Screeningsmodel Zuidlaardermeer Het screeningsmodel



Dovnload 99.61 Kb.
Datum16.08.2016
Grootte99.61 Kb.

Screeningsmodel Zuidlaardermeer

Het screeningsmodel


Het screeningsmodel is een eutrofiëringsmodel op basis van Delft3D-ECO, bedoeld om inzicht te verwerven in de bijdrage van de bodem aan de waterkwaliteit van het bovenstaande water. Het model is toepasbaar op oppervlaktewateren die zich laten kenmerken als een volledig gemengd systeem waarin stratificatie nauwelijks of geen rol speelt, en waarin het zomergemiddelde chlorofylgehalte boven 50μg/L ligt. Bij een lager zomergehalte gaan processen die niet expliciet in het model zitten een dominante rol spelen (zie onder), en is de voorspelling van de algensoortsamenstelling minder betrouwbaar. Voorts zal de verblijftijd van het water in het te modelleren waterlichaam bij voorkeur 90% van de tijd groter zijn dan een maand omdat bij kortere verblijftijden bodem-wateruitwisseling een minder belangrijke rol gaan spelen dan het horizontale transport van stoffen, zodat de invloed van de bodem op de waterkwaliteit gering is. Daarom ligt het niet voor hand om het screeningsmodel te gebruiken voor stromende wateren zoals rivieren, beken en de meeste kanalen.
Het screeningsmodel is een complex kolommodel, waarbij ook bio-geochemie en algendynamiek worden meegenomen, maar het is met behulp van voor Nederlandse condities gemiddelde forcering zo ingericht dat er maar beperkte case-specifieke invoer nodig is. De door de gebruiker te leveren invoer wordt met behulp van een preprocessor geïntegreerd in de modelinvoer. Daardoor kan het model gebruikt worden door niet specialisten. De case-specifieke invoergegevens betreffen de geometrie, de waterinstroming, de nutriëntenbelasting, de gehalten van organisch koolstof en totaal fosfaat in de waterbodem, en representatieve initialisatie gegevens voor chlorofyl-a, nitraat, totaal stikstof, totaal fosfaat en slib in de waterkolom. De resterende benodigde invoergegevens liggen dus al in het screeningsmodel vast, zoals: een deel van de belastingen (zoals zuurstof en sulfaat concentraties), representatieve gemiddelde forcering met betrekking tot meteorologie, de procescoëfficiënten (zie bijlage X) en de bodemsamenstelling. Wel moet door de gebruiker met betrekking tot dit laatste aangegeven worden wat voor type bodem het watersysteem heeft: slib, veen of zand.
De gebruiker dient zich te realiseren, dat het model en de invoer vereenvoudigingen van de werkelijkheid zijn, en dat de simulatieresultaten van het model meer een gemiddeld dan een specifiek jaar betreffen. Daarom zal het model vaak het tijdstip en de grootte van gemeten pieken in een specifiek jaar niet volledig reproduceren. Echter, seizoensmatige trends en zomergemiddelden die zich in het watersysteem voordoen zouden wel moeten worden gereproduceerd. Bij die conditie maakt het screeningsmodel de waterkwaliteitsprocessen inzichtelijk en kan het voldoende betrouwbare bodem-wateruitwisselingsfluxen met betrekking tot nutriënten leveren.

In het screeningsmodel, juist omdat het een versimpeling van de werkelijkheid is met de focus op eutrofe en mesotrofe waterlichamen, zijn een aantal processen niet in het model opgenomen. Processen die niet meegenomen zijn, zijn onder andere resuspensie, graas en de groei en sterfte van waterplanten omdat in dit type waterlichamen deze processen meestal van ondergeschikt belang zijn voor de massabalansen van de nutriënten.


Systeemkenmerken


Het Zuidlaardermeer is gelegen op de grens van Drenthe en Groningen en maakt deel uit van het gebied van waterschap Hunze en Aa’s. Het Zuidlaardermeer en de omliggende polders zijn aangemerkt als Natura2000 gebied. Het Zuidlaardermeer is onderdeel van het boezemsysteem Winschoterdiep. Het meer heeft een oppervlakte van 61,2 ha, een gemiddelde diepte van 0.88 meter en is ovaal gevormd (zie figuur 1).
Het Zuidlaardermeer is ontstaan doordat door invloed van zout zeewater er op deze plek geen veen gevormd kon worden (http://www5.knnv.nl, 2012). Het probleem met de waterkwaliteit van het Zuidlaardermeer is gelegen in hoge pieken van de chlorofylconcentraties.


Figuur 1: Bovenaanzicht van het Zuidlaardermeer en de locaties van instroming van water. De dominante stromingsrichting is van zuid naar noord (van onder naar boven in deze figuur).

Modelinvoer


Zoals reeds aangegeven is voor het screeningsmodel een aantal invoergegevens nodig, zoals een maandelijkse waterbalans, geometrie, maandelijkse externe belasting van totaal stikstof, nitraat en totaal fosfaat en een aantal bodemkarakteristieken en waterkwaliteitsparameters van Zuidlaardermeer zelf voor initialisering van het model. Alle gegevens dienen representatief te zijn voor zowel Zuidlaardermeer als het gekozen simulatiejaar.

Waterbalans


Door Witteveen en Bos (Dekker, 2011) is een waterbalans van het Zuidlaardermeer voor de periode 2000 tot en met 2010 opgesteld. Uit deze waterbalans blijkt dat van het totaal aangevoerde water de Hunze de grootste aanvoerpost is: gemiddeld over de 11 jaar circa 72% van de totale hoeveelheid aangevoerd water. Dit Hunze-water bestaat ondermeer uit water dat door RWZI Gieten op de Hunze wordt geloosd en ongeveer 40% van het uitgeslagen water vanuit polder Oostermoer. De resterende 60% van het water uit deze polder wordt direct op het Zuidlaardermeer geloosd, en bedraagt zo’n 16% van de totale hoeveelheid aangevoerd water. Onderbemaling van de Leine draagt daar voor ruim 4% aan bij, en het vrij afwaterend gebied zorgt voor 1%.
Doordat het Zuidlaardermeer deel uitmaakt van een boezemsysteem is er aan de noordkant een open verbinding met het Drentsche Diep, waardoor er in droge jaren wateraanvoer is vanuit het Drentsche Diep. Over het 11-jarig gemiddelde draagt het Drentsche Diep ongeveer 1% bij aan de totale wateraanvoer, maar in droge jaren kan het aandeel van dit water ruim 10% bedragen. Neerslag zorgt voor gemiddeld een kleine 6% van de totale wateraanvoer.
In het gebied waarin het Zuidlaardermeer ligt, is er vooral sprake van kwel. Echter door drinkwaterwinning nabij het Zuidlaardermeer is er wegzijging van ongeveer 0.3 mm/dag. De verblijftijd van het water in het Zuidlaardermeer is in de winterperiode circa 17 dagen en in de zomerperiode ongeveer 33 dagen.

Externe belastingen


Door Witteveen en Bos (Dekker, 2011) is voor het Zuidlaardermeer ook een inschatting gemaakt van de externe belastingen van totaal stikstof en totaal fosfaat op het Zuidlaardermeer. Voor de Hunze is er meetdata beschikbaar. Er wordt gemeten nabij de instroom van de Hunze in het Zuidlaardermeer. Doordat er geen meetdata zijn van de kwaliteit van het uit Oostermoer en de Leine uitgeslagen water, is daarvan voor de belastingen een schatting gemaakt. Er is hierbij van uitgegaan dat het water in de winter vooral zal bestaan uit water dat uit- en afspoelt van het achterliggende gebied en dat in de zomer het water lijkt op dat van het hoofdpeilvak doordat er water vanuit het hoofdpeilvak wordt ingelaten in de polders.
De resultaten van de aannames voor de kwaliteit van het uitgeslagen water en de meetreeksen van de Hunze voor totaal N en totaal P is weergegeven in figuren 2 en 3. Opvallend aan deze deels geschatte concentraties is dat voor het uitgeslagen water uit Oostermoer en De Leine totaal stikstof en totaal fosfaatconcentraties voor sommige jaren constant worden gehouden en in andere jaren weer fluctueren. Kijkend naar met name totaal stikstof, dan is het zeer goed mogelijk dat de hoeveelheid totaal stikstof die het Zuidlaardermeer ingaat voor de periode 2000-2007 wordt overschat.



Figuur 2: Door Witteveen en Bos (Dekker, 2011) geschatte totaal stikstofconcentraties van het uit Oostermoer en De Leine uitgeslagen water en gemeten totaal stikstofconcentraties van de Hunze (Waterschap Hunze en Aa’s, 2011).


Figuur 3: Door Witteveen en Bos (Dekker, 2011) geschatte concentraties van totaal fosfaat in het uit Oostermoer en De Leine uitgeslagen water en gemeten concentraties van totaal fosfaat in de Hunze (Waterschap Hunze en Aa’s, 2011).
Na aanleiding van de data in figuren 2 en 3 is er contact geweest met Waterschap Hunze en Aa’s. Daar werd aangegeven dat er verwacht wordt dat het uitgeslagen water van De Leine vergelijkbaar zal zijn met het water van Oostermoer. Doordat een gedeelte van het Hunze water bestaat uit uitgeslagen water van Oostermoer wordt gesteld dat de waterkwaliteitsdata van de Hunze geprojecteerd kunnen worden op de waterstromen van Oostermoer en De Leine. Omdat deze laatste optie een meer gedetailleerde jaarvariatie weergeeft dan de opgestelde vrachten van Witteveen en Bos is er voor gekozen om de waterkwaliteitsdata van de Hunze voor stikstof en fosfor op te leggen aan de waterstromen van Oostermoer en De Leine.
Totaal stikstofconcentraties in het Zuidlaardermeer tonen een seizoensdynamiek met hoge totaal stikstofconcentraties in de winter (circa 6 mg N/l) en lagere concentraties in de zomer (ongeveer 2.5 mg N/l) (figuur 4). De grootste toevoerbron van water, de Hunze, laat een sterk gelijkende totaal stikstofconcentratie zien. Vanaf 2009 lijken de totaal stikstofconcentraties in beide waterlichamen gedaald te zijn.


Figuur 4: Gemeten totaal stikstofconcentraties (mg N/l) in het Zuidlaardermeer en de Hunze voor de periode 2000 tot halverwege 2011.
Ook nitraat- en ammoniumconcentraties in het Zuidlaardermeer en de Hunze laten overeenkomstige concentraties zien, zij het dat de ammoniumconcentraties over het algemeen iets hoger zijn in de Hunze dan in het Zuidlaardermeer (figuren 5 en 6). Een verklaring hiervoor kan de lozing van water door RWZI Gieten op de Hunze zijn. Deze zorgt voor verhoogde ammonium en nitraatgehalten. De verlaging van de concentraties in het Zuidlaardermeer ontstaan door opname in algen, nitrificatie en denitrificatie in het meer. Nitraat- en ammoniumconcentraties laten vergelijkbare trends zien als de totaal stikstofconcentraties: hogere concentraties in de winter (3.5 mg N/l voor nitraat en 0.8 mg N/l voor ammonium) en lagere concentraties in de zomer, beide stikstoffracties tonen concentraties op detectieniveau.


Figuur 5: Gemeten nitraatconcentraties (mg N/l) in het Zuidlaardermeer en de Hunze voor de periode 2000 tot halverwege 2011.


Figuur 6: Gemeten ammoniumconcentraties (mg N/l) in het Zuidlaardermeer en de Hunze voor de periode 2000 tot halverwege 2011.
Totaal fosfaatconcentraties zijn tot en met 2003 (figuur 7) hoger in de zomer periode, gemiddeld 0.3 mg P/l. Gedurende de rest van het jaar oscilleren de concentraties rond 0.15 mg P/l. Vanaf 2005 zijn hogere totaal fosfaatconcentraties niet meer gebonden aan een periode: de ene keer komen hogere totaal fosfaat pieken voor in februari en maart en de andere keer in augustus en september. Gedurende de rest van het jaar (voor de jaren 2005 tot en met 2008) liggen totaal fosfaatconcentraties rond 0.15 mg P/l en na 2009 zijn ze wat lager, rond 0.12 mg P/l. De meetdata van totaal fosfaat laten, in tegenstelling tot de stikstofconcentraties, andere trends zien in het Zuidlaardermeer in vergelijking met de Hunze. Dit verschil hangt samen met de opname in algen en de bodem-water interactie in het meer.


Figuur 7: Gemeten totaal fosfaatconcentraties (mg P/l) in het Zuidlaardermeer en de Hunze voor de periode 2000 tot halverwege 2011.
Trends in de opgelost fosfaatconcentraties zijn pas zichtbaar na 2005, omdat de detectiegrens vanaf 2006 verlaagt is van 0.05 mg P/l naar 0.01 mg P/l (figuur 8). Tot en met 2005 worden er, met uitzondering van februari, nauwelijks tot geen opgelost fosfaatconcentraties boven 0.05 mg P/l gemeten. Na 2005 is zichtbaar dat opgelost fosfaat concentraties iets hoger zijn in de winter net op of onder 0.05 mg P/l. In de zomer worden meestal waarden op detectieniveau (0.01 mg P/l) of iets daarboven (0.02 mg P/l) gemeten. In vergelijking met gemeten opgelost fosfaatconcentraties van de Hunze, zijn deze concentraties in het Zuidlaardermeer wat lager en komt de piek in de winterperiode later.


Figuur 8: Gemeten opgelost fosfaatconcentraties (mg P/l) in het Zuidlaardermeer en de Hunze voor de periode 2000 tot halverwege 2011.
Chlorofylconcentraties in de Hunze zijn over het algemeen veel lager dan in het Zuidlaardermeer (figuur 9). Dit wordt veroorzaakt door het verschil in karakter van de twee waterlichamen: de Hunze is een rivier en het Zuidlaardermeer een meer. Hierdoor is er een verschil in relevantie van transportprocessen (meer dominant in rivieren) en waterkwaliteitsprocessen (meer dominant in meren). In het Zuidlaardermeer zijn chlorofylconcentraties in het voorjaar en in mindere mate in het najaar hoger dan in de rest van het jaar. In de periode 2000 tot en met 2005 lopen chlorofylconcentraties in het voorjaar op tot rond 200 μg/l, na 2005 zijn de voorjaarspieken minder hoog, 100 tot 150 μg/l. In de zomer zijn gemeten chlorofylconcentraties tot en met 2005 zo’n 100 μg/l, na 2005 bevinden ze zich tussen 50 en 100 μg/l.


Figuur 9: Gemeten chlorofylconcentraties (μg/l) in het Zuidlaardermeer en de Hunze voor de periode 2000 tot halverwege 2011.

Waterkolom


Om het screeningsmodel te draaien is er data nodig voor de waterbalans, voor de totaal stikstof-, nitraat- en totaal fosfaatbelastingen via aanvoerwater, en voor anorganisch zwevend stof in het Zuidlaardermeer zelf. De data voor de waterbalans en de externe stoffenbelasting is reeds besproken, waarbij de 11-jaargemiddelde waterbalans wordt gebruikt en de geschatte belastingen door Witteveen en Bos, waarbij voor de Leine en Oostermoer de waterkwaliteitsdata van de Hunze wordt gebruikt. Voor concentraties van anorganisch zwevend stof blijken er geen meetgegevens beschikbaar: er is enkel totaal zwevend stof gemeten. Er is een vuistregel toegepast om het aandeel anorganisch zwevend stof te schatten:
Totaal zwevend stof – 2.5 * ( [chlorofyl] * ‘C:chloro_ratio_algen’ * 2.5)
Rond medio 2008? is er in de stikstof- en fosfaatdata een trendbreuk zichtbaar en voor chlorofylconcentraties rond 2005. Voor de selectie van jaren waarover meetdata wordt gemiddeld, lijkt daarom iets te zeggen om de simulatie op te zetten met data van de periode 2009 tot en met halverwege 2011. Echter, de meetreeks omvat dan net twee jaar, wat kort is om maandgemiddelde data te genereren. Er is daarom voor gekozen de periode te vergroten tot 2006 tot en met halverwege 2011. 2006 is als startjaar genomen omdat vanaf dat jaar trends in opgelost fosfaat zichtbaar zijn.
Tabel 1.1: Aan het model opgelegde wateraanvoer, nutriëntgehalten in het aanvoerwater, en anorganisch slibconcentraties in het Zuidlaardermeer.

Parameter

Water-aanvoer

Totaal stikstof

Nitraat

Totaal fosfaat

Anorganisch zwevend stof

Maand

(m3/s)

mg N/l

mg N/l

mg P/l

mg/l

Januari

4.03

21.27

14.67

0.55

8.2

Februari

3.80

18.89

9.57

0.50

22.6

Maart

4.38

21.76

10.44

0.71

17.1

April

2.29

6.42

2.35

0.36

35.3

Mei

1.89

6.28

2.51

0.28

18.0

Juni

1.43

3.08

1.00

0.18

17.4

Juli

2.25

4.75

0.46

0.27

14.8

Augustus

2.51

6.10

2.21

0.34

20.7

September

2.66

5.47

2.60

0.31

17.3

Oktober

2.95

8.86

3.88

0.31

7.9

November

4.60

19.33

9.20

0.73

7.7

December

4.56

24.16

13.68

0.67

8.2



Initialisering


Het screeningsmodel wordt geïnitialiseerd door voor de waterkolom de concentraties van chlorofyl, opgelost koolstof, totaal stikstof, nitraat, totaal fosfaat en zwevend stof de over de jaren 2006 tot en met 2011 gemiddelde maandconcentratie van januari op te geven. De bodem wordt geïnitialiseerd door gebruik te maken van bodemmetingen (Beware, 2011) van totaal organisch koolstof en totaal fosfaat (tabel 1.2). Totaal organisch koolstof is berekend aan de hand van het percentage droge stof (Smits en Van Beek, 2009). Totaal fosfaat is direct overgenomen uit de metingen. Door de porositeit van de bodem, 0.7, samen met de fractie organisch stof in droge stof, 0.07, is de bodem geclassificeerd als slibbodem en derhalve is het screeningsmodel gedraaid met de slibbodemmodule.
Tabel 1.2: Initiële water- en sedimentkwaliteit in het Zuidlaardermeer, respectievelijk in mg/l (chl-a in ug/l) en mg/kg droge stof.




Chlorofyl

Totaal organisch koolstof

Totaal stikstof

Nitraat

Totaal fosfaat

Anorganisch

slib


Oppervlaktewater

13.75

22.00

6.17

3.36

0.17

9.50

Sediment

0.00

29000

0.00

0.00

336

0.00

Opzet van de simulatie


Het model simuleert 6 jaar, waarbij voor elk jaar dezelfde, voor Nederland gemiddelde meteorologische forcering wordt gebruikt. De eerste twee jaar zijn nodig als initialisatieperiode van de invoergegevens en het derde jaar (2002, fictief) wordt als maatgevend gezien. De overige drie simulatiejaren geven inzicht in de mate van stabiliteit in het systeem: is het systeem in evenwicht of zit het in een overgangsfase. De modelresultaten worden vergeleken met maandgemiddelde meetdata voor de desbetreffende parameter van het Zuidlaardermeer voor de periode 2006 tot en met 2011. Rondom de gemiddelde meetwaarde is plus en min de standaarddeviatie weergegeven.

Resultaten


Het verloop van de meetdata van totaal stikstofconcentraties over het jaar, wordt door het model goed gereproduceerd. Voor de winterperiode is sprake van enige ondervoorspelling van de gemeten gehaltes (figuur 10).

Figuur 10: Gesimuleerd en gemeten totaal stikstofconcentraties (mgN/L) in het Zuidlaardermeer, representatief voor de periode 2006-2011.


Nitraatconcentraties (figuur 11) worden door het model qua verloop en grootte goed gesimuleerd. In het zomerhalfjaar zijn de gesimuleerde nitraatconcentraties iets hoger dan de op detectiegrens gemeten nitraatconcentraties.

Figuur 11: Gesimuleerd en gemeten nitraatconcentraties (mgN/L) in het Zuidlaardermeer, representatief voor de periode 2006-2011.


Ammoniumconcentraties worden in november, december en januari te laag gesimuleerd in vergelijking met meetdata (figuur 12). Wel wordt in november en december de waargenomen sprongsgewijze toename in ammoniumconcentraties gesimuleerd. In het zomerhalfjaar worden ammoniumconcentraties op detectieniveau gemeten, waar het model ammoniumconcentraties van nagenoeg nul simuleert. Beide geven aan dat ammonium in het zomerhalfjaar vrijwel wel uitgeput raakt. Het model zit tegen stikstoflimitatie aan (zie ook nitraat), terwijl in de werkelijkheid langdurig stikstoflimitatie optreedt in de zomer.

Figuur 12: Gesimuleerd en gemeten ammoniumconcentraties (mgN/L) in het Zuidlaardermeer, representatief voor de periode 2006-2011.


Het model ondervoorspelt het totaal fosfaatconcentratie enigzins (figuur 13). De trend in de meetdata wordt niet altijd goed gevolgd, bijvoorbeeld de overgang van april naar mei, terwijl de trend in bijvoorbeeld de periode november-december wel goed gesimuleerd wordt.

Figuur 13: Gesimuleerd en gemeten totaal fosfaatconcentraties (mgN/L) in het Zuidlaardermeer, representatief voor de periode 2006-2011.


Opgelost fosfaat laat in de meetdata met name in het zomerhalfjaar meetwaarden op of net boven detectieniveau zien. In de winter worden de opgelost fosfaatconcentraties in de meetwaarden hoger. Het model simuleert echter, met uitzondering van februari, uitputting van opgelost fosfaatconcentraties gedurende het hele jaar (figuur 14). Hiermee worden de opgelost fosfaatconcentraties door het model onderschat ten opzichte van de meetdata. In het meer treedt alleen in het zomer halfjaar regelmatig fosforlimitatie van algen op, terwijl het model met uitzondering van februari het gehele jaar door op fosforlimitatie zit.

Figuur 14: Gesimuleerd en gemeten opgelost fosfaatconcentraties (mgN/L) in het Zuidlaardermeer, representatief voor de periode 2006-2011.


De trend in de gemeten chlorofylconcentraties worden door het model niet gevolgd in de winter. Dan is sprake van overvoorspelling. In januari en februari zijn echter geen meetdata beschikbaar, waardoor niet te herleiden is of het model goed of slecht de gemeten chlorofyltrend volgt. De tijdelijke afnamen van chlorofyl in mei en augustus worden niet gevolgd (figuur 15). In de zomermaanden simuleert het model de chlorofylconcentraties niettemin vrij goed.

Figuur 15 Gesimuleerd en gemeten chlorofyl-a concentraties (μgN/L) in het Zuidlaardermeer, representatief voor de periode 2006-2011.

Het doorzicht wordt door het model redelijk tot goed gesimuleerd (figuur 16). Rond februari is er een lichte overschatting en in het najaar een lichte onderschatting. De goede simulatie van doorzicht is opmerkelijk omdat het doorzicht mede afhangt van algenbiomassa, ergo van chlorofylconcentraties. Chlorofylconcentraties zijn met name in het najaar goed voorspeld wanneer er een onderschatting is van het doorzicht. Waar een overschatting is van de chlorofylconcentraties, zoals in november en december, wordt het doorzicht goed voorspeld. Dit duidt erop dat chlorofylconcentraties niet de enige sturende factor zijn in het doorzicht. Als gevolg van een onjuist voorspelde soortsamenstelling kan er in de modelsimulatie sprake zijn van een te hoge of the lage chlorofyl/koolstofverhouding.

Figuur 16: Gesimuleerd en gemeten doorzicht (dm) in het Zuidlaardermeer, representatief voor de periode 2006-2011.


Poriewater

Naast de oppervlaktewaterconcentratie van verschillende parameters, kunnen ook de poriewaterconcentraties vergeleken worden met de berekeningen. Figuur 17 toont dat de gemeten concentraties een grote spreiding tonen, variërend van een factor 2 lager tot een factor 10 hoger ten opzichte van de door het model berekende concentraties.



Figuur 17: Gesimuleerde en gemeten P-concentraties in het poriewater van het Zuidlaardermeer (de omcirkelde meetpunten indiceren de locatie waar de naleveringsexperimenten zijn uitgevoerd).


Ondanks de gemiddeld lager gesimuleerde concentraties (zeker voor de locatie waar de naleveringsproeven zijn uitgevoerd) is de berekende bruto nalevering, 0,65 gP/m2/jaar (zie figuur 22), veel hoger dan de gemeten nalevering (ca. 0,05 gP/m2/jaar).

Stofbalansen


Figuren 18 tot en met 21 laten de massabalansen voor totaal fosfaat verdeeld over vier kwartalen zien. Figuren 23 tot en met 26 tonen dergelijke balansen voor totaal stikstof. Figuren 22 en 27 laten respectievelijk de jaarbalansen van totaal fosfaat en totaal stikstof zien. Omdat er in het model herverdeling van stofconcentraties in de sedimentlagen plaats kan hebben, kan er, ondanks wegzijging, aanvoer zijn van stoffen naar bovenliggende lagen. In werkelijkheid is er in geval van wegzijging altijd een afvoer van stoffen evenredig met de wegzijgingssnelheid. De bergingsposten impliceren een toe- of afname van het gehalte in water of bodem aan het eind van een simulatieperiode ten opzicht van het begin van de periode.

Figuur 18: Massabalans voor totaal fosfaat voor het eerste kwartaal in gP/m2/kwartaal.


Figuur 19: Massabalans voor totaal fosfaat voor het tweede kwartaal in gP/m2/kwartaal.


Figuur 20: Massabalans voor totaal fosfaat voor het derde kwartaal in gP/m2/kwartaal.


Figuur 21: Massabalans voor totaal fosfaat voor het vierde kwartaal in gP/m2/kwartaal.


Figuur 22: Massabalans voor totaal fosfaat voor een jaar in gP/m2/jaar.


De massabalansen voor totaal fosfaat tonen dat er jaarlijks meer totaal fosfaat het Zuidlaardermeer instroomt (2.24 gP/m2/jaar) dan dat er uit stroomt (1.91 gP/m2/jaar) (figuur 22 en tabel 1.3). De uitstroming bedraagt zo’n 65% van de totale externe belasting (instroom en atmosferische depositie). Van het resterende totaal fosfaat wordt er zo’n 22% vastgelegd in het sediment. Het verlies via wegzijging is ruim 14%. De figuren 17 tot en met 20 laten zien dat bovengenoemde cijfers niet constant over het jaar zijn: ophoping van totaal fosfaat in het sediment is het kleinst is in het derde kwartaal. In dit kwartaal is de naleveringsflux door de bodem ook het grootst. De resultaten laten zien dat de bodem een put is voor fosfaat, waarbij dus de bezinkingsflux groter is dan de naleveringsflux.
Tabel 1.3: absolute fluxen van totaal fosfaat in Zuidlaardermeer (g P/m2/jaar) en de relatieve bijdrage van de fluxen ten opzichte van de totale externe belasting (aanvoer via water en atmosferische depositie) (%).




Absoluut (g P/m2/jaar)

Relatief (%)

Aanvoer via water

2.24

76.41

Atmosferische depositie

0.05

1.57

Bezinking

1.02

34.66

Nalevering

0.65

22.03

Afvoer via water

1.91

65.34

Berging in opp water

0.00

0.0

Berging in sediment

0.22

22.02

Wegzijging/begraving

0.15

14.41


Figuur 23: Massabalans voor totaal stikstof voor het eerste kwartaal in gN/m2/kwartaal.


Figuur 24: Massabalans voor totaal stikstof voor het tweede kwartaal in gN/m2/kwartaal.


Figuur 25: Massabalans voor totaal stikstof voor het derde kwartaal in gN/m2/kwartaal.


Figuur 26: Massabalans voor totaal stikstof voor het vierde kwartaal in gN/m2/kwartaal.


Figuur 27: Massabalans voor totaal stikstof voor een jaar in gN/m2/jaar


De massabalansen voor totaal stikstof laten zien dat er op jaarbasis meer totaal stikstof via externe belasting het systeem inkomt (62.7 gN/m2/jaar) dan dat er via uitstroming uitgaat (51.8 gN/m2/jaar) (figuur 27 en tabel 1.4). De uitstroom bedraagt ruim 80% van de totale externe belasting. De overige totaal stikstof bezinkt naar het sediment. Op jaarbasis neemt echter het totaal stikstof in de bodem af: door denitrificatie in de bodem verdwijnt 13.0 gN/m2/jaar. Dit is bijna een kwart van de totale externe belasting. Zo’n 1.7 gN/m2/jaar verdwijnt uit het systeem door wegzijging.
Uit de kwartaalbalansen (figuren 22 tot en met 25) wordt duidelijk dat in het winterhalfjaar de externe stikstofbelasting hoog is in vergelijking met het zomerhalfjaar. De hoge winterhalfjaar belastingen zijn met name terug te vinden in de eveneens hoge uitstroom van totaal stikstof. Alleen in het derde kwartaal is er sprak van nalevering van totaal stikstof in het sediment. In de overige kwartalen is er geen bruto nalevering van stikstof.
Tabel 1.4: Absolute fluxen van totaal stikstof in Zuidlaardermeer (gN/m2/jaar) en de relatieve bijdrage van de fluxen ten opzichte van de totale externe belasting (aanvoer via water en atmosferische depositie) (%).




Absoluut (g N/m2/jaar)

Relatief (%)

Aanvoer via water

62.7

96.9

Atmosferische depositie

3.1

4.8

Bezinking

14.0

20.0

Nalevering

-1.1

-1.6

Afvoer via water

51.8

80.1

Berging in opp water

-0.1

0.0

Berging in sediment

-0.7

-5.3

Denitrificatie

13.0

95.1

Wegzijging/begraving

1.7

12.7



Analyse van de resultaten


Bij het opzetten van het model zijn een aantal aannames gemaakt, zoals het overnemen van Hunze meetdata voor het polderwater van de Leine en Oostermoer dat direct op de plas wordt uitgeslagen. Dit hoeft niet de beste aanname te zijn, omdat in het Hunze water ook water zit dat afkomstig is van RWZI Gieten, dat zeker een andere samenstelling zal hebben dan water uit de polders. Echter, de gesimuleerde totaal stikstofconcentraties laten een goede overeenstemming zien met de gemeten waterkwaliteit in het Zuidlaardermeer. De totaal fosfaatconcentraties laten een minder goede overeenstemming zien, met name in de trend. De ervaring leert dat dit een relatie heeft met de afwezigheid van de resuspensie van slib en daaraan geboden stoffen in het model. Een andere oorzaak kan zijn dat er via het uitgeslagen polderwater toch meer en op andere momenten totaal fosfaat het systeem inkomt dan dat verondersteld wordt op basis van Hunze waterkwaliteitsdata.
Het niet meenemen van resuspensie in het model leidt er ook toe dat er in drie kwartalen van het jaar geen totaal stikstof van het sediment in de waterkolom komt. In het Zuidlaardermeer zal dit wel het geval zijn: door opwerveling van het sediment zullen deeltjes met daaraan stikstof gebonden in het water terecht komen. In het model is resuspensie verdisconteerd in een lagere sedimentatie snelheid. Dit zorgt er dus voor dat het in het water komen van stoffen door resuspensie niet wordt meegenomen.
De verklaring voor de overeenstemming van de waterkwaliteit van het Zuidlaardermeer en dat van de Hunze kan door twee eigenschappen van het systeem worden verklaard: het Zuidlaardermeer behoort samen met de Hunze tot hetzelfde boezemsysteem, waardoor het Zuidlaardermeer niet een geïsoleerde bak water is, maar in sterke mate wordt doorspoeld met water dat door de Hunze wordt aangevoerd. De verblijftijd in het Zuidlaardermeer is niet erg lang: slechts 17 dagen in de winter en 33 dagen in de zomer. Met name in het winterhalfjaar betekent dit dat transportprocessen een grotere rol spelen voor de waterkwaliteit in de plas.
Het model voorspelt de totaal nutriënten, stikstof en fosfaat goed (figuren 10 en 13). De fractionering van deze nutriënten gaat minder goed voor opgelost fosfaat. Het model simuleert bijna jaarrond uitputting van opgelost fosfaat wat in de meetdata voor met name het winterhalfjaar niet het geval is. Verder simuleert het model voor het zomerhalfjaar net geen volledige uitputting van nitraat, terwijl de meetdata dit wel impliceren.
De limitatie van primaire productie wordt in het model dus toegeschreven aan opgelost fosfaat en in de meetdata meer (maar niet uitsluitend) aan nitraat. Doordat de gefractioneerde stoffen grenzen aan uitputting, dan wel uitgeput zijn, respectievelijk, is het lastig om exact de goede limitatie te modelleren. Is er een groter onderscheidt tussen N-fracties en P-fractie, dan zal het model minder foutgevoelig zijn met betrekking tot type limitatie van de primaire productie. Een gevolg van een andere limitatie kan leiden tot een andere samenstelling van algen waardoor chlorofylconcentraties ook anders kunnen zijn. Dit kan een verklaring zijn voor het met name in de wintermaanden te hoog voorspellen van chlorofylconcentraties.
Niettemin wordt het doorzicht, mede bepaald door algenbiomassa en dus chlorofylconcentraties, door het model vrij goed gesimuleerd. Dit duidt erop dat er naast algenbiomassa ook andere parameters van belang zijn die het doorzicht bepalen. Een ervan is zwevend stof. Echter, het model simuleert het zwevend stof niet wezenlijk verschillend van de meetdata (figuur 28). Geresuspendeerd zwevend stof zou wel een beduidend hoger gehalte organische stof kunnen hebben dan in het model, en dus een sterkere extinctie van licht teweeg kunnen brengen.

Figuur 28: modelresultaten voor zwevend stof voor het fictieve simulatiejaar 2002 en maandgemiddelde meetdata voor de periode 2006 tot en met halverwege 2011 voor het Zuidlaardermeer.


De massabalansen van totaal fosfaat en totaal stikstof laten beiden zien dat er sprake is van seizoensdynamiek in de interne processen, zoals accumulatie dan wel verwijdering van de nutriënten in het sediment, en de externe processen, zoals de aanvoer ervan via instromend water. Jaargemiddeld komt naar voren dat het Zuidlaardermeer een deel van de vrachten van totaal fosfaat en totaal stikstof in het sediment vastlegt dan wel verwijdert, waardoor het niet doorgevoerd wordt naar het Drentsch Diep.
Conclusie

Het sediment is momenteel geen dominante bron van nutriënten voor het Zuidlaardermeer, het is zelfs een put, en derhalve niet een principale factor voor de gemeten hoge chlorofylconcentraties. Opvallende discrepantie tussen de meet- en modeldata is dat de meetdata impliceren dat het systeem eerder stikstof dan fosfaat gelimiteerd is, terwijl het model suggereert dat het systeem eerder fosfaat gelimiteerd is dan stikstof gelimiteerd. Maar voor beide nutriënten zit het Zuidlaardermeer gedurende het zomerhalfjaar tegen groeilimitatie aan. Het terugschroeven van de externe belasting kan dus zowel voor stikstof als voor fosfor leiden tot reductie van de algenbiomassa en chlorofyl.


Aanbevelingen

Het blijkt dat het screeningsmodel de fractionering van totaal stikstof en totaal fosfaat minder nauwkeurig beschrijft. Het is goed om te achterhalen waar de sleutel ligt, zoals bij onnauwkeurige belastingen (bij een tekort aan meetdata).


Literatuur

Dekker, E. (2011): “Waterbalans en belastingen Zuidlaardermeer”, Witteveen en Bos rapport DT320-2-1.



Smits, J. en J. van Beek (2009): “Ontwikkelin g screeningmodel eutrofiëring, Fase 1: Formulering en kalibratie”, Deltares rapport 1200235-008-ZWS-0001.







De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina