Sébastien Baudart 2e licentie geschiedenis Eindverhandeling Stripverhalen in de Belgische dagbladpers



Dovnload 3.95 Mb.
Pagina120/158
Datum22.07.2016
Grootte3.95 Mb.
1   ...   116   117   118   119   120   121   122   123   ...   158

5.3.4. Gebrek aan samenwerking en verzuiling


Merkwaardig is de totale afwezigheid van samenwerking over de taalgrens. Er wordt dikwijls gezegd dat een eigen strip voor veel kranten te duur was. Wel, hadden Vlaamse en Franstalige kranten samengewerkt om elkaars originele strips uit te wisselen, dan hadden die kosten beperkt kunnen worden. Maar dat gebeurde dus niet … Ook niet bij de communisten : Le Drapeau Rouge en De Ro(o)de Vaan werkten op redactioneel vlak nauw samen, en enkele Franse strips werden in beide kranten gepubliceerd. Maar van de eigen reeksen (Proleetje en Fantast & Les Trafiquants de Tchoung-King) is bij de anderstalige collega's geen spoor te zien.
De zuilen en de verzuiling dan. Het fenomeen blijkt niet zoveel effect gehad te hebben op de stripauteurs. Buth tekende bijvoorbeeld zowel voor Het Volk als voor Vooruit, en de verhalen van Bob De Moor kwamen zowel in de katholieke als in de liberale pers terecht. En Wally Delsey, die meestal voor de Volksgazet en Vooruit tekende, leverde een kortverhaal aan Het Volk. Dat andere auteurs niet in publicaties van verschillende strekkingen publiceerden, moet eerder toegeschreven worden aan loyauteit aan de krant zelf dan aan loyauteit aan de zuil. De grote problemen met auteurs die naar de concurrentie overstapten, situeerden zich trouwens elke keer in de katholieke wereld.

5.4. Het starten van de strippublicaties


Na het einde van de oorlog begonnen niet alle kranten tegelijkertijd strips op te nemen. Tussen de eerste en de laatste ligt er zelfs een periode van twee jaar1 : La Lanterne start in december 1944, De Nieuwe Gazet in december 1946. Zijn er verklaringen te vinden voor deze "startmomenten", en wat wordt er dan als eerste strip(s) gepubliceerd ?

Verklaringen zijn er niet echt te geven. Wel valt het op dat de vier eerste kranten die met strips starten, dat doen met origineel materiaal. De eerste agentschapstrip is voor Le Peuple, met de publicatie van Donald Duck vanaf juli 1945.



5.5. De jeugdpagina's


Laten we nu even verder ingaan op de jeugdpagina's, die in de tekst al besproken werden voor zover er strips opgenomen werden. De volgende kranten publiceerden een jeugdpagina (of een "vrouw en kind"-pagina) met strips : Het Volk, La Drapeau Rouge, De Rode Vaan, La Dernière Heure, Le Peuple, Vooruit, La Lanterne, Le Soir, Het Laatste Nieuwe, Het Nieuwsblad en La Libre Belgique.

Enige logica is daarin niet te vinden. Merkwaardig is wel de jeugdpagina van Het Nieuwsblad, die niet in De Standaard terug te vinden is. Misschien werd de Standaard daar toch iets te serieus voor bevonden.

In de meeste van die rubrieken zijn per week één of twee stroken terug te vinden. Merkwaardig is wel het groter aantal ondertekststrips, en het groter aantal didactische/historische strips dan in de krant. Waarschijnlijk werd er bij de samenstelling van die pagina's rekening gehouden met een "educatief" aspect.

De jeugdrubrieken van Het Nieuwsblad en La Libre Belgique lijken dan weer eerder stripbijlagen. In Het Nieuwsblad zijn er wekelijks minstens twee volledige (Belgische) stripplaten terug te vinden, en bij La Libre Belgique zelfs meer.

De sterke Belgische vertegenwoordiging in de jeugdpagina's van deze twee laatste kranten heeft natuurlijk een grote invloed op de percentages per land : 50,2 % van alle jeugdpagina-strips zijn van Belgische oorsprong, 24,7 % komen uit Nederland, 6,9 % uit Frankrijk, 3,7 % uit Groot-Brittannië, 2,8 % uit Denemarken, en 0 % (!) uit de Verenigde Staten.

6. Genres, stijlen en uitzicht van de strips


In de hele voorgaande tekst is al bij al weinig aandacht besteed aan het uitzicht van de strips. Hoe goed zijn ze getekend ? In welke precieze stijlen ? Zien ze er verzorgd uit ? …

Allereerst een klein "probleem" vermelden. De drukkwaliteit van de kranten was niet altijd even verzorgd, wat ervoor kan zorgen dat de strips soms veel slordiger overkomen dan ze eigenlijk zijn. Ook waren de reproductietechnieken toen nog niet sterk ontwikkeld, en als de krant alleen een reproductie1 van de af te beelden strook kreeg, kon dat ook leiden tot kwaliteitsverlies. Op die manier kunnen zeer verzorgde tekeningen er ongelooflijk slordig uitzien.

Nu het toch over slordigheid gaat : algemeen kan men stellen dat de meeste strips qua tekenstijl van een zeer goed niveau zijn. Amateurisme lijkt ver te zoeken, al zijn sommige Belgische auteurs (Willy Vandersteen, Ray Reding, Anne-Marie Prijs, Wally Delsey …) in de beginperiode duidelijk nog aan het evolueren. Maar over het algemeen moeten de Belgische producties zeker niet onderdoen voor de buitenlandse : denk maar aan zeer nette klare lijn-stijl van Bob De Moor in Tijl Uilenspiegel, of het Amerikaans aandoende realisme van Tenas & Rali in Pierre Azur.

En zo zijn we bij stijlen beland. De variatie is zo groot dat men gerust kan zeggen dat ongeveer alle mogelijke tekenstijlen aan bod komen. Van precies realisme (Rip Kirby, L'agent secret X-9, Pierre Azur, Eric de Noorman, …) naar een ronde humoristische stijl (Suske en Wiske, Monsieur Snot, …), over "Disney-stijl" (de Disney-verstrippingen, Marten Toonder, …), "klare lijn"-stijlen (Kuifje, Tijl Uilenspiegel, …), "gravure-stijl" (Smidje Smee, de jeugdpagina van Le Soir, …), en ga zo maar door …

Qua verhaalgenres (en eigenlijk ook qua stijlen) merkt men dat "typische" elementen met bepaalde landen kunnen verbonden worden. Ik zal hier dan ook de verschillende landen kort overlopen.

Scandinavische strips vertonen heel weinig variatie : de meeste zijn gewoon gagstrips, met als uitzondering de realistische avonturenverhalen van Lennart Ek (Fred Sander). Britse reeksen komen dan weer niet zoveel voor, zodat er eigenlijk geen genres domineren : zowel gagstrips, humoristische avonturenstrips (Jimpy) als sprookjesachtige verhalen (Rupert) komen voor.

De Franse productie kan men in drie groepen verdelen. Allereerst de gagstroken zoals Subito en Nimbus, ten tweede de kortverhalen uit de communistische pers, en ten derde de literaire bewerkingen. Deze laatste zijn allemaal getekend in een zeer drukke realistische stijl en voorzien van onderteksten.

Uit Nederland heeft men de realistisch getekende historische verhalen (Eric de Noorman, Aram), naast een zeer grote groep Marten Toonder-achtige strips. Maar ook "sprookjes" (Paulus de boskabouter, Myra) en western (Dick Bos) komen voor. Dat de meeste van deze reeksen van onderteksten voorzien zijn, zagen we al eerder.

Uit de Verenigde Staten kwam een zeer verscheiden productie overgewaaid : een hele hoop gagstroken, enkele humoristische avonturenverhalen, maar vooral veel realistische avonturenverhalen. In deze laatste vindt men zowel detectives/politieseries, westerns, pilotenstrips, superheldenstrips als "bravere" reeksen zoals Annie l'orpheline.

En dan België tenslotte : een duidelijk overwicht is te vinden bij de humoristisch of schematisch getekende avonturenstrips, waarvan het meest bekende voorbeeld natuurlijk Suske en Wiske is. Realistische reeksen (Pierre Azur, De dodende wolk, …) komen voor, maar in veel mindere mate, net als didactische verhalen en sprookjes zoals Smidje Smee. En tenslotte is er ook een niet onaardig aantal Belgische gagstrips terug te vinden.




1   ...   116   117   118   119   120   121   122   123   ...   158


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina