijvoorbeeld een universiteit

Sociale netwerken
Contacten die ontwikkelaars hebben met toepassingsdomeinen kunnen bepalend zijn voor de mate van succes van een ontwikkeling. Onderzoekers / ingenieurs kunnen zo invloed uitoefenen op het gebruik van hun technologie / onderzoek.

6.5.3 Handelingsstrategieën
Het omzetten van verantwoordelijkheidsbesef in concrete handelingen wordt ingedeeld in twee handelingen:

  • Beïnvloeding en bijsturing: georganiseerde activteit, zoals:

    • Mobilisatie van collega-onderzoekers

    • Participatie in specifieke netwerken om effecten te realiseren / te voorkomen

    • Ontwikkelen van alternatieven voor negatieve technologieën

  • Maatschappelijke anticipatie en flankerend onderzoek: anticipatie door ingenieurs op ontwikkelen, waardoor ongewenste gevolgen kunnen worden voorkomen of verzacht door treffen van voorzieningen

Hoofdstuk 7 De opkomst en praktijk van TA

7.2 Opkomst van TA: vermaatschappelijking van besluitvorming over technologie


Sinds WO2 wordt er veel onderzoek gedaan op bedrijfs- en nationaal niveau. Dit wordt steeds belangrijker (zie ook pag. 157 boek). Angst voor volledige overname door de technologie zorgde ervoor dat de maatschappij zich er meer mee ging bemoeien  vermaatschappelijking van besluitvorming

  • Meer organisaties en maatschappelijke groepen worden bij besluitvorming betrokken

  • Uitbreiding van aspecten, overwegingen en criteria voor besluitvorming

1945 – eind jaren zestig: vooruitgangsgeloof, nationale veiligheid, prestige en
R&D-subsidies
Eind jaren zestig – begin jaren tachtig: kritiek en maatschappelijke heroriëntatie
Begin jaren tachtig – heden: technologie voor economische en militaire macht, opkomst CTA (Constructief TA)  meer aandacht voor bevorderen technologie en meer aandacht voor interactie tussen betrokken groepen met onderling verschillende visies

7.3 TA in de VS, Nederland ,Duitsland, Denemarken en de EU


De Verenigde Staten
TA hier ontstaan. Door onderkenning van negatieve gevolgen, ontstond meer regulering. Verschillende instanties opgericht:

  • 1970: OSHA (Occupational, Safety and Health Act)  arbeidsomstandigheden, zeggenschap werknemers

  • 1970: EPA (Environmental Protection Agency)  milieubescherming

  • 1972: OTA (Office of Technology Assessment)  verschaffen van informative en inzicht voor het Amerikaanse Congres  early warning-functie, kwam pas later uit de verf

Nederland
Effectvoorspelling  12-delige serie over methoden om mogelijke effecten op milieu en gezondheid te voorspellen.
Eind jaren 70: meer aandacht voor ethische en maatschappelijke effecten door oa kernenergie en genetische manipulatie.
1979: onstaan van Rathenau Commissie die pleit voor TA.
1984: beleidsnota ‘Integratie van Wetenschap en Technologie in de Samenleving’ (IWTS).
1986: NOTA  Nederlandse Organisachie voor Technologisch Aspectenonderzoek (onafhankelijk). Laat studies uitvoeren en houdt veel workshops. In 1994 gaan zij zich meer richten op het parlement en naam veranderd in Rathenau Instituut.

Duitsland
Moeilijk om een goed instituut op te richten wat zich bezig houdt met TA.
1990: Buro fur Technikfolgen Abschatzung beim Deutschen Bundestag (TAB). Soort dialoog tussen wetenschap en politiek. Hiervoor waren al wel kleine bedrijfjes die TA’s deden.

Andere europese landen en de EU
In andere Europese landen zijn ook instituten die zich actief bezighouden met TA-activiteiten. Deze instituten hebben vaak een van de volgende instellingen:

  • Gericht op wetenschappelijke analyse tegenover publieke participatie

  • Sterke binding aan parlementaire besluitvorming.

Op Europees niveau is er sinds 1987 het STOA (Scientific and Technological Options Assessment. Geen sterke positie. Pagina 174 van het boek toont een tabel met TA-instituten en projecten in 1997.

7.3 Drie basisvormen van TA


  1. Awareness TA (ATA)

Belangrijkste functie is om in een vroeg stadium de potenties van een ontwikkeling in kaart te brengen. Schetsen zowel de technologische ontwikkelingen als de maatschappelijke ontwikkelingen, eisen en verwachtingen.

  1. Strategische TA (STA)

Strategievorming en concensusvorming. Specificatie van toekomstige mogelijkheden van een nieuwe technologie voor een specifieke sector. Heeft de volgende functies:

  • Informeren van organisaties en instellingen van de invloed

  • Vormen van een referentiepunt voor discussies over kansen en bedreigingen

  • Bevorderen van samenwerking en concensusvorming tussen betrokkenen

  1. Constructief TA (CTA) en Interactieve TA (ITA)

Gericht op versterking van de relatie tussen R&D en productontwikkeling en de toepassingsomgeving en toekomstige gebruikers. CTA heeft als doel rekening te houden met maatschappelijke gevolgen, vanuit de beoogde gebruikers en betrokkenen. Versterking van R&D-proces.

ITA zoekt alle betrokkenen bij elkaar en probeert zo in overleg tot een oplossing van problemen te komen. Een speciale vorm van CTA.


Hoofdstuk 8 TA en het bedrijfsleven

8.1 Bedrijven gaan hun maatschappelijke omgeving verkennen


Overheden hebben deels invloed op de verdere ontwfikkeling van een technologie door bijvoorbeeld subsidies uit te geven. Echter vaak kan de industriële wereld dit prima zelf aan.

Bedrijven gaan zich steeds meer bezig houden met hun maatschappelijke omgeving en houden hier ook steeds meer rekening mee. Een voorbeeld hiervan is PR, bedrijven houden de consumenten/gebruikers voor dat zij het beste met alles en iedereen voor hebben. Hierbij gaat het om de invloed van de omgeving op het bedrijf (financieel/economisch). TA doet juist precies het tegenovergestelde.


8.2 Bedrijven en hun omgeving: een drie-schillenmodel


Een bedrijf heeft vaak drie ‘schillen’ waar het rekening mee wil/moet houden (zie ook pag. 185 boek).

  1. Economische omgeving  organisaties die door de onderneming worden beschouwd als van direct en strategisch belang, zoals klanten en toeleveranciers. Vaak een input-output relatie.

  2. Reguleringsomgeving  lokale, regionale, nationale en internationale overheidsinstanties die toezicht houden op het naleven van regels.

  3. Brede maatschappelijke omgeving  minst tastbaar. Allerlei betrokken groepen, voor oa milieu, politiek, mensenrechten, religie etc. Implicaties ontstaan vaak pas later. Er zijn binnen een bedrijf vaak geen afdelingen die hier voor zijn en er kan dus weinig mee gedaan worden. Slecht bereikbaar door andere twee schillen.

Volgens Deuten e.a. zou het schillenmodel omgezet moeten worden naar een sectormodel (zie boek pag. 188).

8.3 Verkenning van de toekomstige maatschappelijke omgeving door bedrijven


Shell
Stelt regelmatig ‘scenario’s’ op. Dit zijn mogelijke toekomstige ontwikkelingen. Ontwikkelt ook extreme scenario’s voor noodgevallen etc. Vervult voor Shell verschillende functies:

  • Risicovermindering

  • Verbreden van mentale modellen  verbanden tussen verschillende factoren

  • Institutionele perceptie  sneller onderkennen van structurele veranderingen

  • Managementinstrument  doordat rekening gehouden wordt met scenario’s en niet alleen met de meest waarschijnlijke ontstaat een nieuw beleids- en managementproces

Scenario’s  minder onzekerheid

Philips
Zette ‘Vision of the future’op. Een nieuw standpunt dat technologie aan moest gaan sluiten bij de behoefte in plaats van de push van technologie. Maakt gebruik van ‘miniscenario’s’. Of het heeft gewerkt is nog niet bekend.

KPN
Is door de vele reacties op allerlei telefoon technieken (rekeningoverzichten, nummerweergave) de maatschappij meer gaan betrekken  ‘Ronde-Tafelbijeenekomsten’.

Unilever, Gist-Brocades, e.a.
Nodigt consumenten- en milieuorganisaties uit voor gesprekken over maatschappelijke problemen mbt hun producten/ontwikkelingen.

AKZO
Pogingen tot overleg kosten erg veel moeite (bijv. de chloorchemie-kwestie).

Technologiebeleidplatforms
Veel problemen hebben geen betrekking op het bedrijf, maar om op een bepaalde sector binnen het bedrijf. Daardoor steeds meer technologieverkenningen rond bepaalde ‘sleuteltechnologieën’.

Er ontstaan steeds meer ‘beleidsplatforms’ waarin allerlei organisaties zitting hebben die samen overleggen over allerlei maatschappelijke kwesties/voorzieningen mbt nieuwe technologieën.


8.4 Technologieverkenningen door of voor bedrijven


Bedrijven betrekken dus steeds meer maatschappelijke organisaties om zo allerlei problemen op te lossen en veranderingen te maken. Echter, vaak wordt er door bedrijven geen volledig TA gedaan, maar alleen de technologie-verkenning. Nog minder wordt dit gedaan voor TA-studies die gaan over de impact voor maatschappij en milieu. Wanneer dit wel wordt gedaan zijn bedrijven vaak te laat. Hiervoor moet dan een milieueffectrapportage (MER) of risicoanalyse (RA) gedaan worden.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina