Sébastien Baudart 2e licentie geschiedenis Eindverhandeling Stripverhalen in de Belgische dagbladpers



Dovnload 3.95 Mb.
Pagina11/158
Datum22.07.2016
Grootte3.95 Mb.
1   ...   7   8   9   10   11   12   13   14   ...   158

3.6. Terugkeer en troonsafstand


De verkiezingen van 4 juni brachten de CVP de absolute meerderheid waar ze op gehoopt had en 4 dagen later vormde Jean Duvieusart een homogene katholieke regering. De socialisten wonnen terug veld, de liberalen en de communisten maakten verlies. De regering-Duvieusart nam de verantwoordelijkheid op zich een einde te stellen aan de onmogelijkheid tot regeren. Na goedkeuring door het parlement, keerde Leopold op 22 juli terug naar België.1

De socialistische reactie bleef niet uit. Vooral in Wallonië kreeg men te maken met stakingen, betogingen en sabotages, maar ook in Vlaanderen hadden arbeidersstakingen plaats, bijvoorbeeld in de haven van Antwerpen. Er werd in Waalse syndicale kringen openlijk geprotesteerd tegen een koning die alleen de koning zou zijn van de Vlaamse katholieken. De zaak ontplofte bij een betoging in Grâce-Berleur, waar drie manifestanten door de rijkswacht neergeschoten werden. De spanning werd enorm, de antileopoldisten dreigden zelfs met een mars op Brussel op 1 augustus. Er wordt wel eens gesproken over een "prerevolutionair klimaat".2

Socialisten strooiden spijkers op de weg om het verkeer te hinderen, treinen en trams stonden stil, winkels gingen dicht, de post werkte niet meer, socialistische leiders liepen aan het hoofd van betogingen, en de socialistische vakbond ging zelfs zover dat ze een door haar uitgereikt pasje durfde eisen om in Wallonië te kunnen reizen.3 Gaston Durnez vertelt zelfs het verhaal dat het socialistisch parlementslid Isabelle Blume aan het hoofd van een bende winkels en restaurants binnenstormde om er vanalles kapot te slaan.4

Zo kon het niet blijven duren, dat besefte zelfs de katholieke regering. Vooral dat Spaak verderdreigde met harde acties als er geen oplossing kwam. De regering drong bij Leopold dan ook aan op een machtsoverdracht. Tijdens de zogenaamde "nacht van Laken" van 31 juli op 1 augustus viel dan de beslissing : de drie grote partijen bereikten een akkoord over een uitgestelde troonsafstand. Kroonprins Boudewijn zou tot zijn meerderjarigheid in juli 1951 de bevoegdheden van zijn vader overnemen, waarna hij koning zou worden. Leopold stemde in, en dus legde Boudewijn op 11 augustus 1950 de eed af als Koninklijke Prins.5



4. De Repressie


Nog zo'n delicaat probleem, naast de koningskwestie, was de repressie. Hoe moest er gehandeld worden tegenover alle burgers die tijdens de oorlog in min of meerdere mate samengewerkt hadden met de Duitse bezetter ? Het probleem vertoonde niet alleen gelijkenissen met de koningskwestie, het werd er ook aan gelinkt. De verschillende partijen die tegenover elkaar stonden kwamen ook ongeveer overeen …

In verband met de aanpak van de collaboratie werd de regering Pierlot bij haar terugkeer uit Londen eigenlijk voor een voldongen feit geplaatst. De Londense regering wou de repressie eigenlijk beperkt houden, maar bij haar terugkeer liep ze een beetje achter op de feiten. Als gevolg van de volkswoede en van de activiteiten van verzetslieden, waren al een hoop (echte en valse) collaborateurs opgepakt. Sommige communistische bewegingen (zoals het Onafhankelijkheidsfront) probeerden zelfs van de situatie te profiteren om een "schoonmaak" te organiseren onder de bevolking.1

De verzetsbewegingen begonnen dus echt een probleem te worden, ze kregen veel te veel macht in handen. Door een Ministerieel besluit van november 1944 kregen de verzetslieden het bevel hun wapens in te leveren. Na enkele problemen zou dit ook lukken. De regering moest wel toestaan dat leden van het verzet voorrang zouden krijgen voor aanwerving in het leger.2

4.1. Officiële en volksrepressie


Als men het over de repressie heeft, moet men een onderscheid maken tussen de officiële repressie en de volksrepressie. De volksrepressie valt volledig buiten de gewone rechtsgang en is het gevolg van de volkswoede tegenover collaborateurs na de bevrijding. Burgers namen het recht in eigen handen en straften wie ze vonden die gestraft moest worden. Dat hier misbruiken aan te pas kwamen en persoonlijke vijandschappen een rol speelden, is evident : men kreeg te maken met executies, mishandelingen, brandstichting, plundering, … Twee grote golven vallen te onderscheiden : net na de bevrijding en bij de terugkeer van de politieke gevangenen uit de kampen in mei 1945. Deze terugkeer uit de kampen zorgde voor een vernieuwde volkswoede tegen iedereen die met de vijand geheuld had.1 In juli 1945 werden deze scènes nog eens herhaald : "Verdachten van collaboratie worden weer uit hun huizen gehaald en opgesloten in interneringskampen. De inboedel van hun woningen belandt vaak op straat. Vrouwen, verdacht van relaties met Duitsers moeten alweer de vernedering ondergaan in het openbaar kaalgeschoren te worden."2
Naast die volksrepressie had men de officiële repressie, georganiseerd door de overheid. Aangezien het land tot juni 1949 nog in staat van oorlog verkeerde, werd de uitvoering daarvan toevertrouwd aan militaire rechtbanken. Gevallen van wapendracht, verklikking en economische collaboratie werden hier behandeld. En ook hier liep duidelijk heel wat mis. Door een gebrek aan personeel werden op de rechtbanken pas afgestudeerde juristen aangesteld, die dus ook geen ervaring hadden. Door dat gebrek aan ervaring, en door de druk die sommige verzetsgroepen uitoefenden om de collaboratie zwaar te bestraffen, kreeg men verschillende mistoestanden. Er werden vergissingen begaan, en de straffen voor dezelfde misdrijven durfden naargelang plaats en tijdstip van de veroordeling wel eens sterk uit elkaar lopen. De straffen varieerden van beroving van persoonlijke rechten en verbeurdverklaring van goederen tot de doodstraf3, over tijdelijke of levenslange gevangenisstraf. De zwaarste straffen vielen te beurt aan de leiders van terreuracties en van de collaborerende partijen. Deze moesten echter soms bij verstek veroordeeld worden omdat ze gevlucht waren naar Spanje of Latijns-Amerika. Zo dook ex-Rex-leider Léon Degrelle onder in Spanje, en ondanks herhaaldelijk aandringen van de Belgische regering werd hij nooit uitgeleverd.4

Ook andere vormen van officiële repressie werden in het leven geroepen. De burgerlijke epuratie zorgde voor de bestraffing van politieke collaboratie en de minder zware gevallen van militaire collaboratie. De straf was hier meestal het levenslang verlies van alle burgerlijke en politieke rechten. De administratieve epuratie zorgde van haar kant voor de verwijdering van ambtenaren en gemeente- en provincieraadsleden die met de bezetters samengewerkt hadden. En daarnaast had men ook nog het fameuze "bewijs van burgertrouw". Dit document, dat voor tal van zaken nodig was en dus noodzakelijk was om normaal te functioneren in de maatschappij, werd uitgereikt door de burgemeesters en politiecommissarissen. Zo konden zij ook mensen die verdacht werden van incivisme buiten de maatschappij plaatsen.5


Ook de officiële repressie werd door bepaalde mensen misbruikt. In zo'n woelige omstandigheden was het vrij gemakkelijk met persoonlijke vijanden af te rekenen door ze te beschuldigen van collaboratie. In totaal waren er dan ook meer dan 400.000 verdachten. Een enorm aantal, dat ongeveer één vijfde van het toenmalige kiezerskorps vertegenwoordigde. Een eerste selectie werd doorgevoerd, zodat van slechts 57.000 gevallen een strafrechtszaak kwam. Daarvan werden 53.000 mensen veroordeeld, meestal tot een gevangenisstraf én het verlies van hun politieke en burgerlijke rechten. Daarnaast werden door de burgerlijke epuratie nog eens 22.000 mensen uit hun rechten ontzet en trof de administratieve epuratie ongeveer 10.000 burgers. In totaal werden dus tussen de 90.000 en de 100.000 Belgen gestraft voor hun gedrag tijdens de oorlog. Het enorme aantal dossiers zorgde er wel voor dat alles zeer traag verliep. Tegen eind 1945 was nog geen 10 % van de dossiers behandeld, een percentage dat door het vrijmaken van meer middelen tegen de zomer van 1947 steeg tot 80 %.6
Geleidelijk aan zou de situatie rustiger worden, onder andere door het besef dat er excessen gebeurd waren. Vanaf einde 1946 kwamen er al talrijke gratiemaatregelen. En de regering Spaak-Eyskens, die van maart 1947 tot juni 1949 aan de macht was, probeerde de zaak te kalmeren. Eerst werd er geprobeerd een einde te maken aan de uitvoering van de doodstraf. In juni 1948 kwam dan de "eerste wet op de epuratie" tot stand, waarin bepaald werd dat veroordeelden, die geen criminele straf opgelopen hadden, hun politieke en burgerrechten konden terugkrijgen van een correctionele rechtbank. Er kon dus in bepaalde gevallen bijgestuurd worden. Dit had als gevolg dat een ganse hoop veroordeelde collaborateurs genade kregen of voorwaardelijk / voorlopig vrijkwamen. Maar blijkbaar was niet de hele bevolking klaar voor een zachtere aanpak : Minister van Justitie Paul Struye werd gedwongen tot ontslag toen er te veel protest rees tegen een clementiemaatregel : hij had de doodstraf van twee oud-rexisten in levenslange hechtenis omgezet. Ook de Koude Oorlog beïnvloedde de repressie. De communisten waren namelijk een sterke drijvende kracht achter de repressiepolitiek en dus zorgden de toenemende Oost-West-problemen voor een tempering.7



1   ...   7   8   9   10   11   12   13   14   ...   158


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina