Scheepstimmerwerven en het kanaal door Waterland



Dovnload 155.38 Kb.
Pagina1/2
Datum24.08.2016
Grootte155.38 Kb.
  1   2

Scheepstimmerwerven en het kanaal door Waterland

(vooral de rol, die Koning Willem 1 daarin speelde)

De geschiedenis der mensheid is

nauwelijks meer dan een verhaal van

plannen, die gefaald hebben en illusies,

die bedrogen zijn uitgekomen.

Samuel Johnson.
Nauwelijks was vorig jaar ons jaarverslag verschenen of de Heer G.J. Kater uit Hoogland belde bij onze voorzitter aan om te informeren of er iets over zijn voorouders bekend was.

"U valt met de neus in de boter" zij de heer Oosterveld, die hem attendeer­de op het artikel over de scheepstimmerwerven.

Als afstammeling van de oudste zoon van Tijmon Cornelisz Kater "de jonge", de geniale Monnickendammer en Annetje Slot leek het of het verhaal speciaal voor hem geschreven was, want hij had zich voorgenomen na te gaan wat er waar was van de verhalen over de familietak waar ook de schrijfster Ina Boudier-Bakker uit stamde.

Toen de Heer G.J. Kater mij in januari van dit jaar in Warnsveld bezocht (we hadden al eerder kennis gemaakt) had hij een schat van gegevens verza meld (foto`s, acten en andere bijzonderheden) waar maar weinig families over beschikken.


Mijn voornemen was in dit jaarverslag met de scheepsbouwerstak van Sijmon Kater te starten, maar nog even wil ik toegeven bij de bijzondere figuur Tijmon Czn Kater "de jonge" die, zulke opvallende sporen heeft nagelaten, dat vermelding daarvan niet mag ontbreken.
De overbrugging van `t IJ
Op blz 68 en 69 van het jaarverslag 1988 beschreef ik zijn waterbouwkundige prestaties en technische vindingen. Slechts terloops vertelde ik over een plan dat hij ontworpen heeft tot overbrugging van `t IJ in Amsterdam. Genoemde Heer Kater uit Hoogland spoorde op het Gemeente Archief te Amster dam de tekening van deze brug op.

Het plan werd door de Heren Tijmon Kater Czn en zijn zoon Cornelis Tzn aangeboden aan de Koning Willem I (1772-1843). Ze vroegen als aannemers van Rijkswerken vergunning voor het aanleggen van een stenen brug, die liep van de Haringpakkerstoren in het centrum van Amsterdam naar de overkant de over kant voorbij het Tolhuis, op weg naar Buiksloot.

Deze brug, "de grootste van Europa" zou 13 bogen tellen. De lengte bedroeg 880 el, de grootste breedte 100 el en de hoogte 40 el boven AP, zodat de grootste schepen uit die tijd er onder door konden varen.

Jammergenoeg weigerde de Koning de concessie te verlenen. omdat men onzeker was over de stabiliteit van de bodem, de kracht van de zeestromingen in `t IJ en vooral omdat de totale bouwkosten  8.992.000,- zouden bedragen. Voor die tijd een respectabel bedrag.

De tekening (hiernaast afgedrukt) is een steendruk van F. de Vries uit Amsterdam en is uitgegeven in 1843 door S.Meijer gd Kater te Monnickendam met het jaartal 1842.
De straatverlichting van Monnickendam
Voorts is de naam van Tijmon Kater Czn eng verbonden met de straatverlich­ting en later de gasfabriek van Monnickendam.

De Heer D. Kerssens te Zaandam heeft de tekst verzorgd van een boek over het energiebedrijf Zaanstreek-Waterland "van toen naar nu".

Onder de kop "De gasfabrieken in Waterland en de Rijp" behandelt hij de voorgeschiedenis van de gasfabriek te Monnickendam

Jammer is het, dat de Heer Kerssens zich daarin niet zo erg verdiept heeft. Hij vraagt zich af wat een notaris uit Nieuwendam bezielde om in Monnic­kendam een gasfabriek te stichten, maar beantwoordt deze vraag niet.

Er was een voorgeschiedenis (ik bedoel vóór 1857), maar die wordt niet behandeld en dat Monnickendam reeds in 1844 gaslicht had kunnen hebben, is de schrijver ontgaan.

Op 28 september 1835 wordt met de Heer Tijmon Kater Czn (de Heer Kerssens noemt hem F. Kater) als aannemer van de "vorige" straatverlichting, een contract afgesloten dat hij nog een jaar de verlichting zal verzorgen (van 1 october 1835 tot ult. 1836) voor  1.000,-.Men is bezig met de aanschaf van nieuwe lantarens (réverbères genoemd), maar heeft nog geen besluit genomen, om deze op verschillende wijzen te testen.



Op 12-12-1835 wordt met de Heer Tijmon Kater een overeenkomst getekend wegens de verlichting van de stad over de tijd van 15 achtereenvolgende jaren voor  1.000,- per jaar eindigende op 1 october 1851.

Volgens art. 3 van de overeenkomst zullen de rèverbères "van het laatste kwartier maan welke `t naast aan (`t dichtstbij) de 1e october (gelegen) is tot de 31e maart branden, telkens gedurende de tijd tussen het laatste en `t eerste quartier van de maan, incluis beide dagen, van een uur na zonsondergang tot middernagts 12 uur".

Art. 5 : de brandstof zal patent olij zijn (raapolie is doorgestreept, omdat bij koude lijnolie zal moeten worden gebruikt).

Art. 9 : de nieuwe rèverbères worden terstond bij levering het eigendom van de stad en zal de aannemer na expiratie van deze aanbesteding verplicht zijn deze heel en in goede staat, met alles wat daartoe behoort aan de stad op te leveren.

Op 4 juli 1844 wordt nog eens bevestigd dat de Heer T.Kater nog tot october 1851 volgens een bestaand contract, de stad met 38 stuks lantaarns geduren­de 16 dagen in de maand tot middernacht zal moeten verlichten, maar dat het wenselijk zou zijn "dat zulks op 20 dagen wierd gebracht".

Tijmon Kater stelt de regering van de stad echter vóór de verlichting, in plaats van olie en lampen, met gas te doen en ijzeren pijpen daarvoor in de straten te leggen.

Ook wil hij tegemoet komen aan de wens om 20 dagen per maand te verlichten en het aantal gaslichten op 40 te brengen en tot `s nachts 1 uur te laten branden, wanneer hij per jaar  200,- meer krijgt.

In die vergadering krijgt hij de eerste moeilijkheden in zijn functie als aannemer van de stadsverlichting om deze te combineren met die van raads­lid. Volgens art. 65 van het stedelijk reglement wordt zijn Ed. Achtbare dan ook verzocht de vergadering te verlaten, zodat "tot deliberatie van het rekest gekomen kan worden".

Tijmon Kater was, in tegenstelling tot de bewering van D. Kerssens, reeds raadslid vanaf 11 october 1826, dus ging het niet om toelating, maar eerder om ontslag !

Bij de herverkiezing op 1 september 1857 krijgt men eindelijk de kans om hem af te wijzen als raadslid omdat het lidmaatschap van de Raad volgens art. 24 der gemeentewet onverenigbaar is met de betrekking van aannemer van de verlichting der stad door pijpgas.

Maar zover is het nog niet. Op 3 augustus 1844 wordt door de Raad het be sluit genomen, dat de stad met gas zal worden verlicht en de Heer T. Kater op de voorgestelde voet aannemer zal worden. Dat echter geen verlenging "van dag noch ure, alsmede vermeerdering van de révrbéres (straatlantaarns) zal plaats hebben", zodat de jaarlijkse vergoeding hiervoor  1.000,- gelijk zal blijven.

Ondanks de concessie verleend door de stad om door middel van buizen met gas te verlichten, komt Tijmon Kater op 24 juli 1845 met een nieuw voorstel om dit met hallo gaslampen en hallogas te doen. Deze inrichting zal volgens denkbeeld van de adressant tot grote verbetering van de verlichting strekken.

De exploitatiekosten zullen echter per jaar  65,18 hoger uitkomen. Hij vraagt dan ook ontslag te mogen worden van de concessie van 3 augustus 1844 en deze buiten effect te stellen.

Nadat de Heer Kater weer in de vergadering is terug geroepen wordt hij van het besluit van de Raad op de hoogte gesteld, dat de aangevraagde concessie zal worden vernietigd.

De aannemer wordt voorgesteld, te beginnen met de maand october 1845, als proef een lantaarn met hallogas te branden aan de toren. Wanneer de proef slaagt zal worden overgegaan om de stad met hallogas te verlichten; maar dan wel voor de aannemingssom van  1.000,- per jaar.

Zo niet, dan zal de aannemer verplicht zijn, ingevolge art. 9 van het contract d.d. 31 december 1836, tot de expiratiedatum van 1 october 1851 de verlichting op de afgesproken wijze na te komen.

Op 23 augustus 1845 moet Tijmon Kater kennelijk afzien van zijn voorstel een concessie aan te vragen om de stad te verlichten met hallogas.

Vijf jaar later, op 30 januari 1851 (9 maanden voor de afloop van het oude contract), komt Tijmon Kater met een nieuw plan om de stad met pijpgas te verlichten. In het nieuwe plan wordt voorgesteld een vooruitbetaling, gedu rende 4 jaren, tot een gezamelijke bedrag van  5.800,-, zodat de verlich­ting met pijpgas jaarlijks  1.450,- zou kosten.

Met berekening van de intrest zou dit voorschot het 1e jaar  1.700,-, het 2e jaar  1.600,-, om vervolgens in het 4e jaar te dalen tot  1.500,-.

De Raad concludeert:

"dat de belangen van de ingezetenen hierbij betrokken niet van zodanigeaard geacht kunnen worden om deze buitengewone geldelijke opoffering te doen, aangezien zoals in de premisse (voorafgaande vaststelling) dezes is aangehaald de tegenwoordige verlichting steeds voldoende is bevonden om aan de behoefte van de ingezetenen bij de avond te voorzien".

Conclusie:

"dat hoofde van bovenaangehaalde beweeggronden voor de stad zal het ontworpen plan niet ten uitvoer worden gebracht".

Op 17 juni 1851 gaat Tijmon Kater accoord de verlichting van de stadsstraten voor  100,- minder te doen dan in october 1847 bepaald is (kennelijk was deze toen tot  1.100,- verhoogd) en derhalve wederom voor  1.000,- per jaar uit te voeren.

Maar de Raad is hiermee niet tevreden. Het verschil ad  100,- wordt te gering geacht, temeer omdat de aannemer zich verplicht heeft bij beëindiging van het contract de réverbéres nieuw op te leveren, hetgeen volgens zijn eigen verklaring een aanzienlijke som zou hebben gekost.

Bovendien wordt bezwaar gemaakt of overeenkomstig de nieuwe wet der Gemeente Besturen de Heer T. Kater Czn als aannemer van de stad, wel lid van de Raad zou mogen blijven.

Conclusie: men gaat met het aanbod van de aannemer niet accoord en zal de stadsverlichting opnieuw openbaar aanbesteden.

Op 23 augustus 1851 wordt om 12 uur overgegaan tot aanbesteding van het onderhoud en de verlichting van de straatlantaarns in Monnickendam voor de tijd van 3 jaren (van 1 september 1851 tot 1 september 1854) door Burge­meesters en Wethouders.

De inschrijvers moeten aan een groot aantal voorwaarden voldoen (nog altijd met goede zuivere patent lijnolie) en dit resulteert in de volgende aanbiedingen:

Cornelis Gras te Monnickendam  3.089,-

Cornelis Kater " 3.132,-

Cornelis Blankevoort " " 3.405,-

Jan van der Linden " 3.408,60

Joost de " “ 3.450,-

Aris Middelbeek " " 3.591,-
Aan de laagste inschrijver, Cornelis Gras, wordt het onderhoud van de verlichting toegewezen met Pieter Leonard Thierens en Aris Middelbeek als borgen. Tijmon Kater en zijn zoon Cornelis grijpen er dus naast.

Tijmon Kater had meer tegenslagen in die jaren.

Op 8 september zond Ged. Staten het stadsbestuur van Monnickendam een copie van het koninklijk besluit d.d. 30 augustus 1853, dat de concessie, die per 11 april 1847 nr 41 was verleend aan de Heren C. Kater Tzn (44 jaar) en T. Kater Czn (66 jaar) tot droogmaking van de Monnickenmeer, was ingetrokken.

Onderhandelingen over onteigening en bereikbaarheid van de grond namen veel tijd in beslag en vooral het bijeen brengen van de benodigde gelden om het projekt te financieren deden het tijdschema dusdanig uitlopen dat de concessie na 6 jaren werd ingetrokken.

Reeds op 23 september van dat jaar verzoekt de Heer P. Schellinger, notaris te Nieuwendam aan hem het uitzicht te geven (een soort optie) op een conces sie tot het droogmaken van de Monnickenmeer.

Het Gemeentebestur van Monnickendam besluit hem te machtigen, maar het feit dat reeds in 1854 een commissie in het leven wordt geroepen om te discus­siëren over de droogmakingsplannen hebben ook voor de Heer P. Schellinger de uitvoering kennelijk niet mogelijk gemaakt.

Op 23 augustus 1856 krijgt de Heer Schellinger vergunning buizen te mogen leggen in de straten van Monnickendam voor een gasfabriek, waarvoor hij op 10 november 1855 een perceel gekocht had (kad. nr A 18), gelegen nabij de touwslagerij op het Binnensingeltje. Ik denk dat er stilzwijgend afspraken zijn gemaakt om hem als compensatie voor zijn mislukte droogleggingsplannen de gasvoorziening voor de stadsverlichting aan te bieden.

Voor wie meer wil weten over de droogmakingsplannen van de Monnickenmeer, verwijs ik naar "de Geschiedenis van Waterland", deel I, geschreven door de Heer Moelker (pag. 71 t/m 80).

De hoofdpersoon in dit verhaal heette echter niet Sijmon, maar Tijmon Kater, die met zijn zoon Cornelis Tijmonsz en Boudewijn Bakker, die getrouwd was met Grietje Tdr Kater (dus zijn schoonzoon) in compagnonschap

b


edoelde plannen uitwerkte.

De enige concessie, die aangevraagd werd op 18 augustus 1846, werd op 11 april 1847 verleend en op 30 augustus 1853 ingetrokken. Op blz. 75 treedt de aannemer Cornelis Kater mede namens zijn compagnon ( en vader) Tijmon Kater Czn op (en niet F., die bestond niet).

In tegenstelling tot de bewering over F., komt Tijmon`s naam regelmatig in de officiële stukken voor !

Op 16 maart 1857 wordt met P. Schellinger een contract gemaakt om gedurende 35 jaren pijpgas te leveren voor de openbare straatverlichting van Monnickendam voor de oude prijs van  1000,- per jaar (Kon. goedkeuring d.d. 14-07-1856). In de acte staat van 1 september 1857 tot en met 30 april 1890.

Dit was voor de schrijver van het boek "E.Z.B. van toen naar nu" aanleiding deze periode maar over te slaan en de draad pas weer op 3 mei 1890 op te nemen (zie blz. 43) . Zie foto gasfabriek.

De Heer Kerstens eindigt zijn voorgeschiedenis met de opmerking: "Hoe het met notaris Schellinger afliep vertelt de geschiedenis niet".

Gelukkig vertelt de geschiedenis dit wel, want de Heer Schellinger hield de levering van gas maar 4½ maand vol. Hij was alleen maar financier en geen technicus.

Op 28 maart 1857 moest hij zijn gasfabriek met bijbehorende woonhuis, bergplaats, smederij, grote stenen loods en gashouder op het perceel kad. nr A 18 aan niemand minder dan Tijmon Cornelisz Kater (70 jaar !) verkopen voor  18.000,-.

Het moet Tijmon, ondanks zijn leeftijd, toch een oneindig vreugde hebben gegeven, na de échecs in 1851 en 1853 toch zijn doel te hebben bereikt tegenover het krenterige en weinig medewerkende stadsbestuur. Werd de rijk geworden aannemer wel zo geaccepteerd in de kring van notabelen en academi­ci van de stad: de notaris Merens, de apotheker Burck, de zeepzieder Thierens en de houthandelaar Sligcher ?

De schrijver over de gasfabrieken in Waterland, de Heer Kerssens, sloeg maar liefst vijf directeuren over toen hij met Nicolaas Blankevoort begon.

F. Kater (hij bedoeld T) noemt hij alleen als "aannemer van de verlichting der stad", niet als directeur van de gasfabriek.

De volgende heren werden na Mr Schellinger pijpgasfabrikant te Monnickendam: registratie vindt plaats van 1/5 tot 1/5 aankoop gasfabriek :

T. Kater Czn 15-10-'57 19-10-'60 28-03-'57 met acte 4208 Merens M,dam

P.H. Peletier 05-10-'61 28-09-'66 30-10-'60 met acte 5208 " "

W.C. Ross-Vosmaer 01-11-'67 13-09-'71 28-02-'67 met acte 6486 " "

Hij overleed in 1872 en liet de levering over aan de volgende 2 waarnemers pijpgasfabriekanten :

A.F.P. van Son 26-09-'72 01-10-'74 was apotheker

D. Costerus 06-10-'75 24-11-'85 was notaris

N. Blankevoort 10-11-'86 1918-01-06-'86 te Edam, nots Cramer

N. Blankevoort kocht de gasfabriek van de wede Lambert van Meerten, Quiltelmina Carolina Vosmaer te Leiden, een dochter van W.C. Ross-Vosmaer.

Uiteindelijk kocht het stadsbestuur de gasfabriek van N. Blankevoort in 1918 voor  20.000,-.

Tot slot hiernaast een overzicht van de aanwezige gaslantaarns in Monnickendam.


Staat van de plaatsing der Gas-Lantaarns te Monnickendam 1892

┌────────┬┬───────────────────────────────────┐

│Num der │ Belendende perceelen Namen │

│ lantaarn │ wijk│num.│ van de grachten, straten, stegen en pleinen │

├─────────┼─── ┼───────────────────────────────┤

│ 1 │ │ │ Aan de steenen wal buiten de Broekerpoort │

│ 2 │ 1 │ 1 │ Op het stationsplein bij den aanlegsteiger │

│ xx 3 │ 1 │ 2 │ " " id " " Kerktoren │

│ 4 ├ 1 │ 27 │ Doelen plein │

│ 5 │ 4 │ 1 │ Kerkstraatsbrug │

│ 6 │ 2 │ 89 │ Kerkstraat hoek Schoolsteeg │

│ 7 │ 4 │ 22 │ Kerkstraat hoek Wagenpad │

│ xx 8 │ 3 │ 4 │ Speeltoren │

│ 9 │ 4 │ 42 │ Noordeinde aan de R.C. Kerk │

│ 10 │ 4 │ 48 │ id hoek Wijde Steeg │

│ xx 11 │ 3 │ 29 │ Noordeinde │

│ 12 │ 4 │ 65 │ id │

│ 13 │ 3 │ 57 │ id │

│ xx 14 │ 3 │ 73 │ id voormalige Noorderpoort │

│ 15 │ 5 │ 62 │ Bij de Grafelijkheidsslui │

│ 16 │ 4 │ 176│ N.Z. Burgwal │

│ 17 │ 4 │ 171│ id │

│ 18 │ 4 │ 157│ id bij de Tuinstraat │

│ x 19 │ 4 │ 141│ id Krim │

│ 20 │ 4 │ 2 │ O.Z. Burgwal bij de Heerengracht │

│ 21 │ 1 │ 45 │ Rozendaal │

│ xx 22 │ 1 │ 58 │ id │

│ 23 │ 1 │ 67 │ Bloemendaal │

│ xx 24 │ 1 │ 73 │ id bij de voormalige brug │

│ 25 │ │ │ Niesenoordsburgwal b/d Isr. Begraafplaats │

│ 26 │ 1 │ 115│ Zuideinde │

│ x 27 │ 1 │ 124│ id │

│ 28 │ 1 │ 121│ Buitendijk bij de bokkingsteiger │

│ xx 29 │ 1 │ 139│ Zuideinde hoek Groote Noord │

│ 30 │ │ │ Damsluis │

│ xx 31 │ 3 │ 126│ Haven │

│ x 32 │ 3 │ 105│ Havenstraat hoek Langebrugsteeg │

│ 33 │ 3 │ 91 │ id bij de scheepswerf │

│ x 34 │ 3 │ 82 │ Drilveld │

│ 35 │ 3 │ 83 │ id │

│ 36 │ 4 │ 96 │ O.Z. Burgwal │

│ x 37 │ 4 │ 107│ id hoek 3e Molenstee │

│ xx 38 │ │ │ id Wijde Steeg │

│ x 39 │ 4 │ 117│ id bij ’t Wagenpad │

│ x 40 │ 2 │ 49 │ Weezenland │

│ 41 │ 2 │ 37 │ id bij de Doopsg. Kerk │

│ xx 42 │ 1 │ 87 │ Niesenoordsteeg hoek ged. Niesenoordsburgwal │

│ 43 │ 3 │ 142│ Groote Noord │

│ 44 │ 3 │ 146│ Gooische Kade │

│ x 45 │ │ │ Langebrug │

│ x 46 │ 2 │ 55 │ Zandhoek Kalversteeg │

│ 47 │ 2 │ 63 │ Fluweele Burgwal hoek Smitsteeg │

│ 48 │ 2 │ 77 │ Lindegracht (Zonnepad) │






Het boogkanaal, dat Monnickendam bijna aan de afgrond bracht
In 1811 kreeg de bekende inspecteur-generaal van Waterstaat, Jan Blanken, opdracht van Napoleon om van Den Helder een onneembare vesting te maken met een goede zeehaven.

Napoleon dacht alleen aan het onderbrengen van marineschepen, maar de geniale geest van Blanken dacht aan verbindingen met de binnenland een heel speciaal met Amsterdam.

Nee, niet over de Zuiderzee, waar de zeilschepen soms weken nodig hadden om 't IJ te bereiken, maar langs een kanaal, waar ze zonder wind voortgetrok­ken konden worden door paarden op de jaagpaden, zodat de meeste schepen binnen een etmaal naar Amsterdam konden varen.

Het kanaal zou geschikt moeten zijn voor de grotere handelsschepen en die van de marine.

In 1819 kreeg Blanken van Koning Willem I toestemming een plan te ontwerpen voor een "Groot Noordhollands Kanaal" en reeds 5 jaren later voeren de eerste zeeschepen door het 80 km lange kanaal.

In 1821 werd een prijsvraag uitgeschreven op welke manier 't IJ behoed kon worden voor dichtslibbing na ingebruikname van het Noordhollands kanaal.

Jan Blanken was voor een gehele afdamming van 't IJ.

De Amsterdammers waren hier fel op tegen. Ondanks de voorwaarde die zij gesteld hadden, dat Den Helder geen werven of overslagbedrijven mocht hebben, wilden zij voor alles een tweede opening naar zee houden, voorname­lijk voor kleinere schepen.

In 1823 kwam Inspecteur-Generaal Goudriaan met een oplossing, waarbij 't IJ weliswaar werd afgedamd, maar de aanleg van een kanaal door Waterland van Durgerdam (IJdoorn) naar Marken, alle zeeschepen in staat moest stellen de hoofdstad te bereiken. Het kanaal zou slechts 13 km lang worden en tussen Zuiderwoude en Uitdam de Gouwzee kruisen om vervolgens het eiland Marken in zijn volle lengte te doorsnijden. Aan de oostpunt bij de vuurtoren zou het kanaal met sluizen in de Zuiderzee uitmonden. In Den Haag voelde men wel voor een dergelijke oplossing ondanks dat de stad Amsterdam en Jan Blanken fel afwijzend reageerden.

Ook waren er na de opening van het Noordhollandskanaal op 13 december 1823 toch wel diverse gevoelige gebreken te voorschijn gekomen. De schepen moesten vier sluizen passeren en waren van twaalf bruggen afhankelijk. Als het even vroor lag het kanaal dicht en het voorspelde "etmaal" om Amsterdam te bereiken werd veelal twee tot drie en voor grote schepen zelfs vijf dagen.

De stormvloed van 4 op 5 februari 1825, waardoor de zeedijk bij Durgerdam doorbrak en heel Waterland onder water zette, bracht een voorbarige beslissing te weeg. Door een dam in 't IJ te leggen zou de zeedijk of kustlijn van de Zuiderzee 68 km korter worden en de polders van Waterland heel wat veiliger, maar dit hield in dat het boogkanaal door Waterland gegraven moest worden.

Reeds in april 1825 besloot Koning Willem I het plan uit te voeren. Het traject werd vastgesteld, de grond gekocht en het graafwerk begonnen.

De juiste draagwijdte van het koninklijk besluit dringt pas de 27e augustus 1825 door, wanneer de Gemeenteraad rapport krijgt van een gehouden gespreking door Burgemeester en Wethouders van Monnickendam met de Inspecteur-Generaal van Waterstaat.

Men schrijft daarin:

"dat de generaal oversigt is ontvangen van het nieuw ontworpen plan om vanaf de waterlandse dijk, bij de uiterdijk de Nes genaamd, een kanaal te graven ter breedte van 70 nederl. ellen (plm. 48 meter). liggend aan de eene zijde de kapitale zeedijk en aan de binnenzijde van een leidijk (stroomleidende dam) te voorzien, lopend door het eiland Marken tot aan de vuurtoren t.Z.O. en met hoofden in zee op een diepte van 4 nederl. ellen (plm 3 meter).

Vanaf de noordzijde van genoemde vuurtoren wordt het eiland Marken, tevens door middel van een rijzendam (op samengevlochten rijshout) verbonden met de vaste wal tot op de hoek van de Katwouder zeedijk, de Noord genaamd".

De enige toegang uit de zee naar Monnickendam zou mogelijk zijn door het leggen van een sluis in de leidijk van het kanaal. (zie kaartje).

Op zaterdag 3 september 1825, wanneer de Raad heeft kennis genomen van de inhoud, wordt besloten "onverwijld" een rekest aan Z.M. de Koning te zenden

"omdat men bij de uitleg van het plan direct de grote moeilijkheden zag hoe men de talrijke vissers, welke in het haringseizoen en de ansjovistijd met hun vis hier aan de markt kon komen, een snelle en geregelde vaart kon verzekeren wanneer de stad geheel van de zee wordt afgescheiden".

Er wordt een commissie benoemd om de nadelen aan te tonen, welke voor de stad Monnickendam uit dit plan zullen voortvloeien.

Reeds op maandag 5 september vindt de presentatie plaats van het conceptre­kest aan Z.M. de Koning. De volgende punten komen daarin ter sprake: Men is schriftelijk ingelicht door de Gouverneur (Commissaris van de provincie) en de Administrateur--Generaal van Waterstaat over het plan een kanaal door Waterland aan te leggen en Marken met de vaste wal te verbinden, waardoor Monnickendam, dat thans aan zee ligt, van zijn voornaamste bronnen van bestaan worden afgesneden en de welvaart geheel verloren zal gaan.



"Als bestuurders van een plaats waar de scheepvaart met het buitenland en de binnenlandse visserij meer en meer bloeien, onder de vaderlijke bescherming van Uwe Majesteit, hebben wij gehoor gegeven aan de bezorgdheid van vele inwoners, die zich bij ons vervoegd hebben, verzoekende, ja smekende, het ontwerpplan te veranderen".

1. Door de indijking van het eiland Marken met de vaste wal zullen de vissers van de Zuiderzee hun producten hier niet meer aan de markt kunnen brengen. Dagelijks komen hier 200 à 300 botters en vissersvaar­tuigen, welke in een seizoen 5000 lasten haring en een onnoembaar getal ansjovis binnenbrengen en verder een menigte schepen, die in en uit varen en dagelijks uit open zee onze haven binnenlopen.

Vooral in de maanden april en mei komen hier een aantal tjalken met runderen uit Friesland aan om verder verhandeld te worden.

Het oponthoud, dat zij door het nieuwe projekt zullen ondervinden om onze stad te bereiken is belangrijk voor onze toekomst, anders zullen de vissers minder gunstige plaatsen moeten opzoeken om hun waren te slijten. Volgens ons minder gunstige plaatsen, omdat de Goutzee voor onze haven gelegen, een kom vormt, welke de vissers en andere vaartui­gen altijd benut hebben als een "volmaakte" zekerheid tegen de stor­men.

Volgens het gepresenteerde projekt zullen boven Marken alle schepen, welke dagelijks naar Amsterdam en elders gaan (ten getale van 300 tot 350 stuks) door bekwame (doelmatige) sluizen in een spuiboezem (boe­zem, waarin water wordt opgehouden om na enige tijd op hoger of lager peil te brengen) moeten worden geschut en vervolgens het nieuwe kanaal in Waterland moeten opvaren.

Hierbij gevoegd het grote aantal vissers en andere vaartuigen, welke zich op dat punt verzamelen om de haven van Monnickendam te bereiken en evenveel vaartuigen, die weer naar zee willen.

Het is duidelijk dat dit een geweldig oponthoud zal geven en de vis sers, welke drie-tot viermaal per dag met lading uit zee onze haven binnenlopen om deze te verkopen gedoemd zijn hun nering te staken of elders te zoeken.

2. Door het tenietgaan van deze visserij verliest de stad een jaar­lijks inkomen van  1000,- tot 1600,- aan pacht van de haringafslag, hetgeen een vermindering van 6% op de normale inkomsten betekent, waarmede de ingezetenen zullen moeten worden belast.

Behalve dit verlies zullen ongeveer 20 gezinnen van stedelijke ambte­naren met deze nijverheid verbonden en in het seizoen een wekelijks inkomen hebben van  10,- tot 12,-, geheel van hun bestaan beroofd worden. Door deze visserij worden alhier 32 bokkinghangen of rokerijen aan het werk gehouden waaruit meer den 50 huisgezinnen hun inkomen trekken, benevens de schippers die deze haring en ansjovis naar andere plaatsen moeten overbrengen.

Onnodig te bewijzen, dat een aanmerkelijk gedeelte van de bevolking hun bestaan min of meer uit de visserij geniet.

3. Waar zullen de vissers hun haring en ansjovis zo snel en geregeld aan de markt kunnen brengen als hier in Monnickendam, waar een aantal faciliteiten speciaal daarvoor is geschapen en de voornaamste koop­lieden zich daarom hier gevestigd hebben en alles door industrie en nijverheid zodanig is ingericht, dat deze tak van handel haast tot een trap van "volmaaktheid" is geklommen.

Door de indijking van Marken zullen ook deze eilandbewoners hun waren onmogelijk aan de markt kunnen brengen (er was niet eens 'n nieuwe haven op Marken gepland) en wanneer zij dit over land doen zullen zij zichzelf grote schade berokkenen. Deze tak van handel heeft in deze stad zijn stapelplaats. Van meerdere plaatsen in Zuidholland, Noord- en Zuidbrabant en Vlaanderen, ja zelfs uit Frankrijk komen ze om hier deze haring te kopen.

4. Het is algemeen bekend, dat deze stad rederijen heeft, die met schepen naar het buitenland varen en dat op het ogenblik wederom een nieuwgebouwde tweemast schoeijer op stapel staat, die voorzien wordt van een koperen huid en wanneer voltooid binnenkort een reis naar Suriname zal ondernemen.

De bouw van dit grote schip is voornamelijk te danken aan de voor­spoed, die de haringvisserij alhier teweeg brengt, daar deze vloot de scheepswerven in stand houdt en de lijnbanen, zeilmakerijen, taande­rijen, smederijen dagelijks werk verschaft.

De scheepswerven hebben gedurende het haringseizoen 40 man met hun huisgezinnen voor deze vissersvaartuigen nodig, terwijl wanneer het seizoen voorbij is deze mensen worden gebruikt voor reparatie of nieuw bouw van andere vaartuigen, hetgeen nooit zou zijn gebeurd, wanneer de visserij hier niet zo sterk vertegenwoordigd was.

5. De Gouwzee heeft tegenwoordig een diepte van nagenoeg 1½ el (1 meter).

Wanneer deze op het niveau van een binnenboezem zal worden gebracht en een ½ el lager zal moeten worden, dan zal het geheel onbevaarbaar worden gemaakt, daar deze diepte niet genoeg is voor welk kaliber schip dan ook. Wij verwachten niet, dat deze boezem door zijn grote omvang uitgediept zal kunnen worden, zodat dit als vaarwater volkomen geblokkeerd zal zijn.

6. Zou men in de toekomst tot de ontdekking komen, dat het plan niet aan de verwachtingen voldoet, dan zal door het opruimen van de daarvoor gelegde dijken een zodanige opstuwing plaats hebben, dat al wilde men alles in de voorgaande staat brengen, de Gouwzee nimmer meer bevaarbaar gemaakt kan worden.

7. Door het uitvoeren van genoemd plan worden zodanige bochten in de dijkformatie gebracht dat door deskundigen de vrees wordt geopperd, dat de dijken, die met punten en inhammen in zee liggen het meest te lijden zullen hebben. Bij de laatste hoge vloed in dit aanwijsbaar aan de dijken van Water­land het geval geweest. Op die plaatsen hebben deze dijken 't meest te lijden gehad.

Tenslotte wordt Uwe Majesteit met de meeste eerbied verzocht de uitvoe ring van dit plan, hetwelk zo geheel tegen de welvaart van onze stad is, nogmaals in nadere bedenking te nemen, of het hoogstdezelve behagen moge de aangevoerde bezwaren in ernstige overweging te nemen, daar het Uw enig doel is welvaart te stichten, hier en in de toekomst.

(De tekst komt uit 5 bladzijden klein geschreven schrift en werd door mij uit een wat hoogdravende taal teruggebracht tot dit uittreksel, dat vrij goed overeenkomt met de bedoeling ervan. De overdreven 19e eeuwse uitdrukking "volmaakt" heb ik laten staan).
Het schip waarvan sprake is in het rekest wordt op 13 september 1825 te water gelaten.

Het betreft het schoeijerschip "Monnickendam" op stapel liggende op de werf van de weduwe Pieter Kater & zonen, gemaakt voor rekening van enige reders onder boekhouderschap (bestuurder van de rederij) van de Heren Boerlage & comp. Op genoemde datum wordt in de kamer van Burgemeester en Wethouders in tegenwoordigheid van een aantal ingezetenen een vlag met het stadswapen uitgereikt aan Kapitein H. Kramer vanwege de stadsregering.

De redevoering van de Pres. Burgemeester bij het overgeven van de vlag is dermate uitvoerig, dat het 6 pagina's van het jaarboekje in beslag zou nemen. Daarom alleen de aanhef vanwege de overdreven bewoordingen, die in die tijd gebruikt werden :

"Ik mag het mijne Heeren, niet ontveinzen, dat de taak, welke mij heden is opgedragen, het aanbieden van eene vlag van wegen deze regering voor een nieuw alhier gebouwd schip bij mij een gevoel verwekt, welke deels mijne vreugde overstelpt en deels mijn hart buiten hare palen brengt en waarom ik dus verschooning vraag, zoo ik de taak mij opgedragen slechts ter halve verrichten kan.



Ik zeg mijn vreugde overstelpt. Nog zoo weinig jaren geleden toen ieder naar middelen zocht om het dagelijks toenemende verval van dit

stadje te verminderen en toen reeds vruchteloos beproefd was door het aanleggen van haringbuizen hare toestand te verbeteren, toen men de armoede hare inwoonders van dag tot dag zag vermeerderen, toen werd gij Boerlage en Göckel door lust en ijver aangevuurd om zoo mogelijk door ondernemingen van tweederlei aard, als het aanleggen van eene rederij voor de buitenlandse scheepvaart en het vervoeren van kaas naar het buitenland, leven en drukte alhier te verspreiden weder bronnen te openen, die zoo niet geheel uitgeblust, ten minste slapende waren, enz. enz.

De spreker eindigt met :

"Zoo neem dan deze vlag tot U, ik bied U dezelve uit ons aller naam ten geschenke aan, plant haar weldra op den bodem door U daartoe bestemd, dat zij nog heden met alle glans en luister daarop wappere moge en Uw een blijk geve, dat dit bestuur Uwe wenschen wil bevorderen en hare goedkeuring op Uwe daden schenkt".

"Vervolgens bij deze aanspraak de vlag plegtstatig overreikt zijnde ging de vergaderde menigte uit elkander en begaven zich naar de werf van de Wede Pieter Kater en Zonen alhier te stede gevolgd wordende door den Raad. Bij aankomst van H. Ed. Achtb. op gemelde werf werd de vlag op het schip gehezen, terwijl korte tijd daarna het schip onder groot gejuich van gevoel en dankbaarheid in de beste orde van stapel liep".
De weduwe Kater of geertje Raggers

Met de geschiedenis over de scheepswerven van Monnickendam was ik in het vorig jaarverslag van 1988 op blz. 62 gekomen tot het jaar 1820, waarin Geertje Raggers, de weduwe van Pieter Kater "scheepstimmerster", op 12 juli de zuidelijke helft van de scheepswerf aan `t Prooijen koopt van Hendrik Ottes & comp.

Hiermee heeft deze vrouw, wier echtgenoot Pieter Kater op 17 juni 1819 was overleden, de eigendom verworven van alle werven aan de havenmond van Monnickendam, zowel bij `t Prooijen als aan de Havenstraat.

Ik eindigde mijn eerste verhaal over dit onderwerp met een overzicht te geven van de nazaten van Sijmon Cornelisz Kater. U kunt Geertje Raggers met haar 8 kinderen en als ze waren blijven leven, 34 kleinkinderen gemakkelijk hierin terugvinden (zie jaarverslag 1988 pag. 75).

Geertje Raggers werd geboren te Alkmaar op 25 december 1757 als dochter van Gerrit Raggers en Neeltje Klaasdr van Brederode. Monnickendam stond kennelijk in de belangstelling bij deze familie want vier dochters uit dit gezin kwamen hier werken.

Klaasje kwam in 1780 van Ouderkerk a/d IJssel om als dienstmeisje bij Do. J. Schagen in te trekken

Elisabeth kwam in juni 1782 van Alkmaar

Geertje (die met Pieter Kater trouwde) in december 1783 van Alkmaar en Aeltje die in juni 1785 van Enkhuizen kwam, vertrok weer naar Alkmaar op 3 mei 1795.

Ik denk dat het flinke kinderen waren, verder weten we niets van de familie.

Op 27 december 1826 (N.A. 3603, nots J.M. Pfeil, acte nr 68) verkopen Geertje Raggers en drie kinderen van haar hun aandeel in de nalatenschap van hun man en vader Pieter Kater aan de vier zoons, die als scheepstimmerlieden op de werven werken.

Deze nalatenschap bestaat uit:

1. Een scheepstimmerwerf gelegen te Monnickendam op de Haven, wijk III nr 95 met de daarbij behorende huizingen, schuren en de tegenoverstaande stalling, houtloods en ledig erf

2. Een huis en erf staande op de Haven, wijk III nr 91.

3. Een pakhuis staande op de Gooijsche Kaaij, wijk I nr 147, nu huisnr 11.

Verkopers:

a. Geertje Raggers wede Pieter Kater (zie testament nots Volkerse d.d. 03- 05-1803) voor 5/8 of 35/56

b. Sijmen Pzn Kater, zadelmaker te Meppel voor 3/56

c. Annetje Pdr Kater, zonder beroep, won. te Ursem

gehuwd met Gerrit Jonker, scheepstimmerman aldaar voor 3/56

d. Jan Berkenbos, broodbakker won. te Meppel gehuwd met Neeltje Kater voor 3/56

samen voor 44/56
Kopers :

Gerrit, Klaas, Cornelis en Jan Kater, scheepstimmerlieden te Monnickendam (reeds in het bezit van 4 x 3/56 = 12/56 alle zoons van Pieter Kater en Geertje Raggers voor  3.000,- (onverdeeld blijft het bezit van Geertje Raggers, die nog 1/4 van het vermogen in eigendom heeft).


Op 12 februari 1827 verkoopt Geertje Raggers deze eigen bezittingen aan de vier genoemde zoons en scheepstimmerlieden Gerrit, Klaas, Cornelis en Jan Kater voor  1.000,- (zie acte 15 van N.A. 3604 nots J.M. Pfeil).

Verkocht worden:

1. Een scheepstimmerwerf aan 't Prooijen met desselfs huis en erve en schuur wijk I nr 153

2. Een huis en erf op de haven wijk III nr 88 en

3. Een ledig erf gelegen op de haven, bekend t. Z. met Jan Bouwes.
Ondanks het noodlottige koninklijke besluit dat boven het hoofd van de Katers hing, werd er kennelijk behoorlijk geïnvesteerd op de hellingen.

Op 2 mei 1827 lenen de vier nieuwe eigenaars  8.000,- à 5 % rente per jaar van Embertus Joachim van Rooy, wethouder van Monnickendam en Dijkgraaf van de Purmer (herinnert U zich nog dat heer van Rooy in die tijd de 4e echtgenoot van Trijntje Boterkooper was, de schatrijke erfgename van Neeltje Pater; zie jaarverslag O.M. 1986 blz. 51-63).

In acte 3206 (N.A. 3584 nots Volkerse) bekennen Gerrit, Klaas, Cornelis en Jan Kater genoemd bedrag schuldig te zijn en de som pas af te lossen een jaar nadat er zal zijn opgezegd. Kennelijk hadden ze een groot vertrouwen opgebouwd.

Speciaal verbonden worden hun gezamelijke goederen :

1. Een scheepstimmerwerf op de Haven, Wijk III nr 95 met de daarbij behorende huizingen, schuren en tegenover staande stalling, houtloods en ledig erf (in 1832 bekend onder kad. nrs 336, 339, 343, 393 en 393a) belend met Sieuwert Beezem t. Z. en stadsgrond t. N.

2. Een huis en erve op de Haven, wijk III nr 91, belend de Grietscheeljannensteeg t. N. en Simon van Otegem t. Z. (in 1832 kad. nr 331)

3. Een pakhuisje op de Gooise Kaaij, wijk I nr 147, belend de Heer Boerlage t. O. en Jan Hendrik Meijer t. W. (in 1832 kad. nr 421)

4. Een scheepstimmerwerf aan `t Prooijen met desselfs huis, erf en schuur, wijk I nr 153, belend aan wederzijden met stadsgrond (in 1832 kad. nrs 430 en 432)

5. Een huis en erve op de Haven, wijk III nr 83, belend met Gerrit Komen t. Z. en een gemene steeg t. N. (in 1832 kad. nr 361)

6. Een ledig erf op de Haven, belend met Jan Bouwes t. Z. en de Moordsteeg t. N. (in 1832 kad. nr 355).



De plotselinge haast met het dichten van de kribdammen
Op 7 augustus 1827 deelt de Burgemeester aan de Raad mee, dat hij op de 3e van deze maand in Amsterdam is geweest met de wethouder E.J. van Rooij en de secretaris J. Wijndels de Jongh en daar van de Inspecteur-Generaal te horen kreeg, dat

"de digting van de kribdammen (de rijzendam ten noorden van Marken lopend naar de Katwouder zeedijk) direkt moest worden uitgevoerd, doch aangezien door deze maatregel de stad geruime tijd geheel van zee zou zijn afgesloten, zonder dat enige toe- of afvoer kon plaats hebben, mocht zij daarvoor enige voorrechten bedingen als tegemoetkoming aan de grote schade, welke deze digting zou veroorzaken, alvorens de leidammen (langs het kanaal in de Gouwzee) naar Marken zouden zijn gemaakt:. De voorrechten zouden dan inhouden:

1. de vereniging van Marken met de stad Monnickendam tot één gemeente

2. 2 à 3 schepen te laten maken op de werven alhier voor landsrekening

3. het maken van vaartuigen om de haring te vervoeren van Marken naar Monnickendam voor landsrekening

4. het maken van tijdelijke werven of bedden voor botters en kleine vaartuigen eveneens voor landsrekening.


Direkt worden in de vergadering allerlei bedenkingen en bezwaren geuit, welke voor de stad hieruit zullen voortvloeien en zelfs de Gouverneur moet er mee instemmen, dat hij het bezwaarlijke er wel van inziet.

Daarom geeft hij de Raad 8 dagen uitstel om hierover nader te rapporteren, omdat dit onderwerp niet toelaat in deze vergadering te worden afgehandeld.

De volgende dag reeds maakt de Burgemeester dit verslag bekend aan een aantal belanghebbende ingezetenen, die tegen de dichting van de kribdammen zijn (kennelijk in het voorjaar van 1827 vanuit twee punten: uit Marken en de Noord (in Katwoud) gelegd zijn).

Bijeen geroepen zijn Gerrit en Klaas Kater, Jan Meijer, J.& D. Bouwes, A. de Jong, Ch. Stam, C. Doesburg, Sijmen Karer, C. van Dijk, Th. Hendriks, Cornelis Tieman en anderen.

De belang van deze personen zijn echter niet alle dezelfde. Vele stellen voor onder bepaalde condities de dichting toe te staan, terwijl enkele beslist verklaarden hier geen genoegen mee te nemen en zich te houden aan het besluit van Z.M. d.d. 15 juli 1826 nr 47 inhoudende:

"dat het bestek der aanbestede voorlopige werken, betreffende de vere niging van het eiland Marken met de vaste wal, voorlopig de verlangde openingen zal houden totdat het kanaal bevaarbaar zal wezen en door de ontworpen geul naar Monnickendam in duurzaam behoud van de vereiste toegang naar de stad behoorlijk is voorzien".


Een ramp voor de stad
De Raad komt de 12e augustus 1827 weer bijeen.

Zij overwegen met elkander welke schade in de toekomst, wanneer de aansluiting van het eiland Marken met de vaste wal op de voorgestelde wijze is gemaakt, in deze stad te weeg zal brengen, indien geen toe reikende maat regelen door de Gouvernement worden genomen om deze stad voor een ramp te behoeden.

Zijn er ander bronnen van welvaart of bestaan te vinden dat de stad met recht aanspraak kan maken op voorrechten die met de algemene belangen van stad en staat overeenkomen, zulks tot schadeloosstelling voor de tijdelijke situatie, als voor de duister toekomst".

"Is goedgevonden, dat de voorlopige gaten in de kribdammen dadelijk worden toegemaakt, waardoor zo wel voorgenoemde overwegingen als het gepresenteerde rekest aan de Koning nimmer het later nageslagt, immer zo lang de stad zal bestaan, van de tegenwoordige stadsregering zal kunnen zeggen, dat zorgeloos is gehandeld stil is toegezien toen de veranderingen plaatsvonden.


Voordracht aan de Gouverneur van Noordholland
De stadsregering van Monnickendam heeft nooit het oog gehad hinderlijk te zijn bij de grote plannen van Amsterdam en Marken in te dijken en de voordelige zaak voor de hoofdstad (Amsterdam dacht hier anders over) in een verkeerd daglicht te stellen, maar hebben van aanvang aan het denkbeeld geopperd, dat onze stad door het eene te verliezen, misschien ander voordelen zou kunnen behalen.

Deze denkbeelden bezielden de regering dezer stad en van deze dromen nog zwanger (echt 19e eeuws) wagen zij het op Uw voorstel om de gaten in de kribdammen dadelijk te dichten en Monnickendam geheel af te snijden van de communicatie met de zee, de volgende tegenvoorstellen te doen:

1. De vaart van de haven af door de trekvaart tot aan het Schouw te verwij den en te verdiepen. Mag men vragen als zoveel werk verricht wordt voor 't welzijn en verbetering van Amsterdam, is dan Monnickendam niet tegenwoordig een plaatsje in Nederland waar pro rato van haar bevolking de scheepvaart en de kleine visserij, industrie en nijverheid tot een hoogte is geklommen, zoals zij nimmer is geweest en voor geen enkele handelsplaats hoeft tewijken.

2. De voordracht om het eiland Marken met Monnickendam teverenigen en één gemeente daarmee uitmaakt, kan niet genoeg op aangedrongen worden. Is Marken met Monnickendam verenigd dan blijft de voorspoed in één gemeente en kunnen maatregelen getroffen worden, dat niet alles door de tijd zich op Marken gaat vestigen.

3. Een voorstel om de waterspiegel tussen de leidijken van Marken naar Monnickendam te verbreden en te brengen op 100 el (69 meter) wordt aanbevolen. Is het overigens bewezen, dat deze geul alleen gelegd wordt ten voordele van Monnickendam ? Nimmer zijn de vissers gehoord op welke wijze deze het voordeligst voor hen zou kunnen worden aangelegd. Wij weten, dat een visserman na veel of weinig te hebben gevangen, alle spoed maakt om na zijn vis aan de afslag te hebben gebracht wederom op nering te gaan (hij heeft geen tijd om zich per paard naar de afslag te begeven !).

4. Uitvaardiging van een verbod tegen het opkopen van haring op zee. Sommige belanghebbenden hebben aangedrongen op een privilege voor het houden van een afslag, maar het plaatselijk bestuur zal kunnen bepalen of deze afslag op Marken dan wel in Monnickendam zal zijn.

Dit waren de algemene belangen van deze stad.
Persoonlijke belangen zijn de volgende:

1. Wanneer bedoelde dichting der gaten plaats vindt moeten de bokkingdrogers en ansjoviszouters kosten maken om op Marken een verblijf te hebben om de haring en de ansjovis naar Monnickendam te vervoeren. Tevens verzoeken wij, dat de zogenaamde maatregel van politie te Amsterdam op het verkopen van de bokking van buiten aangebracht minder wordt beperkt en dat aan deze handel meer vrije verkoop wordt verzekerd.

2. Ofschoon de bazen van de scheepstimmerwerven geen middelen kunnen bedenken, die tot schadeloosstelling zouden leiden en zich ook niet kunnen verenigen met het dichten der gaten, daar zij van mening zijn dat hier door hun meer dan gewone bestaan wordt vernietigd en de huisgezinnen op de werven werkende verloren gaan. Zij zien liever dat deze werven bij taxatie worden overgenomen of dat men zich houdt aan de dispositie van Z.M. van 15 juli 1826. Verlangt het stadsbestuur echter dat moet worden tegemoet gekomen aan de enorme schade, die deze werven met de daaraan werkende zeilmakerijen smederijen, houtzaagmolen, lijnbanen door deze indijking zal veroorzaken, dan moet worden voorgesteld gedurende de stilstand 2 á 3 schepen van landswege op deze werven worden gebouwd om daar mee het bestaan van 40 huisgezinnen en benevens van diegenen die in gemelde fabrieken en trafieken werken te bestendigen.

3. Van bijzonder belang is dat hier een kofschip op stapel staat, waarvan de aanleg 160 zeetonnen groot is en waarvan de reders verlangen, aange zien het niet bekend is, wanneer de gaten gedicht zullen worden of hun schip tegen die tijd gereed zal zijn om van stapel te lopen en te kunnen ontkomen aan de hoge intrest voor de tijd gedurende het door deze verhindering zal moeten blijven liggen. (Dit schip, dat in 1828 is klaargekomen, heette naar alle waarschijnlijkheid "De Onderneming". De Heer Hoek van de "Gouden Hoek" heeft een aquarel dit kofschip. Hij wist dat het in 1828 was gebouwd en dat kapitein G.B. Flik het gezag voerde. Hiernaast is een prent afgedrukt). De Raad hoopt met deze uiteenzetting de aandacht van het Gouvernement op de moeilijkheden gevestigd te hebben, opdat de welvaart van Monnickendam mag blijven bestaan en het latere nageslacht steeds zegenende kan terug zien op de pogingen door het voormalig bestuur gedaan. Een stadje waar industrie en nijverheid bestaat zal geen prooij worden voor het belang van de hoofdstad !


U ziet, steeds wordt de verantwoording tegenover het nageslacht er bij gehaald. Tegenwoordig wordt er door een groot gedeelte van ons volk in het geheel geen rekening gehouden dat er nog een nageslacht zal kunnen leven in ons land. Je bent dan ook geen verantwoording verschuldigd.

Op 24 augustus 1827 brengt de President verslag uit van het bezoek, dat de commissie aan de Gouverneur heeft gebracht naar aanleiding van de hem toegezonden stukken.

Na deze stukken aan zijn Exellentie te hebben voorgelezen en artikularums gewijze dezelve te hebben uitgelegd, maakte de Gouverneur direkt de aanmerking dat de verhoogde uitgaven behorende bij de gevraagde voorwaarden in gene delen in overeenstemming zouden zijn te brengen met de voordelen, die het Gouvernement hiervan zou hebben, wanneer de gaten in de kribdammen spoediger gedicht zouden worden.

Aan de andere zijde moest zijn Exellentie bekennen het bezwaar, dat de gehele stilstand een spoedige verlegging van nering en handtering zou veroorzaken, welke misschien nimmer terug zou komen.

Het is evenwel niet onwaarschijnlijk, dat door de tijd een bekwamer vaart van de haven van Monnickendam naar het Noordhollandskanaal tot stand zal worden gebracht (nou, die kwam er dan ook, maar pas in 1885, zie verhaal over Bellevue!).

Na nog enige niets beduidende gesprekken in verband met deze zaak, vertrok de kommissie aangezien het onderwerp getermineerd (als afgedaan) zou worden gehouden.

De Gouverneur was er waarschijnlijk weinig aan gelegen om de bezwaren door te geven aan hogere instanties want het bleef maanden stil.

Pas op 30 december 1827 komt het kanaal door Waterland weer ter sprake in de Raad. De President meldt dat het aanbestede werk aan de indijking van Marken het aanstaande voorjaar een aanvang zal nemen.

Hij verwacht dat er nogal wat volk bij betrokken zal zijn er vreest dat van tijd tot tijd ook ziekten de kop op zullen steken. Zij zullen in die omstandigheden niet voor zichzelf kunnen zorgen, zodat er extra hulpnood-zakelijk is. De verplegingskosten zullen door deze mensen zelf betaald moeten worden, daar de stedelijke armenkas dat niet kan dragen.

Voor het grootste gedeelte zullen deze mensen rooms zijn (mogelijk uit Brabant of Limburg afkomstig ?). Hij vraagt zich af waar ze hun godsdienst­oefening moeten houden, daar de kerk in deze stad slechts toereikend is voor gewone leden. Tevens welke maatregelen moeten worden genomen van politiezijde ten einde rust en veiligheid voor de burgers en goederen te handhaven.

Men besluit de Gouverneur op deze moeilijkheden attent te maken en zijn advies in te winnen.

Voor ons is de melding, dat werkzaamheden aan de indijking pas in het voorjaar van 1828 zullen beginnen het belangrijkst.

Een vete tussen de twee Inspecteurs-Generaal Blanken en Goudriaan speelde Amsterdam in de kaart, omdat Blanken een plan ontworpen had, waarbij een totale afsluiting van 't IJ kon worden voorkomen door de aanleg van een Ooster en Westerdokwerk. In Goudriaan`s plan was daar geen plaats voor en bleek daarom ook bij de Amsterdammers op grote bezwaren te stuiten.

Om kort te gaan, het kanaalprojekt door Waterland van Goudriaan bleek twee maal zo duur te worden dan begroot. De tweede kamer verwierp op aanraden van de Amsterdamse afgevaardigden begin 1828 het begrote bedrag om de werkzaamheden voort te zetten.

Boeren van onteigende gronden kregen daardoor geen geld en ten slotte blijkt B & W van Amsterdam wel bereid de plannen van Blanken te accepteren. De Kamer van Koophandel doet er nog een schepje op door in februari 1828 alle bezwaren tegen het Waterlands kanaal op te sommen en de Koning, die nu de kans heeft Amsterdam op zijn hand te krijgen, besluit per 10 maart 1828 het werk aan het kanaal en het indijken van Marken onmiddellijk te stoppen en geeft opdracht het plan Blanken uit te voeren.

Mijn conclusie is, dat met de indijking van Marken nog niet was begonnen op genoemde datum, maar wat zegt W.M. Bijlsma in zijn bijdrage voor "Landschap Waterland": "In januari 1828 zijn de dammen door de Goudzee bijna klaar" en "wie in 1830 door Waterland trok zag in de Goudzee de laatste schepen met hijskranen bezig om de dammen weer af te breken".

Ik denk dat dit louter fantasie is van de schrijver, want pas in het voor jaar van 1828 zou worden gestart met deze werkzaamheden.

Alleen de dam aan de Noord onder Katwoude naar Marken blijkt reeds gelegd te zijn (de z.g. rijzendam). Het Gouvernement beoogt op 30 april 1828 een opening in deze dam te maken om de scheepvaart vrij baan te geven en ter beveiliging bij nacht lichten te plaatsen. Deze dam zou er voorlopig blijven, want op de kadasterkaart van 1850 staat deze nog steeds ingete­kend. De leidammen van het kanaal tussen de vaste wal en Marken zijn er nooit gekomen en konden derhalve niet worden afgebroken.

Het naderende onheil is afgewend, maar men vraagt zich af of de stad Monnickendam niet moet worden beschermd tegen de hoge vloeden door over de kleiperken voor de stad dijken te leggen en tevens zou het een wenselijke zaak zijn dat een geschikte verbindingsvaart werd gemaakt op het Noordhollands kanaal, waardoor commercie en scheepvaart een groter "vertier" in deze stad zullen brengen. Allemaal kreten, maar er gebeurt niets.

Als we de overlijdensregisters uit die jaren van spanning (1825-1827) inkijken, heeft het toch zijn sporen nagelaten op de bevolking:

1823 : 40 doden, 1824 : 44, 1825 : 64, 1826 : 70, 1827 : 88 en in 1828 : 74 doden.

Bijna verdubbeld in vergelijking met 1823 en 1824 of dat dit andere oorzaken ?

Op 13 juni 1829 wordt nog een poging gedaan om Z.M. voor indijking van de stad te interesseren, nadat de Hoofdinspecteur van Waterstaat een begroting heeft gemaakt die calculatief uitkomt op  120.000,-

Gedeputeerde Staten is genegen alles aan te wenden dit belangrijke werk uitgevoerd te krijgen, mits de stad zelf het nodige wil bijdragen.

Een voorstel wordt gedaan, dat 1/4 van die kosten zal worden betaald door het rijk. 1/4 door de Provincie. 1/4 door Waterland en 1/4 door de stad, met de opmerking dat laatstgenoemde part renteloos uit rijkskas zal worden voorgeschoten, maar jaarlijks  1000,- zal worden afgelost ingaande 1832.

Het plan wordt aan Gedeputeerde Staten toegezonden.




De Belgische opstand van augustus 1830 die tot mei 1833 zou duren en geld verslindende operaties vergde, zoals de tiendaagse veldtocht in augustus 1831, strooide roet in het voorstel van de bedijking. Weer kwam niets terecht van de uitvoering van het plan. Het is koddig om te zien hoe de President van de Raad op 8 september 1830 de Koning bijvalt in de kwestie met de Belgen met zijn toespraak:

"Het strekt mij tot een uitstekend genoegen heden in eene vergadering van den Achtbare Raad beschreven te zien, dat ik ook met onzen Gouverneur, ja zelfs met onzen Koning opentlijk wil betuigen, dat de rampen welke ons vaderland treffen mij ook zeer ter harte gaan en bedroeven, maar ook hier is het dat ik mijne gevoelens aan de dag wil leggen om gezamentlijk met Uw Ed leden onze dierbare Koning en het Vaderland te helpen waar wij kunnen en zo veel als onze geringe krachten zulks gedogen.



en even verder”

"Laat ons die gevoelens den Koning kenbaar maken en aan zijne Majesteit betuigen, dat hoewel Monnickendam een droppel aan de emmer is, zij door haar gehechtheid aan Vorst en Vaderland een stroom zal zoeken voort te brengen, die vele zal meeslepen en overtuigen, dat de Koning hare hoogste eerbied en diepst ontzag verdiend".

En dit, nadat de Koning in de voorgaande jaren alleen maar voorbarige

besluiten had genomen, geld verslindende projecten die op niets uitliepen had doorgezet en ten leste de stad Monnickendam geheel aan zijn lot had overgelaten.

Toch zou de geschiedenis nog een kritisch moeten worden herzien, waar men hem beschrijft met energiek, rechtschapen, ruim van blik, matig en zuinig, niet geniaal, maar veelszins begaafd, afkerig van alle vertoon, vooral van het militaire, volgens vele de liberaalste van alle Europese vorsten van zijn tijd.
Een echte ramp !
Zeven jaar later, om precies te zijn op 2 januari 1835, wordt in de Raad over een gepreventeerd (voorlopig) rekest aan de koning gesproken met het verzoek tot uitdieping van de Haven en de mond van de Goutzee.

De vondst van een ongedateerd verzoek aan de Koning tussen de stukken van B & W in 1884 (precies 50 jaar later !) was de oorzaak dat ik dit onderwerp wat meer heb uitgediept. Na een intensief onderzoek, waarbij ik ook op de problemen met het kanaal door Waterland stootte, bleek dit document uit 1834 te stammen en had de volgende inhoud:



"Geeft met verschuldigde eerbied te kennen, dat hunne ingezetenen in het algemeen en voornamelijk de drie scheepstimmerwerven, de zeilmake­rijen, de haringdrogerijen of bokking-rokerijen, trafieken tot inzou­ting der ansjovis en aan de haven wonende winkeliers, smederijen, touwslagerijen in het bijzonder sedert het jaar 1828 langzamerhand hun bestaan hebben zien verminderen in binnen korte jaren geheel en al daarvan zullen zijn verstoken door dat in gemeld jaar 1828 tot het aanleggen van een kapitalen zeedijk, om het eiland Marken met den vaste wal te verenigen, is gelegd geworden, een rijzendam, gaande van de Katwouder zeedijk tot het eiland Marken, waarin een provisionele (tijdelijke) opening is gelaten van 100 ellen (69 meter) voor dage­lijks scheepvaart.

Dat door genoemde gelegde rijzendam, sedert dien tijd, de binnen- en buitenhaven te Monnickendam zo sterk is aangeslipt, dat met een dage lijkse stand van water, de haring- en ansjovis-visserman niet aan den afslag, noch aan de trafieken of werven kan komen, als zijnde thans tot de ondiepte van 7 palmen (plm 70 cm) dezelve is aangegroeid, daar voor genoemd jaar 1828 de twee ellen (plm 140 cm) diepgaande water­schepen en de schooner-koffen (schoener-kofschip; zeeschip met scherpe boeg en twee achteroverhellende masten) van de Heren Boerlage & Co bij iedere dagelijks stand van water, de haven binnenkwamen.

Dat de indieners van dit verzoek thans hunne stad en ingezetenen van den scheepvaart zich zien beroofd als ook van de in het voorjaar aanko mende Friese schepen met hoornvee en dat hunne stad thans geen andere scheepvaart overgebleven is dan de kwantiteit van 400 zuiderzeevis­sers, schuiten, die jaarlijks minstens 20 reizen af en aan maken, wel ke tegenwoordig niet anders dan met grote moeite bij een meer dan dage lijkse stand van water hunne gevangen vis kunnen komen presenteren.

Ja, die menigmaal zo lang in de buitenhaven op het droge moeten blijven zitten, dat hunne vis niet mee meer onder de verse kan gere­kend worden, hetwelk stellig de gehele vernietiging van de nog voor hunne stad overgeschoten scheepvaart en handel van de ingezetenen ten gevolge moet hebben.

Dat in de stad van verzoekers geschikte en onkostbare middelen van uitdieping bestaan als zijnde de aldaar wonende Heer T. Kater Czn bezitter van een grote hoeveelheid door Uw Majesteit aan hem geoctroi­jeerde klepschuiten en van onderscheidende moddermolens, welke de kos ten van uitdiepen met de gewone modderhandbeugels zozeer verminderen dat het zo het ons voorkomt. geen grote kosten voor het rijk zullen meebrengen om de hindernisse welke onze stad door her leggen van meergenoemde rijzendam gekregen heeft weg te werken of op te ruimen.

Redenen waarom wij ons wenden tot Uw Majesteit eerbiedig verzoekende dat onverwijld en nog wel deze zomer en vervolgens zo lang als voor­noemde verlanding veroorzakende rijzendam zal bestaan door Uwe Maje­steit mogt worden bevolen om onder ons opzicht de aangeslikte en jaar lijks aan te slikken stoffen weg te doen nemen en alsoo de buiten en binnenhaven der stad Monnickendam weder tenminste voor botters en ande re visschuiten bevaarbaar te maken en dusdoende de ingezetenen voor verdere ellende te behoeden en in het vreedzaam genot hunner heringen en hanteringen te mainteneren".
Plannen van Waterstaat
Naar aanleiding van bovenstaand rekest houden Burgemeester en Wethouders van de stad een conferentie met een Hoofdinspekteur en een Inspekteur van Waterstaat. Beide heren hebben een eigen plan met kaart van het projekt.

De Inspekteur presenteert een kaart, waarbij hij indijken van de stad gepaard zal gaan met het uitbrengen van hoofden door het Hemmeland naar zee en de Hoofdinspekteur legt een kaart op tafel met het plan om door het leg gen van leidammen met een spuiboezem in de mond van de Goutzee, deze even als de haven voor ondiepten te beschermen.

Bij de Raadsleden ontstaat spoedig na uitleg het gevoel dat hierdoor de reeds eerder verworpen belemmeringen zullen ontstaan en dit wellicht de ganse ondergang van de haringafslag en de vernietiging van de scheepswerven tot gevolg zal hebben.

"Voor 'n vissersplaats in dit geheel af te keuren, daar de visserman er wars van is om op `n dergelijke manier een haven binnengelootst te worden en liever een vol uur worstelt met storm en onweer, dan zich aan deze obsta kels te moeten onderwerpen".

Het plan van de Hoofdinspekteur zal verder uitgewerkt worden en wel zo dat

van de "Graaflijksche" sluis of van de Nieuwendam af, over de kleiperken tot aan de Waterlandse zeedijk, een kapitale zeedijk wordt gebracht voor zien van keerdeuren op de hoogte waar tegenwoordig "de boom" is. (De boom was er van oudsher om de vaargeul tussen de kleiperken voor de haven van de stad af te kunnen sluiten). De Raad stelt voor de Heren T. Kater Czn en J. Kater Pzn als deskundigen te benoemen in deze belangrijke zaak om opheldering te kunnen geven.

Op 17 juni 1835 (nadat men wederom vijf maanden niets heeft gehoord) wordt Gedeputeerde Staten benaderd. Aangedrongen wordt nu van rijkswege maatrege­len te nemen om de aanslibbing weg te nemen, omdat de jaarlijks toenemende verdroging een onherstelbare ramp ten gevolge zal hebben.

Op 22 augustus 1835 wordt met spoed een bericht aan Gedeputeerde Staten doorgegeven: de stad Muiden heeft het plan een haringafslag op te richten, welk voornemen vermoedelijk voortvloeit uit het vooruitzicht, dat door de droogte van de Goutzee het niet lange leste voor de visser onmogelijk zal zijn hier met zijn haring aan de afslag te komen. Dit zal voor de stad een onoverkomelijke ramp betekenen en men wil daarom op de meeste spoed aandrin gen om te besluiten over de uitdieping van de mond van de Goutzee.

Op 25 maart 1836 meldt de Heer E.J. van Rooij, wethouder van de stad, dat het belang van de visserij en kleine scheepvaart te Monnickendam ter tafel is gekomen in de laatste vergadering van de Staten van Holland.

Men was genegen deze zaak tot punt van deliberatie op te nemen en hij vraagt derhalve nadere toelichting om deze zaak te kunnen behandelen.

Na deze informatie vraagt de Heer T. Kater het woord. Op verzoek van E.J. van Rooij heeft hij een plan gemaakt, dat hij graag de vergadering wil voorleggen.
Het plan van Tijmon Kater
Plannen, welke eerder zijn voorgesteld om het Monnickendammer gat voor aanslibbing te beveiligen door het leggen van leidammen, moeten vanwege de belemmering van de scheepvaart en uit financieel oogpunt worden ontraden.

Zijn plan is doelmatiger en financieel beter haalbaar :

1. De vereiste diepte van het Monnickendammergat kan worden bereikt en behouden blijven door op de volgende wijze te werk te gaan. Men baggert 110.000 kubiek ellen (55.000 m3) grond uit de eerste oppervlakte van 250.000 vierkante ellen gemeten uit de "boom" met een flauwe bocht naar de hoek van "de Noord" over een lengte van 1500 ellen en ter breedte van 200 ellen, het welk een grotere diepte geeft van 5 palmen (50 cm).

2. Baggert men in de negen hierna volgende jaren jaarlijks 10.000 kubiek ellen grond uit de gehele oppervlakte van het Monnickendammergat en haven, namelijk over de meest aangeslibde lengte te breedte van 300 ellen, dan verwijdert men 2000.000 kubiek ellen grond, wat een voldoende diepte geeft van 17 palmen (1.70 meter) onder AP, de jaarlijkse aanslibbing daarin begrepen. De kosten van deze werkzaamheden zullen jaarlijks plm.  4000,- zijn, dus tezamen  40.000,- Kan men het Rijk en de Provintie overhalen ieder 1/3 bij te dragen dan zullen de kosten voor de stad 10 jaren lang  1.330,- per jaar zijn.

3. 200 ellen (140 meter) benoorden de boom in rechte lijn naar de Katwou derdijk bij de eerste bocht zal op plm. 200 ellen van de rietvinksbrug langs de zeedijk gemeten een losplaats moeten komen om de opgebaggerde grond te bergen.Men besluit het ontwerp van de Heer T. Kater Cornsz voor te dragen.
Op 9 april 1836 wordt een conferentie gelegd over het plan van T. Kater.

Aanwezig zijn de Gouverneur, een lid van Gedeputeerde Staten S. van Stralen, de Griffier Copes van Hasselt en Hoofdingenieur Grinwis. Na eerst het belang van het uitdiepen van de Goutzee naar voren gebracht te hebben voor de visserij en scheepvaart en in het bijzonder voor de stad Monnickendam komt het plan Kater op tafel.

Na een toelichting vroeg de Hoofdingenieur, wie dan wel aannemer zou willen worden om het op de voorgestelde wijze uit te diepen en Tijmon Kater antwoordde dat hij dit zou willen doen. Dit had een dergelijk gunstig gevolg, dat de commissie direct besloot het plan in te dienen.

Nog dezelfde dag wordt het plan op schrift gesteld en de memorie van toe lichting eindigt met de wens dat de Gedeputeerde Staten van Holland dit ont werp mogen goedkeuren en krachtdadig bijstand willen verlenen, waardoor dit plan ten uitvoer kan worden gebracht.

In de Raadsvergadering van 13 augustus 1836 wordt bekend gemaakt, dat Z.M. op 18 mei j.l. besloten heeft Tijmon Kater Cornsz te benoemen tot dammees­ter van de Nieuwendam in plaats van wijlen H.J. van Marle. Een eervolle betrekking door verdienste.

Pas op 17 november 1836 komt het antwoord op het plan van de Heer T. Kater. Gedeputeerde Staten heeft de Hoofdingenieur van Waterstaat gehoord en deze heeft de bezwaren uiteengezet tegen het door de Raad ingediende plan, alsmede tegen de misrekening welke daarbij volgens de Hoofdingenieur zouden zijn gemaakt. Hij voegt er een uitvoerig rapport aan toe, waarbij drie nieuwe plannen en een nieuw getekende kaart. Alvorens een definitief rapport aan de Minister van Binnenlandse Zaken uit te brengen, wil hij de mening van de Raad daarover horen.

De Hoofdingenieur komt weer met zijn plan om met leidammen door het Hemmeland in zee te komen.

De Heer T. Kater veronderstelt, dat dit plan "geenszins" het doel zal bereiken en daarbij een buitengewoon groot offer van de stad zal vragen. Hij blijft bij zijn door de Raad aangenomen plan en verzoekt hier aanteke­ning van te maken. Eerst op 14 februari 1837 wordt bevestigd, dat men zich kan verenigen met de voorgestelde projecten van de Heer Hoofdingenieur van Waterstaat.

Een dag eerder heeft te Amsterdam een gesprek plaatsgevonden met de Heer Grinwis, de Hoofdingenieur, die hoegenaamd geen moeilijkheden zag om het kanaal door Hemmeland meer zuidelijk in zee te doen schieten.

Het ontwerp zou hij zo doelmatig en in prijs zo laag mogelijk uitwerken voor de Heren van Gedeputeerde Staten.

Als commissie ondertekent E.J. van Rooij, A. Göckel, J. Kater Pzn en J. Wijndels de Jongh, stadssecretaris. T. Kater Cz heeft kennelijk afgehaakt.

Een gedeelte van de oude werf van de Waterlandse Meren wordt op 17 mei 1837 verdeeld tussen de Heren Joost de Moes, molenmaker en Jan Visser, scheeps­timmerman (zie tekening). Eerstgenoemde krijgt oppervlakte C om er een molenmakerij en de tweede oppervlakte D, om er een scheepsmakerij in te richten. Men vestigt zich met voorbedachte rade aan de buitensingel, (trekvaart) omdat de kustwateren te ondiep geworden waren.

Het zal U niet verwonderen dat Jan Visser, weduwnaar van Eefje van Zalinge op 15 februari 1835 trouwde met Sijbreg Kater, jongedochter oud 24 jaren geboren te Zuiderwoude. Hij was een zoon van wijlen Tamis Visser en Annetje Kroon, zij een dochter van Cornelis Kater en Grietje Karnekamp. Beide ouderparen kwamen in het vorig jaarverslag ter sprake (zie pag. 62 en 66).

Op voorstel van de Heer J. Kater wordt op 1 november 1838  400,- ter beschikking gesteld voor een op de helling van de Gebr. Kater staand schip, de haven uit te diepen om het van stapel te laten lopen.

Met de toestand van de Haven is het dus wel treurig gesteld.

Op 4 januari 1840 besluiten de Heren van de Raad opnieuw stappen te onder nemen bij Gedeputeerde Staten "opdat er mogt worden voorzien in de ondiepte van de Goutzee en haven, veroorzaakt door de aanslibbing ten gevolgen van het leggen der kribdammen tussen "de Noord" en het eiland Marken".

Een verzoek van Cornelis Tijmonsz Kater om per 1 juli 1840 ontslagen te worden uit zijn funktie als stadsarchitect, omdat hij zou worden belet zijn betrekking als aannemer van publieke werken te vervullen, wordt slechts geaccepteerd, wanneer hij zijn verplichtingen aan de commissie van de stadswerken op alle stukken, die in behandeling zijn, heeft voldaan. Per 14 juli zal men beslissen of men hem een eervol ontslag zal geven of niet.
Op 23 october 1840 wordt in de Raad verslag gedaan door de Heren F. Nooij en A. Göckel, die in audiëntie bij Z.M. in de hoofdstad zijn geweest. Wat blijkt, Koning Willem II is op 7 october 1840 zijn vader opgevolgd.

In de grote zaal van het paleis op de Dam te Amsterdam hebben zij in de volgende bewoordingen Z.M. aangesproken :

"Sire, afgevaardigd uit het bestuur van de stad Monnickendam in Noord-Holland brengen wij Uwe Majesteit onze nederige en eerbiedige hulde. Wij wensen Uwe Majesteit geluk met hoogstdeselve Kroon-beklimming".

Bedoeld hebben ze waarschijnlijk de "troonsbeklimming".

In een grondwetsherziening, nodig geworden door de afscheiding van Belgie", zie sommige kopstukken in de regering een mogelijkheid om vergaande hervor mingen door te voeren, vooral met het oog op het absolute Koningschap, maar Willem I wijst dit af. Dit betekent dat de macht van de Koning nog zeer groot blijft en ministeri­ële verantwoordelijkheid meer theorie dan praktijk is.

Na lange gesprekken met zijn zoon wanneer hij steeds meer tegenstand onder vindt, wil hij de ministeriële verantwoordelijkheid tegenover de Kamers aanvaarden. In feite voltrok zich dus een stille revolutie nu Nederland een constitutioneel Koningschap kreeg. Het moet hem wel hard gevallen zijn om vrijwillig afstand te doen van de macht en het leidinggeven aan de uitvoering van de landszaken.

Moeilijkheden met zijn ministers, gerezen rond de huwelijksplannen van de vorst, waren uiteindelijk de aanleiding op 12 september 1840 zijn zoon te vragen om hem op te volgen.

Wilhelmina van Pruisen, zijn eerste echtgenote, was reeds in 1837 gestor­ven. De in 1840 68 jarige Koning wilde hertrouwen met de katholieke belgische gravin Henriëtte d'Oultremont, 47 jaren oud en zeer knap.

Aan het hof had men wel achting voor haar, maar men vond haar trots en daarbij kwam, dat ze Belgische was en nog katholiek ook ! Weldra noemde men haar Jetje Dondermond. Willem I trouwde haar in 1841, na abdicatie, en vertrok naar zijn residen­tie in Berlijn, waar hij reeds op 12 december 1843 overleed.

De nieuwe vorst, Willem II, beloofde dat hij alles voor de stad Monnicken­dam zou doen wat in zijn vermogen lag, drukkende het voetspoor van zijn vader. Het volledige antwoord wordt vlijtig in de notulen van die dag vastgelegd. Jan Pieter Kater stelt in de Raadsvergadering van 30 juli 1841 voor om krachtdadige pogingen aan te wenden dat de mond van de Goutzee uitgediept zal worden, omdat tegenwoordig zelfs bij gewoon dagelijks waterniveau een Volendammer botter door de ondiepte van de Haven niet kan binnenlopen.

Men besluit op 11 september 1841 een speciale vergadering te wijden aan de ondiepte van het Monnickendammergat en vooraf een rapport te laten maken over de pogingen, die werden aangewend om te onderhandelen over het beter bevaarbaar maken. In de Raadsvergadering van 15 october 1841 blijkt, dat sinds 10 juni 1834 hierover wordt geschreven en dat de missive van Burgemeester en Wethouders van 21 februari 1837 nooit door de Heren van Gedeputeerde Staten werd beant woord. Men zal namens de Raad deze Heren nogmaals verzoeken genoemde missi ve in rijpe overweging te willen nemen.
Koninklijk bezoek
"Zaterdag de 6e augustus 1842 zal duurzaam een aangename herinnering voor de ingezetenen van de stad Monnickendam blijven "staat in de notulen van de Raad. Een en twintig pagina's worden in het register van de notulen van de Raads vergadering gewijd aan het bezoek van de nieuwe vorst, Koning Willem II, aan Monnickendam (Nw archief nr 5 1835-1843).

De gehele voorbereiding van het feest wordt achteraf nog eens vastgesteld onder de marge nrs 79, 80 en 81 van de 11e vergadering van het jaar 1842. De ontvangst door een commissie, de kleding van de notabelen, de versiering van de straten en bruggen, de inhoud van de toespraken, de samenstelling van de erewacht, het corps muzikanten en de bloemenmeisjes, alles is tot in de puntjes voorbereid. Eenparig wordt besloten wanneer de gelegenheid gunstig is, Z.M. onder het oog te brengen de slechte staat, waarin zich het Monnickendammergat bevindt, veroorzaakt door het leggen van de dribdam in het jaar 1828.

De wethouder de Heer F.Nooij verwelkomt de Koning, komende van Edam even buiten de Noordeinderpoort 's morgens om kwart voor tien. In zijn toespraak exuseert hij de Burgemeester, de Heer D. Arbman (oud 76 jaar), welke door ouderdom en tijdelijk onvermogen verhinderd is Uwe Majesteit tegemoet te komen, "hij verwacht U op het stadhuis".

Wanneer Z.M. de audiëntiezaal betreedt wordt hij door mej. Nooij op innemen­de wijze toegesproken "



"Wij groeten U, geliefde Vorst !

Wij groeten U, beminde Koning !

Neem aan de hulde, de dank, de lof

En onze nedrige eerbetoning".

Geluk ! driewerf geluk, de wens U toegebracht

O Koning, Held en Vader tevens

Dat roos en palm en lauwerblaan

Bedekke altoos het pad Uws levens"

"Het juichen om Uw komst, het jubelen, in Uw heil

Dat klinkt hier luid uit ieders woning


  1   2


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina