Staatssteunbeleid en de ets-richtlijn 4 Onder deze richtsnoeren vallende specifieke maatregelen 5



Dovnload 131.04 Kb.
Pagina6/7
Datum22.07.2016
Grootte131.04 Kb.
1   2   3   4   5   6   7

5.2.Transparantie


  1. De Commissie is van oordeel dat aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn om de transparantie van staatssteun in de Unie te verbeteren. Met name moet ervoor worden gezorgd dat de lidstaten, markdeelnemers, belanghebbenden en de Commissie gemakkelijk toegang kunnen krijgen tot de volledige tekst van alle toepasselijke steunregelingen ten behoeve van het milieu.

  2. Dit doel kan worden bereikt door het creëren van internetsites. Daarom zal de Commissie, wanneer zij steunregelingen beoordeelt, stelselmatig van de betrokken lidstaat vragen de volledige tekst van alle definitieve steunregelingen op internet te publiceren en het internetadres van de publicatie aan de Commissie mee te delen. De steunregeling mag niet worden uitgevoerd voordat de informatie op internet is gepubliceerd.

5.3.Toezicht


  1. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat er voor alle maatregelen gedetailleerde dossiers worden bijgehouden over de steunverlening. Deze dossiers, die alle informatie moeten bevatten die nodig is om aan te tonen dat de voorwaarden betreffende de in aanmerking komende kosten en de maximaal toelaatbare steunintensiteit in acht zijn genomen, moeten tien jaar na de datum van steunverlening worden bewaard en op verzoek aan de Commissie ter beschikking worden gesteld.

5.4.Inwerkingtreding, geldigheidsduur en herziening


  1. Deze richtsnoeren zijn van toepassing vanaf de eerste dag na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

  2. Deze richtsnoeren zijn tot en met 31 december 2020 van toepassing. De Commissie kan de richtsnoeren, na raadpleging van de lidstaten, vóór die datum wijzigen om belangrijke redenen die verband houden met het mededingingsbeleid of het milieubeleid, dan wel om rekening te houden met andere takken van beleid van de Unie of met internationale verplichtingen. Deze wijzigingen zouden met name nodig kunnen zijn in het licht van toekomstige internationale overeenkomsten op het gebied van klimaatverandering en de toekomstige Europese wetgeving inzake klimaatverandering. De Commissie kan deze richtsnoeren 4 jaar na de inwerkingtreding ervan herzien. De Commissie kan met name de lijst van de ingevolge punt 3.1 voor steun in aanmerking komende bedrijfstakken en deeltakken herzien op basis van beschikbare bewijzen dat er een CO2-weglekrisico bestaat en van bijgewerkte beschikbare gegevens over handel, productie en bruto toegevoegde waarde; verder kan zij de efficiëntiebenchmarks voor het elektriciteitsverbruik die in bijlage III bij deze richtsnoeren zijn vermeld, actualiseren en/of nieuwe efficiëntiebenchmarks toevoegen voor andere producten/procédés in voor steun in aanmerking komende bedrijfstakken; tenslotte kan zij het niveau van de maximale regionale CO2-emissiefactoren die in bijlage IV zijn vastgesteld, herzien.

  3. De Commissie zal deze richtsnoeren toepassen op alle aangemelde steunmaatregelen ten aanzien waarvan zij wordt verzocht een besluit te nemen nadat de richtsnoeren in het Publicatieblad zijn bekendgemaakt, zelfs indien de projecten vóór de bekendmaking ervan zijn aangemeld; dit geldt ook voor steun die vóór 2013 zal worden verleend.

  4. Overeenkomstig de mededeling van de Commissie betreffende de vaststelling van regels voor de beoordeling van onrechtmatig verleende staatssteun17 zal de Commissie:

  • deze richtsnoeren toepassen, indien de steun na de bekendmaking ervan werd verleend en betrekking had op na 1 januari 2013 verrichte investeringen of gemaakte kosten, behalve in het geval van steun in verband met facultatieve overgangsregelingen voor kosteloze toewijzing van emissierechten ten behoeve van de modernisering van de elektriciteitsopwekking, waartoe onder bepaalde voorwaarden ook in het nationaal plan opgenomen investeringen kunnen behoren die na 29 juni 2009 zijn verricht, of

  • in alle andere gevallen andere staatssteunregels toepassen, met inbegrip van de relevante Verdragsbepalingen, die van toepassing waren toen de steun werd verleend.

BIJLAGE I

Definities



In deze richtsnoeren wordt verstaan onder:

  • "steun": elke maatregel die aan alle criteria van artikel 107, lid 1, VWEU voldoet;

  • "steunverleningsperiode": een of meerdere jaren binnen de periode 2013-2020. Een lidstaat die steun voor een kortere periode wil toekennen, dient een boekjaar van de begunstigde als referentie te nemen en steun op jaarbasis te verlenen;

  • "maximale steunintensiteit": het totale steunbedrag, uitgedrukt als een percentage van de in aanmerking komende kosten. Alle cijfers die worden gebruikt, zijn de cijfers vóór aftrek van belastingen of andere heffingen. Wordt steun in een andere vorm dan een subsidie verleend, dan is het steunbedrag gelijk aan de waarde van het subsidie-equivalent van de steun. Van steun die in meerdere tranches wordt uitgekeerd, wordt de totale netto contante waarde op het ogenblik van de verlening van de eerste tranche berekend, op basis van het relevante referentiepercentage van de Commissie voor discontering van de waarde. De steunintensiteit wordt per begunstigde berekend;

  • "zelfopwekking": de opwekking van elektriciteit door een installatie die niet beschouwd kan worden als een “elektriciteitsopwekker” in de zin van artikel 3, onder u), van Richtlijn 2003/87/EG als gewijzigd bij Richtlijn 2009/29/EG;

  • "begunstigde": een onderneming die steun ontvangt;

  • "CCS-klaar": gezegd van een installatie waarvan is aangetoond dat geschikte opslaglocaties voorhanden zijn, dat transportfaciliteiten technisch en economisch haalbaar zijn en dat de installatie in technisch en economisch opzicht geschikt is om voor CO2-afvang te worden aangepast zodra er voldoende marktprikkels zijn doordat een bepaalde CO2-prijsdrempel is bereikt. De kwalificatie CCS-klaar vereist met name:

  • het bewijs dat aanpassing voor CO2-afvang technisch haalbaar is. Er dient een locatie-specifieke technische studie te worden overgelegd die vanuit ingenieursperspectief op voldoende gedetailleerde wijze aantoont dat het technisch mogelijk is de installatie volledig aan te passen voor CO2-afvang met een afvangrendement van 85 % of meer, gebruikmakend van één of meer technologische opties die in precommerciële situaties hun bruikbaarheid hebben bewezen of waarvan de prestaties met zekerheid toereikend kunnen worden geacht. Die studie dient duidelijk aan te tonen dat er voor zover bekend geen onoverkomelijke technische hinderpalen zijn voor de doeltreffende aansluiting, zonder buitensporig lange periodes van bedrijfsstilstand, van de in te bouwen afvangapparatuur op de bestaande uitrusting (volledige capaciteit) en dat er voldoende ruimte beschikbaar zal zijn voor de bouw en de veilige functionering van de noodzakelijke afvang  en compressie-inrichtingen op de plaats van de installatie;

  • controle dat er voldoende extra ruimte beschikbaar is op of nabij de locatie waar de afvangapparatuur zal worden opgesteld;

  • identificatie van een of meer technisch en economisch haalbare transportroutes, via pijpleidingen of anderszins, naar veilige geologische opslaglocaties voor CO2;

  • identificatie van een of meer mogelijke opslaglocaties die geschikt zijn bevonden voor de veilige geologische opslag van de verwachte totale hoeveelheid afgevangen CO2, alsook de verwachte hoeveelheid afgevangen CO2 per tijdseenheid, gedurende de hele levensduur van de installatie;

  • het bewijs, gestaafd door een economische beoordeling, dat het inbouwen van een geïntegreerd CCS-systeem dat de volledige capaciteit van de installatie bestrijkt economisch haalbaar is. De beoordeling dient nadere gegevens te bevatten betreffende redelijke scenario's, rekening houdend met CO2-prijsprognoses, de kosten verbonden aan de in de technische studies geïdentificeerde technologieën en opslagopties, de foutmarges en de verwachte bedrijfsopbrengsten. In de beoordeling worden de omstandigheden aangegeven waaronder CCS tijdens de levensduur van de voorgestelde installatie economisch haalbaar zou zijn;

  • de kwalificatie CCS-klaar vereist dat de genoemde omstandigheden gehandhaafd worden en dat zulks wordt aangetoond door de indiening van rapporten over de technische aspecten van de CCS-klaar-status bij de bevoegde autoriteit, om de twee jaar vanaf de dag waarop de installatie in bedrijf is genomen en tot het tijdstip waarop het ingebouwde CCS-systeem operationeel wordt. In die rapporten moet met name nader worden ingegaan op elke wijziging in de aannames die in de technische studies en de economische beoordeling zijn gebruikt, en aan de mogelijke gevolgen daarvan voor de conclusies;

  • het bewijs dat alle voor de toepassing van CCS vereiste vergunningen kunnen worden verkregen, met vermelding van de betreffende procedures en tijdschema's;

  • het opstellen van een mogelijk CCS-uitvoeringsplan, met inbegrip van een mogelijk tijdschema voor inbedrijfstelling en een publieke-verbintenisprogramma dat gezondheids , veiligheids  en milieuaspecten behelst;

  • "milieubescherming": elke handeling die bedoeld is om schade aan de fysieke omgeving of de natuurlijke hulpbronnen als gevolg van de eigen activiteiten van de begunstigde te herstellen of te voorkomen, het risico van dergelijke schade te verminderen of efficiënter gebruik van de natuurlijke hulpbronnen te bevorderen, met inbegrip van energiebesparende maatregelen en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen18;

  • "EU-emissierecht (EUA)": een overdraagbaar recht om gedurende een vastgestelde periode 1 ton CO2-equivalent uit te stoten;

  • "bruto toegevoegde waarde (GVA)": de bruto toegevoegde waarde tegen factorkosten, d.w.z. de waarde van de output, verminderd met de waarde van het intermediair verbruik. Het is een maat voor de bijdrage aan het bbp die een individuele producent, onderneming of bedrijfstak levert. De bruto toegevoegde waarde tegen factorkosten is de bruto toegevoegde waarde tegen marktprijzen, verminderd met eventuele indirecte heffingen en vermeerderd met eventuele subsidies. De toegevoegde waarde tegen factorkosten kan als volgt worden berekend: omzet plus geactiveerde productie, plus andere bedrijfsinkomsten, plus of minus veranderingen in voorraden, minus aankopen van goederen en diensten, minus andere heffingen op producten die aan de omzet zijn gekoppeld maar niet aftrekbaar zijn, minus productiegebonden rechten en heffingen. Als alternatief kan zij worden berekend als de som van bruto exploitatieoverschot en personeelskosten. In de bedrijfsbalans als 'financieel' of 'uitzonderlijk' opgevoerde inkomsten en uitgaven worden bij de berekening van de toegevoegde waarde niet meegerekend. Het resultaat van de berekening van de toegevoegde waarde tegen factorkosten is een brutocijfer, aangezien met waardeaanpassingen (bijv. afschrijving) geen rekening wordt gehouden19;

  • "toepassing van de volledige CCS-keten": de bouw van de installaties voor en de werkelijke start van de afvang, het vervoer en de opslag van CO2;

  • "kleine installaties": installaties die bij de bevoegde autoriteit een jaarlijkse emissie van minder dan 25 000 ton CO2-equivalent hebben gerapporteerd en, wanneer zij verbrandingsactiviteiten verrichten, een nominaal thermisch vermogen van minder dan 35 MW hebben, met uitsluiting van de emissies uit biomassa, voor elk van de drie jaren voorafgaand aan de kennisgeving van gelijkwaardige maatregelen overeenkomstig artikel 27, lid 1, onder a), van de ETS-richtlijn;

  • "begin van de werkzaamheden": hetzij het begin van de bouwwerkzaamheden, hetzij de eerste vaste verbintenis om uitrusting te bestellen, met uitsluiting van voorbereidende haalbaarheidsstudies;

  • "handelsintensiteit": de verhouding tussen de totale waarde van de uitvoer naar derde landen plus de waarde van de invoer uit derde landen ten opzichte van de totale marktomvang voor de Unie (jaarlijkse binnenlandse omzet van EU-ondernemingen plus het totaal van de invoer uit derde landen) overeenkomstig de Eurostat-cijfers;

  • "EUA-termijnkoers": het gewone gemiddelde, in EUR, van de dagelijkse 1-jaarstermijnkoersen van EUA's (slotverkoopkoersen) voor levering in december van het jaar waarvoor de steun wordt verleend, zoals waargenomen in een gegeven EU-koolstofbeurs van 1 januari tot en met 31 december van het jaar dat aan het jaar waarop de steun betrekking heeft, voorafgaat. Voor steun toegekend voor 2016, bijvoorbeeld, is dit het gewone gemiddelde van de slotverkoopkoersen van EUA's voor december 2016 zoals waargenomen van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015 in een gegeven EU-koolstofbeurs;

  • "CO2-emissiefactor": het gewogen gemiddelde, in tCO2/MWh, van de CO2-intensiteit van de uit fossiele brandstoffen opgewekte elektriciteit in verschillende geografische gebieden. De weging dient de productiemix van de drie fossiele brandstoffen in het geografisch gebied in kwestie correct weer te geven. De CO2-factor is het resultaat van de door de energiesector verstrekte gegevens inzake de emissie van CO2-equivalent gedeeld door de uit fossiele brandstoffen opgewekte elektriciteit in TWh (brutocijfer). In het kader van deze richtsnoeren worden gebieden gedefinieerd als geografische zones (a) die bestaan uit door stroomuitwisseling gekoppelde deelmarkten, of (b) waarbinnen zich geen afgetekende congestie voordoet, en waar, in beide gevallen, de volgendedag-uurtarieven voor uitgewisselde stroom binnen de zone voor een aanzienlijk percentage van alle uren van het jaar een prijsverschil in EUR (op basis van de dagelijkse ECB-wisselkoersen) van ten hoogste 1% te zien geven. De regionale differentiatie weerspiegelt het belang van fossielebrandstofcentrales voor de uiteindelijke prijs op de groothandelsmarkt en hun rol als marginale centrales in de rangorde. Het loutere feit dat tussen twee lidstaten elektriciteit wordt verhandeld, impliceert niet automatisch dat zij een supranationaal gebied vormen. Gezien het ontbreken van relevante gegevens op subnationaal niveau omvatten de geografische gebieden het hele grondgebied van een of meer lidstaten. Op grond hiervan kunnen de volgende geografische gebieden worden omschreven: Scandinavië (Zweden, Finland en Noorwegen), Centraal  en West-Europa 1 (België, Luxemburg en Frankrijk), Centraal- en West-Europa 2 (Duitsland, Oostenrijk en Nederland), Iberië (Portugal en Spanje), Tsjechië en Slowakije (de Tsjechische Republiek en Slowakije) en alle overige lidstaten afzonderlijk. De overeenkomstige regionale maximumwaarden voor de CO2-factor zijn opgenomen in bijlage IV;

  • "referentie-output": de gemiddelde productie, in ton per jaar, van de installatie gedurende de referentieperiode 2005-2011 (referentie-output) in het geval van installaties die van 2005 tot en met 2011 elk jaar in bedrijf waren. Indien de installatie van 2005 tot en met 2011 ten minste één jaar niet in bedrijf was, wordt de referentie-output gelijkgesteld aan de jaarlijkse productie tot er gegevens beschikbaar zijn over vier bedrijfsjaren; vanaf dan is de referentie-output gelijk aan het gemiddelde over de laatste drie jaren van de periode. De steun wordt met 40% verhoogd indien de gemiddelde productie gedurende de steunverleningsperiode met meer dan 40 % van de referentie-output toeneemt. De steun wordt met 40% verlaagd indien de gemiddelde productie gedurende de steunverleningsperiode tot minder dan 40 % van de referentie-output afneemt;

  • "referentie-elektriciteitsverbruik": het gemiddelde elektriciteitsverbruik, in MWh, van de installatie gedurende de referentieperiode 2005-2011 (referentie-elektriciteitsverbruik) in het geval van installaties die van 2005 tot en met 2011 elk jaar in bedrijf waren. Indien de installatie van 2005 tot en met 2011 ten minste één jaar niet in bedrijf was, wordt het referentie-elektriciteitsverbruik gelijkgesteld aan het jaarlijkse elektriciteitsverbruik tot er gegevens beschikbaar zijn over vier bedrijfsjaren; vanaf dan is het referentie-elektriciteitsverbruik gelijk aan het gemiddelde over de laatste drie jaren waarvoor bedrijfsgegevens beschikbaar zijn. De steun wordt met 40 % verhoogd indien de gemiddelde productie gedurende de steunverleningsperiode met meer dan 40  % van de referentie-output toeneemt. De steun wordt met 40 % verlaagd indien de gemiddelde productie gedurende de steunverleningsperiode tot minder dan 40  % van de referentie-output afneemt;



  • "efficiëntiebenchmark voor elektriciteitsverbruik": het op Prodcom 8-niveau gedefinieerde productspecifieke elektriciteitsverbruik, uitgedrukt in MWh/ton output, dat wordt bereikt met de meest elektriciteitsefficiënte productiemethoden voor het beschouwde product. De overeenkomstige elektriciteitsverbruikbenchmarks voor producten die vallen onder de in aanmerking komende bedrijfstakken zijn opgenomen in bijlage III;



  • "fallback-efficiëntiebenchmark voor elektriciteitsverbruik": wordt uitgedrukt in %, is niet productspecifiek en stemt overeen met de gemiddelde reductie-inspanning welke voortvloeit uit de toepassing van de efficiëntiebenchmarks voor elektriciteitsverbruik (benchmark-elektriciteitsverbruik/ex-ante elektriciteitsverbruik). De fallback-benchmark wordt toegepast voor alle producten die vallen onder in aanmerking komende bedrijfstakken of deeltakken maar waarvoor geen efficiëntiebenchmark voor elektriciteitsverbruik is gedefinieerd.

BIJLAGE II

SECTOREN DIE EX ANTE WORDEN GEACHT TE ZIJN BLOOTGESTELD AAN EEN SIGNIFICANT CO2-WEGLEKRISICO ALS GEVOLG VAN INDIRECTE EMISSIEKOSTEN


In het kader van deze richtsnoeren wordt een steunbegunstigde die actief is in een van de volgende bedrijfstakken geacht te zijn blootgesteld aan een significant CO2-weglekrisico als gevolg van in de elektriciteitsprijzen doorberekende EUA-kosten:





NACE-code20

Omschrijving

1.

2742

Productie van aluminium

2.

1430

Winning van mineralen voor de chemische en de kunstmestindustrie

3.

2413

Vervaardiging van overige anorganische chemische basisproducten

4.

2743

Productie van lood, zink en tin

5.

1810

Vervaardiging van kleding van leer

6.

2710

Vervaardiging van ijzer en staal en van ferrolegeringen

7.

2112

Vervaardiging van papier en karton

8.

2415

Vervaardiging van kunstmeststoffen en stikstofverbindingen

9.

2744

Productie van koper

10

2414

Vervaardiging van andere organische chemische basisproducten

Methode voor de vaststelling van de voor steun in aanmerking komende bedrijfstakken en van het maximale steunbedrag

  1. Overeenkomstig artikel 10 bis, lid 15, van Richtlijn 2003/87/EG wordt een bedrijfstak of deeltak geacht te zijn blootgesteld aan een significant weglekrisico in de zin van deze richtsnoeren, indien de intensiteit van de handel met derde landen hoger is dan 10% en de som van de indirecte extra kosten die het gevolg zijn van de toepassing van de ETS-richtlijn tot een aanzienlijke stijging van de productiekosten zouden leiden, berekend als een deel, tenminste 5%, van de bruto toegevoegde waarde.

  2. Om de krachtens deze richtsnoeren in aanmerking komende indirecte kosten te berekenen, wordt uitgegaan van dezelfde prijsaannames voor CO2 en dezelfde gemiddelde emissiefactor voor elektriciteit in de Unie als de in Besluit 2010/2/EU van de Commissie21 gebruikte waarden. Dat geldt ook voor de voor elke bedrijfstak of deeltak gebruikte gegevens betreffende de handel, de productie en de toegevoegde waarde. Voor de berekening van de intensiteit van de handel wordt uitgegaan van de uitvoer en invoer naar alle landen buiten de EU, ongeacht of deze niet-EU-landen al dan niet een CO2-prijsstelling hanteren (door middel van koolstofbelastingen of met de ETS vergelijkbare "cap-and-trade"-regelingen). Voorts wordt aangenomen dat 100% van de CO2-kosten in de elektriciteitsprijzen zullen worden doorberekend.

  3. Overeenkomstig artikel 10 bis, lid 17, van de ETS-richtlijn kan de lijst van bedrijfstakken en deeltakken die volgens de in punt 1 vermelde kwantitatieve criteria in aanmerking komen, worden aangevuld na een kwalitatieve beoordeling, indien de desbetreffende gegevens beschikbaar zijn en de vertegenwoordigers van de bedrijfstak of de lidstaten plausibele en onderbouwde argumenten hebben aangedragen om in aanmerking te komen. De kwalitatieve beoordeling wordt in de volgende gevallen toegepast: ten eerste voor grensgevallen, d.w.z. bedrijfstakken op NACE 4-niveau die te maken hebben met een stijging van de indirecte emissiekosten van 2 tot 5% en een handelsintensiteit van tenminste 10% hebben; ten tweede voor bedrijfstakken en deeltakken (mede op Prodcom-niveau)22 waarvoor officiële gegevens ontbreken of van slechte kwaliteit zijn en, ten derde voor bedrijfstakken en deeltakken (mede op Prodcom-niveau) die geacht worden onvoldoende vertegenwoordigd te zijn geweest in de kwantitatieve beoordeling.

  4. Bij de kwalitatieve subsidiabiliteitsbeoordeling wordt ten eerste gekeken naar de omvang van de asymmetrische kosten als gevolg van de belasting van de betrokken bedrijfstak en de mogelijkheden voor deze bedrijfstak om de hogere indirecte emissiekosten door te berekenen aan zijn afnemers zonder een aanzienlijk marktaandeel te verliezen aan concurrenten in derde landen. Ten tweede wordt, om vast te stellen of de bedrijfstakken dergelijke kosten al dan niet kunnen doorberekenen, uitgegaan van een algemene beoordeling van de beschikbare gegevens over de (huidige en verwachte) kenmerken van de markt, zowel aan de vraag- als aan de aanbodzijde, de mogelijkheden om kosten te absorberen (winstmarges), de substitueerbaarheid met niet-EU-producten, het reductiepotentieel, en de vraag of de betrokken bedrijfstak of deeltak al dan niet een prijsvolger is (bv. omdat de prijzen de facto worden vastgesteld op internationale grondstoffenbeurzen). Ook wordt rekening gehouden met de substitueerbaarheid van brandstoffen op basis van Besluit 2011/278/EU van de Commissie23.




1   2   3   4   5   6   7


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina