Sefer tol’dot yeshua



Dovnload 222.23 Kb.
Pagina5/7
Datum02.10.2016
Grootte222.23 Kb.
1   2   3   4   5   6   7

Ontbrekende geslachten



Om precies uit te komen op de veertien geslachten, laat Matityahu dus bewust een aantal koningen weg, hoewel hij als gelovige Jood en kenner van TeNaCH de volgorde en het aantal der koningen van Israël beslist wel heeft geweten! De vraag rijst: Waarom laat Matityahu enkele namen weg die in de lijsten van de kroniekschrijvers wél voorkomen? Allereerst moet worden opgemerkt dat men niet elke schakel van de afstammingslijn hoefde te vermelden om zijn afstamming te kunnen bewijzen. Zulke weglatingen komen namelijk in de Joodse geslachtsregisters vaker voor om ze te vereenvoudigen. In Ezra 7:1-5 zien wij hiervan een passend voorbeeld. Toen Ezra zijn priesterlijke afstamming wilde aantonen, liet hij namelijk zes geslachten weg die wél in de geslachtslijst van de priesters voorkomen in a ,ymyh yrbd Divrei haYamim alef [1 Kronieken] 6:1-15. Kennelijk was het niet nodig om al deze voorvaders te noemen om de Israëlieten het bewijs te leveren dat hij inderdaad van priesterlijke afkomst was. Hetzelfde geldt dan ook voor Matityahu: Hij heeft dus ongetwijfeld gebruik gemaakt van de openbare registers en daaruit de namen overgeschreven, blijkbaar niet alle namen, maar alleen die welke nodig waren om Yeshua’s afstamming van Avraham en David te bewijzen. Hij had uiteraard ook toegang tot de Hebreeuwse Geschriften, die hij naast de officiële geslachtsregisters kon raadplegen. Toch denk ik dat het ook zeer waarschijnlijk is dat deze uitlating toe te schrijven is aan het toenmalige gebruik om de namen der g’ddeloze koningen in het duistere te laten. Zoals ik reeds heb opgemerkt, kan Matityahu zijn geslachtslijst exact uit het door hem gebruikte openbare register hebben overgenomen, of hij kan als geheugensteuntje doelbewust enkele tussenschakels hebben weggelaten. Maar de meest aannemelijke verklaring voor het feit dat hier enkele koningen uit David’s geslachtslijn zijn weggelaten is echter, dat Yoram [Joram] de g’ddeloze Atal’yahu [Atalia] uit het huis van Achav [Achab], de dochter van Izevel [Izebel], gehuwd had en zodoende dit door G’d veroordeelde geslacht in de lijn der koningen van Juda had gebracht (a ,yklm Melachim alef [1 Koningen] 21:20-26 en b ,yklm Melachim bet [2 Koningen] 8:25-27). Matityahu noemt alleen Yoram, die de g’ddeloze verbintenis was aangegaan, en laat dan de namen van de volgende drie koningen tot het vierde geslacht weg: de nakomelingen uit deze verbintenis. Achaz’yahu [Achazja], Yoash [Joas] en Amatz’yahu [Amasja] waren dus koningen van Juda die zich schuldig hebben gemaakt aan wat beschreven is in ,yrbd Devarim [Deuteronomium] 29:18-20. De geschiedenis van deze drie koningen staat beschreven in het boek b ,ymyh yrbd Divrei haYamim bet [2 Kronieken] 22:1 tot 25:28. Maar ook tussen Yoshiyahu [Josia] en Y’chon’yahu [Jechonja] is één generatie overgeslagen: Y’hoyaqim [Jojakim]. Dat is reeds in de rabbijnse traditie het geval zoals blijkt uit de LXX ofwel de Septuaginta, de Griekse vertaling van TeNaCH! In dit geval weten wij het dus vrijwel zeker dat Matityahu deze verandering niet zelf heeft aangebracht, maar zo heeft overgenomen. Maar wat was er dan met deze vierde overgeslagen koning Y’hoyaqim [Jojakim]? Het ligt eigenlijk voor de hand: hij heeft een soortgelijke zonde begaan, welke ook de drie voorgenoemde koningen hebben begaan. U kunt het allemaal nalezen in vhymry Yir’m’yahu [Jeremia] 26. Maar toch blijft er nog een probleem, want Y’chon’yahu [Jechonja ofwel Konjahu], zijn zoon, was namelijk ook niet bepaald kosher. Sterker nog: hij was vervloekt! Over hem lezen wij het volgende: “Zo zegt de Eeuwige: Schrijf deze man in als kinderloos, een man die in zijn dagen geen geluk heeft, want het zal aan geen van zijn nakomelingen gelukken om te zitten op de troon van David en weer over Y’huda [Juda] te regeren”. (vhymry Yir’m’yahu [Jeremia] 22:30). En toch heeft de Eeuwige reeds enkele verzen verderop evengoed nog de belofte gedaan: “Zie, de dagen komen, luidt het woord van Adonai, dat Ik aan David een rechtvaardige Spruit zal verwekken; die zal als Koning regeren en verstandig handelen, die zal recht en gerechtigheid doen in het land. In zijn dagen zal Y’huda [Juda] behouden worden en Israel veilig wonen; en dit is Zijn naam, waarmede men Hem zal noemen: Adonai Tzid’qenu [de Eeuwige onze gerechtigheid].” Dit lijkt wel erg tegenstrijdig, want eigenlijk had met de kinderloze koning Y’chon’yahu [Jechonja] het geslachtsregister van David moeten stoppen. Hoe kan de Eeuwige dan de belofte doen dat er evengoed nog een nakomeling van David op diens troon zou zitten? Volgens de Talmud werd de vloek gedeeltelijk opgeheven toen Y’chon’yahu in Babylon gevangen zat en berouw kreeg (]yrdhnc Sanhedrin 37b). Dit wordt ook bevestigt door a ,ymyh yrbd Divrei haYamim alef [1 Kronieken] 3:17-18, waar wij tot onze verbazing kunnen lezen: “En de zonen van Y’chon’yahu [Jechonja], die gevangen werd, waren: Sh’al’ti’el [Sealtiël], Mal’kiram [Malkiram], P’daya [Pedaja], Shen’atzar [Senassar], Y’qam’ya [Jekamja], Hoshama [Hosama] en N’dav’ya [Nedabja].” Y’chon’yahu [Jechonja], die als kinderloos stond geschreven, kreeg toch evengoed nageslacht, want de Eeuwige had hem in Zijn goedheid en genade vergeven, zoals ook de naam van zijn eerstgeboren zoon reeds laat zien. Sh’al’ti’el [Sealtiël] betekent immers: “de van G’d gevraagde” ofwel “de van G’d gebedene”! Ook in de Talmud-traktaten ]yrdhnc Sanhedrin 37b en 38a staat over het berouw van Y’chon’yahu, vergeving vragen en vergeving ontvangen en tenslotte over het zwanger worden van zijn vrouw en zonen baren tijdens de Galut [ballingschap] in Babylon geschreven. En daar in de babylonische gevangenschap werd ook Z’rubavel [Zerubbabel] verwekt door P’daya [Pedaja], een jongere broer van Sh’al’ti’el [Sealtiël], zoals wij in vers 19 van 1 Kronieken 3 lezen. De naam Z’rubavel [Zerubbabel] heeft overigens de betekenis van: “in Babylon gezaaid”. In tegenstelling tot wat Matityahu in zijn geslachtsregister schrijft en tevens strookt met arzi Ezra 3:2, hymxn N’chem’ya [Nehemia] 12:1 en ygx Chagai [Haggai] 1:14, was Z’rubavel [Zerubbabel] dus niet de biologische zoon van Sh’al’ti’el [Sealtiël], omdat hij verwekt werd door P’daya [Pedaja], maar op grond van het zwagerhuwelijk was hij blijkbaar wel zijn wettelijke zoon! Met Sh’al’ti’el [Sealtiël] en Z’rubavel [Zerubbabel] schijnt het dat de geslachtsregisters van Lucas en Matityahu elkaar ontmoeten, maar dat is niet helemaal zeker. De meeste historici en bijbelgeleerden gaan ervan uit dat deze Sh’al’ti’el en Z’rubavel uit het geslacht van Sh’lomo, waar Matityahu over spreekt, hele andere personen zijn geweest dan die uit het geslacht van Natan, waar Lucas het over heeft. Temeer omdat Lucas een zekere Neri, die verder nergens in de hele bijbel voorkomt, als vader van Sh’al’ti’el noemt. Het is dus meer waarschijnlijk dat het in de beide geslachtsregisters om verschillende personen gaat met dezelfde naam. In elk geval houdt met Z’rubavel de verbinding met TeNaCH [het Oude Testament] op, maar omdat de Israëlieten hun openbare geslachtsregisters zorgvuldig bewaarden, is het verloop van beide geslachtslijsten in B’rit haChadasha [het Nieuwe Testament] ongetwijfeld gebaseerd op de authentieke lijsten van het huis van David. Dit blijkt ook uit het feit, dat Lucas nauwkeurig vermeldt dat Yosef en Miryam in Beit Lechem, de stad van hun gezamenlijke voorvader David, ingeschreven moesten worden (Lucas 2:4-5). Met Y’chon’yahu was nu een einde gekomen aan de koninklijke waardigheid van het huis van David en na Sh’al’ti’el en Z’rubavel waren alle nakomelingen van de grote koning onbekende personen in een tijd, dat het geslacht van David arm was en geminacht werd.



1   2   3   4   5   6   7


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina