Staatsrecht wanneer is er sprake van een staat?



Dovnload 110.09 Kb.
Datum17.08.2016
Grootte110.09 Kb.
Open vragen opleiding Buitengewoon opsporingsambtenaar


STAATSRECHT




1. Wanneer is er sprake van een staat?

Als er sprake is van een volk met een grondgebied en een eigen overheid.



2. Wat voor staatsvorm heeft Nederland?

Gedecentraliseerde eenheidsstaat



3. Wat voor bestuursvorm heeft Nederland?

Erfelijke constitutionele monarchie met een parlementair stelsel.



4. Wie maken er deel uit van de regering?

Koningin en de Ministers



5. Wie maken er deel uit van de Saten-Generaal?

De eerste en de tweede kamer.



6. Wie maken deel uit van het kabinet?

Ministers en Staatssecretarissen.



7. Wie nemen er deel aan de Ministerraad?

Alleen de ministers onder leiding van de minister-president



8. Wat is een staatssecretaris?

Een soort onderminister.



9. Uit hoeveel leden bestaat respectievelijk de eerste en de tweede kamer?

75 en 150.



10. Wie kiezen de leden van de eerste kamer?

Provinciale Staten.



11. Hoe worden de verkiezingen van de eerste kamer ook wel genoemd?

Indirecte of getrapte verkiezingen.



12. Wie kiezen de leden van de tweede kamer?

Nederlanders vanaf 18 jaar.



13. Hoe worden de verkiezingen van de tweede kamer ook wel genoemd?

Rechtstreekse verkiezingen.



14. Wat is de zittingsduur van de eerste en de tweede kamer?

4 jaar.


15. Door wie wordt de provincie bestuurd?

Commissaris van de Koningin en Gedeputeerde staten.



16. Wie heeft de hoogste macht in de provincie?

Provinciale Staten.



17. Wie is de hoogste bestuurder in de provincie en wat is er bijzonder aan hem?

Commissaris van de Koningin en hij is de hoogste rijksambtenaar.



18. Wie kiezen de leden van Provinciale Staten?

Nederlanders vanaf 18 jaar die tevens ingezetene van de provincie zijn.



19. Door wie wordt de gemeente bestuurd?

Het college van Burgemeester en wethouders.



20. Wie heeft de hoogste macht in de gemeente?

De gemeenteraad.



21. Wie heeft er wetgevende bevoegdheid in respectievelijk de gemeente en de provincie?

Gemeenteraad en Provinciale Staten.



22. Bij wie berust de wetgevende macht van het land?

Regering en Staten-Generaal.



23. Hoe heten de voorschriften die door regering en Staten-Generaal gemaakt worden?

Formele wetten.



24. Voor hoeveel tijd wordt de burgemeester en de commissaris van de Koningin benoemd?

Voor 6 jaar.



25. Wat voor soort voorschriften zijn verordeningen die door de Gemeenteraad en Provinciale Staten gemaakt worden?

Materiële wetten.

26. Wat is een Algemene Maatregel van Bestuur (AmvB)?

Een voorschrift gemaakt door de regering.



27. Door wie wordt een Ministeriële regeling gemaakt?

Door de minister.



28. Wat is een Keur?

Een Waterschapsverordening.



29. Wie is het parlement?

De Staten Generaal.



30. Wie kiezen de leden van de gemeenteraad?

Inwoners van de gemeente vanaf 18 jaar.


WET R.O.

1. Wie maken er deel uit van de rechterlijke macht?

Rechters, griffiers en leden van het O.M.

2. Welke competentie(bevoegdheid) regelt de Wet op de Rechterlijke Organisatie?

De absolute competentie oftewel het soort gerecht wat bevoegd is.



3. Welke strafbare feiten worden behandeld door de kantontrechter?

Alle overtredingen



4. Welke strafbare feiten worden door de rechtbank behandeld?

De misdrijven



5. Hoeveel alleensprekende rechters zijn er?

Drie, de kantonrechter, de politierechter en de kinderrechter.



6. Waarmee komt de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht tot uitdrukking?

Door het noemen van rechters voor het leven en dat hun salaris bij de wet werd geregeld.



7. Waar vindt je de relatieve competentie (de plaats van het gerecht)?

In het Wetboek van Strafvordering.



8. Hoeveel straf mag een politierechter opleggen?

Maximaal 1 jaar.



9. Bij welk gerecht kun je in hoger beroep na een veroordeling door de kantonrechter?

De enkelvoudige kamer van het gerechtshof.



10. Bij welk gerecht kun je in hoger beroep na een veroordeling door de rechtbank?

De meervoudige kamer van het gerechtshof.



11. Welke zaken behandelt de kinderrechter?

Misdrijven (en enkele overtredingen) gepleegd door jeugdige personen.



12. Hoeveel gerechtshoven zijn er?

5, respectievelijk in ’s-Hertogenbosch, Arnhem, ’s-Gravenhage, Amsterdam en Leeuwarden.



13. Wat is de functie van de Hoge Raad?

De Hoge Raad behandelt cassatieverzoeken en verzoeken tot herziening en vervolgt hoog geplaatsten zoals ministers en staatssecretarissen voor ambtsmisdrijven en ambtsovertredingen.



14. Wie is de advocaat-generaal?

De vertegenwoordiger van het O.M. bij het gerechtshof.



15. Wie is de procureur-generaal?

De vertegenwoordiger van het O.M. bij de Hoge Raad.



16. Wat is er bijzonder aan de P.G. bij de Hoge Raad?

Hij is ook voor het leven benoemd.



17. Wie behandelt hoger beroep van vonnissen van een politierechter?

Bij een vonnis tot 6 maanden de enkelvoudige kamer van het gerechtshof en een vonnis hoger dan 6 maanden de meervoudige kamer van het gerechtshof.



18. Wat is een arrest?

Een uitspraak van het gerechtshof of de Hoge Raad.



19. Wat is een rechter-commissaris?

Een zogenaamde onderzoeksrechter.



20. Wie worden bedoelt met jeugdige personen?

Alle personen beneden de leeftijd van 18 jaar.



21. Hoe heet het rechtsgebied van de rechtbank?

Arrondissement.



22. Hoe heet het rechtsgebied van een gerechtshof?

Ressort.


23. Wie zijn het college van Procureurs Generaal?

Dit is een college van 5 P.G.’s die direct vallen onder de Minister van Justitie en verantwoordelijk zijn voor het beleid van het O.M.



24. Waaruit bestaat de procedure in strafzaken?

Het voorbereidend onderzoek, het onderzoek ter terechtzitting en de tenuitvoerlegging.



25. Uit welke onderdelen bestaat het voorbereidend onderzoek?

Het opsporingsonderzoek, onder leiding van de officier van justitie en het gerechtelijk vooronderzoek, onder leiding van een rechter-commissaris.



26. Wanneer volgt vrijspraak?

Bij gebrek aan bewijs.



27. Wanneer volgt ontslag van rechtsvervolging?

Als de verdachte het strafbare feit wel gepleegd heeft maar een beroep kan doen op een strafuitsluitingsgrond.



28. Wat betekent het opportuniteitsbeginsel?

Het van vervolging afzien.



29. Wie heeft het recht om dat beginsel toe te passen?

Het Openbaar Ministerie.



30. Wat zijn de wettige bewijsmiddelen?

Eigen waarneming van de rechter, verklaringen van verdachten, verklaringen van getuigen, verklaringen van deskundigen en schriftelijke bescheiden.



OPSPORINGSAMBTENAREN

1. Wie zijn opsporingsambtenaar?

Alle personen met de opsporing van het strafbare feit belast.



2. Wat bedoelt men met het strafbare feit?

Dat men bevoegd moet zijn om dat feit op te sporen.



3. Wat bedoelt met alle personen?

Dat men geen ambtenaar hoeft te zijn om aangesteld te worden als opsporingsambtenaar.



4. Welke soorten opsporingsambtenaren zijn er?

Algemene en buitengewone opsporingsambtenaren.



5. Waar is hun opsporingsbevoegdheid geregeld?

De algemene opsporingsambtenaar ontleent zijn bevoegdheid aan artikel 141 en de buitengewone opsporingsambtenaar aan artikel 142 van het Wetboek van Strafvordering.



6. Wie zijn algemeen opsporingsambtenaar?

Officieren van Justitie, ambtenaren aangesteld voor de politietaak, vrijwillige ambtenaren van politie, de bijzondere ambtenaren van politie, de Koninklijke Marechaussee en personen van bijzondere opsporingsdiensten zoals F.I.O.D. en E.C.D.



7. Wat is het noodzaakcriterium?

Dat er een noodzaak aanwezig moet zijn om buitengewone opsporingsambtenaren aan te stellen.



8. Wanneer krijgt men een titel van opsporingsbevoegdheid?

Als de buitengewone opsporingsambtenaar een aanwijzing krijgt.



9. Welke soorten aanwijzing er?

De individuele aanwijzing, de categoriale aanwijzing en een aanwijzing bij wet of verordening.



10. Aan welke eisen moet nog meer voldaan worden om op te mogen sporen?

Aan de bekwaamheidseis (BOA-diploma), aan de betrouwbaarheidseis (V.O.G.) en men moet beëdigt zijn.



11. Wat staat er in de akte van beëdiging?

Het grondgebied waar men op mag sporen, welke strafbare feiten men op mag sporen en of men gebruik mag maken van de zogenaamde politiebevoegdheden.



12. Wat zijn de politiebevoegdheden?

Of men mag beschikken over de geweldsmiddelen.



13. Wat is geweld?

Elke dwangmatige kracht van meer dan geringe betekenis, uitgeoefend op personen en of zaken.



14. Wat zijn de geweldsmiddelen?

Wapenstok, peperspray, vuurwapen, politiehond.



15. Vallen de handboeien ook onder de geweldsmiddelen?

Nee, de handboeien zijn transportmiddelen.



16. Hoe kan men de opsporingstitel verliezen?

Als de titel vervalt of beëindigt wordt.



17. Wanneer vervalt de opsporingstitel?

Dit gebeurt van rechtswege, bijvoorbeeld als het opsporen van strafbare feiten geen onderdeel meer is van de functie van de betrokkene.



18. Wanneer wordt de opsporingstitel beëindigt?

Dit gebeurt op verzoek van de betrokkene, bijvoorbeeld als hij ontslag neemt.



19. Wie is belast met het toezicht op de BOA?

De minister van Justitie.



20. Wie heeft de minister aangewezen als toezichthouder?

De hoofdofficier van justitie.



21. Wie is de direct toezichthouder over de BOA?

De korpschef van de regio.



22. Wie behandelt klachten over de BOA?

Als het gaat om klachten over diens opsporingsactiviteiten de toezichthouder en direct toezichthouder, als het gaat om andere klachten, de werkgever.



23. Wat zijn commune delicten?

Dit zijn strafbare feiten die iedereen kan plegen, dus burgers en ambtenaren.



24. Wat zijn ambtsmisdrijven of ambtsovertredingen?

Dat zijn strafbare feiten die uitsluitend gepleegd kunnen worden door ambtenaren, bijvoorbeeld ambtelijke huisvredebreuk.



25. Wat wordt bedoelt met ambtelijke hoedanigheid?

Als een ambtenaar bij het plegen van een strafbaar feit gebruik maakt van macht, gelegenheid of middel dat hij door zijn ambt verkregen heeft dan wordt de straf met een derde verhoogd.



26. Eén van de politiebevoegdheden is de veiligheidsfouillering. Op wie mag u die toepassen?

Op alle personen, op iedereen, verdachten maar ook burgers dus.



27. Wanneer mag u de veiligheidsfouillering toepassen?

Indien er sprake is van onmiddellijk gevaar.



28. Hoe moet u de veiligheidsfouillering toepassen?

Door het oppervlakkig aftasten van de kleding van de persoon.



29. Welke opsporingsambtenaren mogen de veiligheidsfouillering uitvoeren?

Algemene- en buitengewone opsporingsambtenaren, mits dat voor de laatste op de akte van beëdiging is vermeld.



30. Mag een vrouwelijke opsporingsambtenaar de veiligheidsfouillering uitvoeren op een man?

Bij gewone omstandigheden moet de veiligheidsfouillering zoveel mogelijk worden uitgevoerd door ambtenaren van hetzelfde geslacht, doch er zou een dringende noodzaak (lees daarvoor gevaarlijke situatie) aanwezig kunnen zijn dat een vrouw een man fouilleert of andersom.



WET OP DE IDENTIFICATIEPLICHT

1. Wat is er geregeld in de Wet op de Identificatieplicht?

In deze wet staan de voorschriften opgenomen waaraan men zich moet houden.



2. Wat wordt met deze voorschriften bedoeld?

Dat er een toonplicht is, dat men zich moet kunnen identificeren vanaf de leeftijd van 14 jaar en met welke identiteitsbewijzen men zich moet identificeren.



3. Waar geldt wel een legitimatieplicht?

Op je werkplek, bij bepaalde aangewezen voetbalwedstrijden en in het openbaar vervoer.

In het openbaar vervoer overigens vanaf 12 jaar.

4. Met welke identiteitsbewijs moet men zich kunnen legitimeren?

Een geldig Nederlands reisdocument (paspoort of Nederlandse identiteitskaart) een geldig Nederlands rijbewijs, een geldig internationaal paspoort, een geldig vreemdelingendocument, een geldig rijbewijs afgegeven door bijvoorbeeld een van de EU-lidstaten etc…



5. Wanneer bestaat de toonplicht?

Als dat voor de uitoefening van de politietaak noodzakelijk is.



6. Voor wie geldt deze plicht dan.

Voor alle personen vanaf 14 jaar.



7. Waar is geregeld dat de opsporingsambtenaar een identiteitsbewijs mag vorderen van die personen?

In artikel 8a van de Politiewet.



8. Komt die bevoegdheid ook toe aan de BOA?

Ja, dit is geregeld in lid 2 van artikel 8a van de Politiewet.



9. Welke bevoegdheid heeft de opsporingsambtenaar nog meer?

Hij mag op grond van artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering een identiteitsfouillering uitvoeren op een staande gehouden of aangehouden verdachte en hij mag ook diens bagage doorzoeken.



10. Waar is het strafbaar gesteld als bijvoorbeeld een verdachte zijn identiteitsbewijs niet kan tonen?

In artikel 447e van het wetboek van Strafrecht (Dit is een overtreding).



11. Waar is het strafbaar gesteld als bijvoorbeeld een verdachte zijn identiteitsbewijs opzettelijk niet wil tonen?

In artikel 184 van het wetboek van Strafrecht (Dit is een misdrijf)



12. Een getuige van een overval wil zich uit angst voor represailles niet identificeren. Geldt ook voor hem een legitimatieplicht?

Ja, want artikel 8a van de Politiewet spreekt namelijk over personen, mits dat uiteraard voor de uitoefening van de politietaak noodzakelijk is.



STRAFRECHT

1. Hoe kun je het strafrecht onderverdelen?

In formeel en materieel strafrecht.



2. Wat is er in het formeel strafrecht geregeld?

De procedure en de bevoegdheden.



3. Wat is er in het materiële strafrecht geregeld?

Wie er strafbaar is, wat er strafbaar is en wat de straf is.



4. In welke wetten kom je formeel strafrecht tegen?

Het belangrijkste wetboek is het Wetboek van Strafvordering, maar ook in de Wet R.O. en in en aantal Bijzondere Wetten kom je formeel strafrecht tegen.



5. Waar kom je materieel strafrecht tegen?

Uiteraard in het Wetboek van Strafrecht, maar ook in tal van Bijzondere Wetten, in Algemene Maatregelen van Bestuur, in Ministeriële Regelingen en in verordeningen.



FORMEEL STRAFRECHT

1. Wat bedoelt men de bepaling van artikel 1 van het Wetboek van Strafvordering, namelijk dat strafvordering alleen plaats heeft op de wijze bij de wet voorzien?

Dat strafvorderlijke regels alleen maar mogen voorkomen in Formele Wetten, dus voorschriften gemaakt door Regering en Staten Generaal.



2. Wat is het doel van strafvordering?

Waarheidsvinding.



3. Wanneer is iemand verdachte?

Als vóórdat de vervolging is aangevangen er een redelijk vermoeden aanwezig is dat gebaseerd is op feiten of omstandigheden dat degene zich heeft schuldig gemaakt aan enig strafbaar feit.

Daarna wordt als verdachte aangemerkt degene tegen wie de vervolging is gericht.

4. Wat betekent de concrete factor?

Dat de verdenking gebaseerd moet zijn op (concrete) feiten of omstandigheden, dus geen vage geruchten.



5. Wat betekent de objectieve factor?

Dat het vermoeden redelijk moet zijn, dus redelijk op zich en niet alleen in de ogen van de opsporingsambtenaar.



6. Wat betekent de specifieke factor?

Dat het moet gaan om enig strafbaar feit, maakt niet uit welk strafbaar feit, als het maar een strafbaar feit is.



7. Wanneer vangt de vervolging aan?

Als er een rechter in de zaak betrokken wordt.



8. Wat is het verschil tussen opsporingsbevoegdheden en toezichtsbevoegdheden?

Opsporingsbevoegdheden mogen uitsluitend worden toegepast indien er sprake is van een verdachte en een gepleegd strafbaar feit en toezichtsbevoegdheden mogen worden toegepast indien er nog geen verdenking is van een strafbaar feit.



9. Wat is de betekenis van het woord wetmatig?

Hetgeen in de wet is vastgelegd of volgens de wet.



10. En wat is de betekenis van het woord rechtmatig?

Volgens het (geldende) recht.



11. Wat is herhaalde toepassing van bevoegdheden?

Dat een bevoegdheid meerdere keren mag worden toegepast, mits er steeds nieuwe verdenking is.



12. Wat betekent voortgezette toepassing van bevoegdheden?

Dat betekent dat men andere bevoegdheden voort mag zetten als men ook toevallig een ander strafbaar feit ontdekt.



13. Hoe heet het arrest waarop voortgezette toepassing van bevoegdheden is gebaseerd?

Het geweerarrest.



14. Wat kan het gevolg zijn van onrechtmatig optreden?

Dat het O.M. niet ontvankelijk verklaard wordt, dus niet meer mag vervolgen of dat het onrechtmatig handelen van het bewijs wordt uitgesloten of dat de verdachte wordt vrijgesproken of dat de verdachte geen straf krijgt of dat er geen gevolgen zijn.



15. Welke rechtsbeginselen ken je?

Subsidiariteitsbeginsel, Proportionaliteitsbeginsel, Fair Playbeginsel en Oneigenlijk (misbruik) gebruik van bevoegdheden.



16. Wat betekenen deze beginselen?

Subsidiariteit is het gebruik van de minst ingrijpende bevoegdheid, proportionaliteit wil zeggen dat het middel dat gehanteerd wordt in evenwicht moet zijn met het doel dat men wil bereiken, Fair play wil zeggen eerlijk spel en geen trucjes of valse beloftes en oneigenlijk gebruik van bevoegdheden is het toepassen van een bepaalde bevoegdheid uit een wet die daar niet voor geschreven is om een bepaald doel uit een andere wet te bereiken.



17. Wat zijn jeugdige personen?

Personen van 0 tot 18 jaar.



18. Welke twee groepen jeugdige personen zijn er?

Van 0 tot 12 jaar en van 12 tot 18 jaar.


19. Wat betekent dit voor de strafbaarheid?

De groep tot 12 jaar kan niet vervolgd worden, wel kunnen ze worden staande gehouden, aangehouden, aan hun kleding worden onderzocht, inbeslagneming kan plaatsvinden en ze kunnen worden opgehouden voor het onderzoek.

Op de groep van 12 tot 18 jaar is het jeugdstrafrecht van toepassing.

20. Wat is staande houden?

Iemand korte tijd ophouden om hem naar zijn naam, voornamen, geboortedatum, geboorteplaats en adres waarop hij als ingezetene staat ingeschreven in de basisadministratie te vragen.



21. Welke naam krijgt een kind bij de geboorte?

Binnen het huwelijk de geslachtsnaam van de vader, tenzij de ouders kiezen voor de geslachtsnaam van de moeder, buiten het huwelijk de geslachtsnaam van de moeder, tenzij de ouders kiezen voor de geslachtsnaam van de vader en bij adoptie kunnen de adoptiefouders kiezen voor de geslachtsnaam van de vader of de moeder.



22. Waaruit blijkt de juistheid van iemand zijn naam?

Uit de geboorteakte.



23. Moet een verdachte bij het staande houden zijn naam opgeven?

Nee.


24. Moet een getuige zijn naam opgeven?

Nee ook niet, maar als hij zijn naam opgeeft moet het de juiste zijn.



25. Welke bevoegdheid heb je als de verdachte weigert zijn naam op te geven?

Om hem na het staande houden of aanhouden aan zijn kleding en meegevoerde bagage te onderzoeken.



26. Waar mag dit onderzoek plaatsvinden?

Zo min mogelijk in het openbaar, tenzij het noodzakelijk is om wegmaken door hem van een identiteitsbewijs te voorkomen.



27. Wie mogen er aanhouden?

Bij ontdekking op heterdaad iedereen.



28. Voor welke strafbare feiten geldt dit?

Voor alle strafbare feiten, dus zowel misdrijven als overtredingen.



29. Wat is heterdaad?

Dat is het ontdekken van een strafbaar feit wanneer het begaan wordt.



30. Hoe lang duurt heterdaad?

Tot terstond na het plegen van het feit.



31. Hoe lang wordt heterdaad aanwezig geacht?

In ieder geval niet langer dan kort na het feit van de ontdekking. Heterdaad blijft in ieder geval aanwezig zo lang men onafgebroken met het onderzoek voort blijft gaan.



32. Wat was de langstdurende heterdaad tot nu toe in Nederland?

30 uur.


33. Wie mogen er buiten heterdaad aanhouden?

Als eerste de officier van justitie, als zijn optreden niet kan worden afgewacht de hulpofficier van justitie en als ook diens optreden niet kan worden afgewacht de opsporingsambtenaar.



34. Voor welke strafbare feiten mag men buiten heterdaad iemand aanhouden?

Voor misdrijven waarop voorlopige hechtenis is toegelaten.



35. Welke misdrijven zijn dat?

Misdrijven waarop gevangenisstraf is gesteld van 4 jaar of meer en een aantal met name genoemde misdrijven.



36. Wat is voorlopige hechtenis?

Dat is als er tegen de verdachte een bevel wordt afgegeven om hem in bewaring te stellen of gevangen te nemen of te houden.



37. Welke plaatsen mag de opsporingsambtenaar betreden om een verdachte aan te houden?

Alle plaatsen.



38. Welke plaatsen mag een burger betreden om de verdachte aan te houden?

Alle plaatsen, (uitsluitend bij misdrijven) met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner en de zogenaamde beschermde plaatsen.



39. Wat moet een burger doen als hij een verdachte heeft aangehouden?

Onverwijld overdragen aan een opsporingsambtenaar



40. Wat moet een opsporingsambtenaar doen als hij een verdachte heeft aangehouden?

Ten spoedigste voorgeleiden aan een officier- of hulpofficier van justitie.



41. Wat is de taak van de officier- of hulpofficier van justitie bij de voorgeleding?

Hij moet toetsen of de aanhouding rechtmatig heeft plaatsgevonden.



42. Wat gebeurt er daarna met de verdachte die voorgeleid is?

De OVJ of HOVJ bepaalt dan dat de verdachte voor het onderzoek wordt opgehouden of dat hij wordt heengezonden.



43. Hoe lang duurt het ophouden voor het onderzoek?

Maximaal 6 uur waarbij de tijd tussen 00.00 uur en 09.00 uur niet wordt meegerekend.



44. Wanneer gaan deze 6 uur in?

Na het bevel van de OVJ of HOVJ dat de verdachte wordt opgehouden voor het onderzoek.



45. Wat is ophouden ter identificatie?

Dat is de tijd dat de verdachte die weigert zijn identiteitsgegevens te verstrekken nog langer kan worden opgehouden.



46. Hoe lang kan dat duren?

Maximaal 6 uur, de tweede 6 uren dus.



47. Voor welke strafbare feiten kan de verdachte ter identificatie worden opgehouden?

Voor strafbare feiten waarop géén voorlopige hechtenis op is toegelaten.



48. Wat mag men dan met die verdachte doen?

Er mogen 3 maatregelen tegen hem genomen worden ter identificatie en dat zijn

1. vingerafdrukken nemen, 2. foto’s maken en 3. lichaamsmaten opnemen.

49. Wat moet er gebeuren als de 6 uur ophouden voor het onderzoek zijn verstreken en de verdachte moet nog langer vast blijven?

Dan kan de verdachte door de OVJ of HOVJ in verzekering gesteld worden, voor de duur van 3 X 24 uur.



50. Voor welke strafbare feiten kan dit?

Voor strafbare feiten waarop voorlopige hechtenis is toegelaten (4 jaar gevangenisstraf of meer).



51. Wat zijn de mogelijkheden na deze 3 dagen?

Dan kan alléén de officier van justitie deze termijn met nog eens 3 X 24 uur verlengen.



52. Wat kunnen er daarna nog voor vrijheidsbenemende maatregelen tegen de verdachte genomen worden?

Hij kan nog door de rechter-commissaris in bewaring gesteld worden, voor de duur van 14 dagen en daarna kan hij door de rechtbank nog gevangen gehouden of genomen worden voor de termijn van 3 X 30 dagen.



53. Wanneer heeft een verdachte recht op een raadsman?

Vanaf het moment dat hij van zijn vrijheid ontnomen is.



54. Wat zijn de rechten van een raadsman?

Hij mag de verdachte alleen spreken, brieven met hem wisselen, heeft vrije toegang tot hem en heeft het recht op inzage van de processtukken.



55. Wat zijn de beperkingen van de raadsman?

Hij moet het huishoudelijk reglement in acht nemen, mag het onderzoek niet ophouden en moet accepteren dat zijn onderhoud met de verdachte onder het vereiste toezicht plaatsvindt.



56. Welke rechten hebben de ouders van jeugdige personen (van 0-18 jaar)?

Dezelfde rechten als de raadsman, met uitzondering van inzag in de processtukken.



57. Welke rechten heeft de verdachte bij het verhoor?

Hij moet zijn verklaring in vrijheid af kunnen leggen, is niet tot antwoorden verplicht en zijn verklaring wordt zoveel mogelijk in zijn eigen woorden in het proces-verbaal opgenomen.



58. Wat is een verhoor?

Alle vragen die gesteld worden aan de verdachte over diens betrokkenheid bij het gepleegde strafbare feit.



59. Welke verplichting heeft de verhorende opsporingsambtenaar?

Hij moet de verdachte mededelen dat deze niet tot antwoorden verplicht is (de cautie) en hij moet de verdachte voor de aanvang van het verhoor er op wijzen dat hij het recht heeft op overleg met diens raadsman.



60. Wat zijn de voorwaarden om voor de bewijsvoering een verdachte aan de kleding of aan en in het lichaam te onderzoeken?

De verdachte moet zijn aangehouden en er moeten ernstige bezwaren tegen hem bestaan.



61. Wat zijn ernstige bezwaren?

Meer verdenking als een redelijk vermoeden.



62. Wie mogen deze onderzoeken uitvoeren?

- De opsporingsambtenaar is bevoegd een aangehouden verdachte tegen wie ernstige

bezwaren bestaan aan de kleding te onderzoeken.

- De OVJ en HOVJ zijn bevoegd deze verdachte aan het lichaam te onderzoeken of te

bevelen dat een opsporingsambtenaar dat onderzoek uitvoert.


  • De OVJ is bevoegd tot een onderzoek in het lichaam van de verdachte. Hij laat dit uitvoeren door een arts.

63. Wat is het verschil tussen een onderzoek aan het in het lichaam?

Een onderzoek aan het lichaam is het bekijken van het lichaam en de lichaamsholten van het bovenlichaam, met uitzondering van het schouwen van de holten van het onderlichaam.

Een onderzoek in het lichaam is het schouwen van het gehele lichaam en alle lichaamsholten en in deze holten ook manueel onderzoeken en het maken van röntgenfoto’s en echografie.

64. Wie mogen deze onderzoeken doen?

Aan het lichaam ambtenaren van hetzelfde geslacht en in het lichaam de arts.



65. Wat zijn volgens het Burgerlijk wetboek goederen?

Dat zijn alle zaken en vermogensrechten.



66. Hoe kan men zaken onderverdelen?

In roerende en onroerende zaken.



67. Wat is het verschil?

Een onroerende zaak is een zaak die onverbrekelijk met de aarde verbonden is, zoals bomen, planten, gebouwen etc.. en een roerende zaak is verplaatsbaar, tenzij een roerende zaak onverbrekelijk met een onroerende zaak is verbonden.



68. Wat is het hoogste recht dat men op een zaak kan hebben?

Eigendom.



69. Wat is bezit?

Bezit is een zaak feitelijk onder zich hebben.



70. Wat is onmiddellijk en middellijk bezit?

Onmiddellijk bezit is als de eigenaar zijn eigendom ook onder zich heeft en middellijk bezit is als de eigenaar dat bijvoorbeeld even uitgeleend heeft.



71. Wat is een houder?

Dat is iemand die voor kortere of langere duur een zaak onder zich houdt en erkent dat iemand anders eigenaar is, bijvoorbeeld een lease-auto of een gevonden fiets.



72. Wat is in beslag nemen?

In beslag nemen is onder zich nemen of onder zich gaan houden van enig voorwerp ten behoeve van strafvordering.



73. Wat is het verschil tussen onder zich nemen en onder zich gaan houden?

Bij het onder zich nemen, pakt men het voorwerp en neemt men daadwerkelijk mee en bij het onder zich gaan houden dan is het voorwerp reeds in handen van degene die het in beslag wil nemen.



74. Welke voorwerpen mag men in beslag nemen?

Voorwerpen die vatbaar zijn om in beslag te nemen.



75. Wat betekent vatbaar?

Vatbaar wil zeggen is het mogelijk, kan het eigenlijk wel.



76. Welke voorwerpen zijn vatbaar om in beslag te nemen?

Dit is geregeld in artikel 94 Sv. en dat zijn voorwerpen die kunnen dienen om aan te tonen dat er sprake is van:

1. Voorwerpen die nodig zijn om de waarheid aan het licht te brengen, of; 2. Voorwerpen die nodig zijn om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen, of; 3. Voorwerpen die nodig zijn voor verbeurdverklaring, of 4. Voorwerpen die ontrokken kunnen worden aan het verkeer.

77. Wie mogen er in beslag nemen?

De rechter-commissaris, opsporingsambtenaren en in een enkele geval ook de burger.



78. Wat is daarover geregeld?

Allereerst is in artikel 95 Sv. geregeld dat degene (iedereen dus bij aanhouden) die de verdachte gaat aanhouden of staande houden mag voor inbeslagneming vatbare voorwerpen die de verdachte met zich meevoert in beslag nemen.

Vervolgens mag op grond van artikel 96 lid 1 Sv.de opsporingsambtenaar bij ontdekking op heterdaad voor alle strafbare feiten of ingeval van buiten heterdaad voor strafbare feiten die zijn omschreven in artikel 67 lid 1 Sv. (4 jaar of meer) vatbare voorwerpen in beslag nemen en daarvoor elke plaats betreden.

79. Wat nu als de opsporingsambtenaar de voorwerpoen die hij in beslag wil nemen niet ziet liggen?

Dan mag hij zoekend rondkijken op grond van ditzelfde artikel.



80. Welke bevoegdheden heeft een opsporingsambtenaar nog meer?

- Hij mag op grond van artikel 96 lid 2 Sv. in afwachting van de komst van de rechter of ambtenaar die de plaats gaat doorzoeken ter inbeslagneming de plaats ”bevriezen” om wegmaking etc van het voorwerp te voorkomen.

  • Hij mag ook op grond van artikel 96a Sv. de uitlevering vorderen van het in beslag te nemen voorwerp. De vordering mag niet gedaan worden aan de verdachte.

  • Hij mag op grond van artikel 96b Sv, vervoermiddelen doorzoeken, met uitzondering van het woongedeelte.

81. Wie hebben de bevoegdheid plaatsen te doorzoeken ter inbeslagneming?

Je moet dan eerst een onderscheid maken tussen woningen en andere plaatsen.

WONINGEN: Een woning mag ter inbeslagneming doorzocht worden door de Rechter-commissaris (art.110 Sv.), als zijn optreden niet kan worden afgewacht door de Officier van Justitie en als ook diens optreden niet afgewacht kan worden door de Hulpofficier van justitie (art. 97 Sv.). De Officier- en Hulpofficier van justitie hebben daartoe wel voorafgaande aan de doorzoeking een machtiging nodig van de Rechter-commissaris.

ANDERE PLAATSEN: Ander plaatsen als woningen mogen doorzocht worden door de Officier van justitie en als diens optreden niet kan worden afgewacht door de Hulpofficier van justitie (art.96c Sv.).

De HOVJ heeft een machtiging nodig van de OVJ, behalve bij dringende noodzaak dan mag hij zonder die machtiging de doorzoeking uitvoeren.

82. Aan wie worden de in beslag genomen voorwerpen teruggeven en door wie?

In principe worden door het O.M. de in beslag genomen voorwerpen teruggegeven aan degene bij wie ze in beslag zijn genomen.



83. Wat gebeurt er met de voorwerpen als die niet worden teruggeven aan degene bij wie ze zijn in beslag genomen?

Dan worden ze in bewaring genomen en worden ze overgebracht naar een daartoe aangewezen bewaarder.



84. Wat is er in de Grondwet geregeld met betrekking tot het betreden van woningen zonder toestemming van de bewoner?

In artikel 12 van de Grondwet is bepaald dat als men een woning wil betreden zonder toestemming van de bewoner aan de volgende eisen moet voldoen:

1. Legitimeren, 2. Doel moet mededelen een de bewoner en 3. Een verslag moet opmaken en uit moet reiken aan de bewoner.

85. Wat is er in de Algemene Wet op het Binnentreden hieromtrent geregeld?

De A.W.Bi. heeft dezelfde eisen als de Grondwet en nog een extra eis, een 4e eis dus, namelijk dat men voorzien dient te zijn van een machtiging.



86. Wie kan een machtiging tot binnentreden verstrekken?

Voor strafvorderlijke doelen: 1. De advocaat-generaal, 2. De officier van justitie en 3. De hulpofficier van justitie.

Voorniet strafvorderlijke doelen: De burgemeester.

87. Hoe lang is een machtiging geldig?

Op de dag van verstrekking zelf, tot en met 3 dagen daarna.



88. Hoeveel machtigingen mag een HOVJ uitgeven?

Vier en bij dringende noodzaak meer dan vier.



89. Wie mogen er zonder machtiging een woning betreden zonder toestemming van de bewoner?

1. Rechters, 2. Leden van het O.M., 3. Deurwaarders en 4. Burgemeesters.



90. Wie worden er als bewoner aangemerkt?

Iedereen die in de woning woont, met uitzondering van een logé en een niet inwonende huishoudelijke hulp.



91. Wanneer en wie mogen de zogenaamde beschermde plaatsen (Vergaderruimtes van openbare lichamen, Kerken etc. en Gerechtszalen tijdens de zittingen) betreden?

Tijdens de vergaderingen, diensten en zittingen, alleen bij ontdekking op heterdaad en alleen door opsporingsambtenaren.



MATERIEEL STRAFRECHT

1. Hoe is het Wetboek van Strafrecht ingedeeld?

In drie boeken, te weten: Boek 1, Algemene Bepalingen, boek 2, Misdrijven en boek 3, Overtredingen.



2. Wat is het Legaliteitsbeginsel?

Het recht van de overheid om strafbepalingen te maken. En dat geen feit strafbaar is dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijk strafbepaling.



3. Wat is er voor de verdachte geregeld bij verandering in de wetgeving?

Dan zijn voor hem de gunstigste bepalingen van toepassing.



4. Op wie is de Nederlandse strafwet van toepassing?

  1. Op iedereen in Nederland (Territorialiteitsbeginsel)

  2. Op iedereen aan boord van een Nederlands vaartuig of luchtvaartuig (Vlagbeginsel)

  3. Voor een aantal misdrijven op de Nederlander in het buitenland (Personaliteitsbeginsel)

5. Wat houdt de slotbepaling van Boek 1 in?

Dat hetgeen bepaald is in Boek in geldt voor alle wetten en verordeningen waarop straf is gesteld, tenzij de wet anders bepaalt. Dus samengevat alleen een formele wet kan een andere formele wet veranderen. Een lager voorschrift niet.



6. Hoe wordt een strafbaar feit omschreven?

Een strafbaar feit bestaat uit een norm dat is hetgeen strafbaar gesteld is, de kwalificatie (de naam dus, doch niet alle strafbare feiten hebben een naam) en de sanctie oftewel de straf.



7. Hoe is de norm verdeeld?

In bestanddelen oftewel onderdelen van het strafbare feit.



8. Wat wordt er vereist voor de strafbaarheid?

Dat iemand schuld heeft en dat zijn handelen wederrechtelijk is.



9. Hoe kan men schuld onderverdelen?

Schuld in ruime zin kan men onderverdelen in schuld in enge zin en opzet.



10. Wat is opzet?

Als iemand willens en wetens een strafbaar feit pleegt.



11. Noem eens enkele synoniemen voor het woord opzet dat de wetgever ook gebruikt?

Met het oogmerk, met de bedoeling, wetende dat.



12. Wat is wederrechtelijk?

Zonder recht, zonder toestemming, in strijd met het recht.



13. Wat is een aangifte?

Een melding dat er een strafbaar feit gepleegd is.



14. Wie kan aangifte doen?

Iedereen, ongeacht leeftijd.



15. Bij wie kan men aangifte doen?

Bij iedere opsporingsambtenaar en die is verplicht de aangifte op te nemen.



16. Kan een aangifte worden ingetrokken?

Nee.


17. Wat is een klacht?

Een aangifte met het verzoek tot vervolging.



18. Wie kan een klacht indienen.

De tot klacht gerechtigde (de benadeelde dus) en de klager moet 16 jaar zijn.



19. Bij wie kan men een klacht indienen?

Bij de OVJ of HOVJ.



20. Kan een klacht worden ingetrokken?

Ja, binnen 8 dagen.



21. Wat voor soorten klachtdelicten zijn er?

Absolute en relatieve klachtdelicten.

Bij absolute klachtdelicten moet er altijd een klacht worden ingediend, bijvoorbeeld belediging en bij Relatieve klachtdelicten alleen als er sprake is van een relatie (familie, bloed- of aanverwanten tot en met de 2e graad rechte- of zijlijn.

22. Wat is de verjaringstermijn?

Bij overtredingen 3 jaar en bij misdrijven afhankelijk van het gepleegde misdrijf.



23. Wat is een poging?

Taalkundig gezien is dat iets proberen te bereiken, zonder daarin te slagen.


24. Wanneer is er sprake van een strafbare poging?

Als er sprake is van een beging van uitvoering van een misdrijf.



25. Wanneer is een poging niet strafbaar?

Een poging tot overtreding is niet strafbaar en als het misdrijf niet is voltooid tengevolge van omstandigheden van de wil van de dader afhankelijk de dader, dus als de dader zich vrijwillig terugtrekt.



26. Wat is er geregeld met betrekking tot de straf bij een poging?

Dan wordt de straf met een derde verminderd ten opzichte van het voltooide misdrijf.



27. Wanneer is voorbereiding van een misdrijf strafbaar?

Als het een misdrijf betreft waarop een gevangenisstraf van 8 jaar of meer is gesteld dan zijn de voorbereidingen ook strafbaar. Ook bij voorbereinding wordt de straf met een derede verminderd.



30. Hoe kan men deelnemen aan strafbare feiten?

Als dader of als medeplichtige.



31. Welke soorten daders zijn er?

Zij die het feit:



  1. Plegen

  2. Doen plegen

  3. Medeplegen of

  4. Uitlokken.

32. Wat zijn de kenmerken van deze soorten daders?

  1. De pleger voor alle bestanddelen van het strafbare feit alleen uit

  2. Bij doen plegen is er sprake van tenminste twee daders, de intellectuele dader en de materiële dader, waarbij de materiële dader niet strafbaar is

  3. Bij medeplegen worden de bestanddelen van het strafbaar door meerderen uitgevoerd

  4. Bij uitlokking is er eveneens sprake van tenminste twee daders, de intellectuele dader en de materiële dader, waarbij de materiële dader nu ook strafbaar is.

33. Met welke middelen kun je iemand uitlokken?

  1. giften

  2. beloften

  3. misbruik van gezag

  4. geweld

  5. bedreiging

  6. misleiding

  7. verschaffen van gelegenheid

  8. verschaffen van middelen

  9. verschaffen van inlichtingen.

34. Wanneer is iemand medeplichtig?

Als hij behulpzaam is tot het plegen van het misdrijf (vooraf) of als hij behulpzaam is bij het plegen van het misdrijf (tijdens).

De medeplichtige kan ondersteuningshandelingen of voorbereidingshandelingen verrichten.

35. Wanneer is medeplichtigheid niet strafbaar?

Medeplichtigheid aan overtreding is niet strafbaar, alleen bij een misdrijf dus.



36. Wat is er geregeld met betrekking tot de straf bij medeplichtigheid?

Dan wordt de straf met een derde verminderd ten opzichte van het voltooide misdrijf.



37. Wat is het verschil tussen uitlokken en medeplichtigheid?

Dat is afhankelijk van wie het initiatief neemt. Zie voorbeelden in boek.



38. Welke soorten rechtspersonen zijn er?

Publiekrechtelijke (overheid, rijk, provincies, gemeenten, waterschappen) en Privaatrechtelijke rechtspersonen (verenigingen, stichtingen, B.V.’s en N.V.s etc.)

39. Wie kunnen vervolgd worden indien een rechtspersoon een strafbaar feit pleegt?

De rechtspersoon zelf, de opdrachtgever en tegen de feitelijk leidinggevende aan de verboden gedraging.



40. Welke geschreven strafuitsluitingsgronden ken je?

Ontoerekeningsvatbaarheid, overmacht, noodweer, wettelijk voorschrift en ambtelijk bevel.



41. Wat is de ongeschreven strafuitsluitingsgrond?

AVAS (Afwezigheid Van Alle Schuld)



42. Wat is overmacht?

Elke kracht, dwang of drang waaraan men geen weerstand kan bieden.



43. Welke soorten overmacht zijn er?

Noodtoestand en relatieve overmacht of overmacht in enge zin.



44. Wat is noodweer?

Dat is de noodzakelijke verdediging van eigen of een anders lijf of goed tegen ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.



45. Wat is noodweer exces?

Dat is de overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging, indien dat een onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging door de aanranding veroorzaakt.



46. Wat is het verschil tussen overmacht en noodweer?

Bij overmacht handelt men van uit een innerlijke drang en bij noodweer haat het om de verdediging tegen een (menselijke) aanval.



47. Wat betekent de strafuitsluitingsgrond ter uitvoering van een wettelijk voorschrift.

Als men de wet uitvoert (handhaaft) dan heeft men bepaalde bevoegdheden, bijvoorbeeld het aanhouden van een verdachte. De verdachte kan daarna dan geen aangifte doen tegen de opsporingsambtenaar van wederrechtelijke vrijheidsberoving, immers de opsporingsambtenaar voerde de wet uit.



48. Wat betekent de strafuitsluitingsgrond uitvoering van een ambtelijk bevel?

De burger voldoet aan een stopteken van een opsporingsambtenaar en hij stop waar een stopverbod geldt. De burger is dan niet strafbaar, want hij voerde een ambtelijk bevel uit.



49. Geldt dat ook voor een onbevoegd gegeven ambtelijk bevel?

Ja, mits de ondergeschikte het bevel te goeder trouw als geschikt gegeven beschouwd en de nakoming daarvan binnen de kring van zijn ondergeschiktheid ligt.



50. Wat is er bepaald over de eendaadse samenloop?

Als er voor één strafbaar feit meerdere strafbepalingen zijn geschreven dan gaat de bepaling waarop de zwaarste hoofdstraf is gesteld voor en als voor een strafbaar een algemene en een bijzonder bepaling van toepassing is dan gaat de bijzondere bepaling voor.



51. Wat is actieve omkoping?

Dat is de (burger) die probeert door een gift of belofte een ambtenaar om te kopen om hem al dan niet in strijd met zijn plicht iets te laten doen of na te laten (vooraf of achteraf)



52. Wat is passieve omkoping?

Dat is de ambtenaar die de gift of belofte aanneemt.



53. Kan een ambtenaar ook actieve omkoping plegen?

Ja, door zelf om een gift of belofte te vragen.



54. Wat is meineed?

Opzettelijk een valse verklaring onder ede afleggen.



55. Hoe kan men meineed plegen?

Mondeling of schriftelijk.



56. Wie kan meineed plegen?

Dat kan men persoonlijk doen of door een bijzonder daartoe gemachtigde.



57. Wanneer kan men meineed plegen?

In de gevallen waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert of daaraan rechtsgevolgen verbindt.



58. Wat is valsheid in geschrift?

Dat is een geschrift om tot bewijs van enig feit te dienen valselijk opmaakt of vervalst.



59. Wat is het verschil tussen valselijk opmaken en vervalsen.

Valselijk opmaken dan is het geheel vals en bij vervalsen gaat het om een echt geschrift, bijvoorbeeld een echt paspoort), veranderen.



60. Wanneer is valsheid in geschrift strafbaar?

Als men het valse of vervalste geschrift als echt gebruikt of door anderen laat gebruiken of als men zo’’n geschrift aflevert of voorhanden heeft terwijl men weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat het bestemd is voor zodanig gebruik.



61. Wat is huisvredebreuk?

Dat is binnendringen in een woning, besloten lokaal of erf bij een ander in gebruik, wederrechtelijk aldaar vertoeven en zich niet op vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds verwijdert.



62. Wat betekent bij een ander in gebruik?

De woning, lokaal of erf moeten dus gebruikt worden door de bewoner of rechthebbende. Een woning of lokaal dat leeg staat is niet bij een ander in gebruik.



63. Hoe kan men huisvredebreuk plegen?

  1. Een inbreker pleegt automatisch huisvredebreuk, dus men hoeft hem niet te vorderen weg te gaan.

  2. Een insluiper vertoeft wederrechtelijk in de woning, lokaal of erf dus die moet men één keer vorderen om zich aanstonds te verwijderen

  3. Een iemand die vrijwillig in de woning, lokaal of erf vertoeft moet twee keer gevorderd worden om zich aanstonds te verwijderen.

64. Wat is ambtsdwang?

Dat is met geweld of enige andere feitelijkheid of bedreigen met geweld of enige ander feitelijkheid een ambtenaar dwingen tot het volvoeren van een ambtsverrichting of het nalaten van een rechtmatige ambtsverrichting.



65. Wat is een ambtsverrichting?

Dan kan van alles zijn. Bijvoorbeeld een proces-verbaal opmaken of een voorwerp in beslag nemen of een sporenonderzoek instellen.



66. Waar richt zich dit misdrijf dan tegen?

Dit misdrijf richt zich tegen de ambtsverrichtingen van een ambtenaar, tegen zijn handelingen dus. Het voorkomen dat een voorwerp in beslag genomen wordt.



67. Wat is wederspannigheid?

Dat is zich door middel van geweld of bedreiging met geweld verzetten tegen een ambtenaar, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, of tegen personen die hem daarbij krachtens wettelijk verplichting of op zijn verzoek bijstand verlenen.



68. Waar richt dit misdrijf zich tegen?

Dit misdrijf richt zich tegen de persoon van de ambtenaar en tegen hen die de ambtenaar bijstand verlenen.



69. Hoe kan men dit misdrijf plegen?

Door zich daadwerkelijk tegen de ambtenaar of bijstandverlener te verzetten, bijvoorbeeld door zich los te rukken of te schoppen of te slaan tegen de hen.



70. Wat is het strafbare gedrag bij het niet voldoen aan een bevel of vordering?

Door opzettelijk niet te voldoen aan een bevel of een vordering gedaan door een ambtenaar met toezicht belast (toezichthouder) of door een ambtenaar belast met of bevoegd verklaard tot het onderzoeken of opsporen van strafbare feiten (opsporingsambtenaar).

Ook het opzettelijk enige handeling door een van die ambtenaren ondernomen ter uitvoering van een wettelijk voorschrift beletten, belemmeren of verijdelen valt onder de werking van dit misdrijf.

71. Wat is beletten, belemmeren of verijdelen?

Beletten betekent voorkomen of onmogelijk maken, Belemmeren betekent moeilijk maken en verijdelen betekent krachteloos maken.



72. Wat is opschudding veroorzaken?

Opschudding is wanorde laten ontstaan, de normale gang van zaken hinderen, stilte verstoren etc.



73. Waar kan men dit misdrijf plegen?

Tijdens een terechtzitting of ter plaatse waar een ambtenaar in het openbaar in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening werkzaam is.



74. Wanneer is men strafbaar?

Als men zich niet verwijdert na het door of vanwege het bevoegd gezag gegeven bevel.



75. Hoe kan men het misdrijf belediging plegen?

  1. In het openbaar, mondeling bij geschrift of afbeelding.

  2. In iemands tegenwoordigheid, mondeling of door feitelijkheden.

  3. Door een toegezonden of aangeboden geschrift of afbeelding.

76. Wat is belediging?

Opzettelijk iemands eer of goede naam aanranden.



77. Wat zijn feitelijkheden?

Bijvoorbeeld een middelvinger opsteken of iemand in zijn gezicht spugen.



78. Wat voor soort misdrijf is belediging?

Belediging is een absoluut klachtdelict, dus het kan alleen maar vervolgd worden als er eerst een klacht wordt ingediend tegen degene die het misdrijf heeft gepleegd.



79. Hoe kan men een ambtenaar beledigen?

Door opzettelijk de eer of goede naam van de ambtenaar aan te randen, gedurende (tijdens) of terzake (later) van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.



80. Moet de ambtenaar dan ook een klacht indienen?

Nee, dit misdrijf kan de ambtenaar ambtshalve laten vervolgen door zelfstandig proces-verbaal op te maken.



81. Gaat dit misdrijf in alle gevallen op bij het beledigen van een ambtenaar?

Nee, de dader moet wel weten dat hij met een ambtenaar te maken heeft.




POLITIE


1. Wie worden aangemerkt als ambtenaren van politie?

  1. De ambtenaren aangesteld voor de uitvoering van de politietaak.

  2. De ambtenaren voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken van de politie.

  3. De vrijwillige ambtenaren van politie

  4. De bijzondere ambtenaren van politie (Rijksrecherche). Zij zijn werkzaam bij het parket van het College van procureurs-generaal.

2. Wat is de taak van de politie?

In ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregels te zorgen voor:



  1. De daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde (repressieve taak)

  2. Verlenen van hulp aan hen die dat behoeven (preventieve taak).

3. Wie is het bevoegd gezag over de politie als het gaat om de handhaving van de rechtsorde?

Dat zijn respectievelijk:



  1. De Officier van justitie

  2. Het College van procureurs-generaal en

  3. De Minister van justitie.

4. Wie is het bevoegd gezag bij hulpverlening en bij handhaving openbare orde?

Dat zijn respectievelijk:



  1. De Burgemeester

  2. De Commissaris van de Koningin en

  3. De Minister van Binnenlandse zaken.

5. Hoe is de politie georganiseerd?

De politie bestaat uit 25 Regionale politiekorpsen, een Korps landelijke politiediensten en de bijzonder ambtenaren van politie (Rijksrecherche).



6. Wat is het werkgebied van de politie?

De politieambtenaar is bevoegd zijn taak in het gehele land uit te oefenen.

Als er geen noodzaak aanwezig is treedt hij echter niet op buiten de regio waar hij is aangesteld. Doet hij dat toch dan is zijn optreden weliswaar rechtmatig (Hoge Raad) maar dan kunnen er tegen hem disciplinaire maatregelen worden genomen.

7. Wie heeft het beheer over de politie als geheel?

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Hij is beheerder op afstand.



8. Wie heeft het beheer over de regiopolitie?

De korpsbeheerder.



9. Wie is de korpsbeheerder?

Dat is de burgemeester van de provinciehoofdstad als de regio en de provincie samenvallen.

Zijn er meer regio’s in één provincie, dan is de burgemeester van de grootste gemeente in de regio de korpsbeheerder.

10. Wie heeft de dagelijkse leiding?

De korpschef.



11. Wie neemt er beslissingen op het gebied van beleid in de regio?

Het regionaal college dat bestaat uit alle burgemeester in de regio.



12. Wie is de zogenaamde regionale driehoek?

Dat zijn de korpsbeheerder, hoofdofficier van justitie en de korpschef.









De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina