Sébastien Baudart 2e licentie geschiedenis Eindverhandeling Stripverhalen in de Belgische dagbladpers



Dovnload 3.95 Mb.
Pagina22/158
Datum22.07.2016
Grootte3.95 Mb.
1   ...   18   19   20   21   22   23   24   25   ...   158

2.3. Stijlen en genres


De stijl wijst op de manier waarop een strip getekend is, de tekenstijl dus. In grote lijnen kan men twee soorten stijlen onderscheiden, waarvan de grenzen niet altijd even duidelijk zijn. Allereerst heeft men de zogenaamde "realistische" stijl, waarbij de werkelijkheid op een "realistische" manier wordt getekend. Anderzijds heeft men de "niet-realistische", "humoristische" of nog "schematische" stijl, waarbij de werkelijkheid vereenvoudigd, gekarikaturiseerd, … weergegeven is. Onvermijdelijk zijn natuurlijk de randgevallen, die tussen de twee categorieën zweven.

In de loop van de tijd zijn critici ook meer gespecialiseerde stijlen gaan onderscheiden. De bekendste voorbeelden zijn de "Klare lijn" van Hergé en de "Atoomstijl"1 van Franquin en navolgers.2

Het genre heeft dan weer betrekking op de inhoud van het verhaal, net als bijvoorbeeld bij film en literatuur gebeurt. Patrick Van Gompel en Ad Hendrickx proberen in "Strips, aha !" een lijst van de voornaamste genres op te stellen. Het probleem is weer dat een verhaal meestal onder verschillende genres kan ondergebracht worden. Het concept is dan ook niet echt geschikt om verhalen in groepen te verdelen. Voorbeelden van genres zijn : avonturenstrip, biografische strip, detectivestrip, dierenstrip, educatieve strip, familiestrip, fantasy, gagstrip, historische strip, humoristische strip, kinderstrip, literaire bewerking, religieuze strip, ridderstrip, science-fiction, superheldenstrip en western.3

3. De Agentschappen, een korte voorstelling


Een deel van de strips in de Belgische kranten van de tweede helft van de jaren 1940, zijn origineel materiaal. De meerderheid werd echter geleverd door buitenlandse agentschappen, ook wel "syndicates" genoemd.

De syndicates zijn een typisch Amerikaans fenomeen, dat ook in Europa tot ontwikkeling gekomen was. Thierry Groensteen beschrijft het als volgt : "Le syndicate est une agence, généralement dépendante d'un groupe de presse, qui diffuse divers matériaux intéressant les journaux (articles, jeux, bandes dessinées …), dont elle détient les droits exclusifs, sur tout le territoire des Etats-Unis et même à l'étranger."1

De oorsprong van de verhalen is te herkennen aan het copyright dat op de stroken aangebracht is.

3.1. Opera Mundi


In de Verenigde Staten was het meest belangrijke agentschap het "King Features Syndicate" (KFS). Het ontstaan hiervan werd al besproken in deel 1. Het materiaal van KFS bereikte ook Europa, maar dan via een tussenstap. Verantwoordelijk daarvoor was de joodse Hongaar Paul Winkler, geboren in Budapest, maar sinds 1922 actief in Parijs. Hij was geïnteresseerd in het Amerikaanse fenomeen van de "syndication" en wilde het exporteren naar Europa. Deze man slaagde erin de verdeelrechten van de KFS-strips voor Europa in handen te krijgen en richtte in 1928 zijn eigen agentschap op. "Opera Mundi" was geboren en werd daarmee het verdeelcentrum van Amerikaanse strips in Europa. Dat was tenminste de bedoeling, want veel interesse was er aanvankelijk niet. Winkler startte dan maar zelf met het jeugdtijdschrift "Le journal de Mickey", dat een enorm succes werd. En daardoor nam de belangstelling vanwege andere publicaties sterk toe. Tijdens de Tweede Wereldoorlog vluchtte Opera Mundi naar de vrije zone en Paul Winkler naar de VS. De Vichy-regering vond het zelfs nodig hem te denaturaliseren. Na de oorlog keerde de man terug en werden de activiteiten van Opera Mundi verdergezet.

Het belangrijkste voordeel van de Opera Mundi-strips bestond hierin dat ze, door hun ruime verspreiding, zeer goedkoop konden aangeboden worden. Dat is trouwens ook het geval met andere agentschapstrips. Het agentschap verdeelde trouwens niet alleen Amerikaanse strips, het liet ook zelf strips aanmaken, die daarna dan over Europa verdeeld werden. Voorbeelden daarvan zijn de gagstroken Oscar en Nimbus.1

Opera Mundi beschikte blijkbaar over een filiaal in Brussel2, waarlangs de contacten met Belgische publicaties geregeld werden.

3.2. De Marten Toonder-Studio's en Anton De Zwaan


Naast Opera Mundi, beheerste ook een ander "agentschap" de Europese markt, namelijk de Marten Toonder-Studio's. Toonder bouwde tijdens en na de Tweede Wereldoorlog een studio uit voor de productie van zijn strips en tekenfilms. En voor de zakelijke kant van de studio's liet hij zich bijstaan door zakenman Anton De Zwaan. Onder die zakelijke kant viel ook de doorverkoop van de geproduceerde strips aan buitenlandse kranten en tijdschriften. De Zwaan reisde dus heel Europa rond - naar eigen zeggen twee keer per jaar - op zoek naar mogelijke klanten voor zijn strips. Door zijn overtuigingskracht en de contacten die hij na verloop van tijd legde, lukte hem dat blijkbaar goed.1

Hoe hij eigenlijk tewerk ging, blijkt het best uit een interviewfragment : "Meestal kwam je daarvoor wel terecht bij de hoofdredacteur, die dan veelal toch wel stripminded was. Je moest zo'n man in een half uur overtuigen – meer tijd had hij niet – dat hij iets zou missen als hij dit niet nam. Die man had geen tijd om eens rustig thuis te gaan zitten en twee of drie verhalen door te lezen. Hij was dus sterk afhankelijk van degene die wat kwam aanbieden en zelf geloofde in wat hij aanbood. (…) Ik zocht ook voor het gesprek uit aan welke strip zo'n krant behoefte zou hebben. Je moest dan weten welke strips ze al hadden, die lijkt teveel op die, etc. Zo van : dan kan ik beter nu een avonturenstrip nemen. Ik wijdde dan mijn krachten daaraan. Dan mocht de man nog wel in het boekje2 bladeren, en dan moest je verschrikkelijk goed opletten, want het ging om een onderdeel van een seconde, als hij bij de een iets langer dan bij de ander bleef staan, dan wist ik het."3 Ook verstuurde hij soms brochures over een bepaalde reeks naar buitenlandse kranten.4

Bij de prijsbepaling speelden verschillende elementen, zoals verspreidingsgebied, oplage van de publicatie en exclusiviteit, een rol.5 Volgens Toonder zelf waren de Amerikaanse producties die verdeeld werden door Opera Mundi veel goedkoper dan de Toonderproducties, en betekenden ze dus een lastige concurrentie voor De Zwaan.6

Marten Toonder vertelt in zijn autobiografie hoe De Zwaan erin slaagde Tom Poes aan drie Franse kranten te verkopen : "Dat was toch wel een merkwaardig succes; en mijn waardering nam geheel bezit van me toen hij beschreef hoe hij acht uren bij La Nouvelle République gezeten had voordat de hoofdredacteur hem eindelijk wilde ontvangen. "Acht uren !" verzekerde hij triomfantelijk. "Want ik wil alleen met de hoofdredacteur spreken. Al die journalisten en redacteuren houden je voor de gek. Ze zullen wel laten horen, zeggen ze altijd. Ja, ja, ik ken dat. Maar ik heb een mooie smoes. Ik zeg dat ik een drukbezet man ben die morgen in Marseille verwacht wordt voor de exclusieve rechten, en dat ik daarom nu moet weten of we tot zaken kunnen komen of niet. Zo doe ik dat.""7

Toonder werd op die manier ook een echte merknaam : "Precies, zo was dat. Dat heb ik vooral gemerkt door de zaken die De Zwaan deed. Zo'n krant in Zweden bijvoorbeeld, of Engeland, daar kwamen genoeg jongens met 3 of 4 stroken strips, maar meer konden ze niet laten zien. "Wat komt hierna ?", wilde zo'n krant weten. De Zwaan had als verkoopsargument : "Achter dit product staat een zaak, de Marten Toonder Studio's. Als een tekenaar wegvalt, kan een andere het overnemen." Het product moest geleverd worden. Die krant wilde iedere dag zijn strook."8

Eiso Toonder (zoon van) over de periode net na de oorlog : "Die periode werd echter gebruikt om hem in kranten in heel Europa geplaatst te krijgen. Dat was te danken aan Anton De Zwaan, syndicator van de Toonder Studio's, die met de in de oorlog opgebouwde (en vertaalde) voorraad strips vele landen bereisde. Hij verrichtte ware pioniersarbeid, want veel redacties wisten toen nog nauwelijks wat een beeldverhaal was."9

De Toonderstudio's hielden de verspreiding van hun strips blijkbaar goed bij. In een artikel van Rob Van Eijck staat een foto uit 1947 afgedrukt waarop Anton de Zwaan en Jan Gerhard Toonder (broer van) voor een wereldkaart staan. Op de kaart is de verspreiding van de verhalen van de studio aangegeven, boven de kaart hangen uitgeknipte kranten- en tijdschriftentitels.10

Tenslotte moet nog vermeld worden dat, aangezien de reproductietechnieken toen nog niet zo efficiënt waren als nu, de Toonderstudio's dikwijls de originele tekeningen naar de klanten stuurde. Op de achterkant werd dan een stempel aangebracht "met het vriendelijk verzoek de tekening onbeschadigd terug te zenden".11





1   ...   18   19   20   21   22   23   24   25   ...   158


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina