Stadswerf Oostenburg Toelichting



Dovnload 0.72 Mb.
Pagina9/13
Datum22.07.2016
Grootte0.72 Mb.
1   ...   5   6   7   8   9   10   11   12   13

Hoofdstuk 10 Bodem

10.1 Algemeen


Bij het toekennen van (gevoelige) bestemmingen aan gronden is het van belang om te weten wat de kwaliteit van de bodem is. In het kader van goede ruimtelijke ordening moet voorkomen worden dat gevoelige bestemmingen op verontreinigde gronden worden gerealiseerd. Ook op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de Bouwverordening is het verboden te bouwen op verontreinigde grond. Daarom moet voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan onderzoek worden gedaan naar de bodemkwaliteit in het plangebied. Bij een geconstateerde verontreiniging moet in verband met de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan tevens in kaart worden gebracht welke saneringsmaatregelen nodig zijn om het beoogde gebruik van de gronden te kunnen realiseren.

10.2 Beleid en regelgeving

10.2.1 Wet bodembescherming

De bescherming van de bodem wordt wettelijk o.a. geregeld in de Wet bodembescherming (Wbb). De Wbb is een zogenaamde raamwet, wat betekent dat de kaders worden aangegeven maar dat de uitwerking daarvan geregeld is in verschillende besluiten en circulaires (o.a. Besluit bodemkwaliteit, Besluit Uniforme Saneringen en Circulaire bodemsanering 2009). De Wbb stelt in het bijzonder regels ter voorkoming van bodemverontreiniging en sanering van ontstane verontreiniging.

De Wbb heeft betrekking op landbodems; waterbodems vallen onder de Waterwet. In de Wbb maakt grondwater wel onderdeel uit van de bodem.

De wet bestaat uit een tweetal regelingen:


  • 1. Een regeling voor de bescherming van de bodem, met daarin opgenomen de zorgplicht;

  • 2. Een regeling voor de aanpak van overige bodemverontreiniging op land.
10.2.2 Nota Bodembeheer

De gemeenteraad heeft op 4 april 2012 de Nota Bodembeheer en de bodemkwaliteitskaart van Amsterdam vastgesteld. Het Besluit bodemkwaliteit geeft gemeenten de vrijheid eigen normen op te stellen voor toepassen van grond binnen de eigen gemeente, het zogenaamde gebiedsspecifieke beleid. Dat is met genoemde nota voor Amsterdam ingevuld. Deze eigen normen (de lokale maximale waarden) waarborgen het stand-still principe binnen Amsterdam, het uitgangspunt waarbij de kwaliteit van de bodem binnen de gemeentegrenzen niet verslechtert.

Bij de keuze van de lokale normen is rekening gehouden met het daadwerkelijk gebruik van de bodem, de gemiddelde gehalten in een gebied en mogelijke blootstelling aan verontreiniging. Voor elke stof is de gekozen lokale maximale waarde afhankelijk van de bodemfunctie. Hoe gevoeliger de functie, hoe strenger de norm. Wat schoon is moet schoon blijven. In het gebiedsspecifieke kader kan een op de functie gerichte norm beschermen waar dat nodig is, maar ook verruimen waar dat verantwoord is. Omdat er ruimte blijft om bij stedelijke vernieuwing gemotiveerd de afweging te maken tussen gezondheidsrisico’s en maatschappelijke belangen is lokaal maatwerk mogelijk. Amsterdam maakt op deze manier optimaal gebruik van de beleidsvrijheid vanuit de wettelijke kaders. De Amsterdamse maximale waarden gelden niet voor de naoorlogse wijken van Amsterdam en het havengebied Westpoort. De grond in dit gebied (bijna 50% van Amsterdam) is schoon en geschikt om overal zonder onderzoek te hergebruiken.

Uit het oogpunt van efficiency en eenduidigheid in onderhoud en beheer is één bodemkwaliteitskaart opgesteld voor heel Amsterdam (bestaande uit meerdere deelkaarten). De kaart vormt de technisch inhoudelijke onderbouwing voor het nieuwe Amsterdamse bodembeleid.

10.3 Resultaten onderzoeken


In juni 1996 is in opdracht van Stork Wärtsilä Diesel en in mei 1997 in opdracht van Stork RMO een bodemonderzoek uitgevoerd. Uit het onderzoek blijkt dat op de locatie een zandige ophooglaag aanwezig is van circa 3 meter. In deze ophooglaag is veel bodemvreemd materiaal, zoals puin, sintels, kooldeeltjes, oude funderingen en scheepshellingen aangetroffen. Het onderzoek is in ernstige mate belemmerd door het voorkomen van obstakels in de ondergrond, het vookomen van dikke betonvloeren onder de huidige bebouwing en de grote hoeveelheid kabels en leidingen. Bij veertien grote opslagtanks is geen onderzoek gedaan. Uit de onderzoeksresultaten kan worden geconcludeerd dat het grondwater, de ophooglaag en mogelijk ook de onderliggende grondlagen sterk verontreinigd zijn met zware metalen, polycyclische aromatische waterstoffen (PAK) en minerale olie. Ten aanzien van de zware metalen en PAK-verontreiniging is naar verwachting bij het huidige gebruik geen sprake van urgentie de bodem te saneren. In het grondwater is mogelijk een drijflaag aanwezig, waardoor sanering van deze verontreiniging wel urgent kan zijn. Voor het gebied is een raamsaneringsplan opgesteld. In het kader van bouwplannen dient zo nodig onderzoek te worden gedaan naar de omvang en de risico's van de genoemde verontreinigingen.

10.4 Conclusie


Uit het verrichte bodemonderzoek blijkt dat er verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn. Planuitvoering is alleen mogelijk nadat de hiervoor benodigde saneringsmaatregelen zijn uitgevoerd. De uitvoering van deze saneringsmaatregelen worden uitgevoerd door of in opdracht van de grondeigenaar.

Hoofdstuk 11 Cultuurhistorie en archeologie

11.1 Algemeen


Cultuurhistorie omvat vele aspecten zoals het archeologisch erfgoed, (archeologische) monumenten, landschappelijke elementen en structuren, stedenbouwkundige structuren en delen van de infrastructuur. Het binnen het plangebied aanwezige cultuurhistorische erfgoed moet worden behouden en vormt de basis voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Het gaat niet alleen om de erkende monumenten. De wijze van bescherming via het bestemmingsplan is afhankelijk van de karakteristiek van de cultuurhistorische elementen of gebieden, maar ook van de strategieën: instandhouding, aanpassing en vernieuwing. het gaat om maatwerk. Van belang zijnde aspecten zijn: (archeologische) rijksmonumenten, (toekomstige) gemeentelijke monumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten, cultuurhistorisch waardevolle of karakteristieke bebouwingsstroken, gebouwen en onderdelen van dorpskernen alsmede bekende en te verwachten archeologische waarden.

In gebieden waar archeologische waarden voorkomen, of een reële verwachting bestaat dat zij aanwezig zijn, zal hiermee rekening moeten wroden gehouden bij de ontwikkeling van het gebied. Het archeologisch erfgoed kan zijn:



  • 1. beschermde terreinen op grond van de Monumentenwet;

  • 2. terreinen van groot archeologisch belang volgens de Archeologische Monumenten Kaart;

  • 3. terreinen met reële archeologische verwachtingswaarden volgens de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden.

11.2 Beleid en regelgeving

11.2.1 Monumentenwet

De Monumentenwet 1988 biedt bescherming aan monumenten en stads- en dorpsgezichten. Per 1 september 2007 is de wijziging van de Monumentenwet 1988 ten behoeve van de archeologische monumentenzorg (Wet op de archeologische monumentenzorg) in werking getreden.

Daarin is bepaald dat de gemeenteraad bij de vaststelling van een bestemmingsplan en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening houdt met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (art. 38a Monumentenwet 1988). Dat betekent dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet alleen rekening moet worden gehouden met bekende monumenten, maar ook met de omstandigheid dat in bepaalde terreinen nog archeologische resten in de bodem kunnen worden aangetroffen. Om zo tijdig mogelijk hierop te kunnen anticiperen is het nodig de archeologische verwachting van een gebied in kaart te brengen door middel van een archeologisch bureauonderzoek.

In het belang van de archeologische monumentenzorg kan in een bestemmingsplan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden, als bedoeld in artikel 3.3 sub a van de Wet ruimtelijke ordening verplicht worden gesteld (art. 39 lid 1 Monumentenwet 1988).

Daarbij kan in een bestemmingsplan in het belang van de archeologische monumentenzorg bepaald worden dat de aanvrager van een dergelijke omgevingsvergunning een rapport dient over te leggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld (art. 39 lid 2 Monumentenwet). Aan een dergelijke omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden (art. 39 lid 3 Monumentenwet 1988).

Ook regelt de Monumentenwet dat bij een bestemmingsplan kan worden bepaald dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport dient over te leggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. Ook aan de omgevingsvergunning voor het bouwen kunnen voorschriften worden verbonden.

11.2.2 Modernisering Monumentenzorg (MoMo)

Op 31 mei 2011 heeft de Eerste Kamer ingestemd met het wetsvoorstel modernisering monumentenzorg (MoMo), waarbij de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) wijzigen. Met dit wetsvoorstel verandert het volgende:

  • per 1 januari 2012 is de grens van vijftig jaar voor het aanwijzen van monumenten te vervallen;

  • ook de mogelijkheid voor belanghebbenden om aanwijzigingsverzoeken te doen is vervallen vanaf 1 januari 2012;

  • de procedure voor het wijzigen van rijksmonumenten zal vereenvoudigen;

  • er komt een subsidieregeling voor het bevorderen van herbestemming. Deze regeling geeft een recht op subsidie voor het wind- en waterdicht houden van monumenten en voor haalbaarheidsstudies naar herbestemming.

Het nieuwe vergunningvrije regime wordt opgenomen Bor (Besluit omgevingsrecht) en Besluit ruimtelijke ordening (Bro):



  • gewoon onderhoud waarbij het uiterlijk van het monument niet wijzigt wordt vergunningsvrij. Verder worden inpandige wijzigingen en wijzigingen aan onderdelen zonder monumentale waarde ook vergunningsvrij;

  • het Bor wordt ook aangepast voor beschermde stads- en dorpsgezichten. Bepaalde bouwactiviteiten in rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten aan achtergevels of op achtererven van niet-beschermde panden worden vergunningsvrij, mits deze gevels of erven niet naar het openbaar toegankelijke gebied gekeerd zijn. Momenteel is niets vergunningvrij, ook niet bij niet-beschermde panden;

  • Gedeputeerde Staten adviseren – buiten de bebouwde kom – alleen nog over plannen waarover het rijk ook adviseert: sloop, herbestemming, reconstructie en ingrijpende wijzigingen.

Daarnaast heeft het MoMo per 1 januari 2012 geleid tot een wijziging van artikel 3.1.6, lid 4, onder a, van het Bro. In de toelichting van een bestemmingsplan moet dan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.
11.2.3 Leidraad Landschap en Cultuurhistorie - provincie Noord-Holland

De Leidraad Landschap en Cultuurhistorie (21 juni 2010) is een onderdeel van het uitvoeringsprogramma van de Structuurvisie Noord-Holland 2040 en beschrijft de kernkwaliteiten van de verschillende Noord-Hollandse landschappen. Gemeentelijke bestemmingsplannen die voorzien in nieuwe ontwikkelingen in het landelijke gebied dienen rekening te houden met deze karakteristieke eigenschappen.

De Leidraad Landschap en Cultuurhistorie geeft aan welke kernkwaliteiten van landschap en cultuurhistorie van provinciaal belang zijn. Provinciale Staten willen dat deze kwaliteiten op een zorgvuldige wijze worden meegenomen bij nieuwe ontwikkelingen waar nut en noodzaak van zijn onderbouwd. Het betreft ontwikkelingen zoals woningbouw, bedrijfsontwikkeling, natuur- en recreatieprojecten, infrastructuur et cetera. Of veranderingen wel of niet plaatsvinden is eigenlijk geen discussiepunt, het gaat om de wijze waarop, de mate waarin en de vormgeving ervan. De provincie gebruikt deze leidraad bij de ontwikkeling van eigen ruimtelijke plannen en bij de beoordeling van de ruimtelijke kwaliteit van gemeentelijke plannen.

De Informatiekaart Landschap en Cultuurhistorie van de provincie Noord-Holland is een geografische uitwerking van de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie. De kaart geeft in zijn algemeenheid informatie over landschapstypen, aardkundige waarden, cultuurhistorische objecten/monumenten, archeologische verwachtingen en structuurdragers als militaire structuren en historische dijken. Deze informatiekaart is voor wat betreft bovengrondse cultuurhistorische waarden vooral gericht op gemeenteoverschrijdende zaken en is daardoor minder geschikt voor het in kaart brengen van de lokale waarden.

11.2.4 Archeologiebeleid Amsterdam

In aansluiting op het rijks- en provinciaal beleid besteedt de gemeente specifieke aandacht aan vroegtijdige inpassing van archeologie in de ruimtelijke ordeningsprocessen. Uitgangspunt hierbij is een kwalitatief adequaat beheer van het cultureel erfgoed met aandacht voor een efficiënte voortgang van bouwprocessen en kostenbeheersing.

De nieuwe wetgeving schrijft voor dat bij vaststelling van een nieuw bestemmingsplan altijd een nadere waardestelling nodig is van de aanwezige archeologische verwachting in de vorm van een bureauonderzoek.

Dit bureauonderzoek behelst een specificatie van eventuele archeologische waarden binnen een specifiek plangebied en een advies met betrekking tot het daarbij behorende beleid en/of te nemen maatregelen. Bij de formulering van het beleid staat altijd een realistische balans tussen het archeologische belang ten opzichte van de voortgang van het ruimtelijke ontwikkelingsproces in de stad centraal.

Op basis van het bureauonderzoek wordt beoordeeld of een beschermende regeling in het bestemmingsplan nodig is, en zo ja, op welke wijze dat dient te gebeuren. Indien het bureauonderzoek leidt tot een bepaalde archeologische verwachting, dan kan in het bestemmingsplan een regeling worden getroffen in die zin dat in aangegeven gevallen de aanvrager om een omgevingsvergunning voor het bouwen dan wel een een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden, een rapport dient te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld (archeologisch rapport). Op grond van dat archeologisch rapport kunnen eventueel voorschriften aan de betreffende omgevingsvergunning worden gesteld.

Ondanks de getroffen maatregelen om vooraf archeologisch onderzoek in te plannen kunnen toevalsvondsten bij bouwprojecten worden aangetroffen. Hiervoor blijft de meldingsplicht van kracht (artikel 53 Monumentenwet 1988). Deze houdt in dat, ondanks getroffen maatregelen om vooraf archeologisch onderzoek in te plannen, bij toevalsvondsten Bureau Monumentenzorg en Archeologie per ommegaande dient te worden geïnformeerd door de uitvoerder of opdrachtgever.

11.3 Archeologie


Het Bureau Monumenten en Archeologie (BMA) heeft een bureauonderzoek uitgevoerd naar archeologische en cultuurhistorische waarden binnen het plangebied. Deze onderzoeken zijn als Bijlage 6 en .. bij de toelichting opgenomen. Voor het gebied is een beleidskaart archeologische waarden opgesteld, deze is als Bijlage 7 bij de toelichting gevoegd.

Op basis van de archeologische verwachtingszones zijn archeologische beleidszones vastgesteld. Dit bestemmingsplan kent de volgende beleidszones met bijbehorende specifieke beleidsmaatregelen



hier is bekend dat archeologische overblijfselen van hoge waarde in de grond aanwezig zijn. In het geval van Oostenburg Noord gaat het om archeologische waarden van nationaal belang. Het gaat om resten van scheepswerven en het Zeemagazijn van de Verenigde Oostindische Compagnie. De archeologische waarden zijn uniek in de wereld en essentieel voor de kennis over de maritieme geschiedenis van Nederland. Het Zeemagazijn stond symbool voor de internationale positie van Nederland in de 17e en 18e eeuw. Binnen deze zone moet bij elke bodemingreep archeologisch onderzoek plaats vinden. In die gevallen is een archeologisch onderzoek vereist in de vorm van een Archeologische Opgraving (AO);

  • Zone B (verwerkt in de dubbelbestemming Waarde - Archeologie B)

hier geldt een hoge archeologische verwachting voor alle werkzaamheden dieper dan 0,50 m onder maaiveldniveau en met een oppervlak groter dan 50 m². In die gevallen is een archeologisch vervolgonderzoek vereist in de vorm van een Inventariserend Veldonderzoek (IVO);

  • Zone C (verwerkt in de dubbelbestemming Waarde - Archeologie C)

hier geldt een lage archeologische verwachting. Dit betekent dat bij bodemingrepen over een oppervlak groter dan 10.000 m² en dieper dan 3,00 m ÷ NAP een Inventariserend Veldonderzoek (IVO) in de planvorming wordt opgenomen;

  • Zone E en F

ter plaatse van zone E en F is het bodemarchief zo verstoord dat hier geen archeologische resten meer in de bodem aanwezig zijn. Deze terreinen zijn vrijgesteld van archeologische maatregelen zodat hier geen archeologisch veldonderzoek in de bouwplanning behoeft te worden opgenomen.


11.4 Cultuurhistorie

11.4.1 Beschermd stadsgezicht

Bij besluit nr. U99/583, d.d. 29 januari 1999 is de binnenstad aangewezen als Beschermd Stadsgezicht. Het aanwijzigingsbesluit is onherreopelijk geworden op 24 januari 2003. Het gehele plangebied ligt ligt buiten de begrenzing van het aangewezen beschermde stadsgezicht.
11.4.2 Werelderfgoed UNESCO

De zeventiende-eeuwse grachtengordel van Amsterdam is op 1 augustus 2010 geplaatst op de werelderfgoedlijst van UNESCO. De zeventiende-eeuwse gordel vormt de kernzone (de 'property'). De overige delen van de historische binnenstad binnen de Singelgracht vormen de burfferzone. De burfferzone is aangewezen als een extra beschermingsgebied om de kernzone. De grenzen van de bufferzone komen overeen met de grenzen van het beschermd stadsgezicht. Stadsdeel Oostenburg ligt buiten de kern- en bufferzone.

De invloed van de hoogbouw op de aanwezige zichtlijnen in de stad is bestudeerd en beoordeeld in de Hoogbouw Effectrapportagen (31 oktober 2012, afdeling Realisatie Fysiek, Stadsdeel Centrum). Het rapport is als Bijlage 8 bij de toelichting gevoegd.

Het onderzoek bestaat uit drie delen: de keuze van zichtlijnen, het berekenen van de impact en tot slot het verbeelden ervan met behulp van montages. Aan de hand van de plattegrond van de binnenstad is gekeken vanuit welke locaties een ontwikkeling op Oostenburg Noord zichtbaar zou kunnen zijn. Dit zijn in totaal tien locaties. Bij alle andere locaties kan worden uitgesloten dat een ontwikkeling zichtbaar is.

Uit de berekeningen blijkt dat de voorgestelde nieuwbouw op Oostenburg Noord mogelijk zichtbaar kan zijn vanuit één locatie binnen de kernzone (Nieuwe Herengracht) en vanuit vier locaties in de bufferzone (Prins Hendrikkade, Entrepotdoksluis, Dageraadsbrug).



De montages laten zien dat alleen vanaf de Prins Hendrikkade de bebouwing met een bouwhoogte van 40 meter duidelijk te zien zal zijn. Het silhouet van de bebouwing op Kattenburg wordt hierdoor aangetast en het perspectief van de nieuwbouw op Oostenburg Noord wordt één met de bebouwing van het Oostelijk Havengebied. Dit is in strijd met het beleidskader uit de structuurvisie. Plaatselijke hoogteaccenten kunnen het beeld en de ruimtelijke diepte echter versterken. Bij de uitwerking van het bestemmingsplan is rekening gehouden met een gedifferentieerd beeld, dat die kwaliteit vanaf de Prins Hendrikkade versterkt.


11.4.3 Cultuurhistorische waarden

Het Stadsdeel Centrum heeft een bureauonderzoek uitgevoerd naar de cultuurhistorische waarden van de Oostelijke Eilanden. In paragraaf 2.1.1 zijn de cultuurhistorische waarden van het gebied uitgebreid beschreven.
11.4.4 Monument

Voor het gebied is een waarderingskaart gemaakt. Op deze kaart is alle bebouwing in het gebied gewaarderd naar haar cultuurhistorische waarde. De kaart is als bijlage... bij deze toelichting gevoegd. Uit de waarderingskaart blijkt dat drie gebouwen in het gebied zijn aangemerkt met een orde 1.

  • 1. de Stork Werkspoorhallen of Hallen van Stork, ook wel de Van Gendthallen, ontworpen door architect Van Gendt;

  • 2. het gebouw aan de Conradstraat, Rosa en Rita, dat een schaft- en waschlokaal voor de werklieden, een verbandkamer en een portiersverblijf;

  • 3. het Koudgasgebouw aan de Jacob Bontiusplaats

Dit betekent dat het om een rijksmonumenten gaat. Op de verbeelding zijn deze gebouw aangeduid met 'specifieke bouwaanduiding - 1'.

De ACF (huidige theaterfabriek) is aangemerkt als orde 2. Dit betekent dat dit gebouw is aangewezen als gemeentelijk monument. Op de verbeelding is dit gebouw aangeduid met 'specifieke bouwaanduiding - 2'

Hierdoor is na raadpleging van de verbeelding duidelijk welke orde de gebouwen hebben en welk regime van toepassing is. De gebouwen aangewezen als Rijksmonument worden beschermd door de Monumentewet 1988 en het gebouw aangewezen als gemeentelijk monument wordt beschermd door de Erfgoedverordening stadsdeel Centrum. Een aanvullende bescherming is niet noodzakelijk.

11.5 Conclusie


In het kader van cultuurhistorie, monumenten en archeologie zijn geen belemmeringen te constateren voor het bestemmingsplan Stadswerf Oostenburg



1   ...   5   6   7   8   9   10   11   12   13


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina