Staatssteunbeleid en de ets-richtlijn 4 Onder deze richtsnoeren vallende specifieke maatregelen 5



Dovnload 131.04 Kb.
Pagina3/7
Datum22.07.2016
Grootte131.04 Kb.
1   2   3   4   5   6   7

1.3.Steun in verband met facultatieve overgangsregelingen voor de kosteloze toewijzing van emissierechten ten behoeve van de modernisering van de elektriciteitsopwekking


  1. Volgens artikel 10 quater van de ETS-richtlijn kunnen lidstaten die voldoen aan een aantal voorwaarden in verband met de interconnectiviteit van hun nationale elektriciteitsnet of het aandeel van fossiele brandstoffen in hun elektriciteitsproductie en de hoogte van het bbp per hoofd van de bevolking ten opzichte van het gemiddelde van de Unie, tijdelijk afwijken van het beginsel van de volledige veiling en kosteloze rechten toewijzen aan installaties voor elektriciteitsproductie die op 31 december 2008 in werking zijn of aan installaties voor elektriciteitsproductie waarvoor het investeringsproces op deze datum fysiek was geïnitieerd. Als tegenprestatie dienen de in aanmerking komende lidstaten een nationaal investeringsplan voor te leggen ("nationaal plan"), waarin de investeringen zijn beschreven welke de ontvangers van de kosteloze emissierechten of andere exploitanten hebben verricht voor de aanpassing en modernisering van de infrastructuur, voor schone technologieën en voor de diversificatie van de energiemix en de voorzieningsbronnen.

  2. Die afwijking van het beginsel van volledige veiling via voorlopige kosteloze emissierechten houdt staatssteun in in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, omdat de lidstaten door de toekenning van kosteloze emissierechten afzien van bepaalde inkomsten en een selectief voordeel verlenen aan elektriciteitsproducenten die kunnen concurreren met ondernemingen in andere lidstaten, hetgeen de mededinging op de interne markt kan verstoren of dreigen te verstoren en het handelsverkeer ongunstig kan beïnvloeden. Ook op het niveau van de investeringen die de ontvangers van kosteloze emissierechten tegen verminderde kosten zullen verrichten, is er sprake van staatssteun.

1.4.Steun in verband met de uitsluiting van kleine installaties en ziekenhuizen van de EU ETS


  1. Krachtens artikel 27 van de ETS-richtlijn mogen de lidstaten kleine installaties en ziekenhuizen uitsluiten van de EU ETS, indien zij gelijkwaardige maatregelen treffen voor de beperking van de broeikasgasemissies. De lidstaten kunnen maatregelen voor kleine installaties en ziekenhuizen voorstellen waarmee een bijdrage tot de emissiereducties wordt verwezenlijkt gelijkwaardig aan de maatregelen van de EU ETS. Deze mogelijkheid tot uitsluiting van de EU ETS biedt maximale winst qua verlaging van administratieve kosten per ton CO2-equivalent die van de ETS-regeling wordt uitgesloten.

  2. Met de uitsluiting van kleine installaties en ziekenhuizen van de EU ETS kan staatssteun gepaard gaan. De lidstaten beschikken over een ruime discretionaire bevoegdheid om te beslissen of kleine installaties van de EU ETS moeten worden uitgesloten en, indien dit zo is, welke soort installaties dat dan moeten zijn en welke soort gelijkwaardige maatregelen vereist zijn. Derhalve kan niet worden uitgesloten dat de door de lidstaten opgelegde gelijkwaardige maatregelen neerkomen op een economisch voordeel voor de begunstigden en dat dit de mededinging op de interne markt waarschijnlijk zal verstoren of dreigen te verstoren en het handelsverkeer ongunstig zal beïnvloeden.

2.Toepassingsgebied en definities

2.1.Toepassingsgebied van deze richtsnoeren


  1. Deze richtsnoeren zijn alleen van toepassing op steunmaatregelen die in het kader van de tenuitvoerlegging van de ETS-richtlijn zijn genomen. De communautaire richtsnoeren inzake staatssteun voor milieubescherming8 zijn niet van toepassing op deze maatregelen.

2.2.Definities


  1. In het kader van deze richtsnoeren gelden de in bijlage I opgenomen definities.

3.Verenigbare steunmaatregelen krachtens artikel 107, lid 3, VWEU


  1. Staatssteun voor milieubescherming kan verenigbaar met de interne markt worden verklaard in de zin van artikel 107, lid 3, onder c), VWEU indien deze leidt tot een betere milieubescherming zonder de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt zodanig te veranderen dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad. Bij de beoordeling van de verenigbaarheid van een steunmaatregel maakt de Commissie een afweging van de positieve gevolgen van de steunmaatregel voor het behalen van een doelstelling van gemeenschappelijk belang en de potentieel negatieve neveneffecten, zoals de verstoring van het handelsverkeer en de vervalsing van de mededinging. Daarom mag de looptijd van de steunregelingen de geldigheidsduur van deze richtsnoeren niet overschrijden onverminderd het recht van een lidstaat om een maatregel opnieuw aan te melden na de in het besluit van de Commissie vastgestelde einddatum.

3.1.Steun voor ondernemingen in bedrijfstakken en deeltakken die worden geacht te zijn blootgesteld aan een significant CO2-weglekrisico als gevolg van in de elektriciteitsprijzen doorberekende EU ETS-kosten (steun voor indirecte emissiekosten)


  1. Voor bedrijfstakken of deeltakken die worden geacht te zijn blootgesteld aan een significant CO2-weglekrisico ten gevolge van in de elektriciteitsprijzen doorberekende kosten als gevolg van de tenuitvoerlegging van de ETS-richtlijn wordt steun ter compensatie van dergelijke kosten die vanaf 1 januari 2013 zijn gemaakt, verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, onder c), VWEU beschouwd voor zover is voldaan aan de in dit deel beschreven voorwaarden.

Noodzakelijkheid van de steun

  1. Voor de toepassing van deze richtsnoeren wordt een steunbegunstigde geacht een significant CO2-weglekrisico te lopen wegens in de elektriciteitsprijzen doorberekende EUA-kosten, indien zijn concurrenten buiten de EU geen dergelijke CO2-kosten doorberekenen in hun elektriciteitsprijzen en de begunstigde deze kosten onmogelijk in de productprijzen kan doorberekenen zonder een aanzienlijk verlies van marktaandeel of van winst.

  2. In het kader van deze richtsnoeren wordt dit geacht het geval te zijn indien de begunstigde actief is in een in bijlage II bij deze richtsnoeren opgenomen in aanmerking komende bedrijfstak.

Maximale steunintensiteit

  1. De steunintensiteit mag niet hoger zijn dan 85% van de in aanmerking komende kosten in 2013, 2014 en 2015, 80% van de in aanmerking komende kosten in 2016, 2017 en 2018, en 75% van de in aanmerking komende kosten in 2019 en 2020.

Berekening van het maximale steunbedrag

  1. Het maximale steunbedrag dat per installatie kan worden verleend voor de vervaardiging van de producten die behoren tot de in bijlage II bij deze richtsnoeren opgenomen in aanmerking komende bedrijfstakken moet op basis van de volgende formule worden berekend:

        1. Wanneer de in bijlage III bij deze richtsnoeren opgenomen efficiëntiebenchmarks voor het elektriciteitsverbruik van toepassing zijn op de door de begunstigde vervaardigde producten, is het maximale steunbedrag dat voor het jaar t voor een installatie kan worden verleend, gelijk aan:

steunintensiteit in jaar t, uitgedrukt als een breuk (bv. 0,8)

vermenigvuldigd met

CO2-emissiefactor (t CO2/MWh) (in jaar t)

maal


EUA-termijnkoers in jaar t-1 (EUR/t CO2)

maal


productspecifieke efficiëntiebenchmark voor het elektriciteitsverbruik (MWh/ton) als omschreven in bijlage III

maal


referentie-output

        1. Wanneer de in bijlage III bij deze richtsnoeren opgenomen efficiëntiebenchmarks voor het elektriciteitsverbruik niet van toepassing zijn op de door de begunstigde vervaardigde producten, is het maximale steunbedrag dat voor het jaar t voor een installatie kan worden verleend, gelijk aan:

steunintensiteit in jaar t

vermenigvuldigd met

CO2-emissiefactor (t CO2/MWh) (in jaar t)

maal


EUA-termijnkoers in jaar t-1 (EUR/t CO2)

maal


fallback-benchmark voor het elektriciteitsverbruik [0,7]

maal


referentie-elektriciteitsverbruik

  1. Indien met een installatie producten worden vervaardigd waarvoor een efficiëntiebenchmark van toepassing is en producten waarvoor de fallback- efficiëntiebenchmark van toepassing is, dient het elektriciteitsverbruik voor elk product te worden omgeslagen volgens het respectieve aantal geproduceerde ton van elk product.

  2. De steun kan worden uitgekeerd in het jaar waarin de kosten worden gemaakt of in het daaropvolgende jaar. Indien de steun wordt uitgekeerd in het jaar waarin de kosten worden gemaakt, dient een ex post aanpassingsmechanisme in het leven te worden geroepen met het oog op de terugbetaling van het eventuele teveel betaalde steunbedrag vóór 1 juli van het volgende jaar.


1   2   3   4   5   6   7


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina