Samenvatting vak: theatergeschiedenis (2) jaar: bachelor 1 geupdate



Dovnload 326.98 Kb.
Pagina1/7
Datum21.08.2016
Grootte326.98 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7

samenvatting
vak: theatergeschiedenis (2)

jaar: bachelor 1

geupdate: ( 2006-2007)



Samenvatting theatergeschiedenis II
HOOFDSTUK 1: DE 18E EEUW
1. De theaterpraktijk

1.1. Het acteren

  • iedere generatie zegt dat zij ‘natuurlijker’ acteert dan de vorige

    • door de kritische perceptie van het spel van de oudere generatie

  • ‘echt’ natuurlijk acteren = pas laatste decennia (o.i.v. brecht) bij progressieve gezelschappen en zelfs dan nog sterk theatraliteitsgehalte (maar lijkt op 1e zicht afwezig)


1.1.1. De Nederlanden

  1. JOHANNES JELGERHUIS (1770 – 1836)

Biografie:

  • acteur (tragedie) en grafisch kunstenaar

  • zag acteren teveel als opeenvolging van bepaalde geschilderde standen (minder acteren als autonome activiteit)

  • kreeg grote faam vanaf 1805 door zijn optreden in allerhande tragedies

  • trad vooral in tragedies op  werkloos nadat Amsterdamse schouwburg in 1830 treurspelen afschaft n.a.v. de Stomme van Portici



Werk:

  • Theoretische lessen over de gesticulatie en mimiek

    • Handboek voor de Amsterdamse acteursopleiding

    • Verwijst naar schilderboeken van Charles Lebrun; Karel van Mander en Gerard de Lairesse

    • Werd na 1830 nauwelijks gebruikt (was afgestemd op drama en treurspel)

    • Wel van belang, want rijke en gedetailleerde inventaris van het neoclassicistisch acteren (18e en begin 19e E)


Ideeën:

  • Denkt dat hij erg geschikt is voor taak van leraar omdat hij ook schilder is

  • Manier van denken van schilder en acteur noemt hij onafscheidelijk

  • Verwijst naar

  • boeken over schilderkunst (voorschriften over gratiën van bewegingen)

  • beelden van klassieke oudheid (laokoöngroep)

        • welstand: gracieus en correct bewegen en zich op het toneel vertonen

        • attitude: de mimiek en de grime die bepaalde gevoelens en hartstochten het best

tot uitting brnegt

  • goed en edel = rechts

  • verachtelijk en slecht = links


Lessen:

        • opkomen: verschilt naargelang het personage

  • rechte looplijnen vermijden (zo lijkt speelvlak groter; perspectief niet geschonden)

  • niet door halfgeopende deuren binnenkomen (= lachwekkend)

        • verlaten:

  • zoveel mogelijk langs zelfde lijnen als het opkomen

  • niet in coulissen verdwijnen, tenzij deur geschilderd

        • staan:

  • zodra op ‘staanplaats’ aangekomen; zo schilderachtig mogelijk houding zoveel mogelijk naar publiek gekeerd

  • zo weinig mogelijk van houding veranderen

  • parallel plaatsen van voeten of symmetrie van lichaam moet vermeden worden (= contraposten)

        • zitten: aan tafel zitten met beide benen zichtbaar (voorname personages 

voetbankje)

        • doodgestoken worden: niet helemaal neervallen, nog vastklampen aan iets




  1. JAN PUNT (1711 – 1779) en MARTEN CORVER (1727 – 1794)

Jan Punt:

    • vertegenwoordigt de ‘oude school’

    • hangt eerder de Franse artificiële speelstijl aan (hoewel maar 6j ouder dan Garrick)

    • klankvolle heldentoon

    • wordt door de Rotterdamse regenten van de stadsschouwburg in 1777 bruut aan de kant geschoven

    • laatste 2j van zijn leven = graveur


Marten Corver:

  • vertegenwoordigt de vernieuwing

  • voorvechter van de meer natuurlijke speelstijl

  • heeft Lekain zien spelen en is het volledig eens met zijn benadering




  1. JOHANNA ZIESENIS-WATTIER (1762 – 1827)

Biografie:

  • Belangrijkste tragédienne van haar tijd

  • Debuteert bij Corver in Rotterdam

  • Daarna verbonden aan schouwburg van Amsterdam

  • Napoleon zag haar als Fedra in 1811 en kende haar een jaargeld toe

  • Jaargeld werd nadien ook door Willem I behouden


Acteerstijl:

  • Belichaamde het streng gecodificeerde classicistische spel

  • Werd in staat geacht in alle genres de perfecte houding en zegging te produceren

  • Haar optreden met Snoek in Hamlet is memorabel


1.1.2. Frankrijk

    1. LEKAIN (1729 – 1778)

Biografie:

  • Pseudoniem voor Henri Louis Kain

  • Debuteert in 1750 in de Comédie Française met Mlle Clairon als tegenspeelster (beroemdste tragédienne van haar tijd) – verschilt vaak professioneel van mening met haar

Voltaire:

  • Ontdekt door Voltaire in 1750

  • Voltaire schrijft stukken met hem in het achterhoofd

  • gebruikt al zijn invloed om zijn carrière te steunen

  • zegt dat niet hij maar Lekain verantwoordelijk is voor het succes van zijn tragedies


Vernieuwingen:

  • historiserend spel (vleeskleurige kostuums)

  • meer natuurlijke zegging ipv de typische haast muzikaal gecodificeerde zegging van de 18e E tragedie

  • was niet ‘begaafd’ voor het theater in 18e E opzicht: geen mooi profiel + kromme benen

  • oogstte veel succes met zijn vernieuwend spel

  • tracht collega sociétaires (= gekozen uit ‘pensionaires’ die minstens 1 jaar aan de Comédie Française verbonden zijn) van de nieuwe speelstijl te overtuigen

  • maar het is Talma die de nieuwe stijl naar nieuwe hoogten voert

  • vernieuwt niet alleen zegging en speelstijl, maar begreep ook dat het theater een samenhangend geheel is van spel, decor, kostuums,..

  • verzet zich tegen de ‘petits maitres’ (zaten in de weg want wou meer beweging)

  • pleit voor acteursopleiding (1774 met koninklijk steun gekregen)




    1. FRANCOIS-JOSEPH TALMA (1763 – 1826)

Biografie:

  • Lievelingsacteur Napoleon

  • Type-acteur neoclassicistisch theater

  • Studeert aan het prestigieuze Lycée Louis-le-Grand

  • Wordt verplicht om voor tandarts te studeren

  • Ontdekt bij een bezoek aan londen het ‘spontanere’ spel van Engelse acteurs (invloed Garrick)

  • Schrijft zich in aan het Parijse conservatorium in 1786

  • 1787: geëngageerd in Comédie Française (briljante loopbaan)

  • 1789: sociétaire

  • 1789: speelt Charles IX (sterk antiroyalistisch en antiklerikaal); stuk leidt tot breuk sociétaires  kiest resoluut voor de revolutie

  • 1791: vormt het Théâtre de la République (in het huidige Comédie Française)

  • Wordt ontdekt door Napoleon en schittert in het Franse kanon

  • Vergezelt de keizer op zijn veldtochten en treedt op in heel (bezet) europa

  • Maakt van hem een steenrijke (= abnormaal) steracteur

  • 1819: wil als enige Frédérick Lemaître toegelaten in het Odéon theater

  • Heeft veel bewondering voor het technische kunnen van Lemaître

  • Odéon theater = kern van neoclassicistisch theater

  • Krijgt veel tegenstand van andere neoclassicisten

  • Had perfect gepast in romantisch theater, ook al is dat  classicisme

  • Hugo had Talma in gedachten toen hij Cromwell schreef


Acteerstijl:

  • Gaat op zoek naar ‘vraisemblance’ en historische correctheid

  • Gaat nog verder dan Lekain: schokt medespelers door in Voltaires Brutus als Romeinse veldheer met korte toga, koturnen en blote armen en benen op te treden  publiek enthousiast

  • Met steun van David op zoek naar ‘historische’ kostuums

  • David = neoclassicistische schilder bij uitstek (wil ook historisch verantwoord te werk gaan)

  • Probeert alexandrijnen niet langer te declameren, maar op ‘natuurlijke toon’ te zeggen

  • Bootst (in zijn rollen van Romeinse keizers) de gestiek en zegging van napoleon na


Overlevering:

  • Symbool voor het keizerrijk

  • Vormde de brug tussen de neoclassicistische tragedie en het romantische (melodramatische) drama (voelde zich aangetrokken door zijn stijl en temperament)




    1. JEAN-FRANCOIS DUCIS (1733 – 1816)

Biografie:

  • Belangrijkste ‘herschrijver’ van Shakespeare in overeenstemming met de regels van het neoclassicisme en de Aristotelische eenheden

  • Wordt de moordenaar van S. genoemd

  • Voor de neoclassicisten was S problematisch

  • Hield zich niet aan regels van het theater

  • Engels was een barbaarse taal

  • Ducis’ herwerkingen hebben veel succes

  • Bienséance = welvoeglijkheid

  • Hamlet: geest vader wordt as van vader in urne

  • Othello: vermoordt Desdemona met handen, maar doek is wapen bij uitstek bij neoclassicisten  wordt doek

  • Zijn ingrijpende bewerkingen gelden tot laat in de 19e E als bron in de Nederlanden, Duitsland, Scandinavië,…

  • Volgde Voltaire op in de Académie Française

  • Vraisemblance: theater moet waarachtig (rationeel) zijn


1.1.3. Engeland

  1. DAVID GARRICK (1717 – 1779)

Biografie:

  • Belangrijkste Engelse acteur uit de 2e helft van de 18e E

  • Beroemd voor zijn zeer sterke, levendige, expressieve mimiek en gestiek

  • Meest memorabele vertolkingen in Shakespeare

  • Ook verbluffend als komisch acteur

  • 1747: directeur van Drury Lane (maakt belangrijkste 18e E theater)

  • Programmeert voor het eerst in 80 jaar Romeo en Julliet

  • Wilde het gebruik van halveprijskaartjes na het 3e bedrijf afschaffen (lokt relletjes uit en hij moet inbinden)

  • Vertrekt teleurgesteld voor 2jaar naar Frankrijk (beïnvloedt Franse toneel via kringen rond Diderot)

  • Komt terug naar Drury Lane; is meest succesvolste acteur-manager ooit

  • 1776: verkoopt patentrecht aan Richard Sheridan


Acteerstijl:

  • Onderstreept gevoelens met gebaren en mimiek

  • Erg penetrante stem

  • Groot Shakespeare kenner

  • doet veel moeite om hem zo getrouw mogelijk te spelen en eist van acteurs een ernstige benadering (toch relativeren)

  • overtuigd dat Shakespeare gebaat is bij een vermenselijkt spel met niet te veel pathos




  1. SARAH SIDDONS en JOHN PHILIP KEMBLE

  • Promoten opnieuw een veel formeler acteren in de tragedie

  • Het ‘natuurlijk en spontaan’ acteren van Garrick ruimt plaats voor, opnieuw, een meer artificieel spel


1.1.4. Duitsland

Getalenteerde acteurs zochten en vonden een min of meer vaste werkplek bij een hertogelijk of vorstelijk theater = begin van gezelschapsvorming




    1. AUGUST WILHELM IFFLAND (1759 – 1814)

Biografie:

  • Acteur, toneelschrijver en theaterdirecteur

  • 1779: komt bij het Mannheim hoftheater

  • 1796: wordt directeur bij het Koninklijk theater in Berlijn (blijft tot dood)

  • In heel Duitsland geprezen voor zijn versatiel acteren

  • Geen acteur van gestalte Garrick of Talma; MAAR gewaardeerd om volledigheid en subtiliteit

  • Goethe was 1 van grootste bewonderaars

  • Vruchtbaar auteur van sentimentele burgerlijke drama’s (Rührstücke)

  • Programmeerde Shakespeare, Schiller en eigentijdse dramaturgen in spectaculaire ensceneringen die de historische reconstruerende producties van de hertog van Meiningen aankondigden




    1. CAROLINE NEUBER (1697 – 1760)

Biografie:

  • 1717: sluit zich met haar man aan bij een rondreizend gezelschap

  • 1727: neemt zelf leiding van het gezelschap

  • Treedt met collega’s op als gepriviligeerde Hofkomödiantin in Leipzig (vaste standplaats tot ’37)

  • Werkte tussen ’27 en ’37 samen met Gottsched, die het Duitste theater op strengclassicistische leest wil schoeien

  • Wil op het Duitse toneel de ‘Hanswurst’ verbannen en wil meer literair theater brengen



    1. GEZELSCHAPPEN

Het Hertogelijk Theater te Weimar:

  • Hoftheater

  • Hoofdzakelijk zangspelen, opera’s en komedies in tamelijk amateuristische stijl

  • 1791 – 1817: Goethe leiding

  • Goethe verwierf nieuwe inzichten door gastoptredens maar paste die nieuwe speelstijl zelf niet toe

  • Had veel belangstelling voor de esthetiek en de klassieke strengheid

  • Wilde voornamelijk versdrama’s spelen en richtte daarvoor een theaterschool op waar de door hem opgelegde regels werden onderwezen

  • Theater is niet zo belangrijk voor de evolutie van de toneelspeelkunst

  • MAAR samenwerking van Goethe – Schiller is bijzonder voor toneelschrijfkunst

  • 1788/89: Wallenstein-trilogie opgevoerd

  • Bijna alle latere stukken van Schiller werden hier gecreëerd


Nationaltheater Hamburg:

  • 1767: op initiatief van 3 kooplieden werd het vennootschap Hamburger Enterprise opgericht (doel = theater exploiteren)

  • Lessing werd aangetrokken als huisauteur en dramaturg

  • Werd geen broedplaats voor nieuwe Duitse dramaturgen

  • Wegens persoonlijke tegenstellingen tussen de leden van het gezelschap werden de artistieke hervormingen niet gerealiseerd

  • 1769: theater wordt gesloten

  • Tijdens de 2 jaar dat het bestaat schrijft Lessing zijn Hamburgische dramaturgie


1.2. Organisatie van het theater

1.2.1. Théâtre à l’italienne

= ontstaan in Italië in 17e E, van daaruit heel Europa veroverd



o.i.v. succesvolle opera worden er heel wat belangrijke theaters gebouwd in Frankrijk en is er een ware bouwwoede na de opheffing van het decreet in 1791

  • 1700 – Brussel – 1e Muntschouwburg

  • 1737 – Napels – Teatro San Carlo

  • 1752 – Wenen – Burgtheater

  • 1754 – Lyon

  • 1778 – Milaan - Scala

  • 1780 – Bordeaux

  • 1834 – Antwerpen – Théâtre Royal Français (door Bruno Bourla)




  1. De loges, het parterre, de ‘petits maîtres’ en ‘petit coin’

  • Theater waar men zichzelf toont en vertoont

  • Hoefijzervormig

  • Ongunstig om de voorstelling te bekijken

  • Geschikt om zichzelf te etaleren

  • symmetrisch

  • Zacht hellende speelvloer met weerszijden coulissen (belangrijk voor perspectief; ‘trompe l’oeil’)

  • Meerdere galerijen met loges, vaak zeer luxueus ingericht

  • Oorspronkelijke kleuren: pasteltinten

  • Pas 19e E: burgerij neemt plaats aristocratie en hof in  rode velours

  • 18e E theater weerspiegelt maatschappelijke structuur:

  • Duurste plaatsen: logen 1e balkon + plaatsen op toneel (enkel voor mannen; 300 plaatsen, 150 elke kant; MAAR te weinig speelruimte; spotnaam = petits maîtres; plaats om gezien te worden; om acteurs te ontmoeten)

  • Vrouwen: in loges met masker of waaier

  • Mannen: parterre (= plaats voor de staanplaatsen, vaak aangestampte aarde)

  • Echte liefhebbers: parterre (acteurs wisten dit, gevoelig voor reacties)

  • Petit coin: epicentrum, groepje links/rechts in parterre, strengste critici

  • Staanplaatsen tot eind 18e E (vaak dringen, oppassen voor dieven)

  • 1782: bankjes in Comédie Française

  • Klachten over krampen benen, want te dicht op elkaar

  • Deuren gesloten tijdens voorstelling (zeer gevaarlijk)

  • Verwarming

  • Auditoria niet rechtstreeks verwarmd (kachels in gangen en artiestenfoyer)

  • Grote kroonluchter, te veel warmte op hoogste verdiepingen

  • Verlichting

  • Kaarsen, gasverlichting achter de coulissen

  • 19e E: elektrisch licht  niet geapprecieerd want te hard

  • Voorstellingen tussen 17 – 20.30u (pas 19e E avondactiviteit)

  • Meestal 2 werken:

  • grande pièce (5 bedrijven) + kleiner stuk (3 bedrijven)

  • 19e E volgorde omgekeerd

  • Soms tussen beide werken een ballet

  • Welke werken die dag via grofgedrukte affiches (tot 19e E niet geïllustreerd)

  • Naam auteur voor het eerst in 1625

  • Namen acteurs pas na FR




  1. Privilegies, censuur en ordehandhaving

Privilegies

  • Parijs: theaters met koninklijk privilegie (opgeheven na FR)

  • Exclusief recht om voorstellingen te brengen + daarvoor subsidies

  • Théâtre-Français, Théâtre Italien, Opéra

  • Betalen geen huur/onderhoud

  • Daarvoor gezorgd door diensten van de Menus-Plaisirs, ministerie van vermakelijkheden (hoofd: hoge ambtenaar, die trouw wensen koning uitvoert)

  • Londen: Patent Houses

  • Drury Lane, Covent Garden

  • Daar moest men recht om teksttheater op te voeren kopen van de overheid (licensing act)



Ordehandhaving

  • Schouwburgpolitie op de parterre, gangen, zelfs op toneel, zolang petits maîtres waren

  • 19e E: politie nog steeds vaste plaats op parterre

  • 18e – 19e E theater veel rumoerig dan nu

  • Theater veel meer dan plaats waar toneeltekst werd gezegd


censuur

  • 2e helft 18e E: verbreding publiek

  • Armen nog niet, maar burgerij naast aristocratie

  • 1784: Beaumarchais’ ‘le mariage de Figaro’ = geboorte politiek theater




  1. De claque, ‘la scie’, de souffleur

De claque

  • Fenomeen dat bepalend kon zijn voor succes/mislukking voorstelling

  • ‘chef de claque’, betaald door theaterdirecteur/acteur, orchestreert applaus

  • 300 vrijkaarten voor claqueurs die op teken chef de claque begonnen te applaudiseren

  • Gebeurt in parterre; enkel mogelijk dankzij verlichtte auditorium (stopte toen het verduisterd werd)

  • Vaak werden er repetities gehouden

  • Zelfs Voltaire deed er een beroep op


La scie

  • Vreemde interventies van een groepje mensen die op een hoogtepunt betekenisloze leuzen riepen

  • Vertrokken meestal vanuit parterre op spannendste/meest bewogen moment voorstelling

  • Plots riep iemand dan iets, wat geroep/gelach tot gevolg had

  • Diderot betreurde beteugeling; Voltaire was blij

  • Als betrapt, afgevoerd naar gevangenis (Parijs: For-l’Evêque; ‘la bastille des Comédiens’; comfortabele gevangenis, soepel penitentiair regime, eigen traiteurservice, rijkelijke diners)


De souffleur

  • Tot in de tijd van Corneille; in de coulissen

  • Engeland: traditionele plaats = aan de côté court achter de manteau d’arlequin

  • 17e E: luik midden van voetlichten

  • 18e E: geen souffleurshok; man in luik met hoofd boven speelvloer

  • Nog geen sprake van regisseur  souffleur in marge aantekeningen voor nieuwkomers




  1. Tussen cour en jardin

  • In plaats van links/rechts, in theater cour (rechts) en jardin (links) – voor toeschouwer

  • Théâtre des Tuileries (‘salle des machines’: ingenieuze theatermechanismen in 1662 door Lodewijk XIV) termen oorsprong

  • Grootste theaterzaal Frankrijk (ongeschikt om te spelen; te groot; slechte akoestiek)

  • Linkerzijde: tuinen van de Tuilereis

  • Rechterkant: cour des Suisses

  • voor FR: côté roi (jardin) en reine (cour)

  • na FR: verwijzing naar monarchie uit den boze

  • Angelsaksische landen: ‘prompt side’ = cour en ‘opposite prompt side’ = jardin

  • ‘prompter’ = souffleur




  1. De parades

  • Vanaf 1760 theatermakers weg van kermissen

  • Vestigden zich op de Boulevard du Temple (zou uitgroeien tot hart Parijse theaterleven)

  • Mochten hier vestigen op voorwaarde dat voor de voorstelling ‘parades’ gespeeld zouden worden (als herinnering aan volkse traditie)

  • Nieuwe theaters met neoclassicistische, protserige gevels zweemden naar nouveau-riche

  • Voor deze parades = previews, speciale teksten geschreven

  • Opgevoerd op een balkon (bedoeling: volk naar voorstelling te lokken)

  • Openen kassa: door omroeper aangekondigd met klaroengeschal en tromgeroffel

  • Wandelaars van ene parade naar andere op boulevard du temple

  • Potentiële bezoekers: arbeiders, ambachtslieden, huispersoneel, ook rijkelui in koetsen

  • Bood aan armen kans om gratis kennis te maken met theater

  • Duurden nooit langer dan 20 min

  • Best vergelijkbaar met huidige sketches

  • Sterk beïnvloed door commedia dell’arte

  • Ongeveer zelfde personages, maar met platvloersere teksten en bijbehorende gebaren




  1. Boulevard du Temple – Boulevard du Crime

  • 1e zaal in 1759; groeit uit tot theatercentrum Frankrijk (+ 1 van belangrijkste Europa)

  • Einde: heraanleg van Parijs door Haussmann (wou Parijs ontdoen van ME karakter  meer dan helft van de theaters moest verdwijnen)²

  • Na sluitingsuur: leden van hof stiekem oefenen in koorddansen en acrobatie

  • Beginperiode: geen recht om teksttheater te brengen  parades, koorddansen, acrobatie, pantomime

  • Rond 1769 vervanging van poppen door kinderen (Ambigu Comique) voor pantomimes en feeëries in luxueus decor  immens succes

  • Aantal van die kind acteurs later in Comédie-Français

  • Meer en meer teksttheater (vooral melodrama)

  • Als tegenprestatie deel inkomsten afstaan aan theaters met koninklijk privilegie + programma’s onder censuur

  • Decreet van 13/1/1791 heft privilegies op: alle theaters mogen om het even wat spelen: start gloriejaren boulevard du temple en melodrama

  • Omdat meeste stukken gewelddadige scènes bevatten  door tegenstanders omgedoopt tot ‘Boulevard du Crime’



  1. Privé – theaters

  • 18e E: 160 privé-theaters

  • Beroemdste = van de prins van Conti

  • Op maandag feestelijke ontvangsten voor Parijse elite met toneel en muziek

  • Geduchte concurrenten van Comédie-Française, want lokten welstellend publiek weg


  1   2   3   4   5   6   7


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina