Sébastien Baudart 2e licentie geschiedenis Eindverhandeling Stripverhalen in de Belgische dagbladpers



Dovnload 3.95 Mb.
Pagina117/158
Datum22.07.2016
Grootte3.95 Mb.
1   ...   113   114   115   116   117   118   119   120   ...   158

5.1.2. De landen van oorsprong en de posities van de agentschappen


Uit welke landen zijn de gepubliceerde strips nu afkomstig ? De Verenigde Staten voeren de lijst aan : zij leveren 32,7 % van de strips (20724 stroken). België volgt met 25,4 % (16125), en Nederland neemt de derde plaats in met 15,8 % (10005). Het rijtje wordt afgesloten door Denemarken (6096, 9,6 %), Frankrijk (5636, 8,9 %), Zweden (1882, 3 %) en Groot-Brittannië (1298, 2,0 %). Van 1617 stroken (2,6 % van de gevallen) kon het land van oorsprong niet precies worden vastgesteld.

Bij de agentschappen hebben sommige zeer sterke posities. Op het totaal aantal strips worden er 25295 (39,9 % !) geleverd door het Franse Opera Mundi. Op grote afstand volgen de Nederlandse Toonder-Studio's (8155 strips, 12,9 %) en het Deense P.IB. (7324 strips, 11,6 %). Andere buitenlandse agentschappen leveren tussen 0,1 % en 1,8 % van de strips. De agentschapmarkt wordt dus duidelijk gedomineerd door één enorme en twee grote spelers, terwijl de andere zich moeten tevreden stellen met de "kruimels".

Sommige kranten blijken wel over "geprivilegieerde agentschappen" te beschikken. Zo halen La Lanterne en La Wallonie respectievelijk 93,6 % en 79,9 % van hun strips bij Opera Mundi. Het Laatste Nieuws en Le Soir halen zowel bij Opera Mundi als bij de Toonder-Studio's grote hoeveelheden strips : samen leveren deze 83,8 % van de strips bij Het Laatste Nieuws en 96 % bij Le Soir. Andere kranten, zoals Le Peuple, La Libre Belgique en Het Volk gaan veel verscheidener te werk.

In die "geprivilegieerde relaties" moet volgens mij niets speciaals gezocht worden. Het lijkt mij bijvoorbeeld heel vergezocht om de grote hoeveelheid (Amerikaanse) Opera Mundi-strips in La Lanterne te gaan toeschrijven aan één of andere vorm van Amerikanisme. Verklaringen zijn eerder te zoeken in het feit dat de reeksen van dit agentschap de krant bevielen en dat de contacten tussen beide partijen goed verliepen.



5.1.3. Stijlen


Zoals in de inleiding van dit deel al gezegd is, is de "stijl" van een strip vaststellen zeer subjectief. Ik heb geprobeerd de strips uit het onderzoek in te delen in "realistische" en "niet-realistische" of "humoristische" strips. De humoristische zijn duidelijk in de meerderheid (77,5 %), terwijl de realistische het moeten stellen met 22,5 %.

Deze verhouding wordt natuurlijk mede veroorzaakt door het grote aantal gepubliceerde gagstrips. Ze zijn goed voor 40,7 % van de gevallen, tegenover 59,3 % voor de vervolgverhalen. Als men alleen de vervolgverhalen in aanmerking neemt komt men tot een verhouding van 62,6 % niet-realistische en 37,4 % realistisch getekende stroken.



5.1.4. De tekst


Ballonstrips zijn duidelijk dominant aanwezig : 53,9 % van de gevallen (34149 stroken) zijn ballonstrips. Ondertekststrips zijn goed voor 17,3 % van de gevallen (10939). 17800 stroken (28,1 %) worden zonder tekst gepubliceerd. Combinaties tussen ballonnen en ondertekst komen voor in 0,8 % van de gevallen (495 stroken).

Zijn er verbanden aanwezig tussen het soort tekst en andere factoren, zoals het land van oorsprong ? Het land van oorsprong speelt zeker een grote rol. Zo zijn Nederlandse strips bijna allemaal ondertekststrips (94,5 %), en zijn Belgische en Amerikaanse strips vooral ballonstrips (respectievelijk 86,3 % en 82,5 %). De overige strips van Belgische en Amerikaanse oorsprong bestaan vooral uit tekstloze gagstroken (9,1 % en 16,2 %) en enkele strips met een ondertekst of een combinatievorm (5,6 % en 1,3 %).

Deense strips zijn voor 96,9 % tekstloze gagstrips. Ook uit Zweden een overwicht aan tekstloze gagstroken (65,2 %), hoewel 34,7 % ballonstrips zijn. Uit Frankrijk krijgt men vooral tekstloze gagstroken (70,4 %), 20,3 % ballonstrips en 9,2 % ondertekststrips. Voor Groot-Brittannië krijgt men voor dezelfde volgorde 17,7 %, 64,7 % en 17,5 %.

Het moderne stripverhaal (met het gebruik van tekstballonnen) was dus blijkbaar al goed ingeburgerd. Overal, behalve in Nederland, hebben ballonstrips een duidelijk overwicht op ondertekststrips. Het feit dat men in Nederland met onderteksten bleef werken, is voor een groot deel toe te schrijven aan Marten Toonder. Toen hij tijdens de oorlog bij de Nederlandse krant De Telegraaf terechtkwam, kreeg hij te horen dat hij geen ballonstrip mocht maken, zodat hij begon te werken in de onderteksttraditie. In zijn studio's werden heel wat jonge tekenaars opgeleid, die dan natuurlijk op dezelfde manier tewerk gingen. En aangezien 81,5 % van de Nederlandse strips in de Belgische pers afkomstig zijn van de Toonder-Studio's, …

Voor het voorkomen van combinatievormen kan er ook een verklaring gegeven worden. Ofwel zijn het buitenlandse ballonstrips, waaronder onderteksten geplaatst werden, ofwel zijn ze het resultaat van de samenwerking tussen een "schrijver" die onderteksten schrijft (Louis Paul Boon, Lod. Lavki) en een tekenaar die het niet kan laten in zijn tekeningen ballonnen toe te voegen.

5.1.5. Publicatiefrequentie


De overgrote meerderheid (95 %) van de strips verschijnt dagelijks. 0,5 % verschijnt op onregelmatige wijze, terwijl 4,5 % op wekelijkse basis verschijnt.

Als men kijkt naar de plaats die speciale krantenpagina's innemen, merkt men dat 97,4 % van de strips op de gewone pagina's verschijnt. 2,2 % (1392 stroken) verschijnt op de jeugdpagina, terwijl 0,4 % (232 stroken) op de jeugd- en vrouwenpagina verschijnt. Op die pagina's verschijnen alleen wekelijkse strips, maar niet allemaal. 60 % van de wekelijkse strips verschijnen op zo'n pagina.



5.2. Een korte vergelijking met de jaren dertig


Omdat er voor dit onderzoek eigenlijk geen vergelijkingsmateriaal bestaat, heb ik besloten twee kleine steekproeven te doen in de jaren 1930. Van 1934 en 1939 werd voor 15 kranten de eerste week van februari ingekeken. Het betreft de meeste kranten uit het onderzoek die toen al verschenen1. Overal werden strips teruggevonden, behalve in Het Volk en Le Soir van 1934. De gewoonte om strips te publiceren was toen blijkbaar al goed ingeburgerd.

Verschillende reeksen uit de tweede helft van de jaren 1940 zijn in deze jaargangen al terug te vinden : "Rigadin" (Henry/Rikske) van Carl Anderson, "Adamson" van Jacobson, "Goliath", "Ferdinand" van Mik, "Félix le chat", "Saladin", "Skippy", en de Disney-reeksen "Donald Duck" en "Mikkie en Bleskop".

De strips zijn onder andere afkomstig van Opera Mundi, P.IB., Walt Disney, "London Evening News" en de Belgische en Nederlandse auteurs Frans Piët, Jan Wiegman, Henricus Kannegieter en Frans Van Immerseel. De landen van herkomst2 zijn vergelijkbaar met die van de jaren 1940.

De meeste kranten publiceerden één reeks, enkele uitzonderingen publiceerden er meer dan één of namen ook wekelijkse strips op.

Wat zeker opvalt, is de evolutie van ondertekststrips naar ballonstrips. Niet in de jaren 1930 zelf, wel als men de jaren 1930 en 1940 vergelijkt. In de jaren 1930 waren ondertekststrips sterk in de meerderheid (dubbel zoveel als ballonstrips), terwijl er in de jaren 1940 drie keer meer ballon- dan ondertekststrips gepubliceerd werden. Het verschil is groot genoeg om echt van een evolutie in de richting van ballonstrips te kunnen spreken.



1   ...   113   114   115   116   117   118   119   120   ...   158


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina