Sandor M. Somogyi (naar Luk. 2,7 en Mat. 2,13-15)



Dovnload 11.35 Kb.
Datum23.08.2016
Grootte11.35 Kb.
De grens

Sandor M.Somogyi

(naar Luk.2,7 en Mat. 2,13-15)
Jaro Michalowitsj rilt en zijn hond Barat rilt ook. De zon is ondergegaan achter de bergen en heeft alle warmte meegenomen. Nevelslierten, ijl als spinrag, kruipen uit het dal omhoog. Vijf en tachtig is hij nu. Vijf en tachtig! Er is veel veranderd in zijn leven. Jaro kijkt naar de overkant van het dal. Het witte kerkje van het dorp kan hij nog net zien. Maar daartussen! Tussen zijn huis en de kerk is een scheiding gekomen. Er ligt een grens waar je niet overheen kunt komen. Prikkeldraad - zoeklichten - machinegeweren en mijnenvelden scheiden Jaro van zijn dorp. Er is een grens getrokken waar nooit een grens was. Die grens heeft alles veranderd. Jaro kan niet meer naar de kerk, niet meer naar zijn dorp. Als hij zou gaan, zou hij het met de dood moeten bekopen. Och, soms wen je er wel aan. Maar nu het kerstavond is, kruipt er een heimwee omhoog naar vroeger, toen alles zo goed was. Toen het land niet verdeeld was en er vrede heerste.
Jaro rilt. 'Kom' zegt hij tegen zijn hond, 'kom Barat, laten wij gauw naar huis gaan, er is nog wel het een en ander te doen. Wij moeten nog eten en de geit moet nog gemolken worden. De kippen moeten hun voer nog hebben en de ezel lust ook wet wat.' Jaro gaat naar binnen, zorgt voor de dieren in de stal en loopt dan de deur binnen die toegang geeft tot zijn woonkamer. 'Hier is het warm' zegt Jaro tegen zijn hond, 'hier zullen wij samen het kerstfeest veren. Jij en ik. ''
Hoe lang is het a! geleden dat hij niet meer naar de overkant kon gaan om het kerstfeest in het dorp te vieren? Jaro weet het niet meer precies. Al zeker 20 jaar viert hij kerstmis op eigen houtje. Hij maakt de stal klaar om als het ware het kindje te kunnen ontvangen. Hij legt stromatrassen en dekens neer voor Jozef en Maria. Een voerbak wordt met hooi gevuld en met een donzen dekbedje erbij. ‘Kom ezel, ga maar achter de kribbe liggen’. Nu nog een stallantaarn aan en de staldeur op een kier. Ooit kwamen in de kerstdagen kinderen van zijn achternicht in zijn stal ‘kerstmisje’ spelen. Vervolgens zet hij zich aan tafel met de hond aan zijn voeten. De bijbel ligt open op de tafel. Een lamp brandt zacht. 'Zo', zegt Jaro, 'alle dingen zijn gereed, nu is het Kindje welkom. Vrede op aarde.'
Aan de andere kant van de grens maken twee mensen zich gereed om te vluchten. Er is bericht binnen gekomen dat hun adres bij de geheime politie bekend geworden is. Een auto zal hen naar de grens brengen. Dat is nog de enige mogelijkheid, heeft men gezegd.

Josi en Anuska kijken elkaar vertwijfeld aan. Anuska heeft het kind in een dikke deken gepakt. Er is voor hen geen weg terug! Vluchten moeten ze, telkens weer. Maar de grens overgaan betekent zelfmoord! Josi zegt: 'Anuska, blijf hier met het kind, één dode is genoeg!' Maar Anuska zegt: 'ik laat je niet alleen. Het kind en ik gaan mee!'


Goede vrienden brengen hen zwijgend naar de grens. Josi krijgt een draadschaar om het prikkeldraad te kunnen doorknippen. Dat is alles wat zij hebben. In het grensdorp worden ze afgezet. Ais laatste advies horen zij: 'loop met de mensen mee die naar de kerk gaan. Het vriest. Als je een beetje geluk hebt, zijn de mijnenvelden bevroren. Misschien kunnen jullie het redden. God zegene je. Wij blijven bidden, meer kunnen we niet doen.’
Daar staan ze, midden in het wijde land. Josi heeft het kind op zijn rug gebonden. Hij gaat vooraan en hij weet de weg. De kerk en de kerkmensen hebben zij achter zich gelaten, alleen het geluid van de kerkklokken gaat verder met hen mee. Anuska loopt rillend achter Josi aan. Josi zegt zacht: 'wij gaan eerst door de velden en dan de weg op naar de wachttorens, die is vrij van mijnen. Als wij bij de zoeklichten komen zullen wij verder zien’. De weg naar de zoeklichten is bestrooid met zand. Anuska volgt Josi op de voet. Zij begrijpt niet dat hij zo kalm is. Tussen hen en de vrijheid liggen vier kilometer.
Ze zijn nu bijna bij de zoeklichten. 'Anuska', zegt Josi, 'nu moeten wij kruipend verder.' Ze zijn op honderd meter van de wachttoren. Josi kruipt een halve meter het veld in, dan ligt hij stil. Anuska kruipt achter hem aan. Josi gaat verder, heel voorzichtig. Nee ... er gebeurt niets. Weer verder! De spanning is niet te harden. het zweet druipt van zijn gezicht. Langzaam gaan ze verder over de mijnenvelden. Elke volgende centimeter kan de dood betekenen. Maar er gebeurt niets. 'Anuska', fluistert Josi, 'ik geloof dat wij een kans hebben. De grond is hard bevroren.
Op hetzelfde moment begint het kind te huilen. Verstijfd liggen zij op de grond. In de spanning van het gevaar hebben ze hieraan niet gedacht. 'Anuska, geef het kind te drinken, misschien heeft het honger.' Voorzichtig maken zij het kind los van de rug van Josi. Anuska knoopt haar pels open en geeft het kind te drinken. Dicht liggen ze tegen elkaar aan. Hier liggen ze in de mijnenvelden, onder het bereik van machinegeweren, en hun kind drinkt. Ze kunnen wel lachen en huilen tegelijk. Als het kind gedronken heeft bindt Anuska het weer op de rug bij Josi. 'O God', fluistert Josi, 'laat het kind niet weer gaan huilen'. Ze kruipen verder. Alles blijft stil. 'Anuska', fluistert Josi, 'zie je dat lichtje aan de overkant, daar moeten wij naar toe, dat moeten wij in de gaten houden!'
Meter voor meter kruipen ze verder. Het begint te sneeuwen. Dikke wollige vlokken vallen neer die elk geluid versmoren. De zoeklichten scheren over hen heen. De sneeuw zet door, ze kunnen nauwelijks de wachttoren meer zien. Maar dan kunnen zij hen ook niet zien!

Schuifelend, kruipend en lopend komen zij bij het prikkeldraad. Josi pakt de schaar. Knip ! Het geluid klinkt als een vloek in de stilte. Verstijfd staan ze stil. Ademloos wachten ze af of er alarm wordt gegeven bij de wachttorens. Het blijft stil.


Josi begint als een razende te knippen. Acht en veertig draden knipt hij door. Er schijnt geen eind aan te komen. Als de laatste knip geklonken heeft ligt de weg vrij. Tastend zoeken zij hun weg. 'Kom', zegt Josi, 'geef mij je hand!' Hand in hand lopen zij verder. Of er mijnen liggen weten ze niet. Of ze de grens al gepasseerd zijn? Ze v/eten het niet! Woordeloos zoeken zij hun weg door de sneeuw. Ze weten niet of ze vrij zijn of niet!
Opeens fluistert Josi, 'Anuska. ik zie het licht! Daar tegen die helling zie ik licht! Anuska, wij zijn vrij!' Zij voelen hoe de weg stijgt. Het ongelooflijke is gebeurd. Zij zijn er doorgekomen, waar nooit iemand doorheen gekomen is! Het licht boven hen wordt helderder. 'Als de mensen die wonen bij dat licht ons nu maar onderdak geven! Als die mensen maar een klein plekje voor ons hebben', fluistert Anuska. 'Kom nu maar, Anuska, wij leven' zegt Josi, 'dit kan alleen in de kerstnacht gebeuren.'
Het licht waar zij naar toe lopen blijkt uit een geopende staldeur te komen. De stal is warm. Voorzichtig haalt Anuska het kind van Josi’s rug. De binnendeur naar de woonkamer staat open. Een grijze man slaapt, met zijn hoofd op de bijbel. Ze leggen hun kind in de kribbe onder het donzen dekbedje. Zelf laten ze zich doodmoe op de stromatrassen zakken en kruipen onder de dekens.
Zo werd een gewoon kind gered, dat met zijn ouders moest vluchten, omdat er aan de andere kant van de grens geen plaats voor hem was.


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2016
stuur bericht

    Hoofdpagina