Samenwerkingsovereenkomst 2008-2013 Bijlage bij thema Hinder Gemeenten



Dovnload 43.33 Kb.
Datum25.07.2016
Grootte43.33 Kb.


Samenwerkingsovereenkomst 2008-2013


Bijlage bij thema Hinder – Gemeenten

Toelichting bij het Modelreglement ter bestrijding van geluidshinder
Samenwerkingsovereenkomst 2008- 2013


Algemene toelichting 2

Toelichting bij specifieke artikelen uit het modelreglement 2

1. Algemene bepalingen 2

Artikel 2 2

2. Bijzondere bepalingen 3

2.1 Muziek 3

2.2 Geluidsinstallaties op uitgestrekte terreinen 4

2.3 Geluidsinstallaties in voertuigen 4

2.4 Voortbrengen van geluid voor het maken van reclame en publiciteit 4

2.5 Andere dan hierboven vermelde toestellen bestemd om geluid voort te brengen 4

2.6 Geluidshinder voertuigen 4

2.7 Geluidsvoortbrengende speeltuigen en andere voertuigen 5

2.8 Tuin-, hobby- en bouwwerktuigen 5

2.9 Vuurwapens, vreugdesalvo’s en vuurwerk 5

2.10 Dieren 6

2.11 Aankondigingen rustpauzes, begin en einde arbeid 6

2.12 Laden en lossen en hanteren van goederen 6

2.13 Glasbakken 6

2.14 Vogelschrikkanonnen 6

3. Strafbepalingen 7

4. Slotbepalingen 7





Algemene toelichting

Lawaai vormt één van de grootste plagen van onze moderne samenleving en vormt een bedreiging voor het geestelijke en lichamelijke welzijn van de mens.


Uit het schriftelijk leefomgevingonderzoek van 2008 (SLO-2) blijkt dat 27% van de Vlamingen minstens tamelijk gehinderd zijn door geluid. Daarvan zijn ruim 10% extreem gehinderd. Hiermee vormt geluidshinder de belangrijkste hinderbron.

Het feit dat een grote groep mensen op een relatief kleine oppervlakte samenwoont, zorgt voor een belangrijke hinder door burengeluid. Uit SLO-2 blijkt dan ook dat geluidshinder door buren de 2de belangrijkste geluidshinderbron is, na het verkeer. 15% van de ondervraagde personen wordt zelfs soms, regelmatig of elke nacht wakker van burengeluid, wat belangrijke implicaties kan hebben op vlak van gezondheid.


Bijgevoegd modelreglement werd opgesteld om de problematiek van geluidshinder op gemeentelijk niveau aan te pakken.
Het is aangewezen aan het invoeren van het gemeentelijk politiereglement een informatie- en sensibilisatiecampagne te koppelen.
Via het thema hinder van de samenwerkingsovereenkomst 2008-2013 kunnen lokale overheden op het onderscheidingsniveau jaarlijks punten verkrijgen voor het opmaken en toepassen van het politiereglement geluidshinder. Ook voor het uitvoeren van een actieve sensibilisatiecampagne m.b.t. de problematiek die behandeld wordt in het politiereglement kan de gemeente punten verdienen. Voor de voorwaarden verwijzen we naar de teksten m.b.t. de samenwerkingsovereenkomst op http://samenwerkingsovereenkomst.lne.be.
Het betreft hier een modelreglement. Elke gemeente kan, uitgaande van haar eigen typische karakteristieken, beslissen hoe het model in de gemeente wordt ingevuld.


Toelichting bij specifieke artikelen uit het modelreglement


1. Algemene bepalingen


In artikel 1 zijn definities opgenomen die van toepassing zijn op dit reglement.
De perioden voor overdag, avond en nacht zoals ze hier worden gedefinieerd in punt c, d en e en zoals ze in het verdere reglement worden gebruikt zijn gebaseerd op Europese regelgeving. Meer bepaald de richtlijn 2002/49/EG van het Europese parlement en de raad van 25 juni 2002 inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai. De gemeente is niet verplicht om deze uren over te nemen maar omwille van duidelijkheid (naar burgers toe) en handhaafbaarheid (naar handhavers toe) adviseren we wel om binnen het reglement bij voorkeur telkens dezelfde uren te gebruiken.
Artikel 2

Paragraaf 1 omvat een algemeen verbod op verstoring van de rust van de inwoners door gerucht of rumoer.

Onder gerucht of rumoer wordt verstaan: gezang, geroep, muziek of om het even welk lawaai.


Wij verwijzen hierbij naar volgende wetgeving:

Strafwetboek: In artikel 561 1°van het Strafwetboek worden bestraft: ‘zij die zich schuldig maken aan nachtgerucht of nachtrumoer, waardoor de rust van de inwoners kan worden verstoord’. Door de rechtspraak (arrest Hof van Cassatie dd 03/06/1980) werd hier een verdere beperking aangebracht: de storende geluiden die slechts het gevolg zijn van de normale uitoefening van een beroep zijn niet strafbaar. Deze beperking vervalt evenwel wanneer het beroep of de bezigheid uitgeoefend wordt in abnormale en ongewone omstandigheden en de noodwendigheden te buiten gaan of wanneer het een bezigheid betreft die even goed overdag kan uitgevoerd worden.

In principe kunnen gemeenten enkel straffen of administratieve sancties bepalen voor deze overtredingen die niet reeds door een hogere regelgeving worden bestraft (artikel 119bis §1). In afwijking op deze regel bepaalt artikel 119bis §2, derde lid van de nieuwe gemeentewet dat inbreuken zowel afgehandeld kunnen worden door de gemeenten als door de gerechtelijke autoriteiten. Indien er een strafrechtelijke vervolging mogelijk is, dan moet eerst afgewacht worden of er zeker niet zal vervolgd worden vooraleer een administratieve sanctie mogelijk is. Voor meer informatie in dit verband verwijzen we naar de omzendbrief van 10 november 2005 “Omzendbrief OOP 30ter waarbij uitleg verschaft wordt bij de wijziging van artikel 119bis van de nieuwe gemeentewet krachtens de wet van 20 juli 2005 houdende diverse bepalingen” (B.S. 24.11.2005).


Paragrafen 2 tot en met 4 worden opgenomen als de gemeente beschikt over een sonometer.
In paragraaf 2 wordt omschreven aan welke voorwaarden de sonometer, waarmee gemeten wordt, dient te voldoen.
Via het Besluit van de Vlaamse Regering van 24 maart 1993 tot vaststelling van de modaliteiten voor de subsidiëring van de aankoop van apparatuur voor geluidsmetingen door provincie- en gemeentebesturen kan de aankoop van apparatuur voor geluidsmetingen worden gesubsidieerd.
Paragraaf 3 omvat afstandsbepalingen betreffende de geluidsmeting. Wat de formulering ‘in de buurt’ betreft verwijzen we naar de definitie in het modelreglement onder artikel 1 b), het gaat hier om geluid binnenshuis.
In paragraaf 4 wordt opgenomen welke geluidsniveaus geacht worden de rust van de inwoners te verstoren.

2. Bijzondere bepalingen


2.1 Muziek
In artikel 3 wordt een algemene bepaling m.b.t. het voortbrengen van niet-elektronisch versterkte muziek opgenomen.
Bij niet elektronisch versterkte muziek kan bijvoorbeeld gedacht worden aan akoestische muziekinstrumenten.
Elektronisch versterkte muziek (artikel 4) wordt reeds geregeld in de wetgeving. Meer bepaald in Vlarem en het KB van 24 februari 1977 houdende vaststelling van geluidsnormen voor muziek in openbare en private inrichtingen.
Vlarem I rubriek 32.1 feestzalen en lokalen met dansgelegenheid

Feestzalen en lokalen, wanneer deze een dansgelegenheid omvatten en de totale oppervlakte van voor het publiek toegankelijke lokalen 100 m² of meer bedraagt, worden beschouwd als ingedeelde inrichting. Bepalingen die van toepassing zijn op deze inrichtingen zijn opgenomen in Vlarem II Afdeling 5.32.2 lokalen met dansgelegenheid.


Vlarem II hoofdstuk 6.7 niet ingedeelde muziekactiviteiten

Volgens hoofdstuk 6.7 van Vlarem II zijn op muziekactiviteiten die plaatsgrijpen in open lucht en/of in een voor publiek, al dan niet tegen betaling, toegankelijke inrichting, andere dan een ingedeelde inrichting en waarbij muziek wordt geproduceerd ter gelegenheid van kermissen, carnavals, muziekfestivals, fuiven en andere bijzondere feesten of festiviteiten, de bepalingen van het KB van 1977 niet van toepassing als de muziekactiviteit vooraf gemeld is aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waarin de muziekactiviteit plaatsgrijpt en als het college de muziekactiviteit heeft toegestaan. Het college kan in de toelating bijzondere voorwaarden opleggen.


KB 1977 houdende vaststelling van geluidsnormen voor muziek in openbare en private inrichtingen

Dit KB legt geluidsnormen op voor elektronisch versterkte muziek in openbare en private inrichtingen die niet worden geregeld in Vlarem.

Openbare inrichtingen worden in het KB gedefinieerd als: alle inrichtingen alsmede hun aanhorigheden,die, al dan niet tegen betaling, voor het publiek toegankelijk zijn, ook al is de toegang tot bepaalde categorieën van personen beperkt zoals danszalen, concertzalen, discotheken, privé-clubs, winkels, restaurants, drankgelegenheden, met inbegrip van die welke in open lucht gelegen zijn.

Onder private inrichtingen worden verstaan: woningen en hun aanhorigheden en tuinen en in het algemeen alle plaatsen welke niet voor het publiek toegankelijk zijn.


2.2 Geluidsinstallaties op uitgestrekte terreinen
2.3 Geluidsinstallaties in voertuigen
2.4 Voortbrengen van geluid voor het maken van reclame en publiciteit
Artikel 5 gaat specifiek in op geluidsinstallaties op uitgestrekte terreinen, artikel 6 op geluidsinstallaties in voertuigen en artikel 7 op het voortbrengen van geluid voor het maken van reclame en publiciteit.
Hierbij wordt onder geluidsvoortbrengend middel begrepen: fluiten, sirenes, bellen, klokken, muziek, luidsprekers, geluidsversterkers, enz.
In het KB van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto’s, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen is als bepaling opgenomen dat het geluid afkomstig van bellen of andere geluidsgevende toestellen die al dan niet op de voertuigen aangebracht zijn en door leurders gebruikt worden om de klandizie van hun komst te verwittigen, niet mag kunnen verward worden met de geluidshoorn, niet aanhoudend mag gebruikt worden terwijl het voertuig rijdt en moet stilgelegd worden als een voertuig met een speciale geluidshoorn, bijvoorbeeld van voertuigen van de politiediensten, wordt gehoord van de plaats waar het voertuig zich bevindt.
De burgemeester of zijn afgevaardigde kan in de toelating bijzondere voorwaarden opleggen.

Zij kunnen onder andere volgende zaken omvatten:

- Als een voertuig geluid voortbrengt moet een minimumsnelheid aangehouden worden en mag tijdens de uitzending niet worden geparkeerd.

- Er mag geen gebruik worden gemaakt van luidsprekers in de buurt van stiltebehoevende inrichtingen (ziekenhuizen, bejaardentehuizen, enz. ) en scholen tijdens de lesuren.

- De voortgebrachte signalen mogen elkaar niet opvolgen met tussenpozen van minder dan x minuten en mogen niet langer duren dan x seconden.

- De uitzendingen mogen niet rustverstorend zijn (eventueel gekoppeld aan grenswaarden).


2.5 Andere dan hierboven vermelde toestellen bestemd om geluid voort te brengen
Artikel 8 vermeldt andere toestellen die geluid voortbrengen. We denken hier bijvoorbeeld aan de televisie.
2.6 Geluidshinder voertuigen
In artikel 9 worden bepalingen opgenomen m.b.t. geluidshinder van voertuigen.
In het KB van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg (de wegcode) zijn enkele algemene bepalingen terug te vinden rond geluid (artikel 33). Zo is het herhaaldelijk gas geven in vrije loopstand via artikel 8.6 van dit KB reeds verboden in de bebouwde kommen. Ook is het verboden de motor te laten draaien in vrijloopstand, behalve ingeval van noodzaak.
Het geluid voortgebracht door de in dienst zijnde auto’s wordt beperkt door het KB van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan auto’s, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen, zoals sindsdien gewijzigd.
Het geluid voortgebracht door bromfietsen en motorfietsen wordt beperkt door het KB van 10 oktober 1974 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de bromfietsen, motorfietsen en hun aanhangwagens moeten voldoen, zoals sindsdien gewijzigd.
Volgens het KB van 6 maart 2002 betreffende het geluidsvermogen van materieel voor gebruik buitenshuis moet bij een koelinstallatie op voertuigen het geluidsvermogenniveau worden gemarkeerd.
2.7 Geluidsvoortbrengende speeltuigen en andere voertuigen
Artikel 10 bevat bepalingen m.b.t. geluidsvoortbrengende speeltuigen en andere voertuigen
Er zijn in de wetgeving, meer bepaald in Vlarem, bepalingen terug te vinden i.v.m. omlopen voor motorvoertuigen.
Vlarem I Rubriek 32.9 omlopen voor motorvoertuigen

De omlopen voor wedstrijden, test- en oefenritten of test- en oefenvaarten, met motorvoertuigen of motorvaartuigen, met inbegrip van recreatief gebruik, niet volledig gelegen op de openbare weg of op de openbare waterwegen zijn als hinderlijk beschouwde inrichtingen opgenomen in de lijst van het Vlarem. Bepalingen die van toepassing zijn op deze inrichtingen zijn opgenomen in Vlarem II Afdeling 5.32.10 Omlopen voor motorvoertuigen.

De bepalingen uit Vlarem zijn niet van toepassing op wedstrijden, test- en oefenritten met, of het recreatief gebruik van, motorvoertuigen die volledig op de openbare weg of de openbare waterweg plaatsvinden.
De burgemeester of zijn afgevaardigde kan in de toelating bijzondere voorwaarden opleggen. Zo kunnen bijvoorbeeld bepalingen worden opgenomen m.b.t. afstand tot gebouwen, stiltebehoevende inrichtingen en ecologisch waardevolle gebieden.
Het niveau van het door een ultralicht motorluchtvaartuig voortgebrachte geluid wordt geregeld in het KB van 25 mei 1999 tot vaststelling van de bijzondere voorwaarden opgelegd voor de toelating tot het luchtverkeer van ultralichte motorluchtvaartuigen.
2.8 Tuin-, hobby- en bouwwerktuigen
Artikel 11 gaat in op geluidsvoortbrengende werktuigen, meer bepaald de tuin-, hobby- en bouwwerktuigen.

In paragraaf 2 van dit artikel wordt het gebruik van deze werktuigen verboden op zon- en feestdagen. Eventueel kan de gemeente het gebruik toelaten op zondag tijdens bepaalde uren, vb. van 8 uur tot 12 uur.


Voorbeelden van tuinwerktuigen die hier onder vallen zijn: grasmaaiers, houtzagen, heggenscharen, graskantensnijders, bladblazers, bladzuigers, houtversnipperaars, enz.
In het KB van 6 maart 2002 betreffende het geluidsvermogen van materieel voor gebruik buitenshuis wordt voor o.a. grasmaaiers, grastrimmers en graskantensnijders het maximaal toelaatbare geluidsvermogensniveau opgenomen. Voor deze en de andere tuinwerktuigen wordt via dit KB de markering van het geluidsvermogensniveau verplicht op elke machine.
2.9 Vuurwapens, vreugdesalvo’s en vuurwerk
Artikel 12 en 13 betreffen de vuurwapens, vreugdesalvo’s en vuurwerk.
Via artikel 519 van het Strafwetboek van 8 juni 1867 worden met een gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met geldboete van zesentwintig frank tot vijfhonderd frank of met een van die straffen alleen gestraft zij die het verbod overtreden om op bepaalde plaatsen vuurwapens af te schieten of enig vuurwerk af te steken. Bovendien worden de in beslag genomen vuurwapens en stukken vuurwerk verbeurd verklaard.

De plaatsen waarover sprake in dit artikel kunnen ingevuld worden in het politiereglement. In art. 12 van het modelreglement wordt het afschieten van vuurwapens verboden op alle plaatsen in de gemeente tenzij mits voorafgaandelijke schriftelijke toestemming van de burgemeester. In art. 13 wordt het afsteken van vuurwerk verboden op alle plaatsen in de gemeente tenzij mits voorafgaandelijke schriftelijke toestemming. Toch kunnen er plaatsen zijn waar het afsteken van vuurwerk te allen tijde niet toelaatbaar moet worden geacht (bijvoorbeeld bij ziekenhuizen, bejaardentehuizen, in winkelstraten, bij dierenasiels enz.). De gemeente kan in het modelreglement aangeven welke plaatsen het afsteken van vuurwerk altijd verboden is.


Artikel 520 van het strafwetboek voorziet hogere straffen, meer bepaald gevangenisstraf van acht dagen tot 3 maanden en een geldboete van 26 tot 500 frank, voor die personen die gebouwen, bruggen, dijken, straatwegen, spoorwegen enz. vernielen of trachten te vernielen door het veroorzaken van een ontploffing.
Het KB van 23 september 1958 regelt het fabriceren, opslaan, onder zich houden, verkopen, vervoeren en gebruiken van springstoffen. Als springstoffen worden binnen dit KB beschouwd: ontplofbare stoffen, munitie en vuurwerk (spektakelvuurwerk, feestvuurwerk en vuurwerk voor technisch gebruik en/of seinvuurwerk). In het ministeriële besluit van 3 februari 2000 worden bijzondere veiligheidsvoorschriften inzake feestvuurwerk bestemd voor particulieren vastgesteld.
Vlarem I rubriek 32.7 schietstanden

Schietstanden voor wapens met veren of perslucht, paintball shooting (klasse 2) en schietstanden voor vuurwapens, uitgezonderd paintball shooting (klasse 1) worden beschouwd als ingedeelde inrichting. Bepalingen die van toepassing zijn op deze inrichtingen zijn opgenomen in Vlarem II afdeling 5.32.7 voor schietstanden in een lokaal en afdeling 5.32.8 voor schietstanden in open lucht.


2.10 Dieren
Artikel 14 omvat geluidshinder van dieren.
Onder ‘houders van dieren’ wordt in dit artikel verstaan de eigenaars van de dieren of de personen die al is het maar occasioneel op de dieren letten.
2.11 Aankondigingen rustpauzes, begin en einde arbeid
In artikel 15 wordt het aankondigen van begin en einde van de arbeid en rustpozen geregeld.
2.12 Laden en lossen en hanteren van goederen
Artikel 16 behandelt de geluidshinder van het laden en lossen door niet-milieuvergunningsplichtige bedrijven en particulieren
§1 Bij materialen en voorwerpen kan bijvoorbeeld gedacht worden aan platen, dozen, vaten, metalen recipiënten, enz.
§2 De burgemeester kan beslissen om toch een toelating te geven om de in §1 vermelde voorwerpen tussen x uur en x uur te laden en lossen. Zo kan bijvoorbeeld voor een markt toelating gegeven worden om vroeger materialen te lossen, bijvoorbeeld maximaal 1 uur voor de aanvang van de markt.
2.13 Glasbakken
Artikel 17 bevat een bepaling m.b.t. glasbakken.
2.14 Vogelschrikkanonnen
In artikel 18 zijn bepalingen opgenomen rond vogelschrikkanonnen.
3. Strafbepalingen
Artikel 19 omvat bepalingen m.b.t. het toezicht op het politiereglement.
In Vlarem I is een hoofdstuk XV opgenomen rond toezicht.

Toezicht voor klasse 1- inrichtingen vallen onder 1ste lijnstoezichtsbevoegdheid van afdeling Milieu-inspectie van het departement LNE en dus zal door afdeling Milieu-inspectie een proces verbaal worden opgemaakt voor de Procureur des Konings.



Voor klasse 2 of 3 inrichtingen en niet-ingedeelde inrichtingen berust het toezicht bij de gemeenten. Door de toezichthoudende ambtenaar wordt een proces verbaal opgesteld voor de Procureur des Konings.
In artikel 20 en 21 zijn de maatregelen opgenomen die worden genomen bij overtreding van de bepalingen van het politiereglement. De grootte van de administratieve geldboete kan de gemeente zelf bepalen. De opgelegde administratieve geldboete kan niet hoger zijn dan het wettelijk voorziene maximum van 250 euro.
4. Slotbepalingen
Artikel 22 en 23 geven aan naar wie het reglement moet worden gestuurd en hoe het moet worden bekendgemaakt.
Artikel 24 vermeldt wanneer het reglement van kracht wordt.
In artikel 25 wordt gesteld dat dit reglement alle vorige reglementen vervangt.




Bijlage HI gem 05 Toelichting bij het modelreglement geluid – pagina /





De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina