Sociologie: Deel IV enkele deelgebieden uit de sociologie (blz. 147) H1: Sociale stratificatie



Dovnload 62.65 Kb.
Datum24.08.2016
Grootte62.65 Kb.
Sociologie: Deel IV
Enkele deelgebieden uit de sociologie (blz. 147)
H1: Sociale stratificatie

= een sociologisch fenomeen op zichzelf



1) begrip sociale stratificatie

- mens is een sociaal wezen

- de essentie van het groepsleven is de sociale interactie

1. sociale integratie

2. sociale differentiatie (= universeel)

- rollendifferentiatie

- functionele differentiatie (arbeidsverdeling)

- sociale stratificatie is geen universeel fenomeen

=> stratificatie impliceert ongelijkheid

=> komt niet voor op de laagste niveaus van maatschappelijke organisatie



2) Verklaring van sociale stratificatie

2.1. klassenconflictmodel

- 1864 – Karl Marx

- sociale ongelijkheid < strijd om schaarse goederen

- economische productiestelsel is de kern waarrond andere institutionele sferen van de maatschappij georganiseerd zijn.

- het begrip sociale klasse

- de strijd tussen de bezitters en niet-bezitters van productiefactoren om de productiecapaciteit => klassenstructuur

2.2. functionalistische theorie

-sociale stratificatie in functie van de bijdrage tot de adequate werking van de maatschappij

- dit systeem berust op consensus en gemeenschappelijke waarden ( conflict)

- 1945: K. David en W. Moore

- adequate rollenallocatie: er is nood aan een systeem dat congruentie brengt tussen de belangrijkheid van de functies en de bekwaamheid van personen

- sociale stratificatie: zo’n soort systeem, een beloningssysteem

- bedenkingen:

1. welke criteria om uit te maken of de ene functie belangrijker is dan de andere?

2. Fout uitgangspunt: geen universeel verschijnsel

3. enkel toepasbaar op de hiërarchische structuur van verworven statusposities.

4. empirisch onderzoek wijst uit dat sociale stratificatie niet voor iedereen als een motivatiemechanisme werkt.

3) Vormen van sociale stratificatie

open maatschappij → hoge sociale mobiliteit

→ verworven status



gesloten maatschappij → lage sociale mobiliteit

→ toegeschreven statuskenmerken




3.1. Kastenstelsel

- volkomen gesloten (van geboorte tot dood in dezelfde kaste)

- komt voor in het rurale Hindoe Indië

- erfelijk lidmaatschap en levenslang van een bepaalde kaste

→ endogame huwelijken

→ vergroot klassebewustzijn < benaming van de klassen

→ vastliggend hiërarchie binnen de kaste

→ hiërarchie op basis van ‘graad van zuiverheid)



3.2. Standensystemen

- sociale mobiliteit is mogelijk, maar eerder uitzonderlijk

- agrarische, gemilitariseerd maatschappijen

vb.: West Europa in de Middeleeuwen

- grond gold als beloning voor militaire diensten (net als huwelijk)

3.3. Klassensystemen

- opener stratificatie

- gerelateerd aan de economische kansen

- veel minder formeel geïnstitutionaliseerd dan voorgaande 2

→ continuüm van sociale posities eerder dan strak gescheiden

3.3.1. begrip sociale klasse

- Marx’ visie:

- klassen ontstaan omdat er bij een surplus van goederen een suboptimale verdeling kan ontstaan. Klassebewustzijn komt in twee vormen voor: - klasse an sich = voor de bewustwording

- klasse für sich = de reële klasse, mét bewustzijn!

- Ralph Dahrendorf 1957

- streefde naar meer abstracte, meer algemeen toepasbare theorie

- sociale klasse = mate van deelname aan het gezag

= Collectiviteiten van personen die binnen een bepaalde activiteitssfeer een aantal manifeste en latente belangen gemeen hebben, belangen die voortkomen uit de ingenomen positie binnen de gezagsstructuur

→ dit abstracter criterium is beter, want objectiever

- quasigruppen: zijn zich niet bewust van hun klasse

- bezit is niet de enige vorm van macht => wordt complexer!

- empirisch onderzoek naar bewustzijn van klasse:

- 1940 – R. Gallup en S. Rae

→ 80% ondervraagden identificeert zich met middenklasse

- 1949 – R. Centers

→ gelijke spreiding over midden- en arbeidersklasse

→ dergelijk onderzoek heeft weinig waarde, vanwege de inadequate operationalisering van het begrip klassenbewustzijn.

→ de betekenis die men geeft aan de klassenstructuur is afhankelijk van de plaats die men, als onderzoeker, daar zelf in inneemt.


3.3.2. Multidimensionale benadering van Weber

= reactie op de unidimensionale aanpak (Marx, Dahrendorf)

- 1922: Wirtschaft und Gesellschaft

- 3-ledig begrippenapparaat: 3 structurele hiërarchieën



KLASSE – STATUS – MACHT

* klasse: economische orde van de maatschappij, levenskansen, relatieve positie en marktsituatie.

* status: beoordeling van het prestige dat aan een persoon toekomt, afhankelijk van een consensus en de dominerende waarden in een maatschappij.

=> doorgaans sterke relatie tussen klasse en status

* macht: vermogen om de eigen doelstellingen te realiseren, zelfs tegen de wil van anderen in.

- relatief belang van klasse, status en macht is afhankelijk van de aard van de maatschappij.

= meer complexe, maar ook meer volledige visie op stratificatie.

3.3.3. Statusinconsistentie

- statusincongruentie = verschillende posities innemen in verschillende sociale rangordes. Een gevolg van solciale mobiliteit in één statusdimensie, en niet in de andere, of incongruentie eigen aan beroepen (hoge status + laag inkomen of lage status + hoog inkomen)

- 1954 - G. Lenski:

- operationaliseerde het begrip statusinconsistentie en kon daardoor het effect ervan nagaan op het gedrag.

- incongruentie => spanningen => opheffen ervan

- modellen:

- positioneel inconsistentiemodel: door onderzoeker

- sociaal-psychologisch: perceptie van incongruentie door de personen zelf.



4) Geslachtsstratificatie

- tot voor de jaren ’70 erg veronachtzaamd, opleving door succes vrouwenbeweging

- probleemstelling: hoe ontstaan statusverschillen op basis van geslacht en waarom blijven ze bestaan?

→ zie vorige H: functionalisme & geslachtsroldifferentiatie, functionele en disfunctionele gevolgen

→ Collie (1975): differentiatie < concurrentie, competitie tussen ♂ en ♀

♀ Blumberg (1984): differentiatie = weerspiegeling van economische macht



4.1. Conflicttheorie van Collins

- resources bepalen de status van man- of vrouw-zijn

= - controle over materiële goederen

- fysieke kracht

- fysieke aantrekking

- berust op historische redenering, vanuit fysiologisch oogpunt (= evolutie)

- tendens is wel gewijzigd door beknotten van de macht van de man

- verschillende maatschappijtypes:

1. tribal society:

- ♂ → macht < fysieke kracht = kerngezin

- ♀ → macht < fysieke aantrekkelijkheid = kerngezin

- weinig stratificatie, geen surplus

- geen economische motieven voor huwelijken

2. pre-industriële maatschappij:

- uitgebreide familie

- quasi onbeperkte macht van de man

- meeste uitsluiting van de vrouw

3. vroeg industriële maatschappij

- ♂ hebben economie in handen maar macht niet langer onbeperkt

- ♀: huishouden en emotionele steun in huwelijk

= ruil van economische tegen niet-economische goederen

+ sociale status en bezit van de familie

4. gevorderde markteconomie

- ♀: tewerkstelling buitenshuis → optimalisering uitwisselingspositie

- ♂: meer belang fysieke aantrekking → inboeten belang (id.)

- ouders worden economisch onafhankelijk van elkaar



Samenvattend: mannen en vrouwen zijn belangengroepen, die streven naar de voordeligste situatie.

Probleem: te absolute voorstelling: variaties in maatschappijtypes

4.2. Economische theorie van Blumberg

- economische macht ~mate van controle over productiemiddelen, surplus en bewegingsvrijheid.

- empirische evidentie uit verschillende maatschappijtypes, op verschillende niveaus van maatschappelijke organisatie

- blijft de vraag: wat bepaalt de economische macht van een vrouw in een maatschappij? => 3 primaire determinanten van economische macht:

1) strategic indispensability van vrouwenarbeid

→ autonome, onontbeerlijke bijdrage van de ♀ in de productie

2) vigerend familiesysteem

→ erfrecht: materlineaal vs. patrilocaliteit

3) modificatie van voorgaande, door politieke macht waarover de man beschikt (militair!)

- probleem: werking van de 3e, mediërende factor:

=> auteur vertrekt van de bestaande ongelijkheid om ongelijkheid te verklaren.

5) Sociale mobiliteit [niet kennen]

5.1. mate van beroepsmobiliteit

5.2. determinanten

5.3. gevolgen


H2: Godsdienst (blz. 176)

- lang verwaarloosd in de sociologie

- universeel karakter van geloofssystemen

- godsdienst als sociologisch fenomeen



1) Omschrijving

- heel wat pogingen in de loop van de geschiedenis

- 19e E: in termen van oorsprong = etnologische benadering (onnauwkeurig, geen consensus)

- later: godsdienst als uitdrukking van een basisbehoefte

→ godsdienst == geloofssysteem van geloofspraktijken, door middel waarvan een gemeenschap de ultieme problemen van het menselijke bestaan aanpakt (Yinger, 1957)

- ultiem = betreffende leven en dood

- leven in de gemeenschap => integratie

- godsdienst impliceert een geloof in een bovennatuurlijk wezen

ideologie, moraal

2) verklaringen omtrent de oorsprong

2.1. animisme

- vroegste vorm: geloof in en aanbidden van geesten

- 2 fundamentele vragen: - verschil tussen leven en dood?

- betekenis van dromen en visioenen?

- introductie van begrip ‘ziel’, toepassing op meer dan de mens

= animisme

- sterk cognitief karakter

- gevolg van de inquisitieve aard van de mens

→ langs het begrip ziel bouwde de primitieve mens een meer rationele denkwereld op.

- interpretatie in evolutionaire termen: wetenschap zal religie vervangen

→ hiervoor bestaat geen evidentie!

2.2. Durkheims bijdrage

1912 – Les formes élémentaires de la vie religieuse

- integrerende en sociale controle functie

- fenomeen geloofsverlies 

vb. : Jacobijnen: katholicisme vervangen door Godsdienst van de Rede

- godsdienst als bindmiddel voor de gemeenschap

→ wordt dan niet alle toelaatbaar als die normen wegvallen?

- om de essentie van godsdienst te vatten, kijken we naar de meest oorspronkelijke vorm: TOTEMISME ~ laagste niveau maatschapp. org.

Vb.: Australische horde Arunta, Noordamerikaanse indianenstammen

- totemisme = aannemen van een naam van een plant of dier, zeker riten vervullen ten opzichte van zijn totem

1. geloof in mysterieuze, heilige kracht in de totem

2. sancties wanneer regels of taboes worden overtreden

3. geheel van morele verantwoordelijkheden

- totem = symbool voor de gemeenschap

- godsdienst = weerspiegeling van de maatschappij

→ ervaringen hebben betrekking op realiteit

→ mens beschouwt de maatschappij als sacraal omdat hij er afhankelijk van is

→ leidt dit dan niet tot desintegratie bij wegvallen?

Nee, men kan de maatschappij zelf als autoriteit erkennen (wordt ~ sacraal)

- Durkheims poging tot omschrijven van godsdienst: sacraal – profaan

- godsdienst wordt meest typisch gekenmerkt door eenvormige geloofsideeën en –praktijken die verband houden met sacrale elementen. Sacraal is wat door de mens en de gemeenschap zo beschouwd wordt.

- onderscheid sacraal – profaan is universeel & fundamenteel met als functie het creëren, instandhouden en versterken van de sociale samenhorigheid, de eenheid van de maatschappij.

Vb.: intens nationalisme lijkt op godsdienst

=> aard van de godsdienst < aard van de sociale structuur & cultuur

- Kritieken op Durkheim

- het functioneel aspect: ja

- sacrale van de gemeenschap: nee

- ontoereikend voor complexere maatschappijvormen



2.3. Relatie godsdienst – maatschappij: empirische test

- 1960 – E. Swanson: The birth of gods. The origin of primitive beliefs

(cfr. Durkheim: beeld van het sacrale < ordening van de maatschappij)

- hypothesen testen: relatie monotheïsme ~ maatschappijstructuur?

→ nood aan oppergod ~ complexere maatschappijvormen < conflict

- onderzoek bij 39 primitieve gemeenschappen

* maatschappelijke organisatie

* geloofssystemen

* differentiatie naargelang complexiteit sociale structuur

< aantal soevereine groepen

=> statistische bevestiging van de hypothese



3) Functionalistische benadering

- godsdienst en geloofsopvattingen vervullen functie(s) voor de maatschappij en haar leden.

- godsdienst = één van de deeleenheden voor het equilibrium van het sociaal systeem

- toespitsen op studie van de interactie tussen godsdienst en maatschappij

- 1970 – M. YINGER

- religie vervult functies in het economische domein, voor de verdeling.

- religie maakt de bestaande orde aanvaardbaar

- religie houdt de competitie onder controle.

- het eeuwige probleem in de politiek is dat sancties niet volstaan

=> functie van religie

= de nood van elke gemeenschap aan een mechanisme dat:

1) noodzaak tot dwang aanwenden vermindert

2) boven de overheid zelf staat, haar zelf onder controle houdt

~ gemeenschappelijke basiswaarden (internalisering, socialisering)

- godsdienst zal zekere emotionele steun verlenen, maar die functie vervalt:

1) als er meer dan één erkende godsdienst is

2) wanneer de verwachtingen van personen niet vervuld worden

→ solidaristische godsdienstbeleving, egoïstische of separatistische aanwending; vb. Black Muslim beweging in 1930 VSA

3) wanneer sociale veranderingen de aantrekkingskracht van godsdienst doen verminderen.

4) bij rigoureus sociaal stratificatiestelsel dat door de onderste strata als onderdrukkend wordt ervaren.

- als de integratieve functie van godsdienst afneemt, dan roept dit nieuwe, alternatieve mechanisme van integratie in het leven

vb.: Durkheim over nationalisme.

Maar Yinger benadrukt dat nationalisme slechts quasi-godsdienst is: er is geen relatie tot lijden en dood, falen, er zijn geen extra-empirische doelen.

H3: Afwijkend gedrag

- deviant of afwijkend gedrag = niet conform gedrag, gedrag dat de normatieve regels van een groep of maatschappij overtreedt, het is een ‘anders-zijn’, een onvermogen of weigering.

- relatief begrip: kwestie van sociale definitie op een gegeven plaats en tijdstip

vb.: deontologie van een geneesheer verschilt van die van een advocaat

- beoordeling < zichtbaarheid van het gedrag

- meeste overtredingen gaan ongestraft voorbij (gestaafd door onderzoek)

- kans op veroordeling is laag en varieert van positionele elementen
1) gevolgen van afwijkend gedrag

→ dysfunctionele én functionele gevolgen zijn interessant voor sociologie



1.1. dysfunctionele gevolgen

= leidt tot een zekere desintegratie van de maatschappij, die functioneert minder adequaat.

- aanstekelijkheid van deviant gedrag => sneeuwbaleffect

- ondermijnt het algemene klimaat van vertrouwen => motivatie↓



1.2. functionele gevolgen

- normatieve regels zijn categorisch

- afwijking kan soms noodzakelijk zijn:

vb. stiptheidsacties

- afwijking kan soms tot betere regeling leiden

- deviant gedrag kan fungeren als uitlaatklep

vb.: protestmanifestatie

- deviant gedrag kan een bijdrage leveren tot de samenhorigheid

vb.: samenhorigheid onder slachtoffers, die de dader als gemeenschappelijke vijand beschouwen, of samen beraadslagen over diens herintegratie.

- deviant gedrag als indicatie dat er iets mis loopt met de organisatie van de groep. Vb.: jeugddelinquentie → reorganisatie vrijetijdsbesteding jongeren



2) Theorieën ter verklaring van afwijkend gedrag

2.1. Anomietheorie: Bijdrage van Durkheim

1893: La dividion dus travail social

1897: Le Suicide

=> anomie = een toestand waarin normen niet langer voldoen als gevolg van:

* een snelle arbeidsverdeling gepaard met onvoldoende onderlinge afstemming.

* financiële en industriële crisisperiodes of extreme hoogconjuncturen

=> onderscheid fysische (inwendig) en morele (uitwendig) behoeften

2.2. Anomietheorie: Bijdrage van Merton

1949 – 1957: poging tot een meer algemeen toepasbare theorie

- onderscheid 2 fundamentele elementen

1. waarden = culturele doelstellingen

2. normen: impliceert verdeling faciliteiten (i.e. geïnstitutionaliseerd middelen)

Bij breuk of dissonantie tussen 1. en 2.:

- scheiding culturele doelstellingen en middelen

=> spanningen in de maatschappij = deviantie of anomie (= resultante)

vb.: waarde ‘the American dream’: laaggeschoolden internaliseren deze waarde, maar beschikken niet over de middelen (hard werken volstaat niet)

[bijlage: schema anomietheorie: Durkheim vs. Merton]

- Merton: deviant gedrag = aanpassingswijze aan een toestand van anomie

Modes of adaptation

Cultural goods

Institutionalized means

Conformity

+

+

Innovation

+

-

Ritualism

-

+

Retreatism

-

-

Rebellion

+-

+-

- deviant gedrag in relatie tot sociale posities

- innovatie ~ lagere klassen

- ritualisme ~ lagere klassen (reglementgerichtheid)

→ waarden van een bepaalde klasse kunnen kanaliserend effect hebben

- probleem met Mertons theorie:

- werkelijkheid wordt vereenvoudigd, omvat niet alles

- hij beschouwt alles te veel vanuit zijn eigen gezichtspunt

- onjuiste vooronderstelling, nl. dat niet-geinstitutionaliseerde middelen vrij beschikbaar zouden zijn.

→ onderzoek toont aan dat vele vormen van delinquentie aangeleerd zijn, geen blootstelling, geen delinquentie

- positief: zekere bijdrage relatie culturele doelstellingen en geïnstitutionaliseerde middelen; zeker predictieve waarde in verband met deviantie in een maatschappij.



2.3. differentiële associatietheorie ~ contactentheorie

= wil verklaring geven voor crimineel gedrag

- 1947 – Edwin Sutherland:

- algemeen gesproken wordt crimineel gedrag overgenomen uit de omgeving.

- subcultuur die specifieke vormen van afwijkend gedrag mogelijk maken en voorschrijven.

- subsystemen: primaire relaties, informele contacten → socialisatie

1. technieken om misdrijven te begaan

2. rationalisaties: motieven en associaties

vb.: immigranten in achterbuurten VSA & criminaliteit

2.4. delinquente subcultuurtheorie

- wil ook verklaren waarom delinquent gedrag ontstaat, enkel jeugddelinquentie



- 1955 – Cohen

- weinig raakvlakken tussen jeugd- en volwassenencriminaliteit

- kenmerken jeugddelinquentie:

1. niet utilitair

2. irrationeel, zonder onmiddellijk doel

3. kwaadaardig karakter (provocerend)

4. minder gespecialiseerd

5. minder of helemaal niet gepland

- vraag: hoe ontstaan delinquente subgroepen

- fysisch-sociaal kader

- referentiekader

 perceptie van de situatie

- opwaartse mobiliteit van kind uit lagere klassen

1. internaliseren van middenklassenwaarden → succes!

2. referentiekader wijzigen: middenklassenwaarden verwerpen, mogelijk mits steun

→ proces dat leidt tot delinquente subcultuur

→ hier is een antischool referentiekader functioneel

2.5. sociale controle theorie

- 1969 – Travis Hirschi

- wil verklaring voor conform gedrag

=> waarom mensen zich aan de regels van de maatschappij houden is opmerkelijk!

- conform gedrag < ‘social bond’ tussen mensen

- wanneer die band zwak of verbroken zijn => delinquent gedrag

de motivatie = een constante

- sociale band #




Attachement

(< afectieve band



Involvement

< te druk voor misdaden

Commitment

< relationeel

Belief

< aanvaarden van morele geldigheid van maatschappij

- sterkere band met 1 => sterkere band met alle 4 aspecten

- verbonden maar analytisch te scheiden => onafhankelijke invloed

* elk van de deelcomponenten levert unieke bijdrage tot verklaren van delinquent gedrag

* geen subculturen, wel minder of meer mate

* empirisch onderzoek (geoperationaliseerde begrippen!)

- attachement: band met vrienden, ouders, school

- commitment: onderwijs- en beroepsaspiraties

- involvement: aantal uren studie buiten schooluren

- belief: moeilijker → waarde-ontwikkeling is complex proces

- delinquentie: zelfrapportering in verband met overtreding

* probleem: één-moment enquetes: geen verklaring van causale relaties

- bepaalt sociale bond delinquentie of omgekeerd?

- nood aan longitudinaal onderzoek

- 1985 – R. Agnew

→ de beïnvloeding is wederzijds

→ sterke nuancering van Hirsch


H4: Sociale verandering (blz. 205)

= dynamische van de maatschappij, deze verandering die waarneembare gevolgen heeft voor de structuur en cultuur van de maatschappij



1) Theorieën van sociale verandering

- monistische of monocausale theorieën (vb. Marx)

- bespreking van theorieën die volstaan om sociale verandering teweeg te brengen, niet die die noodzakelijk zijn.

1.1. Technologische theorie

1) uitvindingen: onafwendbaar, cumulatief karakter van de materiële cultuur

2) technische uitvindingen hebben effect op economisch stelsel

3) sociale structuur en cultuur past zich aan 1) en 2) aan

* Cultural lag: 1922 – Ogburn

= soort continu sociale onaangepastheid tussen 2 culturen als gevolg van de trage aanpassing en het cumulatieve karakter van de technische evoluties.



1.2. Culturele diffusietheorie

- cultureel contact is dé bron van sociale verandering

° < antropologie: ‘diffusie’

=> een geïsoleerde maatschappij stagneert

- Thor Heyerdall: Rai expeditie: piramides

=> bewijs dat er reeds 1000den jaren geleden contact was tussen continenten!

- probleem: handelt niet over veranderingsprocessen en –voorwaarden

1.3. Cyclische theorie

- historische fluctuaties, terugkerende patronen

- Pitrim Sorokin (1889 – 1968)

- elke gemeenschap wordt gekenmerkt door een mentaliteit, een type van mentale geestesgesteldheid

- Sorokin onderscheidt 3 types:

1. sensate culture: zintuigelijke, materiële beheersingsomgeving

2. ideational culture: geestelijke principes, beheersing zelf

3. idealistic culture: meer rationele wereldbeschouwing

die 1 & 2 harmonieus combineert.

- 3 geestesgesteldheden volgen elkaar steeds opnieuw op, in een terugkerend patroon, na elke climax volgt een terugval, cyclisch verloop.

- veel aandacht voor muziek in West Europa

- opmerkelijke gelijkenis met Comtes stadiatheorie

- bekritiseerd: veel kwantitatieve data, ruwe meettechnieken, geen inzicht in de factoren die de dynamiek bepalen.

1.4. Theorie van de sociale hervormingsbeweging

= sociale verandering is een functie van sociale hervorming

zie o.a. Blumer (1946)

- noodzaak aan sociale verandering en bewustwording door contact met de andere.

- aanvankelijk: nieuwe ideeën spuien, aanhang vergroten

- evolueert naar structurele eenheid als een organisatie

- democratie => sociale verandering

- dictatuur => revolutie

- geen theoretisch onderzoek naar het succes van sociale hervorming

- pogingen tot omschrijven in stadia:

1) behoefte aan sociale vernieuwing

2) sensibiliseren van de bevolking

3) meerdere groepen worden zich bewust van noodzaak aan verandering.

4) daadwerkelijke organisatie => structuur

5) meest kritiek: leiderschap + sociale actie op bredere basis

6) bij succes: institutionalisatie

- bureaucratie: sterk geformaliseerd karakter, inboeten aan flexibiliteit

=> nieuwe behoefte aan sociale verandering 1) …

- onderscheid sociale hervormingsbeweging – revolutie

revolutie: 1e fasen gelijkend, maar grotere en meer verspreide onlust, heeft op meer dan één aspect van de maatschappij betrekking, steeds tegen de regering gericht en meestal gewelddadig.

- Besluit: sociale hervormingstheorie: slechts gedeeltelijke verklaring

1993 Sztompka: overzicht pogingen tot theorievorming










De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina