Sébastien Baudart 2e licentie geschiedenis Eindverhandeling Stripverhalen in de Belgische dagbladpers



Dovnload 3.95 Mb.
Pagina70/158
Datum22.07.2016
Grootte3.95 Mb.
1   ...   66   67   68   69   70   71   72   73   ...   158

12.2. Een beloftevolle start die op niets uitdraait

12.2.1. Les Trafiquants de Tchoung-King


De eerste sporen van strips in Le Drapeau Rouge vinden we in juni en juli 1945, wanneer enkele gagstroken van een zekere Arno gepubliceerd worden. Deze tekstloze strookjes zijn echter geen lang leven beschoren, en het zou wachten zijn tot december van dat jaar om weer een strip tegen te komen.

Op donderdag 6 december 1945 worden namelijk de eerste twee stroken van "Les Trafiquants de Tchoung-King" gepubliceerd op een pagina met als titel "Bonjour St-Nicolas !". De publicatie zou wekelijks voortgezet worden tot einde maart 1946 op de pagina "Femme et Famille" van de krant. "Les Trafiquants" is een ballonstip die in een zeer nette "klare lijn"-stijl getekend is en er heel aantrekkelijk uitziet.

Het verhaal draait rond Ming-Ho en Dick, twee bemanningsleden van de Amerikaanse cargo "Tenessee" die in januari 1938 aanlegt in Hong Kong. In een Amerikaanse bar komt het tot een gevecht tussen de twee bemanningsleden en een zekere Julius, waardoor ze in het ziekenhuis belanden. Als ze drie weken later het ziekenhuis mogen verlaten en de intrige eindelijk schijnt te beginnen, stopt plots de publicatie van het verhaal. Het is dan ook moeilijk uit te maken waar de auteur naartoe wou … Spijtig, want het verhaal zag er kwalitatief heel goed uit.

De auteur, een zekere "Saint Thiers", wordt alleen vermeld door middel van zijn handtekening. Er zijn in de krant verder geen aankondigingen over het verhaal of andere tekeningen van zijn hand te vinden en het pseudoniem "Saint Thiers" is verder onbekend. Verschillende elementen1 wijzen echter uit dat het verhaal waarschijnlijk origineel materiaal is.

BCB-medewerker Jean-Claude de la Royère schrijft het verhaal met zekerheid toe aan Maurice Tillieux, een Belgische tekenaar die in de jaren 1940 zijn eerste stappen in de stripwereld zette en in de jaren 1960 zeer bekend zou worden door zijn werk voor Uitgeverij Dupuis. Een vergelijking van de stijl van "Les Trafiquants" en van het vroege werk van Tillieux bevestigt inderdaad die toeschrijving. Zowem de lettering als de tekenstijl (vooral dan de manier om neuzen en monden te tekenen) komen overeen met ander werk van Tillieux.

Maurice Tillieux werd op 8 augustus 1921 geboren in het Waalse stadje Huy. Zoals van bekende tekenaars wel eens gezegd wordt, toonde hij al op zeer jonge leeftijd een grote interesse in schrijven en tekenen. En tegen het einde van de jaren 1930 slaagde hij erin tekeningen te publiceren in de Dupuis-tijdschriften Le Moustique en Spirou. Dit gebeurde via Spirou-hoofdredacteur Jean Doisy, buurman en vader van één van de klasgenoten van Tillieux. Zijn echte passie was echter de scheepvaart. Na zijn middelbare studies volgde hij lessen op de scheepvaartscholen van Oostende en Antwerpen, waar hij in 1940 zijn diploma van aspirant-officier behaalde. Maar de oorlog kwam een stokje voor zijn plannen steken.

Tijdens de oorlog probeerde hij de verplichte tewerkstelling te ontwijken door naar Frankrijk te vluchten, maar hij kwam al snel terug. Hij kwam tijdens deze oorlogsperiode op verschillende manieren aan de kost : zo was hij decorator, publicitair schilder, maakte hij illustraties voor de Dupuis-publicaties en schreef hij een roman, "Le Navire qui tue ses capitaines", die zich natuurlijk afspeelt op een schip.

In 1945 publiceerde hij de strip Browil in het verzetsblad Le Pavé. En in hetzelfde jaar ging hij zich op aanraden van Jean Doisy aanbieden bij "Studio Guy". Deze studio, onder leiding van Guy Depière, gaf toen het jeugdblad Bimbo uit. En een jaar later kwamen daar de titels Jeep en Blondine bij. In Bimbo publiceerde Tillieux onder een ganse hoop Amerikaans klinkende pseudoniemen : John Cliff, James Jhames, Ronald Scott, Jill Morisson. Bij zijn tekeningen liet hij zich beïnvloeden door de stijl van Hergé en van Amerikaanse voorbeelden. Hij publiceerde in 1945 ook drie kinderboeken en werkte vanaf 1947 mee aan de nieuwe publicatie Heroic-Albums, waarvoor hij het personage Bob Bang zou scheppen, niet toevallig een zeeman.2 Net zoals de hoofdpersonages van "Les Trafiquants" zeelieden zijn.

De eerder vermelde Jean Doisy zou de link kunnen zijn tussen Maurice Tillieux en Le Drapeau Rouge. Doisy, eigenlijk een pseudoniem voor Georges Evrard, was een "militant communiste convaincu"3 , was lid van de KPB en bezat er blijkbaar goede connecties4. Het is dus heel goed mogelijk dat iemand van Le Drapeau Rouge Doisy benaderd heeft met de vraag of hij een striptekenaar kende die iets wilde maken voor de krant.

Voor de vroegtijdige stopzetting van het verhaal zijn er verschillende mogelijkheden. Besparingen zouden de reden kunnen zijn, een eigen tekenaar kost natuurlijk wel iets. Maar heel wat andere redenen5 zijn mogelijk. Zo is het heel goed mogelijk dat het verhaal de verantwoordelijken van Le Drapeau Rouge niet beviel, of dat ze inspraak6 eisten in de inhoud van het verhaal, en dat Tillieux dit weigerde.

Het gebruik van het pseudoniem Saint Thiers7 kan een middel zijn om niet met zijn naam in de communistische pers te verschijnen, maar het kan ook gewoon een gewoonte zijn, zoals hij zijn werk in Bimbo ook ondertekende met pseudoniemen.

12.2.2. Sporadische strippublicaties


Na dit verhaal zouden strips slechts nog sporadisch in Le Drapeau Rouge opduiken, en dan nog alleen op de jeugdpagina. Vanaf 26 april 1946 wordt namelijk op donderdag de pagina "Ohé, les jeunes" gepubliceerd. "Femme et Famille" verhuist naar de zaterdag en zal verder geen strips meer bevatten.

"Ohé, les jeunes" wordt meestal gevuld met allerlei artikels en neemt dus ook soms strips op. Van september tot november 1948 worden vijf afleveringen van "Renard" gepubliceerd. Deze afleveringen vertellen telkens een streek van Reinaert de Vos. Deze stroken met ondertekst, en een nogal extravagante lay-out, zijn van de hand van de Fransman Roger Bussemey1, die vanaf 1946 voor Franse kranten en tijdschriften werkte, waaronder het communistische l'Humanité.

Verder duiken ook nog vier gagstroken (twee in 1948, twee in 1950) van R. Mas2 op (met de personages Anatole, Barbichette en Bec d'Or) en de geïllustreerde verhalen3 van Bec d'Or. Deze verhalen, die soms in de vorm van strips gemonteerd worden, zijn geïllustreerd door diezelfde R. Mas of door C. Arnal. Deze Bec d'Or-verhalen werden oorspronkelijk gepubliceerd in de wekelijks jeugdbijlage van L'Humanité.



1   ...   66   67   68   69   70   71   72   73   ...   158


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina