Sefer tol’dot yeshua



Dovnload 222.23 Kb.
Pagina3/7
Datum02.10.2016
Grootte222.23 Kb.
1   2   3   4   5   6   7

Yeshua Ben David Ben Avraham



Matityahu, die voor de Joden schreef, geeft alleen de geslachtslijst van Avraham en David af, maar Lucas, die voor de heidenen schreef, begint al met Adam. Matityahu’s bedoeling was aan te tonen, dat Yeshua het Zaad is van Avraham, in wien alle geslachten der aarde gezegend zouden worden (Gen 22:18, Gal 3:14-16) en dat Hij tevens de Erfgenaam is van David’s troon als Koning van Israël (Jes 9:5-6, Hnd 2:30). Lucas daarentegen wilde aantonen, dat Yeshua het Zaad der vrouw was, dat de kop van de slang zou vermorzelen (Gen 3:15, Hebr 2:14). Daarom gaat hij terug tot Adam en eindigt zijn geslachtslijst met de woorden: “…de zoon van Adam, de zoon van G’d” (Lc 3:38). Adam wordt hier de zoon van G’d genoemd, omdat hij geen biologische vader had, maar door de Eeuwige naar Zijn evenbeeld is geschapen. Maar het is tevens een omschrijving voor Yeshua, omdat deze laatste woorden van Zijn geslachtsregister zowel Zijn G’ddelijke alsook Zijn menselijke natuur aanduiden, want Hij was beide: de Zoon van Adam ofwel de Zoon des mensen [Ben haAdam] en de Zoon van G’d [Ben Elohim], opdat Hij de geschikte Middelaar zou zijn tussen G’d en de kinderen van Adam, en de kinderen van Adam door Hem er toe in staat zouden worden gesteld om kinderen van G’d te worden, want toen G’d in Eden het oordeel uitsprak, deed Hij de belofte dat het Zaad van de vrouw de kop van de slang zou vermorzelen (ty>arb B’reshit [Genesis] 3:15). Dit gaf de aanleiding tot de conclusie dat het Zaad een menselijke afstammingslijn moest hebben, hoewel pas later uitdrukkelijk werd verklaard dat de lijn van het Zaad een aardse loop zou volgen toen haShem (de Eeuwige) aan Avraham heeft beloofd dat zijn Zaad het middel zou zijn waardoor alle geslachten der aarde eens zouden worden gezegend (ty>arb B’reshit [Genesis] 22:17-18). Daardoor is het familieregister van Avraham’s nageslacht voor ons buitengewoon belangrijk. Na de zondvloed wees reeds de zegen van Noach erop dat haShem een speciaal plan had met de nakomelingen van Shem (ty>arb B’reshit [Genesis] 9:26-27). G’d openbaarde later aan Avraham dat hetgeen zijn „Zaad" genoemd zou worden, via Yitz’chaq [Isaäk] zou komen (ty>arb B’reshit [Genesis] 17:19; Romeinen 9:7). Het lag derhalve voor de hand dat er een zeer zorgvuldig opgetekend geslachtsregister nodig zou zijn om dit Zaad te kunnen identificeren. Dientengevolge werd er in de loop van de eeuwen een nauwkeurig geslachtsregister bijgehouden van de lijn van Y’huda [Juda], de stam die een leidende rol toegezegd was (ty>arb B’reshit [Genesis] 49:10), en met name van het geslacht van David, omdat dit immers de koninklijke geslachtslijn was (b lavm> Sh’mu’el bet [2 Samuël] 7:12-16). Deze opgetekende verslagen zouden later de basis voor de geslachtsregisters van Yeshua haMashiach vormen, waarvan zowel Matityahu alsook Lucas dankbaar gebruik maakten, want Hij is immers het Zaad van Avraham en de Zoon van David! Daarom is in gesprekken met Joden deze afstammingslijn van Yeshua dan ook van buitengewoon grote betekenis, zoals wij in ]nxvy Yochanan [Johannes] 7:42 kunnen lezen: “Zegt de Schrift niet, dat de Mashiach komt uit het geslacht van David en van het dorp Beit Lechem, waar David was?”.

Openbare geslachtsregisters



Matityahu begint zijn B’sora Tova [evangelie] met een volgens de rabbijnse methode opgezette stamboom, waarin hij toont hoe Yeshua haMashiach zowel van Avraham afstamt, in wie alle volkeren zouden worden gezegend, als van David uit wiens geslacht de Vredevorst geboren zou worden. Ook is het van belang te zien dat Yeshua via Avraham verbonden is met het land van Israël en via David met de troon van Israël. Het koningschap is hier echter het belangrijkste, daarom wordt eerst gezegd "de zoon van David" en dan "de zoon van Avraham", hoewel historisch Avraham de eerste is. Om te bewijzen dat Yeshua van Avraham en David afstamde, hoefden de twee evangelisten Matityahu en Lucas niet een nieuw geslachtsregister op te stellen. Zij hoefden alleen maar af te schrijven van de openbare, door alle Joden volledig geaccepteerde registers die er bestonden met betrekking tot de afstammingslijn van David en van de priesterschap en met betrekking tot alle andere gegevens die noodzakelijk waren om iemands afstamming te bewijzen. Zelfs al was er in deze registers iets weggelaten, dan deed dit geen afbreuk aan wat zij beoogden en ook bereikten, namelijk, het leveren van een wettelijk en openlijk erkend bewijs voor de afstamming van Yeshua haMashiach. Voor Matityahu was het aantonen van het heil en van de heilbrenger belangrijker dan de natuurlijke afkomst en daarom kon hij bij het opstellen van zijn geslachtslijst gerust uitgaan van de geslachtslijn van Yosef, hoewel hij in vers 18 van hoofdstuk 1 zelf nadrukkelijk schreef, dat Yeshua helemaal niet de zoon van Yosef was. Maar dat bleek ook al uit vers 16 door de vermelding: "de man van Miryam uit wie Yeshua geboren is" in plaats van "Yosef verwekte Yeshua". Daar komt nog bij dat destijds in Israël een vrouw helemaal geen recht had op de troon en daarom zou Yeshua, als de Zoon van een maagd alleen, eveneens geen wettige rechten kunnen laten gelden. Om ervoor te zorgen dat Hij toch evengoed de wettige erfgenaam van de troon van David in de ogen van het volk zou zijn, moest Miryam dus de vrouw zijn van een man die in tegenstelling tot haar wél een volkomen en onveranderlijk recht had op de troon. Matityahu ging daarom terecht uit van het feit dat de Joden Yosef door zijn huwelijk met Miryam als de wettelijke vader van Yeshua beschouwden en dat deze het kind ook als een echte vader heeft erkend en grootgebracht. Indien vijandig gezinde Joden Yeshua ervan beschuldigd zouden hebben dat Hij een onwettige zoon was, zou het feit dat Yosef, die volledig van de omstandigheden rondom de maagdelijke geboorte op de hoogte was, die Miryam gehuwd had en haar de bescherming van zijn goede naam en zijn koninklijke afstamming had gegeven, zo'n lasterlijke bewering hebben weerlegd. Daaruit blijkt dat Yeshua dus zowel van vaders als van moederszijde de Zoon van David was, getuige deze uittreksels uit hun beider geslachtsregisters, die door iedereen in die tijd met de oorspronkelijke openbare geslachtsregisters probleemloos konden worden vergeleken; en verder hoefden de beide evangelisten niet te gaan met hun bewijsvoering. Sterker nog: als zij daarvan waren afgeweken, zouden zij hun doel juist niet hebben bereikt, maar dat het in die tijd niet werd tegengesproken, is voor ons eigenlijk bewijs genoeg dat het een juist en nauwkeurig afschrift was. De door Matityahu en Lucas geciteerde stambomen bevatten namen die door de Joden van die tijd algemeen als authentiek werden erkend. De Soferim [schriftgeleerden] en P’rushim [Farizeeën], alsook de Tzaduqim [Sadduceeën], waren felle tegenstanders van de Messiasbelijdende beweging, en zij zouden zeer zeker elk mogelijk argument gebruikt hebben om Yeshua in diskrediet te brengen, maar het is opmerkelijk dat zij toch deze twee geslachtsregisters in B’rit haChadasha [het Nieuwe Testament] nooit hebben aangevochten. Zij zouden zich de gelegenheid echt niet hebben laten ontgaan op eventuele fouten in de door Matityahu of Lucas opgestelde geslachtsregisters van Yeshua te wijzen, indien die waren gemaakt. Want tot 70 na Chr. hadden zij immers ongehinderd vrije toegang tot de openbare geslachtsregisters, die in Israël met grote zorgvuldigheid werden opgesteld en werden bewaard als documenten van grote waarde, want zij bekrachtigden de aansluiting die de Israëlieten hadden met hun voorgeslacht en hun volk. Het is dus de moeite waard om er even bij stil te staan, dat deze Joodse geslachtsregisters, die later samen met de Joodse staat tenietgingen, nog ongeveer dertig of veertig jaren bestaan hadden, nadat deze twee uittreksels ervan vervaardigd waren, dus lang genoeg om hun betrouwbaarheid aan te tonen. Daarna waren zij niet langer nodig. Het is dus werkelijk opmerkelijk dat in tegenstelling tot de hedendaagse critici niemand van de tegenstanders van het Messiasbelijdend Jodendom in de eerste eeuwen in deze beide geslachtsregisters iets onjuist of met elkaar in tegenspraak vond, want als hier werkelijk iets fout was geweest, is het bijna ondenkbaar, dat de tegenstanders zouden hebben nagelaten om hierop te wijzen. Hetzelfde geldt eigenlijk ook voor al de eerste-eeuwse heidense vijanden van de gelovigen uit de volken! Velen van hen waren, net als de vijandig gezinde joden, geleerden die onmiddellijk alle aandacht gevestigd zouden hebben op elke eventuele aanwijzing waaruit zou blijken dat de geslachtsregisters van de twee evangelisten niet authentiek en zelfs tegenstrijdig waren. Er bestaat echter geen enkele aanwijzing dat de heidense vijanden de eerste gelovigen op dit punt hebben aangevallen.



1   2   3   4   5   6   7


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina