Sébastien Baudart 2e licentie geschiedenis Eindverhandeling Stripverhalen in de Belgische dagbladpers



Dovnload 3.95 Mb.
Pagina4/158
Datum22.07.2016
Grootte3.95 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   158

2.2. België

2.2.1. Inleiding


België wordt wel eens geassocieerd met strips. Ons landje is niet voor niets "het land met het grootste aantal stripauteurs per vierkante kilometer." En neen, dit blijkt geen grap te zijn, maar het resultaat van een zeer serieuze berekening1. Alleszins, het valt niet te ontkennen dat strips een belangrijke rol spelen en gespeeld hebben in België. Een aantal uitgeverijen gooit elk jaar een lading nieuwe albums op de (internationale) markt, een groot aantal legendarische auteurs zijn van Belgische oorsprong, … En nu nog staan er in de meeste Belgische kranten voorpublicaties van stripreeksen. Een aantal Vlaamse kranten publiceren nog eigen werk, de meeste stellen zich tevreden met wat uitgevers hen aanbieden.

Het belang van strips in België wordt geassocieerd met het bestaan van een "Belgische beeldtraditie". Bewoners van onze gebieden zouden namelijk altijd al geneigd geweest zijn beelden te gebruiken om zich uit te drukken, en daarbij wordt wel eens verwezen naar onder andere de schilderkunst. Twee verklaringen worden aangereikt. De eerste is dat het Belgisch grondgebied in het verleden dikwijls bezet en geannexeerd geweest is. Dit gaf zowel problemen met de meningsuiting als met het aspect "vreemde talen". "En wanneer men niet mag spreken of schrijven, kan men het maar beter tonen, met andere woorden : beelden maken, schilderen, tekenen, …"2. Dus ontwikkelden de volkeren in wat nu België is, een sterke beeldcultuur. De tweede verklaring is dat België samengesteld is uit twee culturen en drie talen. Het gebruik van beelden zou dan het ideaal middel zijn om de taalbarrière te overschrijden.3



2.2.2. Historisch Overzicht


In de 18e en 19e eeuw kende men ook in België al een traditie van volks- of kinderprenten. Turnhout was daarbij een zeer belangrijk centrum : de in deze stad gevestigde drukkerij Brepols groeide uit tot een grote producent van prenten, die verspreid werden in België en Nederland. Op die prenten waren religieuze, didactische, historische en literaire onderwerpen terug te vinden. Deze volksprenten waren in eerste instantie vooral op volwassenen gericht, maar geleidelijk kwam er een evolutie naar een jonger publiek. Vanaf de jaren 1910 kwamen in Vlaanderen enkele geïllustreerde kinderbladen op, zoals "Het Mannekensblad"1 en "Kindervriend".2

Tijdens het interbellum werd die beweging voortgezet. Kranten begonnen langzaam aan strips te publiceren en in Vlaanderen namen tijdschriften als Bravo, Ons Kinderland, Wonderland, Ons Volkske, Zonneland, enz. in de jaren '30 zowel buitenlandse strips op als werk van eigen tekenaars zoals Jan Waterschoot, Pink (pseudoniem van Eugeen Hermans) en Frits Van den Berghe.3

Ook in Franstalig België kwam langzaam een beweging op gang. Vlak na de Eerste Wereldoorlog waren strips vooral te vinden in tijdschriften geïmporteerd uit Frankrijk. Voor de doorbraak van een Belgische reeks was het wachten tot 1929, toen Hergé in Le Petit Vingtième, de kinderbijlage van de krant Le Vingtième Siècle, "Tintin au pays des Soviets" begon te publiceren. Een tweede belangrijke datum is 1938, wanneer Jean Dupuis het tijdschrift Spirou oprichtte. Een grote rol was hierin weggelegd voor Jijé (Joseph Gillain), die daarnaast onder andere in Petits Belges (Averbode) publiceerde.4

De stripproductie en de strippublicaties kwamen in het interbellum dus wel degelijk tot ontwikkeling. De Tweede Wereldoorlog kwam echter roet in het eten gooien. Wegens de papierschaarste en door problemen met de bezetter, werden tal van publicaties onderbroken. Ook rezen er serieuze problemen in verband met de toevoer van Amerikaanse verhalen. Maar dat betekende niet dat alles stopgezet werd : sommige tijdschriften, zoals Spirou (tot 1943) en Bravo (met o.a. E.P. Jacobs), gingen door en Hergé publiceerde zijn Tintin in de "gestolen" "Le Soir" en "Het Laatste Nieuws". Ook andere tekenaars zoals Leo Debuth (Volk en Staat), Paul Jamin (Le Soir, Le Pays Réel), Jacques Van Melkebeke (Le Soir) en "Kaproen"5 (Volk en Staat) publiceerden in de collaboratiepers.6


De jaren na de Tweede Wereldoorlog betekenden dan weer een echte heropleving : strips waren in allerlei publicaties terug te vinden. Er kwam een explosie van het aantal strip- en jeugdtijdschriften. Zowel Vlaamse als Franstalige publicaties zagen het licht of herverschenen, al dan niet met een versie in de andere landstaal. Daarin kreeg zowel binnen- als buitenlands materiaal een plaats. Enkele voorbeelden : Spirou/Robbedoes, Bravo, Tintin/Kuifje, Heroïc-Albums, Bimbo, Story, Wrill, Ons Volkske, Kleine Zondagsvriend, 't Kapoentje, Zonneland/Petits Belges, … Daarnaast namen ook de zogenaamde "familiebladen" zoals ABC, Ons Volk, Overal en Libelle strips op en begon men werk te maken van albumuitgaven. Zoals we verder nog zullen zien, bleven de Belgische kranten zeker niet achter in verband met het publiceren van "tekenverhalen".7

2.3. Nederland


Gezien de vertegenwoordiging van Nederlandse strips in de naoorlogse Belgische dagbladpers, is het zeker nuttig eens te kijken hoe het er bij onze noorderburen aan toeging.

Ook in Nederland lagen de volksprenten (vooral uit Frankrijk, België en Duitsland) aan de basis van de latere beeldverhalen. Stripverhalen verschenen in weekbladen al vanaf het einde van de 19e eeuw, in de kranten was het wachten tot de jaren 1920. Niet alleen werk uit het buitenland werd gepubliceerd, ook eigen tekenaars werden aan het werk gezet. Er wordt zelfs beroep gedaan op de Vlaamse tekenaar Georges van Raemdonck die vanaf 1922 Bulletje en Bonestaak1 tekende in de socialistische krant Het Volk. In de jaren dertig deden buitenlandse reeksen als Rupert (GB) en Mickey Mouse (VS) hun intrede.

Zoals in andere Europese landen betekende de Tweede Wereldoorlog het einde van de toevoer van Engelse en Amerikaanse strips. Maar dit gaf dan weer kansen aan lokaal talent : in 1941 verscheen Tom Poes van Marten Toonder voor het eerst in De Telegraaf.

Marten Toonder zou na de oorlog een zeer belangrijke rol spelen op de Nederlandse (en Europese) stripscène. Naast zijn eigen reeksen Tom Poes, Kappie en Panda lanceerden de Toonder-Studio's auteurs als Hans G. Kresse (Eric de Noorman) en Henk Kabos (Tekko Taks). Andere belangrijke tekenaars waren Siem Praamsma, Henk Albers, Piet van Elk, …

De krantenstrip kende in de eerste jaren na de oorlog een groot succes. Door het typisch Nederlandse gebruik van onderteksten kregen deze strips een zekere respectabiliteit (er was tenminste iets te lezen). Ook typisch Nederlands is het verschijnsel "beeldromans" waarbij strips met ondertekst in goedkope boekvorm uitgegeven werden. Dit gebeurde op klein formaat en goedkoop papier, zodat die boekjes heel toegankelijk waren.2

In 1948 kwam er een hele tegenbeweging op gang, waar zelfs de minister van Onderwijs zich mee ging moeien. De "beeldromans" moesten zoveel mogelijk uit de scholen gehouden worden wegens "een sensationeel karakter zonder enige andere waarde". Daardoor zou zelfs een redelijk veralgemeend anti-gevoel tegenover strips ontstaan zijn.3





1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   158


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina