Sébastien Baudart 2e licentie geschiedenis Eindverhandeling Stripverhalen in de Belgische dagbladpers



Dovnload 3.95 Mb.
Pagina8/158
Datum22.07.2016
Grootte3.95 Mb.
1   ...   4   5   6   7   8   9   10   11   ...   158

I. België




1. De Tweede Wereldoorlog : strijd, collaboratie en verzet


Hoewel de Duitse aanval op België te voorzien was, en er vanaf augustus 1939 meer dan zeshonderdduizend man gemobiliseerd werd, werd het Belgische leger overrompeld door de Duitse aanval op 10 mei 1940. De Belgische militairen moesten al snel terugtrekken en ondervonden ook hinder door de enorme vluchtelingenstromen die op gang kwamen. Op 28 mei besliste koning Leopold III verder bloedvergieten te voorkomen en liet hij zijn leger capituleren. De meerderheid van de bevolking was opgelucht met deze afloop, want op die achttien dagen tijd waren er al meer dan twaalfduizend slachtoffers gevallen.1

België was dus in Duitse handen gevallen en werd samen met twee Franse departementen ondergebracht onder een militair bestuur2, met aan het hoofd Alexander von Falkenhausen. Koning Leopold bleef als krijgsgevangene in België, terwijl de regering in Londen verzeilde, en daar de strijd verderzette aan de zijde van de geallieerden. De leiding van de ministeries in België werd overgenomen door de secretarissen-generaal. Deze probeerden waar ze konden de Duitse dwangmaatregelen tegen te werken en gingen over tot een voorzichtige samenwerking met de Duitse bezetter, de zogenaamde "politiek van het minste kwaad". Natuurlijk probeerden de bezetters Duitsgezinde secretarissen-generaal aan te stellen.3

Collaboratie en verzet doken op. Terwijl sommige mensen om allerlei redenen in min of meerdere mate met de vijand samenwerkten, deden anderen er alles aan om de bezetter het leven moeilijk te maken. Dit verzet nam verschillende vormen aan : gewapende strijd, neerschieten van Duitsers en collaborateurs, sabotages, clandestiene pers, hulp aan joden en geallieerde soldaten, werkweigering, … Verzetslieden werden algemeen aangeduid als "Witten", naar de organisatie Witte Brigade4, terwijl "Zwarten" een benaming werd voor collaborateurs. Mensen van allerlei ideologische strekkingen gingen in het verzet, zodat zowel "linkse" als "rechtse" organisaties het licht zagen, waaronder het Onafhankelijkheidsfront, de Belgische Nationale Beweging, de reeds vermelde Witte Brigade, de Nationale Koninklijke Beweging, het Leger van België/Geheime Leger en Groep-G. Het kwam ook voor dat verzetslieden zich aansloten bij de geallieerden.

En ook de collaboratie kon veel verschillende vormen aannemen : partijen als Rex en VNV werkten samen met de Duitsers, burgers gingen samen met de Duitsers de Russen bestrijden aan het Oostfront, bedrijven leverden aan de Duitse bezetter, …5

Brussel werd bevrijd op 3 september 1944, voor de volledige bevrijding van België was het wachten tot 29 januari 1945.6

2. Politiek België na de oorlog


De Tweede Wereldoorlog liet in België diepe sporen na. Naast de grote materiële schade waren er ook veel slachtoffers gevallen. Daarnaast zorgden problemen als de koningskwestie en de repressie voor een grote politieke instabiliteit én domineerden ze het politieke leven, zodat andere zaken meer op de achtergrond raakten. En om alles nog moeilijker te maken, hielden de verschillende partijen er sterke meningsverschillen op na, zodat het land op verschillende momenten in zware crisis zat. De hele situatie zorgde natuurlijk voor een enorme regeringsinstabiliteit : tussen 26 september 1944 en 16 juli 1951 volgden niet minder dan tien regeringen elkaar op, gemiddeld hielden ze het maar zeven maanden uit. Daarnaast kreeg men in dezelfde periode drie verkiezingen en één volksraadpleging.1

2.1. De naoorlogse regeringen


Bij de bevrijding was de Londense regering-Pierlot een groot deel van haar legitimiteit kwijt. Ze werd dan ook snel uitgebreid met socialisten, liberalen en communisten. Zo kreeg ze als regering van nationale eenheid een breder draagvlak. Onenigheid over ravitailleringsproblemen en prijzenpolitiek leidden echter tot de val ervan. Van 12 februari 1945 tot 2 augustus 1945 leidde de socialist Achille Van Acker een regering met dezelfde samenstelling, waarna hij zichzelf tot 9 januari 1946 opvolgde aan de leiding van een regering zonder de CVP. Haar plaats werd ingenomen door de nieuwelingen van de UDB.

Van 13 tot 19 maart 1946 leidde de socialist Paul Henri Spaak een zeer kortstondige homogene socialistische minderheidsregering, die datzelfde jaar nog werd opgevolgd door twee linkse regeringen (socialistisch-liberaal-communistisch) onder leiding van Achille Van Acker en Camille Huysmans. Tijdens deze periode belandde de CVP in de oppositie, en legde de partij zich vooral toe op de terugkeer van koning Leopold III.

De volgende regering hield het veel langer uit. Van 20 maart 1947 tot 27 juni 1949 leidde Spaak een coalitie van socialisten en katholieken. Een coalitie die Gaston Eyskens na de verkiezingen van 1949 omruilde voor een katholiek-liberale bewindsploeg (11 augustus 1949 – 6 juni 1950).

Na de verkiezingen van juni 1950 haalde de CVP een absolute meerderheid en kwamen homogene katholieke regeringen tot stand. Een eerste onder leiding van Jean Duvieusart (8 juni 1950 – 11 augustus 1950), een tweede met Joseph Pholien aan het hoofd (vanaf 16 augustus 1950).1



2.2. De politieke partijen en krachtverhoudingen


De naoorlogse periode zorgde voor een sterke doorbraak van de KPB. De partij kon rekenen op veel bijval en prestige door de rol die ze tijdens de bezetting gespeeld had. Vooral tegen het einde van de oorlog, en ook onder invloed van de overwinningen van het Sovjetleger, kreeg de Communistische Partij een grote aanhang. De KPB werd dan ook de grote concurrent van de socialisten, die vreesden dat ze een groot deel van hun aanhang zouden verliezen. Het succes was ook te danken aan het feit dat de communisten hun programma matigden en op die manier zelfs opgenomen werden in de regering. Een regeringsdeelname werd trouwens door de andere partijen gezien als het beste middel om de KP te neutraliseren. En deze aanpak werd een succes : de impact van de communisten zou met de tijd alleen maar afnemen.1

De socialisten van hun kant herstelden zich zo goed ze konden, en ook al waren er meningsverschillen in de partij tussen de "Londenaars" en de leden die in België clandestien aan de partij gewerkt hadden, toch konden de verschillende groepen zich terugvinden in een gemeenschappelijk programma. De partij werd ook vernieuwd, zo werd het individueel lidmaatschap ingevoerd, werd een gematigd sociaal-democratisch programma aangenomen en veranderde de naam "BWP" in "BSP". Het partijcongres werd beheerst door de Franstaligen.2

Na de bevrijding kwamen er in Franstalige katholieke kringen ook plannen op om te breken met de verzuiling en een travaillistische partij op te richten : op die manier ontstond de Union Démocratique Belge (UDB). De partij kwam nooit echt van de grond : bij de eerste parlementsverkiezingen haalde ze maar één zetel, daarna verdween ze.3

En aan katholieke kant werd er volop vernieuwd : de Christelijke Volkspartij (CVP) werd opgericht, met de bedoeling de progressieve kaart te spelen. De partij werd onder andere gedeconfessionaliseerd en opengesteld voor een ruimer publiek. Dit verhinderde natuurlijk niet dat de katholieke zuil de pijler van de macht van de partij bleef.4

De liberale partij was nogal marginaal geworden en kon dus geen eersterangsrol spelen. En natuurlijk waren de vooroorlogse extreem-rechtse partijen zoals Rex en VNV uit het zicht verdwenen.5



1   ...   4   5   6   7   8   9   10   11   ...   158


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina