Sébastien Baudart 2e licentie geschiedenis Eindverhandeling Stripverhalen in de Belgische dagbladpers



Dovnload 3.95 Mb.
Pagina2/158
Datum22.07.2016
Grootte3.95 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   158

I. Het Stripverhaal




1. Het probleem van een definitie

1.1. Talen en Tijden


Men spreekt nu in het dagelijks leven over stripverhalen en strips, maar daarbij denkt men niet echt na over wat deze termen juist inhouden. Daarom is het nuttig om te beginnen met een deeltje over terminologie en definities. M.a.w. : welke termen worden en werden gebruikt om strips aan te duiden en wat is hun inhoud ?

Als men begint na te denken over wat men eigenlijk met een "stripverhaal" bedoelt, wordt men geconfronteerd met het feit dat het quasi onmogelijk is om één algemeen geldende en allesomvattende definitie te vinden. En daar zijn verschillende redenen voor. Een eerste probleem is de taal : elke taal heeft zo zijn eigen woord(en) om strips aan te duiden, en die woorden dekken niet altijd dezelfde lading. Een tweede probleem is de variatie doorheen de tijd : strips zoals we ze nu kennen werden niet op een bepaald moment "uitgevonden", maar zijn het resultaat van een lang evolutieproces. Een "tekenverhaal"1 uit het begin van de twintigste eeuw kan sterke verschillen vertonen met een strip uit het jaar 2000. Naargelang de periode worden dan ook verschillende termen gebruikt om strips aan te duiden. Dat kan liggen aan evoluties in de taal (de woordenschat verandert), maar ook aan veranderingen aan het medium "strip". Er moet dus met al die variaties rekening gehouden worden.2


Laten we eerst het probleem van de gebruikte taal bekijken. In verschillende talen bestaan er verschillende termen om strips aan te duiden. Dat is natuurlijk één van de normaalste zaken van de wereld. Het "probleem" is echter dat die verschillende termen wijzen op verschillende kenmerken van strips en dus een andere basisbetekenis kunnen hebben.

Nemen we als voorbeeld de Nederlandse termen "stripverhaal" en "beeldverhaal". "Stripverhaal" wijst op het gebruik van "strips", stroken van tekeningen dus, om een verhaal te vertellen. Het meer verheven "beeldverhaal" verwijst echter alleen naar het gebruik van beelden.

In andere talen ligt de nadruk dan weer op andere aspecten. De Italiaanse term "fumetti" wijst op het gebruik van tekstballonnen, de Spaanse "historietas" op het narratieve aspect, terwijl het Engels en het Duits met de benaming "comics" zitten, die nog altijd verwijst naar het humoristische karakter van de eerste verhalen.3 Het Franse "bande dessinée" leunt dan weer sterk aan bij het Nederlandse "stripverhaal".

Het tweede probleem is, zoals al gezegd, het gebruik van verschillende termen doorheen de tijd. Benoît Peeters vermeldt in zijn synthesewerk "La Bande Dessinée" een aantal termen die in het Frans gebruikt werden en worden. Naargelang de term, ligt ook hier de nadruk op een ander aspect. Zo noemde de Zwitserse tekenaar Rodolphe Töpffer zijn verhalen "histoires en estampes", werd er later gebruik gemaakt van de benaming "illustrés", sprak Hergé om zijn eerste werken (eind jaren 1920) aan te duiden van "cinéma sur papier", enz. De huidige benaming "bande dessinée" is dan eigenlijk vrij recent.4 In het Nederlands heeft men de termen "mannekensblad", "tekenverhaal", "beeldroman", "stripverhaal" en "beeldverhaal".

In het derde deel zal ik verder ingaan op de termen die tijdens de periode 1945-1950 gebruikt werden. Om praktische redenen zal in deze tekst echter hoofdzakelijk het moderne woord "stripverhaal" of "strip" gebruikt worden.

1.2. Definities


Zoals men dus al kan verwachten, lopen de definities die in de literatuur gegeven worden sterk uiteen. Hieronder worden een aantal voorbeelden geciteerd, zowel afkomstig uit gewone woordenboeken, uit werken over het stripverhaal als uit communicatie-naslagwerken. Zo komen verschillende invalshoeken aan bod.

Allereerst de gewone woordenboeken. Zij richten zich tot een zeer breed publiek en moeten dus proberen een eenvoudige definitie te geven. Het "Van Dale Handwoordenboek Hedendaags Nederlands"1 vermeldt onder "stripverhaal" : "verhaal dat bestaat uit tekeningen met bijschriften". In de "Petit Larousse illustré"2 vindt men de volgende uitleg terug : "Bande dessinée : succession de dessins organisés en séquences, qui suggère le déroulement d'une histoire".

Ook "stripologen", zoals mensen die zich met de bestudering van strips bezighouden wel eens genoemd worden, wagen zich aan de moeilijke oefening een definitie op te stellen. Henri Filippini3 geeft in zijn " Histoire de la bande dessinée en France et en Belgique" de volgende defintie : "Bande dessinée : Histoire en images formée de quelques dessins à plusieurs pages, dans laquelle les personnages s'expriment au moyen de phylactères4."

In "Wordt Vervolgd"5, onder redactie van de Nederlanders Kees en Evelien Kousemaker, wordt het volgende gezegd : "Onder beeldverhaal verstaan we een aantal grafische afbeeldingen, die in een zodanige volgorde ten opzichte van elkaar zijn geplaatst, dat ze een voortschrijdende handeling laten zien. Deze afbeeldingen zijn veelal voorzien van een tekst, die hun verhalend karakter ondersteunt."

Of nog deze definitie van de Belgische striptheoreticus Thierry Groensteen, die vermeld wordt in de bundel "Forging a new medium"6 : "A visual narrative, a story conveyed by sequences of graphic, fixed images, together on a single support. The concept of sequence in praesentia constitutes the principal basis of the language of the comic strip. No other criteria appears absolutely essential to me."

Maurice Horn7 schrijft dan weer : "Comics : A distinct blending of visual image and text that borrows elements from both art and literature to produce a narrative told by means of a sequence of pictures, a continuing cast of characters, and the inclusion of dialogue or text within the picture."

In de communicatie-naslagwerken ligt de nadruk natuurlijk op strips als communicatiemiddel : "Bande dessinée : Récit par images dessinées. Système de communication réduisant les difficultés de la communication par l'écrit grâce à la représentation d'images plus faciles à décoder par le lecteur, du fait de sa nature analogique évidente. Si la bande dessinée comporte quelquefois une partie textuelle, celle-ci reste le plus souvent très sommaire. L'histoire, racontée par une suite de dessins, comporte en effet quelquefois des paroles ou des bruits qui sont généralement inscrits dans des bulles ou ballons."8 Of nog : "Comics : Visual narrative put together with cartoon drawings arranged in horizontal lines, strips, or rectangles called panels, and read from left to right ; dialogue is represented by words encircled by balloons, which issue from the mouth or head of characters."9


In het ene geval wordt dus belang gehecht aan de aanwezigheid van tekst (bijschriften), in het andere geval komt tekst helemaal niet aan bod en ligt de nadruk vooral op het verhalende aspect (Groensteen). Sommigen (Filippini en Horn) vinden dat verhalen met ondertekst10 geen strips zijn (ze vinden tekstballonnen noodzakelijk), anderen (zoals Kousemaker) proberen een brede definitie op te stellen : naast elkaar geplaatste tekeningen die een verhaal vertellen, met meestal een tekst (in eender welke vorm) bij.

De definities zijn dus sterk afhankelijk van de visie van een bepaalde auteur en van de elementen die hij naar voor schuift. Ook de traditie van het land van de auteur kan een rol spelen. Aangezien in Nederland de ondertekststrip lang een belangrijke rol gespeeld heeft, zijn Nederlanders meer dan bijvoorbeeld Amerikanen geneigd om deze vorm als volwaardige strips te beschouwen.

Daarom is de poging van Charles Dierick en Pascal Lefèvre11 om een "prototype-definitie" op te stellen interessant. In hun inleiding bij de bundel "Forging a new medium" proberen ze te komen tot een beschrijving die algemeen genoeg is opdat er geen "uitzonderingen" uit de boot zouden vallen. Hun definitie luidt als volgt : "The juxtaposition of fixed (mostly drawn) pictures on a support as a communicative act".

Tekst wordt daarbij niet beschouwd als een noodzakelijk kenmerk, alhoewel het meestal voorkomt. Ook wordt geen uitspraak gedaan over het soort tekst : zowel het gebruik van ondertekst als van de tekstballon vallen dus binnen de definitie.

Wat wel uitgesloten wordt, zijn cartoons : zij bevatten (meestal toch) slechts één tekening, waardoor ze niet aan de voorwaarde "pictures" voldoen. Op dezelfde manier kunnen geïllustreerde romans uitgesloten worden, aangezien het hier niet gaat om naast elkaar geplaatste tekeningen.

De drager is dan meestal het papier van een krant, tijdschrift, boek, … De "communicative act" wijst op het feit dat de juxtapositie van tekeningen overkomt als een boodschap, waarover verder meer.12


Het probleem of tekstballonnen nu al dan niet noodzakelijk zijn om van strips te kunnen spreken, kan men oplossen met de uitleg van Charles Dierick, die als basis gebruikt wordt voor de organisatie van het Belgisch Centrum van het Beeldverhaal. Hij maakt een onderscheid tussen "archaïsch" / "ouderwets" stripverhaal en "modern" stripverhaal. Op deze manier kan men al een groot deel van de discussie oplossen. Archaïsch worden de gevallen genoemd waarbij tekst en tekeningen gescheiden worden. Dit is de oudste traditie, die gebruik maakt van onderteksten. Als modern worden de gevallen beschouwd waarbij er een echte integratie is van tekst en beeld, en waarbij er dus tekstballonnen gebruikt worden. De beide soorten vallen zo onder de beschrijving "stripverhaal" en worden een "oude " en een "moderne variant".13



1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   158


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina