Sébastien Baudart 2e licentie geschiedenis Eindverhandeling Stripverhalen in de Belgische dagbladpers



Dovnload 3.95 Mb.
Pagina100/158
Datum22.07.2016
Grootte3.95 Mb.
1   ...   96   97   98   99   100   101   102   103   ...   158

19.3.3. Terwijl Pips naar de ronde is …


Na de Flanders-verhalen verschijnt Pips weer onder de vorm van gagstroken. "Terwijl Pips naar de ronde is …"1 vertelt de lotgevallen van de familie Pips en de buren, de familie Laloo, terwijl de familievaders, Thomas Pips en, Lowie Laloo het tegen elkaar opnemen in de Ronde van Frankrijk. Een Ronde die uiteindelijk door Thomas Pips gewonnen wordt. Tegelijkertijd tekent Buth ook Pips-illustraties bij de sportartikels.

19.3.4. De inbreng van Lod. Lavki


Op 16 november 1949 start weer een vervolgverhaal van Thomas Pips, deze keer met jeugdschrijver Lod. Lavki als coauteur. Lod. Lavki is het pseudoniem van Ludovic Van Winkel. Deze werd geboren op 10 januari 1893 in de Limburgse gemeente Heks als zoon van christelijke ouders. Na eerst aan het OLV-college van Tongeren gestudeerd te hebben, trok hij naar de kleinseminaries van St. Roch en St. Truiden ; hij werd dus priester. Tijdens de Eerste Wereldoorlog was hij brancardier, en ontstond trouwens ook zijn pseudoniem Lavki (Russische vertaling van Van Winkel). In 1920 begon hij les in Germaanse talen te geven aan het St.-Jozefscollege van Hasselt. Een jaar later werd hij tot priester gewijd en nog eens twee jaar later werd hij aalmoezenier van een scoutsgroep1. Ondertussen begon hij ook te schrijven : zijn eerste werk "Zes weken Rus" verscheen in 1919, zijn eerste jeugdboek "Kleine Koning" in 1923. Dit betekende het begin van een ganse reeks (een vijftigtal) succesrijke jeugdboeken, waarin de scoutswereld en Limburg een belangrijke rol spelen. Zoals men kan verwachten, hebben zijn verhalen een zekere religieuze en moraliserende inhoud. Hij zou zich ook met "tekenverhalen"2 beziggehouden hebben, maar dit wordt verder niet gepreciseerd. Lavki kon als schrijver alleszins op veel bijval rekenen : in 1939 kreeg hij de "Prijs der Vlaamse Provinciën voor het beste kinderboek" en Louis Sourie omschrijft hem simpelweg als "onze beste schrijver voor de jeugd".3
De inbreng van Lavki wordt in de aankondigingen op het verhaal, waarvan er hiernaast één weergeven wordt, serieus uitgespeeld. Het lijkt wel of de krant haar lezers de toestemming geeft om hun kinderen de strip te laten lezen. Lavki wordt namelijk geprezen om zijn "verbazende kennis van het kindergemoed", en ook zijn kinderboeken worden erbijgehaald : "Zijn prachtige kinderboeken behoren tot het beste dat men onze jongens en meisjes kan aanbieden."4 Zijn strip kan dan ook moeilijk slecht zijn. Verder wordt nog de "scherpe pen" van de "kunstenaar" Buth geprezen en meegedeeld dat het verhaal speciaal voor Het Volk gemaakt werd.

Deze twee Pips-verhalen op scenario van Lavki zijn vormelijk redelijk speciaal, in die zin dat ze onderteksten combineren met het gebruik van tekstballonnen. In de eerste stroken staat alles in ondertekst, maar geleidelijk (vanaf strook 26) gaan tekstballonnen gebruikt worden voor uitroepen, geblaf, en dergelijke. En vanaf strook 35 komen korte dialogen in ballonvorm in de tekeningen te staan. Deze zijn overgenomen (al dan niet verkort) uit de ondertekst, zodat men zich eigenlijk kan afvragen wat het nut is van zo'n aanpak. Leest men zowel de ondertekst als de ballonnen, dan leest men bepaalde dialogen twee keer. En alleen de ballonnen lezen is zeker niet aangewezen, omdat niet alles op deze manier vermeld wordt. Een hypothese is dat Lavki zich als schrijver niet goed kon vinden in het gebruik van tekstballonnen. Buth zou dan begonnen zijn de onderteksten van Lavki te illustreren, maar kon het na verloop van tijd blijkbaar niet laten toch ballonnen te gebruiken. Vandaar dan deze mengvorm.

Ook op vlak van de inhoud is de invloed van Lavki zeer goed merkbaar. In zijn verhalen wordt Thomas Pips terug de "brave" huisvader uit de gagstroken, die samen met zijn gezin, en dan vooral zijn zoontje Flipke, allerlei avonturen beleeft. Ook ontpoppen de personages zich tot goede katholieken. De schrijver kan het niet laten zijn personages naar de mis5 te laten gaan, te laten bidden6, een "kruiske"7 te laten maken en "Onze Lieve Heer" of God te doen aanroepen8. Er wordt zelfs een kapelaan geroepen om een vliegende ketel te zegenen : "… mama brengt een potje wijwater en een palmtakje en de inzegening gebeurt terwijl de familie Pips vroom toekijkt en bidt."9 De mis wordt trouwens ook als tijdsaanduiding gebruikt.10

19.3.5. Het wondere wapen van Thomas Pips1


Terwijl hij zit te spelen met magneten en een stuk ijzerdraad ontdekt Flipke Pips dat hij er mensen mee kan doen flauwvallen. Papa Pips vindt het blijkbaar plezant en experimenteert verder met zijn zoon. Samen ontdekken ze hoe ze tot het gewenste resultaat kunnen komen. Maar de mama kan blijkbaar haar mond niet goed houden, want de volgende dag staat het nieuws al in de krant.

Vanaf dat moment begint het verhaal pas goed te lopen, met het verschijnen van allerlei buitenlandse spionnen. Want als Flipke de volgende dag naar de mis gaat, wordt hij aangesproken door een man die het toestel voor 1000 frank wilt kopen : Flipke weigert. Maar ondertussen krijgt het hotel "In 't Vliegend Zwaard" bezoek : vier mannen die een vreemde taal spreken vragen een "privaat salon" aan waar ze niet zouden gestoord worden. Enkele valse politieagenten brengen er even later Flipke naartoe. Als hij niet bereid blijkt te zijn op de vragen van deze heren te antwoorden, krijgt hij het volgende te horen : "Luister, jongen, wij zijn agenten van een vreemd land, geheime agenten, zoals ge wel kunt denken, en wij zijn vastbesloten uw geheim te krijgen. Nu willen we het nog doen met een minnelijke schikking, maar als het nodig is zullen we u op de pijnbank leggen, ja, we zullen u en gans uw familie doden, uw huis afbreken om te vinden wat ge verbergt."2 De mannen bieden nog 100.000 frank aan, maar Flipke kan vluchten.

Als er geld mee gemoeid is, is blijkbaar niemand te vertrouwen, want Lowie Laloo, buurman van de Pipsen, probeert het wapen te stelen om het aan de geheime agenten te verkopen. Die geheime agenten komen voorlopig alleen van een niet nader gepreciseerd "vreemd land", maar verder in het verhaal komen er nieuwe aanwijzingen.

De volgende dag komen "politie-agenten uit Brussel" namelijk Flipke afhalen. Papa Pips ruikt echter onraad, en maar goed ook. Flipke wordt door de zogezegde agenten naar Melsbroek gevoerd : "Er stond een vliegtuig vertrekkensgereed; men was bezig het te laden, het was een buitenlands vliegtuig dat vreemde lettertekens droeg."3 Vreemde lettertekens die erg op cyrillisch schrift lijken. Maar Thomas Pips slaagt erin zijn zoon te redden. Het Oostblok is dus duidelijk de vijand : een vijand die tot alles in staat blijkt om het "wondere wapen" te bemachtigen : zelfs tot dreiging met moord en ontvoering.

Door wie mag het wapen dan wel gebruikt worden ? Thomas Pips wilt het alleszins aanbieden aan de Benelux : "Ja, Benelux. We moeten iemand vinden die ons dat geheim wilt afkopen voor het grote leger van het Westen."4

Voor de volgende dag wordt een afspraak bij de minister geregeld : "Thomas Pips en Flipke waren een beetje verbouwereerd als ze in het prachtige salon van het ministerie binnenstapten. De minister was niet alleen : rondom de tafel zaten verschillende hoge officieren, die hen een beetje uit de hoogte bekeken."5

Er wordt een demonstratie gegeven en er wordt onderhandeld over de verkoopprijs. Pips vraagt en krijgt een jaargeld van 100 000 frank voor zijn Flipke, zodat hij zijn onderzoek kan verderzetten. De minister stemt toe en besluit : "Ik ben er ook van overtuigd dat Zijne Majesteit de Koning er ook aan zal houden u beiden een decoratie toe te kennen. U bewijst het land een ontzaglijke dienst."6

De aanwezige generaals overleggen nog even in het Frans, en er wordt besloten om onmiddellijk met de productie van 60 000 toestellen te starten. Thuis kunnen de Pipsen ook nog vertellen "dat ze door de Koning zelf ontvangen werden, die hun het Groot Kruis voor Nationale Verdienste op de borst had gespeld. Daarbij kregen ze allebei de ererang van officier en zouden de hoofdingenieurs zijn voor de fabricatie van de nieuwe wapens voor landsverdediging."7

De Pipsen staan zelf in voor de productie van de toestellen en mogen de manoeuvers bijwonen waarop de wapens zullen getest worden. Het effect blijft niet uit : het aanvallend leger valt flauw. Een generaal merkt op : "Indien onze Koning wil, zijn we binnen het jaar meester van de ganse wereld." Maar Papa Pips is vredelievender ingesteld en vindt : "wij moeten ons verdedigen en niemand aanvallen."8

Ook mama Pips ziet het belang van de uitvinding in : "Indien uw uitvinding, jongen, het leven kan besparen van enige duizenden soldaten, die anders door machinegeweren en kanonnen weggemaaid worden, dan zal ik fier zijn uw moeder genoemd te worden."9

Enkele merkwaardigheden moeten hier vermeld worden. Pips wilt het wapen aanbieden aan Benelux, terwijl deze organisatie geen militair doel heeft. Waarschijnlijk zit de toegenomen aandacht voor Benelux door het afsluiten van de zogenaamde "Voor-Unie" in 1949 hier voor iets tussen. Even later blijkt trouwens dat hij het allemaal wat breder ziet : het wapen moet dienen voor het "grote leger van het Westen". Enkele maanden voordien werd het Pact van Brussel getekend, de voorloper van de NAVO, waarmee een basis gelegd werd voor militaire samenwerking in West-Europa. En Pips ziet zijn uitvinding wel in het kader van een westers leger, maar dan alleen defensief. Het wapen mag in geen geval gebruikt worden om macht te verwerven, het is er alleen om zich te verdedigen en bij een oorlog mensenlevens te sparen. Antimilitarist Lavki is hier duidelijk aan het woord.

Een tweede merkwaardigheid gaat over de Koningskwestie. Hoewel het verhaal gepubliceerd wordt terwijl Leopold nog altijd in Zwitserland zit, is er in het verhaal sprake van "de Koning". Thomas en Flipke Pips worden er zelfs door ontvangen, maar dan wel buiten beeld. Dit kan wijzen op het feit dat de auteurs Leopold als het enige echte staatshoofd blijven beschouwen, en dat ze de rol van Regent Karel niet erkennen. En tenslotte wijst het feit dat de generaals even in het Frans moeten overleggen erop, dat besturen en beslissen in België nog altijd in het Frans gebeurt.


Het is echter nog niet afgelopen met de spionnen. Het gewone leven herneemt zijn stille gangetje, maar : "Toch waren er mensen die in Flipke belang bleven stellen. Er kwamen nog altijd zonderlinge heren in de stad, op wiens gezicht men onmiddellijk "vreemd" kon lezen. Sommigen van die vreemden kwamen zelfs in het stadje wonen en in sommige kosthuizen waar vroeger één vreemde mijningenieur verbleef, woonden er nu wel drie of vier."10

Maar het "gevaar" zou van elders komen : Flipke raakt bevriend met een klasgenoot van Poolse afkomst, Jan Restyza. Deze zoon van een Poolse mijningenieur komt regelmatig bij Flipke spelen en "Hij had Flipke wel eens willen uitvragen maar dat pakte niet."11 Uitstel is nog geen afstel, op een moment dat Flipke even afwezig is, steelt Restyza de formule van de toestellen, maar Mieke Pips heeft het gezien.

Papa en Flipke Pips trekken naar het huis van de Restyza's, maar Jan loochent alles. Als dan nog blijkt dat Vader Restyza verdwenen is, schakelt Pips de politie in : "… de telefoon en de telegraaf verkondigen dadelijk over het ganse land dat een belangrijk geheim gestolen was. Soldaten, spionnen en doeaniers zetten de grenzen af …"12

De volgende dag dringt Flipke binnen bij de Restyza's om zijn uitvinding terug te eisen. Hij heeft zichzelf beschermd met een wand in mika, aangezien hij ontdekt heeft dat die de straling tegenhoudt. Maar ook Jan Restyza heeft een middel ontdekt dat de straling neutraliseert : stijfsel.

Flipke komt echter te laat : "Ge kunt toch wel denken dat op dit ogenblik de hele boel in veiligheid is, wel tien keer afgeschreven en dat wij zoveel machientjes kunnen maken als wij willen."13 En als Flipke hem vraagt voor wie hij spioneert, antwoordt hij doodgewoon : "Ik ben geen spion, Flipke, maar een contraspion … Vader is Amerikaan en ik ook. We staan echter opgeschreven als Polen, om de Poolse uitwijkelingen in het oog te houden. We zijn van Poolse afkomst en kennen daardoor de taal, maar we zijn echte Amerikanen, dat verzeker ik u. Dat is echter een echt geheim en dat moogt ge niemand zeggen …"14

En alles komt blijkbaar in orde, want "Op dat ogenblik kwam Thomas Pips binnen met de vader van Jan, als de twee beste vrienden van de wereld. "Bondgenoten ?" vroeg vader Restyza. Flipke en Jan knikten. "Bondgenoten," zeiden ze lachend."15

Thomas Pips heeft het laatste woord : "Ik ben bang dat onze uitvinding niet veel zal uithalen en dat ze integendeel, gelijk alle oorlogsuitvindingen, de boel maar een beetje meer ingewikkeld zal maken. Toekomende oorlog zullen de arme soldaten zich twee of drie keer per dag helemaal met stijfsel moeten insmeren en voor de rest blijft alles 't zelfde …"16

En daarmee is dit verhaal ten einde. De Koude Oorlogssfeer en de blokvorming zijn duidelijk aanwezig. Pips en de ordediensten zijn in alle staten als blijkt dat Polen er met de uitvinding vandoor zijn. Als echter blijkt dat het om Amerikaanse contraspionnen gaat, is alles meteen in orde. Pips vindt het dus blijkbaar niet erg dat zijn uitvinding gestolen wordt, als het maar door de Amerikanen gebeurt is. De Pipsen en de Restyza's worden dan ook bondgenoten, net als België en de VS enkele dagen later door het ondertekenen van het Navo-verdrag.


Tot slot moet nog een speciale scène uit het verhaal vermeld worden. Op een nacht overnachten Papa en zoon Pips in een bos, als ze gewekt worden door enkele naderende mannen. De nachtelijke bezoekers hebben het op het geld van Pips gemunt, maar het wapen brengt hen tot andere gedachten : ze worden ineens veel vriendelijker en beginnen te vertellen "dat ze op weg waren om een "zwarte collaborateur" te straffen : ze zouden bij hem inbreken en alles roven wat de moeite waard was. De man was wel vrijgesproken door het gerecht, maar daarmee waren zij niet akkoord enz."17 "Pips en Flipke gingen natuurlijk mee, "voor 't vaderland", zei Pips en nam even zijn hoed af."18 Maar aan het huis van de "collaborateur" aangekomen, leggen ze de bende neer. De collaborateurjagers (die trouwens gewapend blijken te zijn met revolvers en grote messen) worden vastgebonden en de bewoners gewaarschuwd. De volgende dag herkent de bewoner de leider van de bende : "zijn aartsvijand, een valse weerstander, die al menig huis en menige hoeve geplunderd had."19

Deze scène is een duidelijke kritiek van de auteurs op zulke mensen die van de omstandigheden misbruik maken om op strafexpeditie te gaan of te gaan plunderen. Sommige mensen gaan duidelijk te ver in hun interpretatie van de repressie. Misschien is het feit dat tekenaar Buth zelf veroordeeld werd voor collaboratie daar niet vreemd aan.





1   ...   96   97   98   99   100   101   102   103   ...   158


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina