Stadswerf Oostenburg Toelichting



Dovnload 0.72 Mb.
Pagina6/13
Datum22.07.2016
Grootte0.72 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   13

Hoofdstuk 5 M.e.r. / (mer-beoordeling)splicht


Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieubelang een volwaardige plaats in bepaalde plan- en besluitvormingsprocessen te geven. Enerzijds maakt het opstellen van een milieueffectrapport (MER) de initiatiefnemer bewust van de milieugevolgen en anderzijds kan de overheid diverse milieugevolgen in samenhang met elkaar en op een voor de burger transparante wijze bij de besluitvorming betrekken. De regelgeving met betrekking tot de milieueffectrapportage is verankerd in de Wet milieubeheer. Voor sommige plannen of activiteiten geldt direct de verplichting om een MER op te stellen, maar er zijn ook plannen waarvoor het bevoegd gezag moet beoordelen of zij het nodig vindt om ter voorbereiding van een besluit een MER te laten maken (m.e.r.-beoordeling). In het Besluit m.e.r. is opgenomen voor welke activiteiten de m.e.r.-(beoordelings)plicht bestaat. Het gaat dan met name om activiteiten die aanzienlijke nadelige effecten op het milieu kunnen hebben. Ook kan er sprake zijn van een zogenoemde vormvrije m.e.r.-beoordeling. Dit geldt voor activiteiten die wel worden genoemd in het Besluit m.e.r., maar vanwege de omvang van de activiteit (onder de drempelwaarde) geen m.e.r.(beoordelings)plicht kent.

Voorliggend bestemmingsplan project voorziet in de transformatie van een bedrijventerrein in een woon- en werkgebied met bijbehorende voorzieningen. Deze (her)ontwikkeling is geen aangewezen geen project waarvoor vanwege de activiteit en/of omvang daarvan op grond van de C-lijst een m.e.r.-plicht geldt.

Wel kan de activiteit worden gezien als de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedeling ontwikkelingsproject, zoals genoemd in kolom 1 van de D-lijst. De daarbij in kolom 2 aangegeven drempels worden ruimschoots onderschreden. Op basis daarvan geldt geen verplichting tot een m.e.r.-beoordeling.

Ook op grond van de toetsing conform artikel 2, vijfde lid, onder b, van het Besluit m.e.r. zijn er geen omstandigheden op grond waarvan een m.e.r.-beoordeling met toepassing van de artikelen 7.16 tot en met 7.19 Wm moet worden gedaan. Hierbij wordt het volgende overwogen:



  • a. kenmerken van het project (waaronder omvang, verontreiniging en hinder risico van ongevallen);

  • b. de plaats van de activiteit (in relatie tot de kwetsbaarheid van het milieu);

  • c. de kenmerken van het potentiële effect (waaronder het bereik, de orde grootte en waarschijnlijkheid van het effect).

De voorgenomen activiteit is beoordeeld op deze aspecten.

De activiteit omvat de transformatie van een bedrijventerrein naar een woon- en werkgebied. Het terrein is een industrieterrein in de zin van de Wet geluidhinder. Op het terrein bevinden zich geen grote lawaaimakers (A-inrichtingen) in de zin van de Wet milieubeheer en daarmee is het geen industrieterrein meer. Het bestemmingsplan maakt geen grote lawaaimakers mogelijk. De bijbehorende geluidzone zal komen te vervallen.

De omgeving van het plangebied kenmerken zich door een woonfunctie aan de zuidoostzijde, een jachthaven met daarachter een woonfunctie aan de noordwestzijde, een spooremplacement met een woonfunctie aan de noordzijde en ten zuidwesten van het plangebied een gemengde woon- en werkfunctie. De voorgenomen transformatie sluit daar geheel bij aan. De effecten op het milieu worden uitgebreid toegelicht in de hoofstukken 7 tot en met 17 van deze toelichting.

Gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten wrodt geconcludeerd dat er in dit geval geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Een m.e.r. (-beoordeling) wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Hierbij wordt verwezen naar Bijlage 1 bij deze toelichting.


Hoofdstuk 6 Milieuzonering

6.1 Normstelling en beleid


Om de toelaatbaarheid van bedrijfsactiviteiten in dit bestemmingsplan vast te leggen is gebruikgemaakt van een milieuzonering. Een milieuzonering zorgt ervoor dat milieubelastende functies (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) waar nodig ruimtelijk voldoende worden gescheiden. De gehanteerde milieuzonering is gekoppeld aan een Staat van Bedrijfsactiviteiten.

Een Staat van Bedrijfsactiviteiten is een lijst waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten, al naar gelang de te verwachten belasting voor het milieu, zijn ingedeeld in een aantal categorieën. Voor de indeling in de categorieën zijn de volgende ruimtelijk relevante milieuaspecten van belang:



  • geluid;

  • geur;

  • stof;

  • gevaar (met name brand- en explosiegevaar).

Daarnaast kan de verkeersaantrekkende werking van een bedrijf relevant zijn.

Bij voorliggend bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering', Handreiking voor maatwerk in de gemeentelijke ruimtelijke ordeningspraktijk van 2009' (VNG-publicatie).


6.2 Toepassing 'standaard Staat van Bedrijfsactiviteiten'


De aanpak van milieuzonering en de in dit plan gebruikte 'standaard Staat van Bedrijfsactiviteiten' (standaard SvB, lijst 1) zijn gebaseerd op de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009). Deze lijst kan als basis gebruikt worden voor een Staat van Bedrijfsactiviteiten bij een bestemmingsplan voor een bedrijventerrein.

De lijst gaat uit van activiteiten, gerangschikt naar SBI-codes. Voor elke activiteit zijn milieuactiviteiten en richtafstanden vermeld, rekening houdend met de normaliter bij deze activiteiten voorkomende opslagen en installaties.

Het gebied Stadswerf Oostenburg wordt getransformeerd van een bedrijventerrein naar een woon-werkgebied. Het gaat in dit gebied in het algemeen om relatief kleinschalige bedrijvigheid die op korte afstand van woningen kan worden toegestaan. De toelaatbaarheid van activiteiten wordt voor dergelijke gebieden in de VNG-publicatie) bepaald met behulp van op deze situaties toegesneden toelatingscriteria.

Richtafstanden bepalend voor de categorie-indeling
In 'Lijst 1' is voor elke bedrijfsactiviteit voor ieder van de ruimtelijk relevante milieuaspecten een richtafstand ten opzichte van een 'rustige woonwijk' vermeld. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Daarnaast vermeld 'Lijst 1' indicaties voor verkeersaantrekkende werking.

In het plan wordt de toelaatbaarheid van de bedrijfsactiviteiten gekoppeld aan de staat. In de 'Lijst 1' zijn de activiteiten opgenomen die passen binnen de definitie van bedrijf volgens de begripsbepalingen in de regels van dit bestemmingsplan. De 'Lijst 1' van de VNG-publicatie omvat alle denkbare hinderlijke functies waaronder, naast bedrijven ook horeca, kantoren en dienstverlening. De toelaatbaarheid van andere functies wordt in dit plan indien nodig op een andere wijze in de regels en op de plankaart van dit bestemmingsplan geregeld (bijvoorbeeld horecabedrijven via een afzonderlijke indeling van horeca-activiteiten, detailhandel en dienstverlening).



Omgevingstype bepalend voor de daadwerkelijke te hanteren afstanden
De gewenste afstand tussen een bedrijfsactiviteit en woningen (of andere gevoelige functies zoals scholen) wordt mede bepaald door het type gebied waarin de gevoelige functie zich bevindt. In overeenstemming met de VNG-publicatie worden daarbij twee omgevingstypen onderscheiden: rustige woonwijk en gemengd gebied. De richtafstanden die vermeld in 'Lijst 1' gelden ten opzichte van een rustige woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype). Voor een gemengd gebied (en daarmee te vergelijken gebieden) gelden kleinere afstanden. Daarnaast dient in de milieuzonering rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van eventuele bedrijfswoningen op een bedrijventerrein.

Rustige woonwijk
In een rustig woonwijk komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en vrijwel geen andere functies zoals kantoren of bedrijven. Langs de randen (in de overgang naar eventuele bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Als vergelijkbare omgevingstypen noemt de VNG-publicatie onder meer een rustig buitengebied en een stilte- of natuurgebied.

Omgevingstype gemengd gebied
In een gemengd gebied komen naast wonen ook andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Daarmee vergelijkbare gebieden zijn lintbebouwingen in het buitengebied en gebieden direct gelegen langs hoofdinfrastructuur. Kenmerkend voor dit omgevingstype is een zekere mate van verstoring en dus van relevant andere omgevingskwaliteit dan in een rustig woongebied. Het gebied Oostenburg Noord is een gemengd gebied.

Flexibiliteit
'Lijst 1' blijkt in de praktijk een relatief grof hulpmiddel te zijn om hinder door bedrijfsactiviteiten in te schatten. De richtafstanden en inschalingen gaan uit van een gemiddeld bedrijf met een moderne bedrijfsvoering. Het komt in de praktijk voor dat een bepaald bedrijf als gevolg van een geringe omvang van hinderlijke deelactiviteiten, een milieuvriendelijke werkwijze of bijzondere voorzieningen minder hinder veroorzaakt dan in de 'Lijst 1' is verondersteld. In de regels is daarom bepaald dat het bevoegd gezag bij omgevingsvergunning kan afwijken van de 'Lijst 1' en een dergelijk bedrijf toch kan toestaan, indien dit bedrijf niet binnen de algemene toelaatbaarheid past. Bij de 'Lijst 1' is deze mogelijkheid beperkt tot maximaal twee categorieën (dus bijvoorbeeld categorie 3.2 in plaats van 2 of categorie 4.2 in plaats van 3.2). Om deze omgevingsvergunning te kunnen verlenen moet worden aangetoond dat het bedrijf naar aard en invloed op de omgeving (gelet op de specifieke werkwijze of bijzondere verschijningsvorm) vergelijkbaar is met andere bedrijven uit de desbetreffende langere categorie.

Daarnaast is het mogelijk dat bepaalde bedrijven zich aandienen, waarvan de activiteiten in 'Lijst 1' niet zijn genoemd, maar die qua aard en invloed overeenkomen met bedrijven die wel zijn toegestaan. Met het oog hierop is in de regels bepaald dat vestiging van een dergelijk bedrijf via afwijkingsmogelijkheid bij omgevingsvergunning kan worden toegestaan. Om deze omgevingsvergunning te kunnen verlenen moet op basis van milieutechnisch onderzoek worden aangetoond dat het bedrijf naar aard en invloed op de omgeving vergelijkbaar is met direct toegelaten bedrijven. Voor de concrete toetsing van een verzoek om af te wijken wordt verwezen naar bijlage 5 van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009).

De richtafstanden in 'Lijst 1' van de VNG-publicatie zijn afgestemd op een rustige woonwijk. Deze richtafstanden kunnen zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandstap worden verlaagd bij het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Verdere reducties zijn niet te verantwoorden, omdat in algemene zin niet aannemelijk kan worden gemaakt dat het woon- en leefklimaat niet wordt aangetast en het functioneren van bedrijven niet in gevaar wordt gebracht.

Onderstaande tabel geeft inzicht in het verband tussen afstand en milieucategorie.



Milieucategorie

Richtafstand

1
2
3.1
3.2
4.1
4.2
5.1
5.2
5.3
6

10 meter
30 meter
50 meter
100 meter
200 meter
300 meter
500 meter
700 meter
1.000 meter
1.500 meter

Stadsdeelwerf
Op het perceel Jacob Bontiusplaats 9-11, het INIT (Czaar Petergebouw), bevindt zich de stadsdeelwerf voor de binnenstad (reininging binnenstad) in de onderbouw, bestaande uit twee bouwlagen. Naast kantoorfaciliteiten bestaat de desbetreffende gemeentewerf uit een werk- en wasplaats, stalling voor voertuigen, inpandige op- en overslag van afvalstoffen, zout en hulpstoffen. De afvalstoffen die binnen de inrichting worden overgeslagen worden aangevoerd met klein materieel (veegwagens ed.) en worden na kortstondige opslag in containers van 20 m2 weer afgevoerd naar een erkend be- of verwerker. De gehele gemeentewerf is inpandig en de toegang tot de inrichting bevindt zich aan de noordwestzijde van het INIT-gebouw. De werf wordt overdag en 's avonds gebruikt voor het wagenpark dat noodzakelijk is voor de reiniging van het stadsdeel. De bereikbaarheid van de werf is van groot belang voor de bedrijfsvoering. Dit geldt voor vrijwel alle uren van de dag. De bedrijfsactiviteitein vinden plaats van 6.00 uur tot 23.00 uur in de week. In de nacht kunnen ook activiteiten voorkomen, winterdienst en evenementenschoonmaak).

Geluid
Uit onderzoek blijkt dat de stadsdeelwerf niet zonder meer gemengd kan worden met gevoelige bestemmingen zoals woningen. In het Activiteitenbesluit worden eisen gesteld aan geluid. De VNG-richtafstanden in gemengd gebied bedragen 30 meter voor de stadsdeelwerf. Uit verricht akoestisch onderzoek van Cauberg Huygen (5 juli 2012, 20112006-03) blijkt dat rekening gehouden moet worden met het bouwen van woningen op een minimale afstand van 17,5 meter. Voor de woningen die dichtbij de in- en uitritten van de werf worden gesitueerd is een dove gevel een voorwaarde. In het kader van het functioneren van de werf is onderzocht or er ruimte overblijft voor intensivering als er woningen worden gebouwd op een afstand van 17 meter. Uit het onderzoek is gebleken dat er een ruimte van 3 dB blijft bestaan die ruimte biedt voor uitbreiding van de werkzaamheden van de stadsdeelwerf. Het onderzoek is als bijlage [...] bij de toelichting van dit bestemmingsplan gevoegd.

Geur
In verband met mogelijke geurhinder heeft Caubergh Huygen een onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is als Bijlage 2 bij deze toelichting gevoegd. Uit het onderzoek blijkt dat de geurbelasting buiten de grenzen van de inrichting ruimschoots lager ligt dat de richtwaarde voor een acceptabel geurhinderniveau. Ook blijkt dat de stadsdeelwerf vanuit het oogpunt van geurbelasting niet wordt aangetast in haar rechten door de bestemmingswijziging en de geplande woningbouw. De conclusie is dan ook dat vanuit het aspect geurhinder zijn geen belemmeringen voor de geplande woningbouw zijn te verwachten.

6.3 Conclusie


In of nabij het plangebied bevinden, zich afgezien van de Stadsdeelwerf, geen hinderlijke bedrijven. In verband met de bedrijfsactiviteiten is nader onderzoek uitgevoerd naar mogelijk geluidhinder. In verband met mogelijke geluidhinder zijn maatregelen opgenomen voor de bouw van gevoelige bestemmingen. Zo is de bouw van woningen niet mogelijk binnen een afstand van 17 meter en zijn zo nodig dove gevels voorgeschreven. Onderzoek heeft uitgewezen dat er in het kader van hinder van bedrijven, geen belemmeringen zijn te constateren voor het bestemmingsplan Stadswerf Oostenburg.


1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   13


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina