Schepenbank schijndel



Dovnload 203.86 Kb.
Pagina3/4
Datum22.08.2016
Grootte203.86 Kb.
1   2   3   4

Staat en inventaris van Maria Huijgen van der Wiel nagelaten aan Roeloff Hendrick Pennincx
folio 160 – 9 juli 1743

Getuigenverklaring van Willem Aart Dobbelsteen president, Peter Gerits van den Berg medeschepen, Mr. Gisbertus de Jong advocaat en secretaris te Schijndel, Petrus Zeijlmans substituut secretaris, Adriaen Daniel Kivits, Franscois van der Eerden, Jan van Roij, Goijert van Heesch, Peter Janssen van Nistelroij, Anna Catharina Rijsterborg vrouw van Peter Zijlmans, Gerit Hendrik Gerit Jan Claessen, Huijbert Jansse Kuenen met een verklaring t.b.v. het Hoog Officie i.v.m. de verkoop van de meubelen van Andreas Adriaen Eijkentopff ten huize van Rijnder van den Bogaert in de Straat en de story vervolgt dan: dat alsdoen hij derde comparant in de handt had sekere schaartje met silver beslagh met een kokertje daartoe gehorende ten fine voors. welke hij aan een ider begerende te sien overgaff, dat bezig zijnde met het selve te verkoopen , is gebeurt dat aldaer present was een sekeren Jan van der Linden alias Jan de Cuijper inwoonder alhier, den welke onder schrikkelijke vloeken zeijde tegens hem derde comparant “Steekt het omhoog dat ick het sie”twelk hij dikwils repeteerde met bijvoeginge van deeze off diergelijcke scheltwoorden “Aapenneuker steekt om hoogh dat ik het zie”; dat zij deponenten met verbaastheid sulx hoorde en hij derde deponent opstont om sulke baldadige woorden te beletten, dog dat dit niettegenstaende gemelte van der Linden onder onbetamelijke expressien als voor zijde “Ik wil voor u niet swijgen”off diergelijke “Komt er maar uijt, ick sal u voor uw kont schuppen”; verders zeggende “Dat ick schepen was, ik soude het u wel doen om hoog steeken maar schepenen en secretaris sijn maar strontaapen, aapenneukers”off diergelijx.

Dat hij derden deponent daer op wederom toesprong ten fine hier voor gemelt dog vrugteloos als voor want niettemin meergem: van der Linden sijne woorden herhaalde en ook nog zijde tegens hem 3de deponent “platluijs”en diergelijke “ik zal u straeck wel krijgen, komt er maar uijt; wijder soodanige baldadige moetwillige en injurieuse dreigementen uijtbrakende dat de verkoopinge daar door dien dag wierde gestaakt; de verdere deponenten verklaaren dat zij ten dage voors. aldaer tegenwoordigh zijn geweest en ook gehoort gezien en bijgewoont te hebben alle ’t geene hier voor is verklaart, met bijvoeginge dat zij deponenten gehoort hebben dat den derden comparant sijde deeze off diergelijke woorden “Vrinden ick protestere tegens soodanigen woorden en ik neeme ul. tot getuigen dat wij, ik als secretaris en gijlieden als schepenen in onze functie werden gefrustreert en op zoo een canaljeuse wijze werden gehandelt, ik sal daar over mijn beklagh doen”; wijders den zelven ook hebben hooren zeggen “Gerbrants [zijnde vorster alhier en daar bij present] gij sult dit onthouden, gij hebt het gehoort en sult daar van volgens uwen eedt rapport doen, daer kunt gij staet op maaken”.

Dat zij deponenten alsdoen gezien hebben dat gem: Gerbrants daer op sig omdraeijde en weg ging sonder eenige woorden te spreken en na dat het hier voor gepasseerde tranquile hadde aangehoort.

De twee laatste deponenten verklaaren gezien te hebben dat gemelte van der Linden zijn sakken met steenen ging vullen voor de huijsinge daar den laatste deponent woont en daarmede voor het huijs van gem: secretaris mede deponent ging staen en wandelen tot twee à drie reijsen en al vloekende riep “Komt er maar uijt quaam hij er nu maar uijt“ en diergelijke woorden.


folio 163 – 11 juli 1743

Aanstelling van voogden door Maria de Five weduwe van wijlen Willem Roessing die ziek op bed ligt aan over haar nog minderjarige kinderen haar meerderjarige zoon Johannis Roessing en Nicolaas Zijnen schoolmeester en zwager van Maria totdat het jongste kind meerderjarig wordt
folio 164 – 11 juli 1743

Deling van goederen onder Hendrik Aert en Maria meerderjarige kinderen van Adriaen Hendrix van der Aa verwekt bij Willemke dr.v.Aert Dirx van der Heijden nagelaten weduwe van wijlen Lambert Jansen van den Bergh o.a. een huis onder de Borne
folio 168 – juli 1743

Verpachting van de hop-, smalle- en korentienden onder Schijndel met de pachtcondities de 1e klamp ingezet door Rogier van der Wiel en de 2e klamp door Huijbert van der Steen uit Den Dungen
folio 169 verso – 27 juli 1743

Trouwbelofte door Jan Rutten van Dijck weduwnaar van Anna Maria Gregorie Canters en Anna Maria Tijsse van der Aa jonge dochter en toekomstige bruid
folio 170 – 3 augustus 1743

Staat en inventaris van Anna Maria Gregori Canters nagelaten aan Jan Rutten van Dijck in het bijzijn van Anna Maria Tijsse van der Aa – o.a. huis onder het Lutteleind op de Plein en diverse landerijen + roerende goederen die in huis zijn aangetroffen
folio 174 – 17 augustus 1743

Testament geopend in het bijzijn van door Johan, Gerart en Maria de Jong, Gijsbert Gualtherij gehuwd met Elisabeth de Jong, Gijsbert van Beverwijk gehuwd met Cornelia de Jong, Boudewijn haar absente broer, Jacob Leendert Bol verwekt bij Anna Helena de Jong, Johan Rietvelt gehuwd met Alida dr.v.Leendert en Anna Helena, allen kinderen en kindskinderen van Gijsbertus de Jong haar vader en grootvader en inwoners van resp. Tilburg, Veghel, Son, Bergeijk, Eersel, Heusden, Genderen; het betreft het testament van genoemde Gijsbertus de Jong weduwnaar van Alida van Hout verwijzend naar een testament van 15 februari 1703 – een zeer uitvoerig testament met een overzicht aan landerijen, obligaties etc. onder verdeeld in 1e tot en met het 7e loth – met een vervolgakte op folio 191 verso waarin twee akten zijn opgenomen uit resp. 1703 en 1687
folio 196 verso – 21 augustus 1743

Machtiging door de Heer Silvester Gualterus Ideleth rooms priester te Schijndel die machtigt Jan van Ham koopman en woonachtig te Lommel om zich namens hem te begeven naar de stad Luneville in Lotharingen om aldaar te aanvaarden alle goederen, gelden en effecten en waar die goederen ook gelegen mochten zijn en die toebehoorden aan Johan Baptist Ideleth broer van genoemde pastoor overleden te Plombiers in Lotharingen die op het laatst te Luneville heeft gewoond en de pastoor is de enige erfgenaam; voorts wordt de constituant verzocht alle schulden te vereffenen en in het geval dat iemand anders de nalatenschap zou aanvaarden moet de constituant procederen en in principe streven naar een minnelijke schikking en anders via gerechtelijke wegen
folio 197 verso – 21 augustus 1743

Machtiging door de schepenen van Schijndel aan Willem Aert Dobbelsteen president-schepen om namens het corpus de verpachting der gemene middelen bij te wonen te ’s-Hertogenbosch die ingaan per 1 oktober 1743
folio 198 – 18 september 1743

Staat en inventaris nagelaten door de Heer Gisbertus de Jong erfsecretaris van Schijndel als ook van Son en Breugel nagelaten aan Maria de Jong nagelaten aan Maria de Jong weduwe van de Heer Jan van Oosterwijk :
in de kast voor in de steene kamer

elff handdoeken

tweeentwintig tafellakens

vijfenveertig servetten

drie paar twee baanse lakens

veertien stuk anderhalv baanse laakens

negenentwintig stuk gestulpte lakens

achtentwintig manshembden

sestien paar groote sloopen

veertien stuk clijne sloopen

ses witte gordijnen

een fijne linnen das met een halshembdt

dartien neteldoeke dassen

een paar dubbelde mouwen

een paar met lobben

twee oude broeken

vijff borstrokken

drie witte sakneusdoeken en twee bonte

vijftien linne mansslaepmutsen

nog een dito

twee pakken met oud linnen soo groot als clijn

twee streenen wolle gaaren

twee dwijlen

nog in de kist daar in legt een paar anderhalve baanse lakens

vijff tafellakens

ledikant met zijn behangsel


in de kamer:

een bedde peuluwe

twee cussens

catoene en graene dekens

twee lakens en twee sloopen

groote hangoortafel

een theetafeltje

een schenktafeltje met sijn kleet en orange omloop

spiegel met een noteboome lijst

ijsere plaat en tangh

schoorsteen cleetje

twee witte gordijnen voor den glazentien stoelen met een leunstoel

ses spaanse lederen stoelen
in de plankekamer

een bijbel

twee gordijnen voor de glazen

een dito die daar legt

tafelcleetje onder de spiegel

eijsere plaat staende in de schouw

twee treeden

’t horlogie in de gang


op de boven voorcamer op de linkerhndt:

drie nieuwe tieken in een doek gespelteen paar streepe wolle gordijnen met zijn rabath

twee corven

spiegel


cast

spinnewiel

een roode cleerbak

eenenveertig streenen groff gaaren in twee bussels

twee capstokken

een bed sonder peuluwe met drie cussens

vier wolle dekens en een quade catoene deken
op de boovencamer aan de regterhandt:

een cast


spiegel

tafel onder de spiegel

capstock

seven swarte en twee bruijne stoelen

ledikant met zijn blauw behangsel

twee bedden met twee peuluwe met vier cussens

vier wolle dekens

een bonte gedrukte

een rekke in de gangh
op de agtercamer aan de linkerhandt

een houten desert ringh

een blekke braatpan

bort om cooper op te hangen

vier stoelen en een leunstoel

een cpastok

spiegel

een paar wolle gordijnen met een catoen rabat



een bedde peuluwe

twee cussens en twee wollen deekens


op de camer van de meijdt:

stilleke


de familje schilderijen groote aan de stoop

drie manden met flessen

bedpeuluwe en drie quade dekens

spiegel


steenen booterpot

vleestob met twee clijne tobbekens

mat

scherm met vier deuren



eeinige prullen

een houte naaijdoosken


op de vlieringh:

een japon

een jak

een schouwermantel



een wolle borstrok

vir wolle dekens

een pan

een bedt


een matras

clijn cussentje

hooftpeuluwe

papegaij’skooij

groote lantaarn

eijsere spit

eenige cleermanden waarvan drie met boonen staen

twee etafels

mussekoij

twee bundels met boeken

paar laarsen
cooperwerk:

twee groote waschkeetels

twe egroote handcetels

emmer


twee bedtpannen

roomkan


groote coffykan

een clijne dito

twee catrollen

hangblaker

twee hantblakers

twee tafelconfoiren

wijsel

tafelringh



schuijmspaan

domper


braaijpan met een dekzel

broederpan

blekke coffykan en schupke

strijkeijser

geele copere teeketel en caffoir in de glaze cast

twee bellen

strijkijser met een rooster

drie tabak confoiren

staende de confoir met een copere back

vier roode copere theeketeltjens

groote rooden ketel

een dito handketel

gieter

emmer


afslagen

twee sopcetels

drie coopere ketels met pooten

vier handrcetels met een eijser keteltje

starpanneke

vier scheelen

copere seijgh

twee vuureijsers met copere knoppen

drie lampen

coffykan met een craan

swarte copere theeketel

twee blakers met een domper

twee candelaars met agt stalen en een copere snuijter

rasp en stamper uijt de vijsel

copere deurslag

lantaarn


schuijmspaan

vijsel van clokspijs

taartpan

copere craan


vuijl linden:

hondertvierenvijftig servetten

seven tafellakens

sestien drille tafellakens

sesentwintig drille doekskens soo handdoekskens als clijne

seven pellen handdoeken

twee linne sakjens

veertien potdoeken groote als clijne

seven paar lakens en elff sloopen leggende op de bedde uijtgenoomen in de steene kamer die apart geschreven sijn

nog agt lakens

bonte neusdoek

drie hembden

agt sloopen

twee clijne

twee dassen
postelijn glazen en Delfs aardewerk:

een blauw Delfs stelsel bestaende in drie potten en drie spoelcommen

elff geribde desert schootelen

tweeendartig witte borden

negenenveertig blauwe borden

dartien clijne boorterschooteltjens

drie witte geleijne commen

vijff theecopjens en ses schooteltjens

agt bierglazen

vierentwintig wijnroomers

twee bokalen daar onder een met een dekzel

twee spoelcommenvijff groote bruijne coffycopjes met vijftien schootels

tien blauwe theecopjens en negen schooteltjes

ses bruijne theecopjes en vijff schooteltjes

vier Janpanse theecopjes en vijff schooteltjes

vier schooteltje smet drie copjes

twaalff schooteltjes van allerlij soort

vier groene dito verglaasde

drie roode theepotten

een postelijne potje

een suijkerschooteltje met een metalen voet
ijserwerk:

twee groote confooren

een eijsere schup met een coper eknop en nog een dito clijne

een tuijnscheer

een capbijl

een pallas

een clijne rooster

een hasal en lenghaal

blaaspijpdrie eijsere tangen

een koekpan en hangeijser

een spit

drie eijsere potten

een eijsere eierlepel en een vonthengsel

vijff deksels blekke

twee blekke slaijemmers

twee vleesrieken een cromme en een regte

een droplepel en een groote lepel

twee kettingen

twee braijpotjens daar men ’t spit in legt

een clijn treefje om de can in te zetten

een eijsere braijpan

metale potje

een croon

haalboom


eijsere ketting

lenghaal


rooster

twee eijsere braatpannen

een groote terfter

twee wafeleijsers

twee fijne hekels

een eijsere coeijbeugel

twee eijsere kettingen daar men de coeijen aan tuiert

een krom knipmoesmesch (?)


in de agterkeuken:

twee tafels

ses houte stoelen

vier bieze stoelen met een leunstoel en matras

glaze cast

schoorsteencleet

twee rekken

een glaze rekje

cammebaxke

een vuureijser met een voueijser om een haart

een carsedoos

een pottenbanck met d’aarde potten daar op staende

een cannebort met ’t geene daar op hangt

een rek op de goot


in de stal:

twee sadels zijnd eop den eene een overdek

drie hamen daar onder twee quade

het chaisegetuijg

eene chaiseboom om met twee paarden te reijden

twee paar hagten swartleer met de lijnd

havercist

hoendercoij

trog

spaij


hopschup

pootselkuip

twee schoepen

mesthaeck

twee gavels

drie rieken

bremhaak

rakeleijser en schoolt

eijsere lamp

punder


bedde peulue met twee wolle dekens

meelton


een root trijpen karkussen

een stroije vat en saijkurff

twee zeefen

twee houten emmers en eene aan de put vast

een ploeg

drie eegden met een egpars

een sigt met een haak

twee seijsien

hoogkar met twee baarbeurden en een huijff

aardkar


drie deurslagen

kruijwagen

en chaise en cap en distelboom met sijn kussen

een paart

twee melkkoeijen

een beest in de waij bij de Heer Bol van vier jaaren

een turfbaxke

vijff leeren

twee crabseijsiens

een hoijhaak

een vuurhaak

een santblek lepelhuijsje

karkisje
timmergereetschap:

een ax


een deessel

twee effers (?)

drie handtassen

een cliefsaag

twee booren

vijff bijtels

twee sligtmessen

twee beijltjens

een snijmes

een trektangh

twee booren ….druijven

hairgetauw

drie cluijfbeijtels (?)

een houtsaegh

een vlugh

een gaastdeessel (?) en reen metseltruweltje

twee snoeijmessen

drie hamers

eem crabber

twee capmessen

ijsere tapschoor (?)
in de capel:

vier steene boterpotten

een aarden stoop

en standt en staff

melktob

lampstok


bootertijl en gemak

soutton


een beddecoets

opm. volgens Van Dale is een ‘kapel’ een hok waarin vlas of andere gewassen gedroogd worden vgl. ons bekende esthuisje


houtwerk:

in ’t oud huijs negen tonnen en olyvat, scherfbort en handtvloot

ses kinnekens

een wascuijp met eijsere banden

twee dito met d evoet daar op vast

vier stuk gesaagt hout

vier nieuwe gooten

een sesten

twee snijbakke

vligekast

flesserek

gekapte latte brant in ’t out huijs

nog vier nieuwe ribben

twee wannen

gesaagde deelen planke

mesthaek


circa 130 vaten rogh

circa in de 30 vat haver

circa 3 vat garst

circa twee vat tarw

een hoopke hop

allen het hout en brant bestaende in mutsaarts geklooft hout etc.

verscheijden busselen gekapte elselatten

de schaare hooij gelijk in het oudt en nieuw huijs is leggende

drie eijkeboomen leggende op de straat

de calk in den calkkuijl op de plaats van ’t oude huijs


in de keuken:

een paar gestikte muijlen

vijff groene sittekussens

een leij


tinne cast

postelijne casje

glaze rek

pons (?)


schenktafel

een theetafel

een hangtafel

een toeslaende tafeltje

twee schilderijen

een staende effe plaat

een borstel

blekke coffybus

blekke trommel

twee clijne blekke theebussen en een groote

agt bruijne staele

twee swarte en een roode

een loode tabakdoos

groote coffymoolen

spiegel met een swarte lijst

gazehordekens voor de glasen

een gedrukt tafelcleet op den tafel
tinwerk:

vijftien clijne hasjetten

een lampet en een schotel

twee groote hasjetten

seven grooten schootels

een groote soepbak en een clijne

drieënveertig borde

vierentwintig borde met wapen en maam daar onder een niet getekent alle van een fatzoen

twee rikiliken (?)

vier kandelaars

drie trekpotten

vijff tinne kommen

twee mosterpotten

een peperbusch

twee deurslaagkens

waterfles

een soutpotje

twe soutvaatjens

een knolpars

een tinne inktkoker

een bakje en oly en azijnflesje

agtien tinne lepels daar onder twee in stukken

twee schenkborden

twee tinne kannen

een Ceulse kan met een tinne deksel

een steekbekke zijnde in de maak te ‘sBosch


pellen linnen uijt drie kisten:

negen vrouwe hembden

toen manshembden

elff handdoeken

drieëntwintig tafellakens pellen

hondertendertien servetten

agt paar anderhalve baanse lakens

twee paar twee baanse

negen paar gestulpte

dartien paar cusselsloopen

dartien paar mansmouwe met lobben

agt paar sonder lobben

vijff gordijnen

veertien dassen

viet witte mansmutsen

negen slaapcovels

twee overhembde

vier lapkens linde bij een gespelt

vijff stukken linden

seven vrouwemouwen

een trille tafellaken

seven witte neusdoeken en een bonte

een paar wolle ondercousen

een trille handdoek


silverwerk:

twee souplepels

eenentwintigh lepels

nog tien oude lepels

eenentwintigh vurken

teelepeltje en een schenckbort

twee mosterpotten en een lepeltje

ses messen met silvere heften

een hoog ouderwets soutvat

twee andere soutvaten

een silvere com

ketting omt lijf met een plaetje en vinske daer aen

peperbusch

een snuijfdooske met folie

aude clijn dooske (?)

drie signetten

meske en fosjet met een agata heft

twee bokkels

een babbelje met een silvere stopke

een paer silvere gespen liggende int cabinet

een steene signetje liggend eint cabinet

een haak en oog van een japon

een zilvere zakhorlogie
op de bovencamer:

cabinet met een clijn castje

ledicant met sijn behangsel

rustbanck en matras met een groebe dek

grote kist met twee sloten

een grijne dito met drie slote

cra kistje met ijser beslagen

een kist staende tot ‘sBosch

lessenaer en tafel daer onder staende

spiegel


seven stoelen en een leunstoel

schilderijen en een geridon

een paer pistolen en een snaphaen

houte craan

nog ses sitcussens daer onder een gestreepte

scabernak en holster met gout beleijt

viert agaet steentjes

bijbel in quarto

seven paer wolle kousen

borstel


tafelkleet gelijk het behangsel vant ledecant is out gout gewigt

bleeke dooske

ses stoven

een diamant stoffe japon en een gestriepte rode mantel

een witte jas

bruijne rock met een swarte camesool daer in en broek

peerse rok

castaene gardijn en rabadt

twee degens met copere gevest met silvere greepen en een hartvanger

rotting


strepe calamincke borstrok

pijpe ijsertje

een swarte lakense rok en camesool

een roije baeije camisool en kousen

twee catoene slaepsacken

twee borstrocken

vier wolle slaepmutsen

twee aper swarte hantschoenen

een geblomt schouwermanteltje

sestien messen

een copere schael met gewigt

een bout ijser met drie ijsers

een mar en een rosijne korff

enige blekke teebussen

een pot met ingesoute bonen

een pot met ingesouten kelen

een met kalk

vier paer muijlen

twee paer schoene

een ijsere el

twee gebedeboeken

een rode pot

twee scheren

twee paer gespen

den sleijpsteen

eene hoop mutsaert in het Hoeffken

nog een hoop mutsert in het Hermalen

planken die aen Gerit Corsten huijs leggen

twee planken in de kerk langk vijftien voet dick eeneneenhalve duijm

twee ribben lanck seventien voet

de assen in het ashuijs en het mest in de stallen

een karbeurie


aldus op aangeving van Maria de Jong weduwe van wijlen Heer Johan van Oosterwijk met de slotformule.
folio 209 – 22 augustus 1743

Mondelinge verklaring van Adriaen Leenders en Barbara de vrouw van Johannis Adriaen Leenders dat omtrent september 1741 op order van Arnoldus Moors gevolmachtigde van Maria van Gunst overleden te Bergen op Zoom door Anneke de weduwe van Michiel Clomp zijn aangezegd om te komen ten huize van vorster Thomas Gerbrands om aldaar een legaat in ontvangst te nemen op basis van een bepaald testament, maar er ontstond een discussie tussen hen en de vorster die weer eens verschrikkelijk begon te vloeken en de bezoekers duidelijk maakte dat ze van dat legaat geen penning te verwachten hadden, terwijl genoemde Moors in het huis aanwezig was maar de vorster liet hen niet toe met Moors te spreken. Later bleek dat hij hen voorhield dat ze hem de helft van het legaat moesten geven en dan zouden ze hun geld krijgen. Ze kregen uiteindelijk 12 gl. en 10 st.
folio 210 verso – 24 september 1743


1   2   3   4


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina