Speekselklieren: Klieren met Speeksel Verleden, heden en toekomst: Panta Rei Afscheidsrede 11 oktober 2007 Prof. Dr. A. van Nieuw Amerongen Hoogleraar Orale Biochemie



Dovnload 147.59 Kb.
Pagina1/4
Datum20.08.2016
Grootte147.59 Kb.
  1   2   3   4
Versie 01 oktober 2007. Definitief
Faculteit der Tandheelkunde

Academisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam (ACTA)

Speekselklieren: Klieren met Speeksel
Verleden, heden en toekomst: Panta Rei


Afscheidsrede 11 oktober 2007

Prof. Dr. A. van Nieuw Amerongen
Hoogleraar Orale Biochemie

vrije Universiteit Amsterdam

Speekselklieren: Klieren met Speeksel
Verleden, heden en toekomst: Panta Rei

Afscheidsrede 11 oktober 2007

Prof. Dr. A. van Nieuw Amerongen
Hoogleraar Orale Biochemie

AFSCHEIDSCOLLEGE gegeven bij zijn aftreden als gewoon hoogleraar in de Orale Biochemie aan het Academisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam (ACTA), de gezamenlijke Faculteit der Tandheelkunde van de Vrije Universiteit en de Universiteit van Amsterdam te Amsterdam op 11 oktober 2007.



Inhoud
1. Inleiding
2. Verleden – Heden – Toekomst: Hoofdthema’s van onderzoek

2.1. Mucinen: bescherming van alle mondweefsels

2.1.1. Mucinen bevatten bloedgroepactiviteit

2.1.2. Hoogmoleculaire mucinen zijn visco-elastisch

2.1.3. Mucinen zijn klierspecifiek

2.1.4. Laagmoleculair speekselmucine bindt aan veel micro-organismen

2.1.5. Nieuw speekselsubstituut gebaseerd op mucine-onderzoek



2.2. Speekselagglutinine

2.2.1. Agglutinine peptiden

2.2.2. Agglutinine (SAG): identiek aan long GP-340 en hersen DMBT-1

2.3. Lactoferrine. Peptiden van lactoferrine

2.3.1. Lactoferricine

2.3.2. Lactoferrampin

2.3.3. Humaan hLF1-11



2.4. Extra-Parotid-GlycoProtein (EP-GP/SABP/ PIP/GCDFP-15)

2.5. Von Ebner’s Gland Protein (VEGh)

2.6. Cystatinen

2.7. Antimicrobiële peptiden (AMP’s)

2.7.1. Histatinen

2.7.2. Cathelicidine: LL-37

2.7.3. Van breed spectrum dodend tot monospecifiek

2.7.4. Functionele domeinen van speekseleiwitten
3. Speekselspreekuur

3.1. Patiënten met droge mondklachten

3.2. Patiënten met gebitsslijtage, met name door tanderosie
4. Enkele nieuwe ontwikkelingen

4.1. Opiorphin

4.2. Chips: speeksel als diagnosticum: proteomics en genomics

4.3. Wondheling: AMP’s

4.4. Gecontroleerde type 2 diabetes: exenatide

4.5. Insectenspeeksels
5. Conclusies
6. Speeksel in het Tandheelkundig Onderwijs
7. Dankwoord
8. Referenties

Mijnheer de Rector Magnificus van de Vrije Universiteit,


Mijnheer de Decaan van het Academisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam, ACTA,
Zeer gewaardeerde toehoorders,
1. Inleiding
In 1968 werd de subfaculteit der Tandheelkunde aan de Vrije Universiteit in Amsterdam opgericht, nadat aan de universiteiten van Utrecht (1947), Groningen (1948), Nijmegen (1961) en Amsterdam, UVA (1964) al eerder tandheelkundige faculteiten geopend waren. Het jaar daarop werd op de afdeling Biochemie van de Mondholte, onder leiding van Dr. P.A. Roukema de eerste promovendus aangesteld: Drs. Indradj Oemrawsingh. Samen met de analiste Mw. C.H. Oderkerk werd een begin gemaakt met het onderzoek van mucinen in humane speekselklieren en humaan speeksel. Pas in 1971 werd de afdeling officieel erkend door de benoeming van Dr. P.A. Roukema tot lector in de Biochemie van de Mondholte, gevolgd door de benoeming in 1977 tot hoogleraar. Sindsdien is de afdeling een zelfstandig leven gaan leiden binnen Tandheelkunde. Voor het onderzoek viel de keuze vanaf het begin op de speekselmucinen, de slijmstoffen die alle slijmvliezen (mucosa) bevochtigen en beschermen (Nieuw Amerongen et al., 2000). Het onderzoek naar de structuren en functies van de speekselmucinen is door de jaren heen altijd één van de hoofdonderwerpen gebleven.

(Dia 1)

Ondertussen was ik in 1974 gepromoveerd in de medische faculteit, afdeling Chemische Fysiologie (later Medische Chemie genoemd), op een studie naar de structuur en functie van hersenspecifiek glycoproteïne GP-350, met als promotor Prof. Dr. P.A. Roukema, die daar toen werkzaam was. Door een plotselinge vacature in zijn vaste staf werd ik gevraagd om toe te treden tot zijn tandheelkundige afdeling, een besluit waarvan ik nooit spijt heb gehad, hoewel de gevolgen toen niet te overzien waren. Voor mij betekende dit dat ik in plaats van hersenen uit runderen en mensen, speeksel en speekselklieren uit muizen ging onderzoeken (Fig. 1). Beslist een groot verschil.

Vanaf 1982 kwamen de universitaire bezuinigingsoperaties van Min. W. Deetman, waarbij de grote klap zou gaan vallen bij tandheelkunde: van de vijf faculteiten moest er minstens één dicht, mede op grond van prognoses voor een overschot aan tandartsen. Uiteindelijk werd in 1984 ministerieel besloten om de tandheelkunde moederfaculteit in Utrecht te sluiten, en beide faculteiten in Amsterdam bijeen te voegen tot een groot samenwerkingsverband, dat als acroniem kreeg: ACTA (Academisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam). Later werd de omvang van de faculteit in Nijmegen gereduceerd, en werd de tandheelkunde faculteit aan de Rijksuniversiteit Groningen zelfs gesloten, om na tien jaar (in 1996) heropend te worden.

Door de samenvoeging van beide Amsterdamse faculteiten, waarbij complementariteit met behoud van kwaliteit van vakgebieden voorop stond, besloot Prof. Roukema in 1984 vervroegd met emeritaat te gaan. Tegelijkertijd werd Dr. E.C.I. Veerman voor twee jaar aangesteld als onderzoeker. Samen hebben wij sinds 1984 tot op heden de afdeling geleid. Niet alleen de naam van de afdeling werd veranderd in Orale Biochemie; dat klinkt toch anders dan Biochemie van de Mondholte, maar werd ook een strategische beslissing genomen over verandering van onderzoeksonderwerp. De muis als diermodel voor het onderzoek werd verlaten en het onderzoek werd primair gericht op de eigenschappen en functies van humaan speeksel. De experimenten konden daardoor aanvankelijk in onze eigen mond en met ons eigen speeksel en onze klierspeeksels worden uitgevoerd. Bij afwezigheid van een hoogleraar, werden wij voorlopig ondergebracht bij de afdeling Materiaalkunde van Prof. Dr. K. de Groot. Van hem hebben wij geleerd hoe de resultaten van ons fundamentele onderzoek konden worden gebruikt voor praktische toepassingen. Hij heeft ons tevens ingevoerd in het ontwikkelen van onderzoekspatenten en in het onderhandelen met industrieën. Een dimensie waarin we niet opgeleid waren, maar die ons geen windeieren heeft gelegd. Integendeel: het toepassingsgerichte speekselonderzoek heeft voor de afdeling en faculteit talloze nieuwe onderzoeksprojecten, en veel publiciteit opgeleverd. Wetenschappelijk onderzoek kost nu eenmaal veel geld, wat slechts ten dele door de universiteit kan worden verstrekt.



2. Verleden – Heden – Toekomst: Hoofdthema’s van onderzoek
Speeksel wordt gevormd in drie paar grote speekselklieren en honderden kleine speekselklieren, die verdeeld over de zachte mondweefsels voorkomen (Fig. 1, 2). Elk type speekselklier produceert een specifiek secreet, dat is een klierspeeksel met een klierspecifieke eiwitsamenstelling. Aanvankelijk richtte het onderzoek zich vooral op de eigenschappen van de speekselklieren als weefsel, waarbij o.a. de neuronale regulatie van de speekselsecretie werd bestudeerd. Later kwam het product van de speekselklieren, het speeksel zelf, als ook het belang daarvan voor de mondgezondheid, steeds meer centraal te staan. Nog later kwamen de secreties van de afzonderlijke klieren, de zogenaamde klierspeeksels in de belangstelling te staan. Hoe verder wij kwamen met ons speekselonderzoek des te duidelijker werd het ons hoe complex het steeds wisselende totaalspeeksel, dat is de mondvloeistof, is. Gaandeweg hebben we steeds meer smaak gekregen in het wetenschappelijk onderzoek van de speekseleiwitten, met als leidende vragen:
- hoe worden de speekseleiwitten gevormd en uitgescheiden

- hoe worden deze processen gereguleerd

- welke rol spelen de verschillende speekseleiwitten in de mondholte?
Daarbij hebben we altijd onze ogen open gehouden voor mogelijke toepassingen van onze kennis op het terrein van speekseleiwitten voor de mondgezondheid van patiënten met mondproblemen. We kunnen dus met recht zeggen: Speekselklieren, dat zijn klieren met speeksel, en de speekselonderzoekers hebben leren klieren met speeksel, om daarmee de tandartsen meer kennis en inzicht te verschaffen in het grote belang van speeksel voor de mondgezondheid en wat gedaan kan worden bij speekselproblemen.

(Dia 2 en Dia 3)
Bij een terugblik naar het verleden van het speekselonderzoek komen twee trefwoorden in de gedachten: verwondering en serendipiteit. Beide steekwoorden zullen in de loop van deze afscheidsrede een belangrijke rol spelen.

Diepe verwondering over de grootheid van de schepping heeft mij getroffen niet alleen bij de bestudering de hersenen, maar ook bij de bestudering van speeksel. De voortdurend wisselende samenstelling van speeksel is intrigerend. Dit heeft tot gevolg dat de eigenschappen en daarmee ook de functies van speeksel continu aangepast worden aan wisselende situaties. Daarom is speeksel wel te analyseren, maar kan er geen enkele eenduidige formulering gevonden worden voor een speekselsubstituut. Dat heeft mij de betrekkelijkheid van het onderzoek steeds meer doen beseffen en heeft tevens de grootheid van en de eerbied voor de Schepper alleen maar verhoogd. Hiervan wordt evenzo gesproken in verschillende Psalmen, bijvoorbeeld:


“Hoe schoon, hoe groot, o Oppermajesteit,

Is al Uw werk, gevormd met wijs beleid!” Ps. 104:12, berijmd


In de tweede plaats ben ik verwonderd, dat het mij gegeven is om bewust afscheid te nemen na een dienstverband van 40 jaar aan de VU, waarvan ik 33 jaar verbonden ben geweest aan Tandheelkunde. Afgelopen jaar zijn ons helaas twee jongere collegae ontvallen, met wie wij veel hebben samengewerkt: Prof. Theo van Eijden (hoogleraar Functionele Anatomie, ACTA) in februari na een ernstig ziekbed en Prof. Paul Wuisman (hoogleraar Orthopedie, VUmc) plotseling in juli door een hartinfarct. Beide collegae gedenken we met heel veel respect en verbondenheid.
(Dia 4)
Speeksel heeft in de mondholte een groot aantal functies (Fig. 3):


  • bescherming van de gebitselementen

  • bescherming tegen mondinfecties

  • initiatie van de spijsvertering

  • versnelling van bloedstolling en wondheling

  • articulatie bij het spreken: vandaar de aanduiding: ‘spreeksel’ (Lobbezoo, 2007).

Bij al deze functies zijn speekseleiwitten betrokken (Fig. 3). Verschillende speekseleiwitten zijn zelfs betrokken bij meer dan één functie. Vandaar dat wij binnen de afdeling Orale Biochemie ons vooral geconcentreerd hebben op de eigenschappen en functies van een aantal belangrijke speekseleiwitten. Daarbij is het onderzoek van de speekseleiwitten, door toenemende kennis en door het beschikbaar komen van nieuwe technieken, naar steeds meer verfijnde structuren verplaatst. In eerste instantie had het onderzoek een inventariserend karakter en richtte het onderzoek zich op de karakterisering en de functionele eigenschappen van diverse speekseleiwitten. Door de introductie van nieuwe technieken, zoals de organisch-chemische synthese van peptiden, is steeds meer de nadruk komen te liggen op identificatie en karakterisering van hele kleine functionele domeinen van grotere eiwitten, en van kleine speekselpeptiden, in lengte variërend van slechts 5 tot 38 aminozuren (Fig.4).



(Dia 5)
Het tweede begrip dat een belangrijke rol heeft gespeeld bij nieuwe ontwikkelingen in het onderzoek is: serendipiteit. Nieuw onderzoek wordt grotendeels uitgedacht als gevolg van de laatste onderzoeksgegevens in combinatie met literatuurgegevens. Daarvoor is dus veel kennis en inzicht nodig op een breed onderzoeksterrein. Maar gelijktijdig kunnen nieuwe onderzoeksontwikkelingen nooit echt voorspeld worden. Alleen een verwachting over de ontwikkeling van onderzoek kan worden uitgesproken. Met andere woorden: door schranderheid gecombineerd met wetenschappelijke kennis kan een onderzoeker vaak een heel stuk verder komen. Maar er zijn ook regelmatig volkomen onverwachte ontwikkelingen in onderzoek naar aanleiding van nieuwe, tot nog toe onbekende onderzoeksgegevens (Rothstein, 1986). Veel, niet-logische, onvoorspelbare factoren, niet-te-voorziene externe omstandigheden en ongeplande contacten met andere wetenschappers bepalen voor een belangrijk deel nieuwe, verrassende ontwikkelingen in het onderzoek. Daardoor kunnen nieuwe wegen en sporen volkomen onverwacht ontdekt worden, die voorheen niet in de gedachten van een wetenschapper zijn opgekomen. Dat wordt nu bedoeld met het begrip serendipiteit (Eng. serendipity): de ongezochte vondst, ofwel iets ontdekken zonder dat men daar bewust naar op zoek was, door een combinatie van toeval en schranderheid.

Het woord serendipiteit is oorspronkelijk afkomstig van Horace Walpole, dat hij in 1754 als volgt definieerde: ‘Het door toevalligheden en schranderheid ontdekken van dingen waar niet naar gezocht wordt’, ook wel omschreven als: ‘het door het intellect gestuurde toeval’. Walpole baseerde zich op een oud sprookje over drie prinsen van het eiland Serendip, de oude Perzische naam voor Ceylon of Sri Lanka. Door hun vader werden zij verbannen, omdat zij, na hun elitaire opvoeding, alle drie weigerden om hem als koning op te volgen. Daarop ondernamen zij een wereldreis. Tijdens deze reis ontdekten zij door toevalligheden en scherpzinnigheid juist die zaken waar zij niet naar zochten.

Serendipiteit en wetenschappelijk onderzoek gaan vaak samen. Uitgaande van een plan van aanpak van een wetenschappelijk onderzoek, worden regelmatig verrassende gegevens toevallig verkregen, waarnaar niet gezocht werd. Dat hebben we in de loop der jaren ook meervoudig ondervonden in het speekselonderzoek.
In onderstaande tabel 1 worden voorbeelden van serendipiteit in het speekselonderzoek gegeven, die later worden uitgewerkt.
Tabel 1. Serendipiteiten: toevallige ontdekkingen bij speekselonderzoek.

Toevallige ontdekking

Onderzoeker

Bloedgroepactiviteit

Visco-elasticiteit

Klierspecificiteit


Oemrawsingh

Van der Reijden

Veerman


Identiteit: GP-340 in long en DMBT-1 in hersenen

Bindingspeptide



Ligtenberg

Bikker


Leito

Antimicrobiële peptiden: hLF1-11,

lactoferricine en lactoferrampin



Groenink

Van der Kraan

Bolscher

Stallmann



Stress gevoeligheid

Bosch

Bots


Alle mukeuze lichaamsvloeistoffen

Identiek aan GFDP-15/ SABP/ PIP

Bindt aan HIV-receptor


Rathman

Schenkels



Cystatine activiteit

Van ‘t Hof

Induceerbaar door mondontsteking

N-terminus: bacteriostatisch

Remming botresorptie


Henskens

Blankenvoorde

Brand


Doden in vivo MRSA

Doelorganel: mitochondria

Dhvar5: remt papilloma virus


Van ‘t Hof

Helmerhorst

Ruissen

Den Hertog



Faber

Szynol


Speekselpeptide: wondheling

Oudhoff


2.1. Mucinen: bescherming van alle mondweefsels
(Dia 6)
Behaalde resultaten en ontdekkingen
2.1.1. Mucinen bevatten bloedgroepactiviteit

Begin jaren zeventig van de vorige eeuw werd ontdekt dat speekselmucinen bloedgroepactiviteit bezitten. D.w.z. dat de bloedgroepactieve suikers blijkbaar niet alleen op de rode bloedlichaampjes (erytrocyten) voorkomen, maar ook op de (speeksel)mucinen (Oemrawsingh en Roukema, 1974). Hierdoor is duidelijk geworden dat de structuur van mucinen persoonsgebonden is (dissertatie Indradj Oemrawsingh, 1972). Mensen met bloedgroep A hebben als eindstandige suiker N-acetylgalactosamine, mensen met bloedgroep B hebben echter galactose aan het einde van de suikerketens van mucinen. Dit heeft een aantal gevolgen:

1. de bloedgroep van een individu is bij secretors (80 % van de bevolking) evengoed in speeksel als in bloed te bepalen;

2. de binding van mucinen aan micro-organismen, die grotendeels bepaald wordt door de eindstandige suikers aan de koolhydraatketens, kan verschillend zijn voor mensen die tot verschillende bloedgroep behoren. Dat houdt in dat er verschil kan zijn in de ontvankelijkheid voor microbiële infecties voor mensen met bloedgroep A in vergelijking met mensen met bloedgroep B. De genetische predispositie bevat echter nog veel onduidelijkheden en verdient uitgebreid nader onderzoek.

De ontdekking dat mucinen bloedgroepactiviteit bezitten heeft verregaande gevolgen gehad voor het mucine-onderzoek. In de eerste plaats betekent dit dat mucinen specifiek zijn voor een persoon, zodat het dus aanbevolen wordt om mukeuze lichaamsvloeistoffen per persoon afzonderlijk te onderzoeken. Bovendien was het een ontdekking dat mucinen waarvan de eiwitketen door hetzelfde gen gecodeerd worden, orgaan- en klierspecifieke eigenschappen krijgen, door posttranslationele veranderingen, zoals glycosylering, sulfatering en fosforylering, die toegespitst zijn op de specifieke functies van dat orgaan of weefsel.

(Dia 7)
2.1.2. Hoogmoleculaire mucinen zijn visco-elastisch

In het vooronderzoek dat we verricht hebben in het kader van de ontwikkeling van nieuwe speekselsubstituten voor mensen met droge mond, zijn de eigenschappen van de verschillende mucinen bestudeerd (Fig. 5). Al vele jaren was bekend dat mucinen een waterige oplossing viskeus maken en bij hogere concentratie zelfs tot een gel maken (Fig. 6,7). Maar met behulp van een nieuwe visco-elasticiteitsmeter, verkregen via een STW-gesubsidieerd onderzoeksproject, werd gevonden dat de hoogmoleculaire speekselmucinen (MUC5B) een oplossing ook elastisch maken (Fig. 8) (dissertatie Wil van der Reijden, 1996). Deze eigenschap is van essentieel belang voor de bescherming van de beweeglijke slijmvliezen van de tong, de lippen en de wangen. Vooral de mucinen uit de ondertongspeekselklier (glandula sublingualis) geven totaalspeeksel visco-elastische eigenschappen. Op grond hiervan is naar natuurlijke en synthetische polymeren gezocht met vergelijkbare eigenschappen, die kunnen dienen om een speekselsubstituut net zo visco-elastisch te maken als speeksel. Mucinen uit de onderkaakspeekselklier zijn veel minder visco-elastisch. Kennelijk zijn dezelfde hoogmoleculaire mucinen uit de verschillende speekselklieren verschillend in eigenschappen en waarschijnlijk ook verschillend in samenstelling. De bevinding dat hoogmoleculaire mucinen niet alleen viskeuze eigenschappen aan een vloeistof geven, maar ook elastische, heeft de weg geopend naar de formulering van nieuwe speekselsubstituten voor patiënten met droge mond.



(Dia 8)
2.1.3. Mucinen zijn klierspecifiek

Door van elke soort speekselklier afzonderlijk klierspeeksel op te vangen konden hieruit de klierspecifieke mucinen onderzocht worden (Veerman et al., 1996). Hieruit bleek dat concentratie van vooral de eindstandige, negatief geladen suiker, siaalzuur, per mucine-molecuul voor elke speekselklier verschillend is. Dit bepaalt voor een belangrijk deel de interactie met verschillende mondbacteriën. Het negatief geladen karakter wordt nog eens versterkt door de gebonden sulfaatgroepen (Roukema en Nieuw Amerongen, 1979; Nieuw Amerongen et al., 1995). Ook de sulfatering blijkt klierspecifiek te zijn. Dit heeft onder andere tot gevolg dat de beruchte maagbacterie Helicobacter pylori, die betrokken is bij het ontstaan van maagzweren, in speeksel alleen gebonden wordt door mucine vanuit de palatinale (verhemelte) speekselklieren, waarbij de sulfaatgroepen aan de koolhydraten van de mucinen een belangrijke rol spelen. (Veerman et al., 1997; 2003). Eveneens kan de pathogene keelbacterie Haemophilus influenzae door het verhemelte mucine MUC5B gebonden worden (Veerman et al., 1995). Hierbij spelen de sulfaatgroepen aan de koolhydraten van de mucinen eveneens een belangrijke rol. Blijkbaar kan genetisch één en hetzelfde eiwit andere eigenschappen en functies krijgen door orgaanspecifieke veranderingen aan te brengen door glycosylering, sulfatering en fosforylering. Ook al zit in longslijm hetzelfde mucine (MUC5B) als in speeksel, er zijn toch duidelijke verschillen in eigenschappen tussen long- en speekselmucinen. Eén van de monoklonale antilichamen die tegen hoogmoleculair mucine waren opgewekt, bleek toevalligerwijs juist een sulfaatbevattend koolhydraat epitoop te herkennen. Deze structuur wordt onder pathologische condities verhoogd te zijn en kan dus toegepast worden bijvoorbeeld in de tumorbiologie.


2.1.4. Laagmoleculair speekselmucine bindt aan veel micro-organismen

Rond 1980 werd aangetoond dat in speeksel twee soorten mucinen aanwezig zijn: hoogmoleculair MUC5B en laagmoleculair MUC7 (Fig. 6). Het laagmoleculaire speekselmucine (MUC7) is specifiek voor speeksel, al komt het ook in geringe hoeveelheden in longslijm voor. Het is een plakkerig glycoproteïne, dat aan een grote verscheidenheid van micro-organismen bindt, zowel bacteriën als schimmels (zoals Candida albicans) en virussen (zoals HIV). Het speelt daarmee een belangrijke rol bij het onschadelijk maken van de honderden soorten micro-organismen die de mond binnenkomen (Bolscher et al., 2002). In totaalspeeksel en in klierspeeksels komt MUC7 voor in complexen met MUC5B en andere speekseleiwitten, zoals immuunglobulinen en agglutinine (Ligtenberg et al., 2004). Vandaar dat speeksel plakt op elk soort oppervlak, zowel op de slijmvliezen, als op de gebitselementen, maar ook aan micro-organismen en voedingsmiddelen. Dat heeft tot gevolg dat de speekselmucinen bijna bij elke functie van speeksel een cruciale rol spelen. Zij vormen daarmee de meest belangrijke speekselbestanddelen.



(Dia 9)
2.1.5. Nieuw speekselsubstituut gebaseerd op mucine-onderzoek

Op grond van de nieuw verkregen fundamentele inzichten in de visco-elastische eigenschappen van speekselmucinen, werd een patent ontwikkeld voor de toepassing van visco-elastische polymeren in nieuwe speekselsubstituten (Fig. 9) (Van der Reijden et al., 1996). Hiervoor kunnen bijvoorbeeld gebruikt worden synthetische polyacrylaten en natuurlijke gomsoorten (dissertatie Wil van der Reijden, 1996). Het speekselsubstituut (ontwikkeld in nauwe samenwerking met Prof. Dr. Arjan Vissink, RUG), dat onder de naam Xialine in 1998 op de markt is gebracht, bevat als basis xanthan gom en is verkrijgbaar in de Benelux, Turkije, Rusland en Syrië (Fig. 10). Inmiddels is aangetoond dat het compatibel is met de door ons ontwikkelde antimicrobiële peptiden (dissertatie Anita Ruissen, 2002). Een speekselsubstituut met antiseptische werking is echter (nog) niet op de markt verkrijgbaar (Ruissen et al., 1999 and 2002).




  1   2   3   4


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina