Schoolgids 2011-2012 Bernardusschool



Dovnload 422.27 Kb.
Pagina4/9
Datum21.08.2016
Grootte422.27 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9

Hoofdstuk 5 Het team

Het team van de Bernardusschool bestaat uit onderwijsgevend en onderwijsondersteu¬nend personeel. Binnen de school bestaan de volgende functies: directeur, groepsleerkracht (allen onderwijsgevend), onderwijsassistenten, administratief medewerker en conciërge (onderwijs-ondersteunend). Groepsleerkrachten hebben naast hun werk in de klas diverse taken, waaronder interne begeleider, i.c.t.-coördinator, bouwmanager of lid van een werkgroep.


De leiding over de dagelijkse gang van zaken op school is in handen van het managementteam, dat bestaat uit de directeur en bouwmanagers. De IB-er maakt als toegevoegd lid ook deel uit van het MT.
De Bernardusschool is een erkend leerbedrijf dat stageplaatsen biedt aan studenten van diverse opleidingen, waaronder de Pabo’s, ROC en andere.
In de CAO Primair Onderwijs is vastgelegd dat een leerkracht maximaal 930 uur per jaar voor de klas mag staan (de zgn. lesgebonden uren). De Fulltime leerkrachten zijn hierdoor niet alle lesdagen aanwezig. Ook zijn er collega’s die gebruik maken van ouderschapsverlof of bapoverlof (Bevordering ArbeidsParticipatie Ouderen.) Het streven is om leerkrachten die afwezig zijn zoveel mogelijk door dezelfde collega te laten vervangen.
Directie

Marjolein van Lieshout – van de Sande Frank Simons

m.van.lieshout@bernardus-best.nl f.simons@bernardus-best.nl

Groepsleerkrachten

1/2 a Ine van de Burgh – van der Waals (zwijs.)

i.van.der.burgh@bernardus-best.nl

1/2 b Maartje Jegerings Els van den Brandt

m.jegerings@bernardus-best.nl e.van.den.brandt@bernardus-best.nl
1/2 c Bernadette van der Heijden Riet Lamers

b.van.der.heijden@bernardus-best.nl r.lamers@bernardus-best.nl

1/2 d Marina Kaal

m.kaal@bernardus-best.nl

1/2 e Rianne Giepman

r.giepman@bernardus-best.nl


3a Berny Versmissen Janny Buuts

b.versmissen@bernardus-best.nl j.buuts@bernardus-best.nl

3 b Saskia Sanderse – Hagens Mirjam van der Vleuten – van Roy

s.sanderse@bernardus-best.nl m.van.der.vleuten@bernardus-best.nl


3/4 Kitty Steenhorst (zwijs.) Mirjam Klaumünzner – Hellings k.steenhorst@bernardus-best.nl m.klaumunzner@bernardus-best.nl

4a Renske Jorritsma Ingrid de Cock – Fermont

r.jorritsma@bernardus-best.nl i.de.cock@bernardus-best.nl
4b Marie-José van der Leest Angela Theeuwes – Bogaarts

mj.van.der.leest@bernardus-best.nl a.theeuwes@bernardus-best.nl


5a Sanne Lagerweij ( bouwmanager bb) Lidwine van Roon – Pinckaers

s.lagerweij@bernardus-best.nl l.van.roon@bernardus-best.nl

5b Henry Harmsen

h.harmsen@bernardus-best.nl

5/6 Marie-Josée Couwenbergh (zwijs.) Daniëlle Kuiten

mj.couwenbergh@bernardus-best.nl d.kuiten@bernardus-best.nl

6a Marlieke Smetsers – Moesman

m.smetsers@bernardus-best.nl


6b Anja Stijntjes – Willems Carla van den Hurk – van Kampen

a.stijntjes@bernardus-best.nl c.van.den.hurk@bernardus-best.nl

7a Wilco Bogers (ICT) Hans Mettes

w.bogers@bernardus-best.nl h.mettes@bernardus-best.nl

7b Amp van Lierop

a.van.lierop@bernardus-best.nl


7c Sandra van der Horst (zorgleerkracht) Debbie van Elderen – Peijnenburg

s.van.der.horst@bernardus-best.nl d.van.elderen@bernardus-best.nl


7/8 Elise van Roosmalen – Steenks (Zwijs)

e.van.roosmalen@bernardus-best.nl

8a Gerard van Kollenburg

g.van.kollenburg@bernardus-best.nl


8b Marie-José van Hooff – van der Wolk

mj.van.hooff@bernardus-best.nl


Theo Louwers (ICT/ vervanging)

t.louwers@bernardus-best.nl


Frans Grimberg (ondersteuning groep 8/ vervanging)

f.grimberg@bernardus-best.nl


Mirèse Donkers – Copal (bouwmanager onderbouw/ vervanging)

m.donkers@bernardus-best.nl


Interne Begeleiding

Marianne Snoeks – Verbeek Annemarie van Rooij - Megens

(groep ½, 5 t/m 8) (zwijs. + groep 3/ 4)

m.snoeks@bernardus-best.nl a.van.rooij@bernardus-best.nl



Onderwijsassistenten

Inge Verbakel Lisa Wijers

i.verbakel@bernardus-best.nl l.wijers@bernardus-best.nl

Administratie

Monique van Lochem - Rovers

balie@bernardus-best.nl
Conciërge

Yahya Mengari

y.mengari@bernardus-best.nl

Hoofdstuk 6 De organisatie van het onderwijs
6.1 De organisatie van het onderwijs in de groepen 1 en 2
Op de Bernardusschool worden de kleuters geplaatst in een gecombineerde groep ½. Ze blijven gedurende hun kleuterperiode in principe bij dezelfde leerkracht.

Het bij elkaar plaatsen van jongere en oudere kinderen in de groep heeft verschillende voordelen:

- op gezette tijden komen er nieuwe kinderen in de groep. Zeker de oudste kleuters in de groep zijn op de hoogte van de regels in de klas en helpen de instromers met het wennen aan de gang van zaken.

- kleuters hebben naar elkaar toe een groot verantwoordelijkheidsgevoel; met name de oudste kleuters bieden de jongsten veel hulp bij het spelen, leren en oplossen van problemen.

- nieuwe kleuters nemen ‘automatisch’ een aantal gedragsregels over van de oudsten.
In het verleden gingen kinderen die voor 1 oktober zes jaar werden, door naar groep 3. Kinderen die na 1 oktober zes werden bleven automatisch bijna een jaar langer in groep 2. In de Wet op het Primair Onderwijs is bepaald dat ‘najaarskinderen’ (kinderen die tussen 1 oktober en 1 januari zes jaar worden) ook door kunnen gaan naar groep 3 als zij voldoen aan bepaalde voorwaarden. De Bernardus hanteert een leerlingvolgsysteem waarbij de ontwikkeling van de kleuter door middel van observaties en toetsen in kaart wordt gebracht, hierbij wordt naar de totale ontwikkeling gekeken. Na overleg met de ouders neemt de school een beslissing over het al of niet doorgaan naar groep 3.
Activiteitenaanbod

We starten de dag met de zgn. ‘INLOOP’. De kleuters worden bij de deur door de juf begroet en gaan dan meteen aan het werk. Dat betekent dat de ouders de klas niet meer in kunnen om de juf te spreken. Wel kunnen ze post in het brievenbusje doen en zo een afspraak maken voor na school. De juf kan meteen alle aandacht geven aan de kinderen. Zo wordt de rust in de groep bevorderd, de leertijd

zo effectief mogelijk benut en gewerkt aan de zelfstandigheid van de kinderen.

De juf werkt met een wisselend groepje (eigen keuze van de kinderen of op uitnodiging van de juf) in een kring en de overige kinderen kiezen een werkje uit de kiesmand. De kringen (vertelkring, taalkring, rekenkring, doekring en themakring) zijn gekoppeld aan vaste dagen. Op deze manier kun je ook bepaalde kinderen extra aandacht geven. De werkjes in de kiesmand variëren iedere week. Ieder kind is op deze manier ’s morgens meteen zinvol bezig, zodat er geen kostbare tijd verloren gaat.


In de groepen 1/2 wordt gewerkt aan de hand van thema’s. De thema’s zijn in alle groepen hetzelfde. Omdat we uitgaan van de interesses en de onderlinge verschillen van de kinderen zal de uitwerking van een thema in elke groep anders zijn.
Het voorbereiden van een thema is voor de leerkrachten van de groepen 1/2 een gezamenlijke activiteit. Zo kunnen we brainstormen over het thema en ervoor zorgen dat de verschillende ‘vakgebieden’ goed op elkaar afgestemd worden.

De thema’s worden opgezet vanuit de kerndoelen die de Stichting LeerplanOntwikkeling voor het basisonderwijs heeft uitgewerkt.


Bij het ontwerpen van het activiteitenaanbod hanteren wij een WEB-model. Hiermee trachten wij eenzijdigheid van activiteiten te voorkomen. Er wordt invulling gegeven aan de volgende onderdelen van het WEB-model:

  • spelactiviteiten (o.a. speelhoek, huishoek)

  • constructieve en beeldende activiteiten

  • reken- en wiskundeactiviteiten

  • gespreks- en kringactiviteiten

  • lees- en schrijfactiviteiten (beginnende geletterdheid)

  • onderzoeksactiviteiten

  • muziek, dans en spel

  • bewegingsactiviteiten en spel

Belangrijke aandachtspunten hierbij zijn:




  • aanleiding en start: We starten een thema met een toneelstuk door de juffen.

  • t.a.v. de te kiezen activiteiten volgens het WEB-model houden we rekening met de

onderstaande punten van ontwikkelingsgericht onderwijs:

  • betrokkenheid: Het keuze-initiatief wordt zoveel mogelijk bij het kind gelegd. We stimuleren de zelfstandigheid van het kind, we nodigen het uit om zelf materialen mee te nemen, zelf op te ruimen, zelf zorg te dragen voor de omgeving;

  • betekenis: Is een activiteit voldoende zinvol voor een kind, spreekt de opdracht aan, biedt die mogelijkheden. Een activiteit wordt zinvol voor een kind als de opdracht voldoende open is, als de omgeving uitdagend en prikkelend is;

* bedoeling: Heeft de leerkracht de bedoeling van de activiteit voldoende helder voor ogen. Aan welke basisvoorwaarden kan/moet het kind werken, welke ontwikkelingsdoelen willen we bereiken, welke specifieke kennis en vaardigheden willen we aanleren?
Het aanbod (bedoelingen en activiteiten) wordt vastgelegd.
Bij elk nieuw thema krijgt u een kleuterinfo.

Hierin kunt u o.a. informatie lezen over het nieuwe thema en eventueel welke spullen we graag van u zouden willen ontvangen.


Daarnaast maken speelleermaterialen onderdeel uit van ons activiteitenaanbod en worden ze op verschillende manieren ingezet.

We streven ernaar om kinderen ontdekkend te laten leren.

We streven naar een ononderbroken ontwikkelingsproces en doorgaande lijn binnen ons onderwijs.

Om recht te doen aan de verschillen tussen de leerlingen differentiëren wij zowel naar boven als naar beneden.

We zoeken steeds naar een balans tussen verplichte en vrije activiteiten.
Inrichting speelleeromgeving

Bij de inrichting van onze speelleeromgeving hechten we belang aan een duidelijke, geordende indeling van onze lokalen.

Op deze manier hebben de kinderen beter overzicht bij het kiezen, spelen en opruimen.

Dit draagt bij aan een positief speelwerkklimaat. Het klaslokaal is ingedeeld in verschillende hoeken.


We streven ernaar de lokalen optimaal te benutten zodat er veel kansen zijn voor kinderen om verschillende ervaringen op te doen en om zich spelenderwijs te ontwikkelen.
Regelmatig worden de hoeken aangepast aan de thema’s waarmee we werken.

Daarbij vinden we het belangrijk dat er samenhang ontstaat tussen de diverse activiteiten.

Dit gebeurt veelal in samenspraak met de kinderen.

Zo creëren we een sfeervolle, uitdagende omgeving voor alle kinderen.


Organisatie

Kijkend naar het voorgaande vinden we het belangrijk om het onderwijsaanbod af te stemmen op verschillen tussen kinderen en organiseren we passende en betekenisvolle groepsactiviteiten op verschillende manieren.

Ook vinden we het belangrijk dat kinderen zelfstandig kunnen werken.

Dit gebeurt op verschillende manieren, o.a. door aanmoedigen om iets te doen/te onderzoeken, de nieuwsgierigheid prikkelen, belonen, etc.

Om de zelfstandigheid tijdens de werklessen te bevorderen is het ‘planbord’ ingevoerd. Hierop kunnen de kinderen zien welke werkjes en/of taakjes ze die dag of die week mogen/moeten doen, met wie en waar. De planning gebeurt door het kind, de leerkracht of in overleg tussen beiden.

Het kan zijn dat de leerkracht apart met een of meer kinderen werkt en ‘niet gestoord’ mag worden. Op zo’n moment kan het kind op het planbord zien wat het verder kan gaan doen. Het planbord is tevens een hulpmiddel om de dagen van de week aan te leren. Iedere dag heeft zijn eigen kleur. Ook in de groepen 3 t/m 8 – waar reeds gewerkt wordt met de weektaak – is deze (afgesproken) kleur terug te vinden. We betrekken kinderen bij het afronden en evalueren van activiteiten.

We hechten belang aan een goede balans tussen inspanning en ontspanning.
Volgen van kleuters

Wij volgen de ontwikkeling van uw kleuter d.m.v. observaties. Deze verwerken we in het volgsysteem KIJK! 1-2. Middels de ontwikkelingslijnen krijgen wij als school een beeld van de ontwikkeling, die kinderen vanaf jongste kleuter tot en met oudste kleuter doormaken. Wij zien dit beeld als de neerslag van een gemiddelde. Dat wil zeggen dat nagenoeg geen enkel kind zich exact zal ontwikkelen volgens de aangeduide ontwikkelingslijnen. Wij beschouwen de leerlijnen als indicatief.



6.2 De organisatie van het onderwijs in de groepen 3 t/m 8
Zoals reeds gemeld in hoofdstuk 4a werkt de Bernardusschool in de groepen 3 t/m 8 volgens het principe van het leerstofjaarklassensysteem. Rekening houdend met de leeftijd, de reeds opgedane ervaringen en de verschillende ontwikkelingsfasen van het kind is de te verwerken leerstof in 6 groepen verdeeld. Er wordt gewerkt met methoden en thema’s, die de mogelijkheid bieden tot differentiatie. Dit betekent dat de leerstof aangepast is (aange­past kan worden) aan het niveau van de individuele leerling. Om de zelfstandigheid te vergroten werken we met een weektaak. Een belangrijk uitgangspunt is dat de leerstof altijd moet voldoen aan bepaalde 'minimumeisen', ‘kerndoelen' genaamd.

In deze kerndoelen staat voor alle vakken afzonderlijk beschreven wat de kinderen na 8 jaar basisonderwijs dienen te kennen, kunnen en weten. Vanuit de inspectie wordt erop toegezien dat de gehanteerde methoden aan de wettelijke eisen voldoen.

Wij beschouwen de kerndoelen als minimumeisen. Wij trachten de kinderen meer 'mee te geven' dan volgens de kerndoelen verplicht is.
Het vakkenpakket in de groepen 3 t/m 8 ziet er als volgt uit:

groepen 3 4 5 6 7 8

godsdienst/levensbeschouwing o o o o o o

taal o o o o o o

technisch lezen o o o o o o

begrijpend lezen o o o o o o

studerend lezen o o o o

schrijven o o o o o o

rekenen o o o o o o

gymnastiek o o o o o o

wereldoriëntatie, aardr, gesch, biologie o o o o o o

sociale redzaamheid o o o o o o

verkeer o o o o o o

tekenen/handvaardigheid o o o o o o

muziek o o o o o o

Engels o o





Hoofdstuk 7 Enkele hoofdpunten van het schoolbeleid
7.1 De leerlingen - toelating
Inschrijfprocedure :

Inschrijving en plaatsing 4-jarigen

De kennismaking bestaat uit een gesprek met iemand van de schoolleiding en een rondleiding door de school. Vervolgens wordt een inschrijfformulier ingevuld of meegegeven. Ook vullen ouders een intakeformulier in. Tevens ontvangen wij van het desbetreffende kind een observatielijst van de peuterspeelzaal of het kinderdagverblijf. Mede aan de hand van beide lijsten wordt bekeken of wij als school de juiste zorg kunnen bieden. Indien nodig zal een gesprek plaatsvinden met de betrokken ouders en het zorgteam. Indien u binnen 15 werkdagen geen bericht van ons hebt ontvangen, is uw kind automatisch ingeschreven. Deze periode kan gebruikt worden voor het inwinnen van nadere gegevens bij peuterspeelzaal of kinderdagverblijf.

Vervolgens zal het kind een uitnodiging ontvangen waarop staat wanneer de eerste schooldag is. In principe is de eerste schooldag de eerste maandag na de vierde verjaardag. Echter de laatste vier weken van het schooljaar stromen er geen nieuwe kinderen meer in. Zij starten na de grote vakantie. Vier tot acht weken na de eerste schooldag zal aan de hand van de intakelijst een gesprek tussen de leerkracht en de ouders plaatsvinden.

De plaatsing van de leerlingen in de verschillende groepen wordt door de school gedaan. De plaatsing van de leerlingen wordt met de grootst mogelijke zorg uitgevoerd en daarbij wordt gebruik gemaakt van de expertise van het zorgteam.
Inschrijving en plaatsing overigen:

De plaatsing van de leerlingen in de verschillende groepen wordt door de school gedaan. Ook voor deze groep leerlingen geldt dat de plaatsing van de leerlingen met de grootst mogelijke zorg wordt uitgevoerd en daarbij gebruik gemaakt wordt van de expertise van het zorgteam.


Bij aanmelding van een leerling die overstapt naar onze school, wordt met de ouders en de leerling een afspraak gemaakt voor een kennismakingsgesprek en een rondleiding.

Na ontvangst van het inschrijfformulier vragen wij een onderwijskundig rapport op bij de school van herkomst. Tevens kan er in deze procedure contact plaatsvinden tussen de Interne begeleiders van beide scholen. Naar aanleiding van de ontvangen gegevens zal de directie op advies van het zorgteam, een beslissing nemen over de inschrijving op onze school.


Verdeling van de leerlingen en de groepen

De verdeling van de groepen en de plaatsing van de leerlingen in de groepen valt onder de eindverantwoording van de directie. Richtlijnen tot komen tot onderwijskundig werkbare groepen zijn een goede verdeling van jongste en oudste kleuters in de groepen ½, maar ook een goede verdeling tussen jongens en meisjes. Wij proberen, met de sociaal-emotionele ontwikkeling als basis, de groepen drie zodanig qua grootte samen te stellen, dat ze als één geheel tot aan groep 8 bij elkaar kunnen blijven. Mochten er echter factoren zijn zoals groepsgrootte, onderwijskundige knelpunten of gedragsproblematieken, het ontstaan van onevenwichtige parallelgroepen, dan kan een herschikking van leerlingen plaatsvinden. Deze herschikking zal in samenwerking met het zorgteam en de groepsleerkrachten plaatsvinden. Dit alles heeft tot doel om te komen tot onderwijskundig werkbare groepen.


Zindelijkheid

Als de kinderen naar school komen, gaan we er vanuit dat de kinderen zindelijk zijn. De ervaring heeft ons geleerd dat dit in de meeste gevallen ook zo is. Mocht dat niet zo zijn en ligt daar een medische reden aan ten grondslag, dan zal met de betrokken ouders naar een passende oplossing worden gezocht. In alle andere gevallen, ongelukjes daar gelaten, reken wij erop dat de ouders of iemand namens hen, het kind komt verschonen.


7.2 De leerlingen - schorsing en verwijdering
We vinden het heel belangrijk om op school een pedagogisch klimaat te scheppen waarin kinderen zich veilig en geaccepteerd voelen en waarin teamleden, ouders en kinderen respectvol met elkaar omgaan. De school moet een veilige plaats zijn, waar geen plaats is voor agressie, geweld, discriminatie, intimidatie, vandalisme of diefstal. Dit willen we onder meer bereiken door duidelijke regels en afspraken en een transparant beleid ten aanzien van ongewenst gedrag. Dit alles staat beschreven in het gedragsprotocol.
Schorsing

Schorsing is aan de orde wanneer het schoolbestuur of directie bij ernstig wangedrag van een leerling onmiddellijk moet optreden en er tijd nodig is voor het zoeken naar een oplossing.

Ernstig wangedrag van een leerling kan bijvoorbeeld zijn mishandeling, diefstal of herhaald negeren van een schoolregel; de leerling misdraagt zich zo, dat van verstoring van de rust en orde op school sprake is.
Schorsing geldt altijd voor een beperkte periode, nooit voor onbepaalde tijd.
Procedure voor schorsing:

• Namens het bestuur schorst de directeur na overleg met de bovenschools manager.

• Schorsing van leerlingen dient op basis van een voldoende gegronde reden te geschieden.

• De directeur kan een leerling voor een periode van ten hoogste één week schorsen.

• De directeur deelt het besluit tot schorsing aan de ouders mee. In dit besluit wordt vermeld: de

reden(en) voor schorsing, de aanvang en tijdsduur van schorsing en eventuele andere

genomen maatregelen.

• Een afschrift van deze mededeling wordt verzonden aan de bovenschoolse manager.

• Bij schorsing voor een periode langer dan één dag, stelt de directeur de inspectie en de

leerplichtambtenaar schriftelijk met opgave van redenen in kennis.

• Schorsing van een leerling vindt in principe pas plaats na overleg met de leerling, de ouders en

de groepsleerkracht.

• De school stelt de leerling in staat, bijvoorbeeld door het opgeven van huiswerk, te voorkomen

dat deze een achterstand oploopt.


Verwijdering

In de Wet op het basisonderwijs regelen artikel 24 en 42A de verwijdering van leerlingen.


Verwijdering is een maatregel bij zodanig ernstig wangedrag dat het bestuur concludeert dat de relatie tussen school en leerling (ouders) onherstelbaar verstoord is.

Uit de jurisprudentie blijkt dat verwijdering ook kan plaatsvinden vanwege wangedrag van ouders van leerlingen.


Verwijdering van een leerling is een ordemaatregel die een bestuur slechts in het uiterste geval en dan nog uiterst zorgvuldig moet nemen.

Wanneer het bestuur de beslissing tot verwijdering van een leerling heeft genomen, moet vervolgens een wettelijke vastgestelde procedure worden gevolgd.


Procedure voor verwijdering:

• De directeur maakt voor de bovenschoolse manager een schriftelijk rapport op.

• De bovenschoolse manager hoort zo snel mogelijk de directeur en de betrokken leerkracht(en).

• De bovenschoolse manager deelt de ouders zo snel mogelijk het voornemen tot verwijdering

van de leerling schriftelijk mee. Tegelijkertijd worden de ouders uitgenodigd de problematiek met

de bovenschoolse manager te bespreken.

• De inspectie wordt van het voornemen in kennis gesteld.

• De bovenschoolse manager adviseert het bestuur. Het bestuur beslist. Indien het bestuur afwijkt

van het advies en overweegt niet in te gaan op het verzoek tot verwijdering wordt er, alvorens

een besluit wordt genomen, eerst overleg gepleegd met de directeur.

• Wanneer het bestuur besluit een leerling te verwijderen, dan zorgt het ervoor dat een andere

school bereid is de verwijderde leerling toe te laten. Deze zin vervangen door.

Wanneer het bestuur besluit een leerling te verwijderen, spant deze zich zichtbaar en

aantoonbaar in om een andere school te zoeken voor de te verwijderen leerling.

• Wanneer het gedurende 8 weken niet lukt om de leerling te plaatsen op een andere school,

dan kan het bestuur de leerling verwijderen zonder vervolgonderwijs veilig te stellen. Het bestuur

moet kunnen bewijzen zich gedurende deze periode te hebben ingespannen een andere

school te vinden. E.e.a. dient schriftelijk vastgelegd te worden.

• Het bestuur maakt de beslissing tot verwijdering schriftelijk en met opgave van redenen bekend

aan de ouders (door toezending of uitreiking). In dit besluit vermeldt het bestuur dat de ouders

tegen de beslissing bezwaar kunnen maken. Het bestuur neemt het volgende op in het besluit:

"Binnen 6 weken na deze bekendmaking kunnen de ouders bij bevoegd gezag schriftelijk

bezwaar maken tegen de beslissing".

• Wanneer ouders tegen de beslissing bezwaar maken, beslist het schoolbestuur binnen 4 weken

na ontvangst van het bezwaarschrift. Het bestuur hoort de ouders, voordat het een beslissing

neemt. De beslissing tot verwijdering wordt kenbaar gemaakt aan de leerplichtambtenaar.


7.3 De leerlingen - schoolverlaters (zie ook hoofdstuk 9)
Als kinderen tussentijds de school verlaten – bijvoorbeeld in geval van verhuizing – sturen wij een zgn. onderwijskundig rapport naar de nieuwe school. In dit rapport worden de vorderingen van de betreffende leerling beknopt beschreven. Tevens wordt aangegeven met welke methoden het kind heeft gewerkt en dat de ontvangende school ten alle tijden relevante informatie over het kind kan opvragen. De ouders krijgen een kopie van dit rapport.
7.4 De onderwijsmethoden
Op de locatie Secr. Jansenstraat worden op dit moment de volgende methoden gehanteerd:
aanvankelijk lezen Veilig Leren Lezen, nieuwste versie/Estafette

schrijven Schrijfdans, Pennenstreken

taal Taal op Maat

studerend/begrijpend lezen Goed Gelezen

rekenen Wereld in Getallen

sociaal-emotionele ontwikkeling Kinderen en hun sociale talenten

aardrijkskunde Wijzer door de wereld

geschiedenis Wijzer door de tijd

natuuronderwijs Wijzer door de natuur

verkeer Wijzer door het verkeer

Engels Bubbles in groep 7 en 8

godsdienst Trefwoord en diverse projecten

handvaardigheid/tekenen Moet je doen

muziek methode ‘Kees’

gymnastiek Basislessen bewegingsonderwijs


Op de locatie Mgr. Zwijsenstraat worden op dit moment de volgende methoden gehanteerd:


aanvankelijk lezen Veilig leren lezen, nieuwste versie/ Estafette

schrijven Schrijfdans, Pennenstreken

taal Taal op Maat

studerend/begrijpend lezen Goed Gelezen

rekenen Wereld in Getallen/ Pluspunt

sociaal-emotionele ontwikkeling Kinderen en hun sociale talenten

aardrijkskunde Geobas

geschiedenis Bij de tijd

natuuronderwijs Natuurlijk
verkeer Claxon

Engels Junior

godsdienst Trefwoord en diverse projecten

tekenen Moet je doen

muziek Moet je doen

gymnastiek Basislessen bewegingsonderwijs


Met grote regelmaat wordt kritisch naar deze methoden gekeken. Om de methoden aan te passen aan gewenste werkwijzen en de eisen van de tijd worden zij op gezette tijden vernieuwd. Gemiddeld genomen wordt een methode 8 tot 10 jaar gebruikt alvorens zij wordt vervangen c.q. vernieuwd.

De komende jaren wordt veel geld en energie gestoken in het gelijkschakelen van de gebruikte methodes op de beide locaties. Een plan van aanpak ligt daarvoor klaar.


7.5 De zorgverbreding
Zoals omschreven staat in de algemene doelstellingen van de Bernardusschool willen wij met ons onderwijs zoveel mogelijk aansluiten bij de vermogens en leerbehoeften van het individuele kind. Wij stellen ons op het standpunt dat niet het kind zich moet aanpassen aan het onderwijs, maar dat het onderwijs aangepast moet zijn aan het kind = adaptief onderwijs.

Om e.e.a. daadwerkelijk te kunnen realiseren hanteren de leerkrachten een systeem bestaande uit protocollen, regels en afspraken. Met één woord noemen we deze aanpak zorgverbreding. Alle zaken m.b.t. de zorgverbreding zijn vastgelegd in het Zorgplan. Binnen de zorgverbreding neemt het LeerlingVolgSysteem (LVS) een belangrijke plaats in: Alle kinderen worden met behulp van screeningslijsten en Cito-toetsen regelmatig getoetst.


Analyse van de toetsresultaten en een vergelijking met landelijke gemiddelden brengt onmiddellijk aan het licht welke kinderen kampen met een achterstand bij bepaalde leer- en ontwikkelingsgebieden, welke kinderen een voorsprong hebben en welke kinderen in de pas lopen.

Met name voor de eerste groep leerlingen worden dan maatregelen genomen om de achterstand weg te werken c.q. aangepaste leerstof aan te bieden. Welke maatregelen dat kunnen zijn, kunt u verderop lezen. Voor een aantal kinderen is er de mogelijkheid, na zorgvuldige screening, deel te nemen aan de “uitdagers voor kids” . Tijdens deze bijeenkomsten gaan de leerlingen uit de groepen 5 tot en met 8 samen aan de slag. Hierbij kunt u denken aan bridgen, tijdschriften maken, filosoferen en wiskundige vraagstukken.


Samengevat werkt het systeem als volgt:
* kinderen worden regelmatig getoetst door de groepsleerkracht;

* de Cito resultaten worden bekeken samen met de interne begeleider en vergeleken met de resultaten van de kinderen in de klas en de landelijke scores;

* wanneer in enig leer-en/of ontwikkelingsgebied een achterstand wordt geconstateerd volgt een analyse om het probleem zo scherp mogelijk in beeld te brengen;

* bij uitval bij de niet methodegebonden toetsen wordt door de groepsleerkracht een handelingsplan opgesteld. In een handelingsplan wordt vastgelegd hoe vaak, op welke manier en met behulp van welke leerstof/hulpmiddelen het betreffende kind gedurende een periode van - meestal - zes weken binnen de eigen klas extra hulp krijgt; Hiervan wordt u door middel van een briefje op de hoogte gesteld;

* hulp aan kinderen kan ook worden geboden door de interne begeleider en/of zorgleerkracht binnen de klas;

* wanneer een handelingsplan geen of te weinig resultaat oplevert kan de leerling besproken worden tijdens de Consultatieve Leerlingbespreking.

Hierbij is de orthopedagoog van de stichting SPOOB aanwezig. Tijdens dit gesprek wordt in overleg met de leerkracht, de ib-er en de orthopedagoog bekeken of een nieuw handelingsplan volstaat of nader onderzoek nodig is;

* nader onderzoek kan worden uitgevoerd door de i.b.-er of door de orthopedagoog;

* het onderzoek bij de orthopedagoog wordt door de school aangevraagd omdat de leerkracht een hulpvraag heeft. De ouders moeten hiervoor hun toestemming geven. Het aantal onderzoeken is beperkt. Wanneer ouders een hulpvraag hebben, kunnen zij zelf een onderzoek laten doen. De eventuele kosten die aan een dergelijk onderzoek verbonden zijn, komen dan voor rekening van de ouders. De ib-er kan samen met de ouders bekijken waar ze het beste met hun hulpvraag naar toe kunnen;

* aan de hand van de uitkomsten van dit onderzoek wordt bepaald hoe met het kind verder gewerkt wordt;



* indien nodig kan hulp gevraagd worden in de vorm van Preventieve Ambulante Begeleiding (PAB): Een leerkracht van een school voor speciaal onderwijs komt naar onze school om de leerkracht handelingstips en adviezen te geven. Dit is een kortdurend traject;
* in uitzonderingsgevallen adviseren wij de ouders om het kind te laten doubleren;

* in het uiterste geval wordt een kind verwezen naar een school voor Speciaal Basisonderwijs.

* het kind wordt aangemeld bij de Permanente Commissie Leerlingenzorg (PCL). Deze commissie beslist aan de hand van een door de basisschool aangeleverd onderwijskundig rapport over de toelaatbaarheid van het kind op een Speciale Basisschool;

* de Speciale Basisschool beslist over toelating van het kind;

* vanaf het moment dat extra hulp aan een kind wordt gegeven, worden ouders hierbij betrokken en is de groepsleerkracht eerste aanspreekpunt.
Het streven is om de kinderen in een ononderbroken ontwikkelingslijn door de groepen 1 t/m 8 te laten gaan. Door omstandigheden - die heel verschillend van aard kunnen zijn - is dit niet altijd mogelijk. In voorkomende gevallen proberen wij het kind in zijn/haar jaargroep te houden en binnen de groep het onderwijs op één of meerdere onderdelen aan te passen.
In uitzonderingsgevallen, te denken valt aan een kind met een ontwikkelingsachterstand en/of leerachterstand(en), zullen wij de ouders voorstellen om het kind te laten doubleren, maar alleen dan wanneer wij ervan overtuigd zijn dat het kind écht baat heeft bij zittenblij­ven.

Er zitten ook kinderen op school, die zich véél sneller ontwikkelen dan het gemiddelde kind. Er is dan sprake van een ontwikkelingsvoorsprong. Ook deze kinderen worden nauwgezet - extra - gevolgd. De begeleiding van deze kinderen vindt ook zoveel mogelijk in de groep plaats. In uitzonderlijke gevallen kan besloten worden - na overleg met de ouders - om een kind een groep over te laten slaan.


De wijze waarop de zorgverbreding binnen de school gestalte moet krijgen is wettelijk geregeld door de wet Weer Samen Naar School (W.S.N.S.). Samengevat komt deze wet erop neer, dat basisscholen moeten streven naar een beperking van het aantal verwijzin­gen van kinderen naar een school voor speciaal onderwijs.
De Bernardusschool werkt, zoals wettelijk verplicht is, samen met andere basisscholen en basisscholen voor speciaal onderwijs in het samenwerkingsverband Eindhoven e.o. Alle zaken die met zorgverbreding te maken hebben zijn onder auspiciën van dit samenwer­kingsverband vastgelegd in een Zorgplan. Het voert te ver om de inhoud hiervan op te nemen in deze schoolgids. Heeft u belang­stelling, een exemplaar van dit zorgplan ligt ter inzage op school.
Het is van belang te weten dat het hele proces rondom W.S.N.S. gericht is op a. voorko­ming van achterstand bij kinderen en b. op het weg werken daarvan. Zorgverbreding behelst echter ook extra zorg voor kinderen, die zich sneller ontwikkelen, c.q. sneller leren dan het gemiddelde kind. Hierbij kunt u denken aan hoogbegaafde kinderen.
De Bernardusschool vindt het belangrijk om ook voor deze kinderen adaptief onderwijs te verzorgen. We proberen hen door aanschaf van specifieke materialen de mogelijkheid te bieden om op hun eigen niveau te werken.
7.6 De orthopedagoog
Sinds december 2008 hebben de drie schoolbesturen van Best een orthopedagoog, namelijk Lous de Jong, in dienst. In haar werk houdt zij zich onder andere bezig met het adviseren en begeleiden van de scholen. Dit kan betekenen dat ze leerlingen observeert of onderzoekt. Er zijn verschillende soorten van onderzoek mogelijk:

  • Een observatie: de orthopedagoog observeert het kind in de klas en/of de schoolse situatie

  • Een intelligentieonderzoek: de orthopedagoog neemt een intelligentietest af

  • Een onderzoek gericht op de informatieverwerking en/of aandacht: de orthopedagoog neemt, afhankelijk van de vraag en de uitkomsten van een eventueel eerder afgenomen intelligentieonderzoek, een aantal tests af die de informatieverwerking, de concentratie en/of de aandacht meten

  • Een onderzoek gericht op de sociaal-emotionele ontwikkeling: de orthopedagoog laat de leerling en/of de leerkracht en/of de ouders een aantal vragenlijsten invullen. Ook kan er gebruik gemaakt worden van projectiemateriaal en vindt er een gesprekje met het kind plaats

Bij al deze onderzoeken wordt niet alleen specifiek naar de uitkomsten van de testen gekeken, maar wordt tevens de leerling en zijn/haar werkhouding geobserveerd.

Ook is het, naast bovenstaande vormen van onderzoek, mogelijk dat school en/of ouders vragenlijsten invullen die de orthopedagoog vervolgens verwerkt.

Naast het verrichten van onderzoek heeft de orthopedagoog een begeleidende rol ten opzichte van de scholen en hun medewerkers. Dit betekent dat de orthopedagoog gesprekken voert in het kader van het leerkrachthandelen. Tijdens deze gesprekken brengt de leerkracht casussen uit de praktijk in en geeft de orthopedagoog adviezen hoe de leerkracht met deze casussen om kan gaan. Concreet
kan dit betekenen dat een leerkracht zaken waar hij tegenaan loopt met bepaalde leerlingen bespreekt met de orthopedagoog en deze in dat kader adviezen doet voor het leerkrachthandelen.

Meer informatie over de werkzaamheden van de orthopedagoog kunt u vinden op www.bestpassendonderwijs.nl .


Wanneer de leerkracht een hulpvraag heeft, kan deze in overleg met de IB-er en met toestemming van de ouders een onderzoek aanvragen. De school heeft hiervoor een budget. Het aantal onderzoeken dat hieruit betaald kan worden is echter beperkt. Wij wijzen de ouders erop dat zij ook zelf hun kind kunnen laten onderzoeken. De IB-er kan de ouders helpen met het vinden van de juiste instantie.


7.7 Protocol Leerling Gebonden Financiering


  1. Ouders van kinderen met een leerling gebonden financiering (rugzak) komen tot het besluit van een (tijdelijke) basisschool plaatsing.




  1. De ouders nemen contact op met de Bernardusschool. De directie legt hen het door de school gehanteerde protocol voor.




  1. De aannamecommissie (leerkracht, intern begeleider en directeur) van de Bernardusschool bepreekt met de ouders de aard van de problematiek en vraagt toestemming het volledige dossier te mogen bestuderen (indien ouders dit weigeren zal de leerling niet worden toegelaten). De school kan te allen tijde advies/voorlichting inwinnen bij een deskundige(n).

Aandachtspunten bij de bestudering van het dossier zijn:



    • de didactische mogelijkheden die de school kan bieden,

    • de leerbaarheid van de leerling,

    • de pedagogische mogelijkheden die de school kan bieden,

    • de pedagogische mogelijkheden van de leerling,

    • de sociaal/emotionele ontwikkeling van de leerling,

    • de organisatorische mogelijkheden die de school kan bieden,

    • de bouwkundige situatie die voor de leerling mogelijk nodig is,

    • de financiële mogelijkheden die ten goede komen aan de leerling,

    • de draagkracht, aard en samenstelling van de groep waarbinnen de leerling geplaatst gaat worden,

    • de zelfredzaamheid van de leerling.




  1. Na bestudering van het dossier vindt er een gesprek plaats tussen ouders en de aannamecommissie waarin wederzijdse verwachtingen, wensen en mogelijkheden van de school worden uitgesproken. Naar aanleiding van dit gesprek kan de school te allen tijde advies/voorlichting inwinnen bij een deskundige(n). Van dit gesprek wordt een verslag gemaakt. De aannamecommissie gaat verder in beraad en neemt een weloverwogen besluit.




  1. De resultaten van de stappen 3 en 4 en het genomen besluit worden door de aannamecommissie in kaart gebracht. Het team wordt hierover geïnformeerd.




  1. De ouders ontvangen schriftelijk bericht dat de leerling wel/niet toegelaten wordt.




  1. In samenspraak met ouders, leerkracht, intern begeleider en remedial teacher en eventuele externe deskundigen wordt een behandelplan opgesteld. Ouders en school ondertekenen dit behandelplan.




  1. Het behandelplan wordt gevolgd en op vaste tijden, zoals in het plan beschreven, vindt tussen ouders en school evaluatie plaats. Van deze evaluaties wordt verslag gemaakt dat aan de ouders ter hand wordt gesteld. Indien tijdens de evaluatie blijkt dat de tussendoelen die in het behandelplan zijn gesteld niet worden behaald, kan in het overleg tussen ouders en school besloten worden dat:

    • de doelen in het behandelplan moeten worden bijgesteld of

    • een plaatsing op de Bernardusschool niet langer verantwoord is omdat de onderwijsvraag van de leerling vanuit de basisschool niet kan worden beantwoord. Zoveel mogelijk in overleg met de ouders wordt dan een nieuw traject uitgestippeld.




  1. Indien na herindicatie blijkt dat de leerling niet meer in aanmerking komt voor LGF, kan hij/zij geen aanspraak maken op extra zorg (betaald vanuit de LGF). De leerling valt dan binnen de reguliere zorg van de Bernardusschool.


7.8 Kwaliteitszorg
De kwaliteit van het onderwijs op de Bernardusschool wordt in hoge mate bepaald door de man of vrouw voor de klas. Het (didactisch) functioneren van de groepsleerkrachten is om die reden speerpunt nummer één binnen het streven naar kwaliteitsverbetering. In een POP (persoonlijk ontwikkelingsplan) geven alle teamleden aan hoe zij hun bekwaamheden als leerkracht verder willen vergroten. De bekwaamheidseisen voor leraren, zoals vastgelegd in de wet BIO (beroepen in het

onderwijs) zijn de basis voor de verbeteractiviteiten. In het verbeteringstraject is het mogelijk dat ook de directie na overleg met de schoolbegeleider verbeterpunten laat opnemen in het POP van een teamlid.


In POP-evaluatiegesprekken tussen leerkrachten en een directielid of de schoolbegeleider wordt de voortgang van de kwaliteitsverbetering geëvalueerd.




1   2   3   4   5   6   7   8   9


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina