Sébastien Baudart 2e licentie geschiedenis Eindverhandeling Stripverhalen in de Belgische dagbladpers



Dovnload 3.95 Mb.
Pagina10/158
Datum22.07.2016
Grootte3.95 Mb.
1   ...   6   7   8   9   10   11   12   13   ...   158

3.4. De situatie zit muurvast


Voor- en tegenstanders vochten de strijd natuurlijk niet alleen uit op politiek vlak : ze schakelden de media in voor hun pro- of antileopoldistische campagne. De tegenstanders hamerden op de breuk met de regering, het onderhoud met Hitler, het luxeleventje van Leopold tijdens de oorlog en zijn huwelijk. De voorstanders probeerden de koning zo goed ze konden te verdedigen.1

Bij de eerste naoorlogse verkiezingen op 17 februari 1946 boekte de CVP een sterke winst en haalde net geen meerderheid in de senaat. De liberalen verloren fors, de communisten braken door en de socialisten wonnen enkele zetels. Daarop werden enkele linkse regeringen gevormd, die het echter niet lang uithielden. De CVP bleek nodig te zijn om te regeren, en dus vormde Paul Henri Spaak op 20 maart 1947 een CVP-BSP regering. De regering beloofde een oplossing te zoeken voor de koningskwestie, maar daar kwam met deze coalitie natuurlijk niets van in huis. Ook problemen rond de repressie en het onderwijs zorgden voor herhaaldelijke spanningen binnen de bewindsploeg.2

De koningskwestie loste deze regering dus niet op, maar een andere belangrijke maatregel werd wel genomen. Op 26 juli 1948 werd het vrouwenstemrecht goedgekeurd. Elf maanden later zouden de Belgische vrouwen effectief voor de eerste keer mogen gaan stemmen.3

De regering Spaak-Eyskens viel namelijk op 8 april 1949, na iets meer dan twee jaar regeren. Er kwamen dus verkiezingen, waarvan de datum vastgesteld werd op 26 juni 1949. De campagne werd vooral gevoerd rond twee thema's : de koningskwestie en het financieel beleid van de regering. Terwijl de CVP zich volledig richtte op de terugkeer van de koning, beloofden de liberalen een belastingsverlaging van 25 %, een punt dat Vincent Dujardin omschrijft als "pure demagogie". In verband met de koningskwestie namen de verschillende kampen steeds radicalere posities in. De socialisten streefden naar troonsafstand en "lanceerden in de pers een campagne die alle leden van de koninklijke familie aanviel". De verkiezingsuitslag leverde een CVP-meerderheid op in de senaat, maar net niet in de kamer. De socialisten en de communisten gingen erop achteruit, terwijl de liberalen zetels wonnen.4

Na mislukte pogingen van Paul Van Zeeland en Frans Van Cauwelaert, werd Gaston Eyskens als formateur aangesteld. Onderhandelingen voor een driepartijenregering mislukten en uiteindelijk vormde Eyskens op 10 augustus 1949 een CVP-liberale regering. Het regeerprogramma werd een week later voorgesteld. Daarin werden onder andere een nationale oplossing van de koningskwestie door een volksraadpleging en belastingshervormingen opgenomen. Hoewel Gaston Eyskens tot de CVP behoorde, was hij persoonlijk geen voorstander van een onvoorwaardelijke terugkeer van de koning : hij zag troonsafstand zelfs als de enige mogelijke oplossing.5

Er volgde een uitgebreide discussie tussen de politici van de verschillende partijen over de organisatie van die volksraadpleging. Ook hier was er interne verdeeldheid in de partijen. Maar de CVP zou er toch in slagen om het plan met de steun van de liberalen te realiseren. Na discussies in de senaat en de kamer werd het wetsvoorstel van Paul Struye op 8 februari 1950 aangenomen. De datum voor de volksraadpleging werd vastgelegd op 12 maart. Er werd beslist er een verplichte stemming van te maken en de resultaten regionaal te tellen. De raadpleging zou echter enkel een adviserend karakter hebben.6



3.5. De volksraadpleging


Zoals te verwachten was, voerden de verschillende partijen een harde campagne om hun mening door te drukken bij de bevolking. Vooral de socialisten gingen daarin zeer ver en zetten een grootscheepse campagne op tegen heel de koninklijke familie. Dit terwijl de aanhangers van Leopold er alles aan deden om hem te verdedigen en prinses Josephine-Charlotte zelfs 2 dagen voor de volksraadpleging naar België lieten terugkeren. Dit zorgde voor een opstoot van royalisme, het beoogde effect was dus bereikt.1

Op 12 maart 1950 was het dan zover : het volk moest zich uitspreken over de vraag "Zijt U de mening toegedaan dat Koning Leopold III de uitoefening van zijn grondwettelijke machten zou hernemen ?"2. Alles verliep rustig. De resultaten zouden echter voor meer problemen zorgen. Landelijk had 57,68 % van de bevolking voor de terugkeer gestemd. Maar als men de resultaten regionaal bekeek, kreeg men het volgende resultaat : de 73 % ja in Vlaanderen staken scherp af tegen de 48 % en 42 % voorstanders in Brussel en Wallonië. Deze uitslag gaf natuurlijk aanleiding tot een hoop problemen : er ontwikkelde zich een hevige discussie over het feit of deze uitslag volstond om de koning te laten terugkeren.3

Er was wel degelijk een meerderheid, maar was die wel voldoende ? Daarenboven kreeg men nog de regionale verschillen4 : men kreeg het beeld van een overwegend katholiek en leopoldistisch Vlaanderen tegenover het antileopoldistische Wallonië. In zo'n omstandigheden vonden de socialisten dat de koning onmogelijk nog de eenheid van het land kon belichamen en alleen nog de koning van het katholieke Vlaanderen zou kunnen zijn.5

De regering probeerde de koning te laten terugkeren, maar viel door de tegenstand van de liberale ministers tegen het plan om de Verenigde Kamers een einde te laten stellen aan de onmogelijkheid tot regeren. Daarop probeerden enkele toppolitici een nieuwe regering te vormen, wat mislukte. Uiteindelijk werd overgegaan tot de ontbinding van het parlement en het uitschrijven van nieuwe verkiezingen voor 4 juni 1950.6

Ondertussen begon de koningskwestie serieus uit de hand te lopen en de vorm aan te nemen van een politieke massabeweging. Tussen 20 en 24 maart braken in Wallonië stakingsbewegingen los.7



1   ...   6   7   8   9   10   11   12   13   ...   158


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina