Sébastien Baudart 2e licentie geschiedenis Eindverhandeling Stripverhalen in de Belgische dagbladpers



Dovnload 3.95 Mb.
Pagina50/158
Datum22.07.2016
Grootte3.95 Mb.
1   ...   46   47   48   49   50   51   52   53   ...   158

8.7.7. Taaltoestanden


Niet alleen in Congo, maar ook in België zijn er taaltoestanden die aangekaart mogen worden. Matsuoka laat een tekenaar affiches ontwerpen om zijn bier aan te prijzen : "Zeer goed ! Zeer goed ! Maar maak ze in 't Frans. We hebben met Gentenaars te doen, zie je."1

"Lina ta ? Lina va ? Nyet ? Mja Mja ?", zeggen twee Eskimo's in De Man met het gouden hoofd. Nero begrijpt er niets van en reageert : "Hela ! In Vlaanderen Vlaams he ?!"2 Een Franse gevangenisbewaker leest alleen de Libre Belgique, "omdat ik een Vlaming ben", zegt hij.3

De Leuvense studenten nemen in Het Rattenkasteel echter het voortouw. Ze "stelen" de huifkar van de waarzegster "Madame Blanche" : "Dat zal haar leren haar naam in 't Frans te schrijven."4 En even verder ontwikkelt zich een gevecht tussen Vlaamse en Franstalige studenten. "Weg met de zokken.", "Cornichons ! Langoustes ! Imbéciles. On les aura !"5, klinkt het daar.

Tenslotte hangt aan de muur van de "zaal der zwaar gekwetsten" in een ziekenhuis een bordje met "Silence a.u.b."6



8.7.8. De mens


Sleen maakt in zijn verhalen wel eens niet al te positieve opmerkingen over "de mens" in het algemeen. Er wordt wel eens gewezen op de gebreken van de wezens die we zijn. Zo confronteert Sleen de lezer met egoïsme, jaloezie, ruziënde mensen, …1 En als er eens iemand met goede bedoelingen rondloopt, wordt er op gewezen dat er zo niet veel zijn.2 Zo zegt Petoetje in "Moea-Papoea" tegen Nero : "'t Is niets meneer, ge hebt ook mijn leven gered. En een beetje dankbaarheid kan de wereld geen kwaad."3 In Moea-Papoea wilt een kapitein niet stoppen voor een man overboord : "het komt op een mensenleventje min of meer niet meer opaan, de dag van vandaag."4

In Het Rattenkasteel bereikt deze mensenkritiek haar hoogtepunt. De gestoorde Russische professor Ratsjenko wilt in dit verhaal namelijk mensenhersenen transplanteren op ratten. Iets waar hij met één rat ook in slaagt : hij transplanteert de hersenen van een "man gestorven aan hoogmoed". Met als resultaat dat deze rat zijn soortgenoten aanzet tot opstand : "Kameraden ! Vrienden rasgenoten ! We zijn onderdrukt … We durven het daglicht niet aanschouwen … We leven in riolen. Waarom ?!! Waarom het knechtschap nog langer dragen ? Waar halen de mensen hun wijsheid ? Uit de boeken halen ze hun verstand ! Wel, waarop wacht ge ? Vannacht klokslag twaalf halen we al de boeken uit de klassen, brengen ze hier en leren !!"5 Een rat leest het boek : "Moderne oorlogsstrategie elastische terugtocht en dergelijke". Even later komt het tot een gevecht tussen de ratten en Van Zwam en Nero. De rattenaanvoerder roept : "Laten wij die aardwormen de strot oversnijden ! Weg met hen !"6 "Ja, ge hebt me goed verstaan ! Bijt ze de strot over ! Geen angst ! Moorden is aan de orde van de dag. Beziet de mensen, ze geven het goede voorbeeld !"7

Maar zoals ook bij de mensen wel eens gebeurt, wordt onze rat even later op zijn plaats gezet door zijn vrouw : hij moet mee naar huis. "De kuddegeest is bij de ratten al even sterk ontwikkeld als bij de mensen, zonder leider zijn ze futloos, aan hun lot overgelaten. Ze wenden zich af van hun slachtoffers en keren terug naar hun riolen."8

Sleen tekent doorheen deze ratten de mens af als een oorlogszuchtig wezen dat zich zeer gemakkelijk laat meeslepen door leidende figuren. Misschien zit daar wel een verklaring voor de Tweede Wereldoorlog ?



8.8. Sleen en politiek


Zoals we uitgebreid hebben kunnen zien, geeft Marc Sleen de politiek een zeer grote plaats in zijn verhalen. Volledige verhalen worden zelfs rond politieke thema's opgebouwd. Zo is De hoed van Geeraard de Duivel één groot pamflet tegen de houding van de socialisten in de koningskwestie. Figuren als Paul Henri Spaak en Camille Huysmans worden zelfs rechtstreeks geviseerd en met de duivel geassocieerd.

In de verhalen over en de verwijzingen naar de Koude Oorlog wordt het thema vrij ludiek behandeld, zodat de lezer in de verhalen de ernst van de situatie niet helemaal terugvindt. Maar op een heleboel elementen, zoals de wapenwedloop, de atoomspionage en de blokvorming wordt er duidelijk ingespeeld. Russen worden niet echt als vijanden afgeschilderd, maar eerder als grappige types. En Amerikanen worden niet verheerlijkt.

Verder besteedt Sleen aandacht aan het Gele Gevaar, aan de mogelijkheden van propaganda, aan de dekolonisatie, de taaltoestanden en aan allerlei alledaagsheden zoals de belastingen, het bewijs van burgerdeugd en de Noord-Zuidverbinding.

"Toen ik van 1944 tot 1951 op de krant politieke cartoons tekende, moest ik de socialisten en andere politieke tegenstrevers altijd extra hard aanpakken, maar ik deed dat niet graag. Dat ligt niet in mijn natuur."1 Dit interviewfragment van Marc Sleen wijst erop dat er vanuit de krant wel degelijk aangedrongen werd om de politieke tegenstrevers een slechte rol te bezorgen. Het gaat hier wel over de cartoons van Sleen, maar de verklaring geldt even goed voor verhalen als De hoed van Geeraard de Duivel, waarin socialisten op dezelfde manier behandeld worden.



8.9. De Scepter van Ottokar


Van 10 november 1947 tot 22 maart 1948 publiceren De Nieuwe Gids en 't Vrije Volksblad, het Kuifje-verhaal "De Scepter van Ottokar". Zoals we al gezien hebben, was het de bedoeling het verlies van Suske en Wiske op te vangen en De Standaard te overtroeven. Maar ook op politiek vlak komt het verhaal goed van pas.

8.9.1. Hergé


Hergé werd op 22 mei 1907 in Etterbeek geboren als Georges Remi. Na zijn lagere school aan een atheneum, volgde hij een jaar neutraal beroepsonderwijs, waarna hij, onder druk van de werkgever van zijn vader, overgeplaatst werd naar een katholieke school om daar zijn middelbare studies te volgen. Tezelfdertijd volgde een overstap van de neutrale naar de katholieke scouts. Deze overstap is niet zonder belang, want zoals Benoît Peeters, één van zijn biografen, het verwoordt : "cette décision inscrira durablement Hergé dans un milieu catholique et traditionaliste"1. De conservatieve katholieke wereld dus.2

Zijn activiteiten in de scoutsbeweging zorgden ervoor dat hij na verloop van tijd tekeningen begon te publiceren in de scoutspers. Zijn eerste strip, Totor, zou trouwens van 1926 tot 1929 lopen in "Le Boy-Scout". Na zijn studies ging de jonge Georges Remi solliciteren bij de Brusselse katholieke krant Le Vingtième Siècle, waar hij vanaf september 1925 ging werken op de abonnementendienst. Na zijn legerdienst (1926-1927) werd hij door diezelfde krant aangeworven als tekenaar voor illustraties en lay-out. Le Vingtième Siècle werd toen geleid door Norbert Wallez, een priester met nogal rechtse3 ideeën.4

Eind 1928 werd Hergé verantwoordelijk voor de nieuwe jeugdbijlage van de krant : Le Petit Vingtième, waarin hij in januari 1929 "Tintin au pays des Soviets" lanceerde, een jaar later gevolgd door de grappen van het Brusselse duo "Quick & Flupke". Tot de Tweede Wereldoorlog zouden nog zeven volledige verhalen van Tintin volgen.5 Zoals in deel 1 al gezegd is, bevatten de meeste van die verhalen een duidelijke politieke inhoud.

Het katholiek milieu waarin hij werkte bracht hem tijdens de jaren dertig in contact met allerlei figuren die later zouden bekend worden door hun niet al te zuivere rol tijdens de Tweede Wereldoorlog. Zo bijvoorbeeld Léon Degrelle, Raymond De Becker en Paul Jamin, om maar deze drie te noemen. Hij baadde dus in een sterke rechtse sfeer en had zelfs een zeker geloof in de Nieuwe Orde. Maar toch hield hij een bepaalde afstand : als Degrelle in 1936 Le Pays Réel oprichtte, weigerde Hergé hem te volgen.6

Toen de inval van de Duitsers ervoor zorgde dat Le Vingtième Siècle van de markt verdween, ging Hergé in op het aanbod van (de gestolen) Le Soir (toen onder leiding van Raymond De Becker) in om in deze krant de publicatie van zijn verhalen voort te zetten7. De bezetting was op commercieel gebied trouwens een vruchtbare periode voor de tekenaar : naast Le Soir, publiceerden ook de kranten Het Laatste Nieuws (Kuifje8) en Het Algemeen Nieuws (Kwik en Flupke) zijn werk, zodat hij ook in Vlaanderen een grote naambekendheid kreeg. Er is veel gediscussieerd over de draagwijdte van die deelname aan de collaborerende pers. Onschuldig was zijn houding zeker niet, en een zekere invloed van zijn entourage staat buiten kijf … Kenmerkend is alleszins dat de verhalen van tijdens de oorlog, op één geval9 na, politiek volledig neutraal blijven, terwijl de vooroorlogse verhalen sterk geëngageerd waren. Het oorlogsklimaat zette de auteur duidelijk aan tot voorzichtigheid.10

Na de bevrijding kreeg de tekenaar natuurlijk last met zijn activiteiten tijdens de oorlog. Hij kreeg een publicatieverbod in de pers en werd vier keer opgepakt. Een onderzoek werd gevoerd naar zijn publicaties in Le Soir, Het Laatste Nieuws en Het Algemeen Nieuws, maar hij werd uiteindelijk niet vervolgd.11

Een slechte reputatie had hij door de oorlog wel opgedaan. De man die Hergé terug op de voorgrond bracht, werd Raymond Leblanc. Deze zakenman, die tijdens de oorlog actief was in het verzet, zorgde ervoor dat Hergé zijn bewijs van burgertrouw kreeg, waardoor hij terug kon publiceren. En samen richtten ze het weekblad Tintin/Kuifje op, waarvan het eerste nummer op 26 september 1946 verscheen.12



1   ...   46   47   48   49   50   51   52   53   ...   158


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina