Sébastien Baudart 2e licentie geschiedenis Eindverhandeling Stripverhalen in de Belgische dagbladpers



Dovnload 3.95 Mb.
Pagina3/158
Datum22.07.2016
Grootte3.95 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   158

2. Historiek

2.1. Stripgeschiedenis in een notendop

2.1.1. Ontstaan


Sommige auteurs1 vinden het nodig de oorsprong van het stripverhaal zeer vroeg in de geschiedenis te situeren. Zo zien ze in de grotschilderingen van Lascaux en Altamira, de Egyptische hiërogliefen, de zuil van Trajanus, het tapijt van Bayeux, Middeleeuws muurschilderingen en miniaturen, of de recentere 17e en 18e eeuwse volksprenten al voorbeelden van "strips", als men dat woord mag gebruiken. Het valt zeker niet te ontkennen dat de verre oorsprong van het medium daar ligt en dat toen ook beelden gebruikt werden om verhalen te vertellen, maar het zoeken naar "illustere voorgangers" is zeker niet ontdaan van bijbedoelingen. In periodes waarin er sterk op deze "verhaaltjes voor ongeletterden" neergekeken werd, was het zeker een poging op het stripverhaal een grotere culturele waarde2 te geven.3
Zoals al blijkt uit het zoeken naar "illustere voorgangers", werd het stripverhaal niet op één bepaald tijdstip "uitgevonden". Een lange evolutie zorgde ervoor dat strips geworden zijn tot wat we nu kennen. Om een lijn te kunnen trekken en dus niet alle voorlopers als strips te moeten beschouwen, hebben sommige auteurs een reeks voorwaarden opgesteld waaraan strips moeten voldoen. Op die manier wordt het ontstaan van de strip in de negentiende eeuw gesitueerd.

Die voorwaarden zijn massaverspreiding en bepaalde striptechnische aspecten. Die massaverspreiding werd mogelijk gemaakt door de evolutie van de reproductietechnieken, en werd in de hand gewerkt door negentiende-eeuwse fenomenen zoals de doorbraak van het liberalisme, het verdwijnen van censuur, de opkomst van een middenklasse, de toenemende democratisering en alfabetisering, … Wat de striptechnische aspecten betreft, legt Benoît Peeters graag de nadruk op het sequentiële aspect van de tekeningen en op de relatie tussen tekst en beeld.4

Chauvinisme speelt natuurlijk ook een rol in het debat over het ontstaan van de strip. Zo brengen de Fransen graag de Franstalige Zwitser Rodolphe Töpffer naar voor als "ontwerper" van het stripverhaal, en dat in de jaren 1830. In tegenstelling tot de traditionele prenten bracht hij een zekere vernieuwing door ontspanning en fictie te willen brengen. Hij had ook de duidelijke bedoeling om tekst en beeld complementair5 te gebruiken.6
Om in Franse sfeer te blijven : op het einde van de 19e en het begin van de 20e eeuw had men daar belangrijke namen als Caran d'Ache, Gustave Doré, Christophe, Benjamin Rabier.7 In Duitsland tekende Wilhelm Busch zijn legendarische "Max und Moritz", een reeks die veel invloed zou uitoefenen op latere Amerikaanse auteurs.8 Maar al deze tekenaars bleven werken volgens de oude traditie, d.w.z. dat ze de tekst onder de tekeningen plaatsten.

Rond diezelfde periode wordt ook het ontstaan van het "moderne" stripverhaal gesitueerd : op een colloquium dat in 1978 in de Italiaanse stad Lucca gehouden werd, werd de stelling verdedigd dat de eerste moderne strips dateren van het einde van de 19e eeuw en gepubliceerd werden in de Amerikaanse kranten. De Amerikaanse tekenaars waren namelijk de eersten die op een consequente manier gebruik gingen maken van de tekstballon.9

Of zoals Benoît Peeters zegt : "Née une première fois à Genève aux environs de 1830, la bande dessinée va connaître un second démarrage à New York à partir de 1896." 1896 slaat op de eerste publicatie van "The Yellow Kid", dat een groot succes kende en wel eens beschouwd werd als de eerste ballonstrip. Dit is ondertussen echter achterhaald.10

2.1.2. Evolutie


De geschiedenis van de strip is een verhaal van wederzijdse beïnvloeding tussen Europa en Noord-Amerika. Terwijl de beeldtraditie in Europa ontwikkeld werd, kende het stripverhaal als massamedium haar doorbraak in de Amerikaanse pers. En terwijl de grondleggende tekenaars Europeanen waren, introduceerden de Amerikanen de tekstballon op grote schaal. De rol van Europese immigranten valt hierin zeker niet te onderschatten : zij zorgden mee voor het contact tussen de twee continenten.1

Het stripverhaal kwam samen met ladingen Europese immigranten de VS binnen. Al snel kreeg het medium daar een plaats in de pers, waar het tot taak had lezers te lokken. Het fenomeen kende succes, met als bekend voorbeeld de al vermelde "Yellow Kid" van Richard F. Outcault. Andere belangrijke auteurs uit die beginperiode waren Winsor Mc Cay, die een enorm succes oogste met zijn "Little Nemo in Slumberland", en Bud Fisher en George McManus, van wie de reeksen (respectievelijk "Mutt and Jeff" en "Bringing Up Father") tientallen jaren later nog zouden lopen. Er ontstond een echte concurrentiestrijd tussen de krantenbazen William Randolf Hearst en Joseph Pulitzer. Ze probeerden strips te gebruiken om de lezers aan zich te binden. Door deze concurrentie ontwikkelde zich een dynamiek die zeker bevorderlijk geweest is voor de verdere ontwikkeling van de strips. Na de strips die in de zondaagse bijlagen van de kranten gepubliceerd werden, verschenen iets later de dagstrips op het toneel. Deze dagstrips waren gericht op een iets ouder publiek, en dus eigenlijk op de volwassen lezers van de krant.2

De verspreiding van de geproduceerde strips was in de beginperiode nog vrij beperkt, zodat de auteurs meestal voor één of andere krant werkten. Maar vanaf de jaren 1910 begon het allemaal grotere proporties aan te nemen en ontstonden er agentschappen, de zogenaamde "syndicates", die zich met de grootschalige verspreiding van strips gingen bezighouden. Dit was een typisch Amerikaans fenomeen : zulke agentschappen verkochten strips (en ook artikels, spelletjes, e.d.), waarop ze exclusieve rechten hadden, door aan allerlei kranten. Het meest bekende agentschap, het King Features Syndicate werd opgericht in 1914, door een zekere Moses Koningsberg, en was verbonden met de krantengroep van W.R. Hearst.3

En ondertussen ontwikkelde het medium zich voort : vanaf de jaren 1920 deed er zich in de Amerikaanse strips een verandering in thematiek voor. Waar daarvoor het accent vooral op de humor lag (vandaar ook de benaming "comics"), gingen vanaf dan meer en meer avonturenstrips het licht zien. In de jaren '20 en '30 maakten de lezers kennis met het realistische werk van onder andere Harold Foster (de ridderstrip Prince Vailant), Burne Hogarth (Tarzan), Alex Raymond (o.a. Secret Agent X9) en Milton Caniff (Terry and the Pirates).4

De jaren dertig betekenden dan weer de doorbraak van de "comic books". Het uitgeven van populaire krantenstrips in albumvorm mocht dan wel al bestaan vanaf het begin van de 20e eeuw, het fenomeen groeide vooral vanaf de jaren '30. Deze boekjes waren op een iets jonger publiek dan de krantenstrips gericht en gaven aanleiding tot het ontstaan van de superheldenstrips, met Superman als eerste van een lange reeks.5

Tijdens de Tweede Wereldoorlog lieten vele auteurs zich meeslepen door het conflict. Ze gingen in hun verhalen standpunten innemen, onder andere tegen het fascisme.6


Maar ondertussen zat men in Europa niet stil : de evolutie van de strip ging voort, natuurlijk mede onder invloed van de VS. Door het toenemende commerciële succes van de Amerikaanse ballonstrips, gingen meer en meer Europese tekenaars deze techniek overnemen. In Frankrijk kwam de doorbraak van de tekstballon er in 1925 met Zig et Puce7 van Alain Saint Ogan, in België stelde Hergé het voorbeeld met zijn Tintin. In de jaren '30 zouden anderen volgen.8



1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   158


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina