Schoolondersteuningsprofiel: concept 1



Dovnload 40.73 Kb.
Datum22.07.2016
Grootte40.73 Kb.


Schoolondersteuningsprofiel: concept

1

Beschrijving van het Mondial College Nijmegen, locatie Meeuwse Acker



Het Mondial College bestaat uit twee locaties: de locatie Leuvensbroek (atheneum, havo, technasium en onderbouw havo/vmbo-T) en de locatie Meeuwse Acker (vmbo). Beide locaties staan in de wijk Lindenholt van de gemeente Nijmegen. De onderwijsgebouwen voldoen aan de regels met betrekking tot de toegankelijkheid van openbare gebouwen. Het gebouw op de locatie Meeuwse Acker kent 2 verdiepingen en 1 lift en is daarmee optimaal toegankelijk.

De locatie Meeuwse Acker biedt in de leerjaren 1 tot en met 4 onderwijs aan op vmbo-Basis, -Kader en -Theoretisch (T) niveau.

De locatie kent een indeling in kernteams waarbij een afdelingsleider, leerlingcoördinator, mentoren en docenten verantwoordelijk zijn voor een beperkte groep leerlingen. Zo wordt kleinschaligheid bevorderd binnen een grotere organisatie. De klassengrootte is in de onderbouw van vmbo-Basis en -Kader maximaal 20 leerlingen; bij vmbo-T en in de bovenbouw van vmbo-Basis en -Kader zijn de klassen vaak groter.




2

Visie op ondersteuning



De school stelt zich ten doel ervoor te zorgen dat leerlingen terecht komen op de onderwijssoort die past bij hun capaciteiten en dat zij die opleiding ook daadwerkelijk (zoveel mogelijk binnen de ervoor gestelde termijn) met succes doorlopen en afronden. Daarnaast willen we dat de leerlingen een loopbaan-oriëntatieprogramma doorlopen, zodat zij een passende vervolgopleiding vervolgen?. Een goede studiebegeleiding, keuzebegeleiding en sociaal-emotionele begeleiding is daarbij van groot belang.

Uitgangspunten bij de inrichting van de leerlingbegeleiding zijn:


  1. De begeleiding is nadrukkelijk bedoeld voor álle leerlingen

  2. De begeleiding ligt zo dicht mogelijk bij de leerling

  3. De mentor is de spil in de begeleiding en communicatie

  4. De nadruk in de begeleiding ligt op uitvoering in de klas

  5. De begeleiding doet recht aan de verscheidenheid van zowel leerlingen als locaties.

Doel is de leerlingen dát te bieden waarvoor ze gekomen zijn: ‘talentontplooiing en groei’

De volgende personen spelen bij de leerlingbegeleiding een rol: mentoren, afdelingsleiders, docenten (in hun vaklessen), de decaan en de zorgcoördinator. De zorgcoördinator wordt daarbij ondersteund door de mensen van het interne en externe Zorg Adviesteam.


3

Basisondersteuning (1e lijn) (De basisondersteuning is onderverdeeld in lijnen van eenvoudige ondersteuning naar meer ondersteuning)

3.1

De docent geeft lessen in zijn vak en speelt tijdens de lessen in op de diversiteit van de leerlingen.

De mentor van een eerste leerjaar ontvangt bij aanvang van het schooljaar belangrijke achtergrondinformatie over de leerling, waaruit handelingsgerichte adviezen voor toepassing in de klas worden gehaald.De mentor geeft vaklessen aan zijn klas, aangevuld met een mentorles. In de mentorlessen is er aandacht voor het ontwikkelen van studievaardigheden.

Onze locatie heeft beperkte mogelijkheden om huiswerk te maken onder toezicht.

Als uit de rapportvergadering of de informatie uit het leerlingvolgsysteem (LVS) blijkt dat de leerling extra ondersteuning nodig heeft, bekijken de mentor en de afdelingsleider aan welke hulp gedacht moet worden. Zij overleggen hierover met de ouders. Wanneer de hulp de mogelijkheden van de mentor te boven gaat, meldt de mentor/de afdelingsleider de leerling aan bij de zorgcoördinator.


3.2

De organisatie van de 1e lijnondersteuning:

  • Hoe wij de leerling systematisch volgen:

Van de leerlingen wordt de informatie van de basis- of toeleverende school gebruikt om de leerling op het juiste niveau/in de juiste richting te plaatsen. Deze gegevens worden met de informatie, die tijdens het schooljaar wordt verkregen (zoals cijfers, informatie van ouders en leerling, en onderzoeksresultaten) opgeslagen in het leerlingvolgsysteem.

De informatie uit het LVS wordt tijdens de schoolloopbaan als basis gebruikt om steeds weer de juiste ondersteuning te bieden dan wel adviezen te geven.

Op drie momenten in het jaar vinden rapportvergaderingen plaats. In de rapportvergadering worden de vorderingen en kort het sociaal-emotioneel functioneren van de leerling besproken.

Daarnaast vinden regelmatig leerlingbesprekingen plaatsen, waarbij mentoren hun mentorleerlingen bespreken. Het gaat hierbij dan vooral om het (sociaal) functioneren van de leerlingen, maar ook hun vaardigheden en hun talenten. Eventuele problemen kunnen ook aan de orde komen en in overleg met het docententeam en de afdelingsleiding zoekt de mentor dan naar passende oplossingen.



  • Loopbaanoriëntatie:

Gedurende de opleiding wordt studieloopbaan begeleiding aan alle leerlingen aangeboden. In dit programma begeleiden de decaan en de mentor de leerlingen in het kiezen van vakken, profielen, sectoren en vervolgopleidingen.

  • Protocollen:

Protocol schoolverzuim

Protocol dyslexie

Pestprotocol

Protocol ongewenst gedrag

Protocol meldcode kindermishandeling


4

Basisondersteuning (2e lijn): Als er wat is met een kind

4.1

Leerlingen met een kleine leerachterstand kunnen in bepaalde situaties in aanmerking komen voor ondersteuningslessen, bijv. voor begrijpend lezen of rekenen. Er zal naar worden gestreefd deze extra ondersteuning binnen onze school zo vorm te geven, dat er maatwerk wordt geleverd, in het belang van de leerling.

Een leerling met dyslexie komt in aanmerking voor extra tijd bij het maken van toetsen. Ook wordt de spelling aangepast beoordeeld.

Een leerling met dyscalculie komt in aanmerking voor extra tijd voor het maken van toetsen. De school adviseert de ouders buiten school ondersteuning te organiseren voor rekenen en wiskunde.


  • Welke ondersteuning kan de locatie aanbieden?

Een leerling die problemen heeft (zoals te veel schoolverzuim, problemen in de thuissituatie, gedragsproblemen of meer complexe leerachterstanden) krijgt ondersteuning aangeboden vanuit het interne zorgteam (IZT). De zorgcoördinator organiseert de ondersteuning en is voorzitter van het IZT. De ondersteuning bestaat uit gesprekken, advisering, screening of verwijzing. Op onze locatie zijn een schoolmaatschappelijk werker, schoolpsycholoog en een orthopedagoog beschikbaar.

  • Samenwerking met ketenpartners:

De school werkt samen met verschillende partners. De zorgcoördinator heeft contact met de leerplichtambtenaar van de gemeente, het ondersteuningsplatform van het Samenwerkings-verband (SWV) en eventuele ketenpartners.

De GGD: in het tweede leerjaar worden alle leerlingen gezien door de sociaal verpleegkundige. Ook houdt hij op school regelmatig spreekuur. Daarbij is het mogelijk dat de schoolarts aanwezig is.



4.2

De organisatie van de 2e lijnondersteuning:

  • Voordat een leerling op school komt: De aannamecommissie bekijkt na de reguliere inschrijving de ondersteuningsbehoefte van elke individuele leerling. Afhankelijk hiervan kan begeleiding opgestart worden aan het begin van het schooljaar. Door de warme overdracht van informatie over leerlingen vanuit het basisonderwijs naar onze school, is alle relevante informatie over de leerlingen bij ons aanwezig. Deze voor de lessituatie relevante informatie, gevoegd bij de informatie uit de leerlingdossiers, wordt door de mentor gedeeld met het docententeam. Daardoor weet elke docent waar de leerling extra aandacht en hulp nodig heeft. Een leerling met extra ondersteuningsbehoefte, op welk terrein dan ook, komt op een “alert-lijst”. Leerlingen op deze “alert-lijst” worden extra in de gaten gehouden, zodat wanneer het nodig is, er snel begeleiding opgestart kan worden.

Een leerling van een andere middelbare school, die onderwijs op onze locatie wil gaan volgen, heeft een gesprek met de afdelingsleider, vaak bijgestaan door de zorgcoordinator. Er wordt gekeken naar de rapportcijfers en de ondersteuningsbehoefte. De zorgcoördinator vraagt informatie op bij de school van herkomst. Hij informeert de ouders over onze mogelijkheden.

  • Als de leerling al op school zit:

Wanneer de ondersteuningsbehoefte van de leerling de mogelijkheden van de mentor te boven gaat, meldt de mentor de leerling aan bij de zorgcoördinator. De zorgcoördinator bespreekt de leerling in het interne zorgteam (IZT) of het zorg advies team (ZAT).De leerling wordt vervolgens in contact gebracht met een zorgverlener, bijvoorbeeld de leerlingbegeleider, de schoolmaatschappelijk werker, de orthopedagoog of een van de ketenpartners. De zorgcoördinator of een van interne hulpverleners overlegt met de ouders.




Als een kind medische beperkingen heeft, moet altijd met de school besproken worden of de school in staat is de nodige medische handelingen te verrichten en/of welke faciliteiten er nodig zijn.

Aan het begin van ieder schooljaar ontvangt het hoofd van de facilitaire dienst van het Zorgteam een overzicht van de leerlingen met een medische beperking en de benodigde medische handelingen.



5

Extra ondersteuning (3e lijn): als er meer voor het kind geregeld moet worden

5.1

Als er zwaardere beperkingen zijn

  • Wat wij verwachten van een leerling met een zwaardere beperking:

De leerling met een lichamelijke beperking is mobiel en in staat de algemene dagelijkse handelingen zelf te verrichten. Ook eventuele medische handelingen moet de leerling zelf kunnen verrichten. De mate van verzorging en/of behandeling vraagt niet zoveel tijd en energie dat het onderwijs niet tot zijn recht komt. De leerling is in staat om met handzame audio-hulpmiddelen de docent te verstaan en verstaanbaar te reageren.

De leerling moet om kunnen gaan met de drukte tijdens pauzes en leswisselingen. De leerling met gedrags- en/of psychiatrische problemen moet zich kunnen conformeren aan de algemeen geldende omgangsvormen en de regels van onze school. De toelating mag de veiligheid binnen de school niet verstoren. Voor de betrokken leerling en de overige leerlingen mag er geen verstoring van het leerproces ontstaan. De leerling is corrigeerbaar door de vakdocent. De leerling is aantoonbaar leerbaar in het uitvoeren van de basale, organisatorische schoolactiviteiten als agendagebruik, huiswerk en het nakomen van afspraken. De leerling is in staat om ook zelfstandig een deel van de leerstof te verwerken.



5.2

Organisatie van de 3e lijnondersteuning:

  • Voordat de leerling met een zwaardere beperking op school zit De zorgcoördinator, de orthopedagoog en de afdelingsleider hebben met de ouders en de leerling een gesprek. Voorafgaand heeft de zorgcoördinator informatie ingewonnen bij de school van herkomst. Doel van het gesprek is een compleet beeld te krijgen van de leerling en het gezin en zicht te krijgen op de ondersteuningsbehoeften van de leerling. Zo nodig overlegt de zorgcoördinator met het ondersteuningsplatform over de mogelijkheid van een arrangement.

Op basis van de te bieden ondersteuning wordt er eventueel een ontwikkel perspectief plan (OPP) opgesteld. In dit plan, dat opgesteld wordt met ouders, leerling, mentor, afdelingsleider en zorgteam staat wat een leerling nodig heeft om uiteindelijk het diploma te halen. In het OPP staat ook vermeld welke acties de mentor, de docenten, afdelingsleider (en eventuele ondersteuners) ondernemen. Er vindt minimaal 2 x per jaar een evaluatie plaats van het OPP. Met behulp van dit document en het onderliggende dossier wordt extra ondersteuning aangevraagd bij het SWV.

Als een leerling al op school zit:

Wanneer blijkt dat de leerling zware ondersteuning nodig heeft, meldt de mentor de leerling aan bij de zorgcoördinator. De zorgcoördinator bespreekt de situatie in het IZT of ZAT om te bepalen of en welk arrangement er bij het Samenwerkingsverband aangevraagd moet worden. De zorgcoördinator overlegt met de ouders.

De ondersteuning wordt vastgelegd in een handelingsplan dat cyclisch geëvalueerd wordt.

Het IZT kan beslissen een leerling voor het ZAT aan te melden. Ook een teamleider kan dat doen.

De werkwijze van het ZAT:

- Bij meer complexe vragen en vermoedens van complexe problemen wordt de leerling voor bespreking in het ZAT aangemeld bij de zorgcoördinator.

- De zorgcoördinator is de voorzitter van het ZAT. Deelnemers aan het ZAT zijn de schoolmaatschappelijk werker, de orthopedagoog, de GGD en de leerplichtambtenaar en de afdelingsleiders. Zij adviseren wat gedaan zou kunnen worden.


  • Als de leerling niet verder kan:

Kan door school niet worden voldaan aan de speciale ondersteuningsbehoeften van de leerling dan vraagt de school advies aan het ZAT of het ondersteuningsplatform. Er zal een traject uitgezet worden, bijvoorbeeld (tijdelijke plaatsing) op het Flexcollege of plaatsing op het VSO.

  • Organisatie van uitplaatsing:

De ouders en leerling zijn regelmatig door de mentor en de zorgcoördinator geïnformeerd en als gesprekspartner betrokken bij de gang van zaken. De zorgcoördinator legt de contacten met het VSO en het Samenwerkingsverband om de uitplaatsing te regelen.

6

Communicatie met ouders




De school overlegt met en informeert de ouders en de leerling over het functioneren van de leerling door middel van rapporten, mentorgesprekken, het digitale leerlingvolgsysteem Magister onderdeel cijfers, absentie en Peppels (huiswerk), met brieven en persoonlijke gesprekken.

De school informeert ouders over algemene onderwijszaken door middel van algemene ouderavonden, de schoolgids en de website van de school www.mondialcollege.nl , waarop onder andere informatie over de roosters en het informatiebulletin voor de ouders te vinden is.

De school overlegt met de ouders in de oudercontactgroep en de ouderraad en in de medezeggenschapsraad over algemene zaken, schoolbeleid e.d.


PLAATSING OP DE SCHOOL VAN AANMELDING NIET ALTIJD MOGELIJK




De school streeft ernaar dat leerlingen geplaatst kunnen worden op de school van aanmelding. Echter, niet altijd past de leerling bij de school van aanmelding. De school zoekt dan samen met de ouders een beter passende school.

Er zijn drie redenen voor doorverwijzing naar een andere school:



  1. De school kan niet voldoen aan de te specifieke ondersteuningsvraag.

  2. Een teveel aan kinderen met ondersteuningsvragen kan de ondersteuningskracht van de school te boven gaan.

  3. Het kind voldoet niet aan het niveau van de school.

De scholen van Nijmegen en omgeving zijn lid van Samenwerkingsverband Nijmegen en omgeving. Het SWV zorgt ervoor dat elke leerling een onderwijsplek op een school krijgt.

In overleg met ouders/verzorgers, de school van herkomst, de school van aanmelding en de andere school wordt de leerling door het Samenwerkingsverband op een school geplaatst waar voldaan wordt aan de zorgvraag van het kind.






Format SOP Pagina van





De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina