Statio 2 IV de iudicio Salomonis: de imperatief onder de loep (32)



Dovnload 306.25 Kb.
Pagina1/3
Datum23.07.2016
Grootte306.25 Kb.
  1   2   3
Statio 2

IV De iudicio Salomonis: de imperatief onder de loep (32)
Praebete mihi1 pugionem2.’

Milites ergo pugionem regi donant.

Rex dicit: ‘Dividite infantem3 in duas4 partes et

donate partem uni5 mulieri6 et partem alteri7 mulieri.’
1 mihi (persoonlijk vnw. in de datief) = aan mij

2 pugio, pugionis, m. = dolk

3 infans, infantis, m. = baby

4 duas (telwoord in de accusatief, bij ‘partes’) = twee

5 uni (telwoord in de datief enkelvoud, bij ‘mulieri’) = één

6 mulier, mulieris, v. = vrouw

7 alteri (adjectief in de datief enkelvoud, bij mulieri) = ander


VIII Pyrrha (37)
Thetis Achillem1 regi Lycomedi2

commendat3. Rex Achillem inter filias

suas4 occultat5. Iuvenis vestes muliebres6

et nomen muliebre7 accipit8: ‘Pyrrha’9.

Quia vivit et agit velut mulier, multos10

homines fallit.

Sed Ulixes11, Ithacae12 rex, fraudem13

intellegit: Achillis14 sedem scit. Ducibus

Graecis15 dicit: ‘Sine16 Achille non

vincimus! Militem fortem17 quaerere

debeo!’

Ideo Ulixes Lycomedem petit. Cum

apud18 regem et virgines advenit19, munera

ostendit: inaures20, gemmas21, vestes,

puppas22, hastam et clipeum23. Virgines

munus eligunt24.

Subito classicum25 canit26 ... et Achilles

statim27 hastam et clipeum capit. Ulixes

clamat: ‘Achille, Troiam28 pete et vince!

Pugnare debes!’


1 Achilles, Achillis, m. (eigennaam) = Achilles (zoon van Peleus en Thetis)

2 Lycomedes, is, m. (eigennaam) = Lycomedes (koning van Skyros)

3 commendare, o = toevertrouwen

4 inter filias suas = tussen zijn dochters

5 occultare, o = verbergen, verborgen houden

6 muliebres (adjectief in acc. mv., hoort bij ‘vestes’) = vrouwen-

7 muliebre (adjectief in acc. enk., hoort bij ‘nomen’) = vrouwen-

8 accipere, io = aannemen, aanvaarden

9 Pyrrha, ae, v. (eigennaam) = Pyrrha (verwijst naar een rosse haarkleur)

10 multos (adjectief in acc. mv., hoort bij ‘homines’) = veel

11 Ulixes, is, m. (eigennaam) = Ulixes (Latijn voor Odysseus)

12 Ithacae (hoort bij ‘rex’) = van Ithaca (de woonplaats van Odysseus)

13 fraus, fraudis, v. = list, bedrog

14 Achillis (hoort bij ‘sedem’) = van Achilles

15 Graecis (adjectief in dat. mv., hoort bij ‘ducibus’) = Grieks

16 sine (voorzetsel, hoort bij ‘Achille’) = zonder

17 fortem (adjectief in acc. enk., hoort bij ‘militem’) = dapper, sterk

18 apud (voorzetsel bij ‘regem et virgines’) = bij

19 advenire, io = aankomen

20 inaures, inaurium, v. = oorringen, oorbellen

21 gemmas (subst. in acc. mv.) = juwelen

22 puppas (subst. in acc. mv.) = poppen

23 hastam et clipeum (substantieven in acc. enk.) = lans en schild

24 eligere, o = uitkiezen

25 classicum (nom. enk.) = krijgstrompet

26 canere, o = zingen, weerklinken

27 statim (bijwoord) = onmiddellijk

28 Troiam (acc., LV) = Troje




X Oefeningen - Differentiatie (44)
In1 Aulidem2 omnes3 duces Graeci4 conveniunt

praeter5 Ulixem6 et Achillem7. Agamemnon

Palamedem8 Ithacam9, sedem10 Ulixis11, dimittit12.
Ulixes cavet et, quia13 apud14 coniugem et

Infantem15 manere16 sperat17, fraudem18 excogitat19.


Cum Palamedes Ithacam20 pervenit21, Ulixes

furorem22 simulat23: litus arat24 et sal25 in sulcos26

spergit27 pro semine28.

Palamedes autem Ulixis calliditatem29 intellegit

et Telemachum infantem pro aratro30 ponit.

Tunc amor simulationem31 superat32

et Ulixes aratrum33 avertit34.
1 in (voorzetsel, hoort bij Aulidem) = in

2 Aulis, Aulidis, v. (eigennaam) = Aulis (plaatsnaam)

3 omnes (adjectief in nom. mv., hoort bij ‘duces’) = alle

4 Graeci (adjectief in nom. mv., hoort bij ‘duces’) = Grieks

5 praeter (voorzetsel, hoort bij ‘Ulixem’) = behalve

6 Ulixes, Ulixis, m. (eigennaam) = Ulixes (Latijn voor Odysseus)

7 Achilles, Achillis, m. (eigennaam) = Achilles

8 Palamedes, Palamedis, m. (eigennaam): Palamedes (koning die meedoet aan de expeditie naar Troje en niet moet onderdoen in slimmigheid voor Odysseus)

9 Ithacam = naar Ithaca

10 sedes, sedis, v. = woonplaats, zetel

11 Ulixis (hoort bij sedem) = van Odysseus

12 dimittere, o = wegzenden

13 quia (voegwoord) = omdat

14 apud (voorzetsel bij ‘coniugem’) = bij

15 infans, infantis, m. = baby

16 manere, eo = blijven

17 sperare, o = hopen

18 fraus, fraudis, v. = list

19 excogitare, o = bedenken, verzinnen

20 Ithacam = Ithaca

21 pervenire, io = bereiken, komen tot

22 furor, furoris, m. = razernij, waanzin

23 simulare, o = veinzen, voorwenden, doen alsof

24 arare, o = ploegen

25 sal, salis, m. = zout

26 in sulcos = in de voren

27 spergere, o = strooien

28 pro semine = in de plaats van zaad

29 calliditas, calliditatis, v. = gewiekstheid, slimmigheid

30 pro aratro = voor de ploeg

31 simulatio, simulationis, v. = voorwendsel, veinzerij, het valsspelen

32 superare, o = overtreffen, overwinnen op

33 aratrum (subst. in acc. enk.) = ploeg

34 avertere, o = afwenden



Statio 3

II Vogelgekwetter en nieuwe verbuigingen (52)
Pavo et grus unaque1 cenam2 sumunt. Sed sermo3 iurgium4 gignit:

pavo enim nobilitatem5 iactat. Tum caudam6 socio7 ostendit et sic8

hospitem contemnit.
‘Equidem9 tua cauda est delectatio10 visu11 ...’

‘O! Quanta12 est pulchritudo13 mea!’

‘Tu autem per volatum14 paene15 tecta16 tangis, dum ego nimbum17 penetro18.’
1 unaque = tesamen

2 cena, ae, v. = maaltijd, avondmaal

3 sermo, sermonis, m. = gesprek

4 iurgium, i, o. = woordenwisseling, discussie

5 nobilitas, nobilitatis, v. = (hier) adellijke uitstraling

6 cauda, ae, v. = staart

7 socius, i, m. = gezel, bondgenoot, makker

8 sic (bijwoord) = zo, op die manier

9 equidem (bijwoord) = inderdaad

10 delectatio, delectationis, v. = genot

11 visu = om te zien

12 quanta = hoe groot

13 pulchritudo, pulchritudinis, v. = schoonheid

14 per volatum = bij het vliegen, tijdens de vlucht

15 paene (bijwoord) = bijna

16 tectum, i, o. = dak, huis (tecta = mv.)

17 nimbus, i, m. = wolk, wolkendek

18 penetrare, o = doorkruisen, binnendringen in




VI Iphigenia in Aulide (62)
Duces in Aulidem1 conveniunt.

Ibi ventum2 diu exspectant.

Tranquillita3 autem classem sustinet

navesque4 in litore iacent5. Pergere6 non possunt.

Ideo duces vatem7 Calchantem8 consulunt.

Tum Calchas respondet ducibus: ‘Diana9

Agamemnonem10 Graecosque11 punit12 propter

errorem13.

Iubet Iphigeniam14 immolare15.’

Terror Agamemnonem tenet.

Primum scelus recusat16, sed multitudo

mortem virginis17 iam poscit.

Dolet errorem18, dolet sortem19, dolet bellum.

Tandem Agamemnon concedere20 debet.

‘Quomodo filiae et coniugi persuadere21 potest?’

Nunc opus est fraude22.

Agamemnon statim nuntium mittit ad23

Mycenas24.

Promittit Iphigeniae nuptias25 Achillis26.
1 Aulis, Aulidis, v. (eigennaam) = Aulis (plaats aan de noordwestkust van Griekenland)

2 ventus, i, m. = wind

3 tranquillitas, tranquillitatis, v. = windstilte

4 navesque = et naves

5 iacere, eo = liggen

6 pergere, o = doorgaan

7 vates, vatis, m. = ziener, waarzegger

8 Calchas, Calchantis, m. (eigennaam) = Calchas

9 Diana, ae, v. (eigennaam) = Diana (de godin van de jacht)

10 Agamemnon, Agamemnonis, m. (eigennaam) = Agamemnon

11 Graecosque = et Graecos

 Graecus, i, m. (eigennaam) = Griek

12 punire, io = straffen

13 propter errorem = omwille van een fout

14 Iphigenia, ae, v. (eigennaam) = Iphigenia (één van de dochters van Agamemnon)

15 immolare, o = offeren

16 recusare, o = weigeren

17 virginis (gen. v. enk., hoort bij ‘mortem’) = van het meisje

18 error, erroris, m. = fout

19 sors, sortis, v. = lot

20 concedere, o = toegeven, inbinden

21 persuadere, eo (+ datief) = overtuigen (de persoon die je overtuigt, staat in de datief: je vertaalt zonder vertaalwoordje ‘aan’)

22 opus est fraude = er is nood aan een list

23 ad (voorzetsel, hoort bij Mycenas) = naar

24 Mycenae, arum, v. (mv.) (eigennaam) = Mycene (stadstaat waar Agamemnon heerst)

25 nuptia, ae, v. = huwelijk

26 nuptias Achillis = een huwelijk met Achilles

Statio 4

III Abra Cadabra: mythische monsters en voorzetselgroepen (80)
Per mensem Alexander1 civitatem cum militibus obsidet2.

Multos3 autem milites in eo4 loco amittit sine aliquo vulnere5.

Quia de facto sollicitus est6, philosophos7 vocat:

‘Philosophi, cur subito milites mei8 sine vulnere occidunt?’

Philosophi Alexandro dicunt: ‘Miraculum9 non est.

Est basiliscus10 super murum. Oculis eius11 milites inficit12 et

caedit. Basilisco civitatem invadere non potes.’

Alexander rogat: ‘Et quale remedium13 est contra basiliscum?’

Ei14 dicunt: ‘Speculo15 basiliscum perdere potes. Pone silentio16

speculum inter milites et murum, ubi est basiliscus.’ Nocte

ergo Alexander speculum ponere iubet. Mane hodie17

basiliscus in speculum inspicit18, imaginem19 reflexam20 cernit21

et sic occidit se ipsum22.
1 Alexander, i, m. (eigennaam) = Alexander (woord zoals ‘avus’, maar met een eigenaardige nominatief)

2 obsidere, eo = bezetten, belegeren

3 multus, a, um (adjectief in acc. m. mv., hoort bij ‘milites’) = veel

4 eo (aanwijzend vnw. in de abl., hoort bij ‘loco’) = die

5 sine aliquo vulnere = zonder enige wonde

6 quia de facto sollicitus est = omdat hij over de situatie bezorgd is

7 philosophus, i, m. = filosoof, wijs man

8 mei (bezittelijk vnw., hoort bij ‘milites’) = mijn

9 miraculum, i, o. = wonder, mirakel

10 basiliscus, i, m. = basilisk

11 eius (bezittelijk vnw., hoort bij ‘oculis’) = zijn

12 inficere, io = vergiftigen

13 quale remedium = welke remedie

14 ei (persoonlijk vnw. in de datief, MV) = aan hem

15 speculum, i, o. = spiegel

16 silentium, i, o. = stilte

17 mane hodie (bijwoord) = die ochtend

18 inspicere, io = kijken

19 imago, imaginis, v. = beeld

20 reflexus, a, um = teruggebogen, omgebogen

21 cernere, o = bemerken

22 se ipsum = zichzelf



VIII Een gegeven paard moet men niet in de bek kijken (89)
Graeci per decem annos Troiam occupare1 non

possunt. Tum dolum inveniunt: equum aedificant2.

In molem3 intrant4 Menelaus, Ulixes, Diomedes,

Thessander, Sthenelus, Acamas, Thoas, Machaon,

Neoptolemus5; et in equo scribunt: ‘Equus

donum Minervae est.’ Tunc castra6 apud Tenedum7

transportant8.

Sinon9 tum dicit: ‘Donum est Minervae. Si equus in

litore restat10, dea Graecos tegit. Sin11 autem equum

in arcem12 trahitis, Troianos tegit.’ Priamus rex

imperat13: ‘Equum in arcem trahimus. Tunc bibere

et celebrare possumus.’ Vates14 Cassandra autem

Troianos monet: ‘Cave equum!’, sed Troiani eam

non audiunt. Equum in arce statuunt et nocte, dum

Troiani dormiunt15, Graeci ex equo discedunt.

Custodes16 occidunt, portas aperiunt17 et

socios recipiunt18. Troiam tunc occupant.
1 occupare, o = bezetten, innemen

2 aedificare, o = bouwen

3 moles, molis, v. = kolossaal bouwwerk, gevaarte

4 intrare, o = binnengaan

5 Diomedes, Thessander, Sthenelus, Acamas, Thoas, Machaon, Neoptolemus = namen (in de nominatief) van Grieken die in de Trojaanse oorlog hebben meegevochten

6 castra, orum, o. (mv.) = legerkamp

7 Tenedus, i, v. (eigennaam) = klein eiland voor de kust van Troje

8 transportare, o = (Zoek zelf de betekenis van dit werkwoord. Tip: denk aan Nederlandse afleidingen.)

9 Sinon, Sinonis, m. (eigennaam) = Sinon

10 restare, o = achterblijven

11 sin (voegwoord) = maar indien, als daarentegen

12 arx, arcis, v. = citadel, burcht, vesting, het hoger gelegen en versterkte deel van een stad

13 imperare, o = bevelen, bevel geven

14 vates, vatis, m./v. = ziener(es), waarzegger/waarzegster

15 dormire, io = slapen

16 custos, custodis, m. = wachter

17 aperire, io = openen

18 recipere, io = ontvangen



IX Woorden die blijven plakken (92)
Laocoon ir­ā commotus1, hastam2 in equum iactat3.

Ecce4, autem gemini5 serpentes6 a Tenedo

apparent. Laocoontem filiosque petunt. Et

primum filios Laocoontis corripiunt7, postea

sacerdotem in aquam trahunt.
1 commotus = opgewonden, geïrriteerd, chagrijnig

2 hasta, ae, v. = speer

3 iactare, o = slingeren, werpen

4 ecce = ziedaar, en zie

5 serpens, serpentis, v. = slang

6 gemini = tweeling

7 corripere, io = vastgrijpen

Statio 6

II Zo vader, zo zoon: de regelmatige werkwoorden (144)
Fabulam1 de2 Romulo et Remo vobis3 narro,

bene narrare promitto.

Bene audire debes.

Romulus et Remus urbem condere decernunt. Ubi?

Locum ubi4 pastor5 eos6 reperiebat7, petunt.

Magnum oppidum muniunt8,

sed magna difficultas9 est.

Quis regere illam10 novam urbem debet

et quid est idoneum11 nomen oppido?

Duo fratres contendunt12.

Quare? Haec13 scimus:

duo fratres regem Romae esse volunt14.

Signum deorum manent.

Sed primum Remus sex15 vultures16 videt

et tum Romulus duodecim17 vultures videt.

Quis vincit? Non clarum est.

Tunc discordia18 inter duo fratres crescit: pugnant.

Sed intellegitis: certamen cum victore desinit …

Romulus suum19 fratrem capit

et cum Remo certat.

Fortiter velut fera pugnat.

Diu certant, mortem non timent.

Remus resistit et se20 defendit,

sed Romulus suum fratrem caedit.

Tandem Romulus ‘Romam’ regit.

Nunc meam fabulam desino,

postea totam narrationem21 auditis.
1 fabula, fabulae, v. = verhaal

2 de + abl. = over

3 vobis (pers. vnw.) = (aan) jullie

4 ubi (bijwoord) = waar

5 pastor, pastoris, m. = herder

6 eos = hen

7 reperiebat (OVT) = hij/ze/het vond

8 munire, io = bouwen

9 difficultas, difficultatis, v. = probleem

10 illam = die

11 idoneus, a, um = passend, geschikt

12 contendere, o = bekvechten

13 haec = dit, het volgende

14 volunt = ze willen

15 sex = zes

16 vultur, is, m. = gier

17 duodecim = twaalf

18 discordia, ae, v. = ruzie, twist

19 suum (bez. vnw.) = zijn

20 se (pers. vnw.) = zich

21 narratio, narrationis, v. > narrare


III Onregelmatige werkwoorden (147)
Dum leo1 dormit, mus2 ad eum3 lente4 adit.

Mus parvus in ventre5 crasso6

magnae ferae ludit et salit7.

Tum leo evigilat8

Est iratus, furiosus9!

Si leo saevus est, inimicum10 edere11 vult.

Mus orat: ‘Noli me edere.

Nondum perire nolo!

Visne foedus12 facere?

Si olim13 in angustiis14 eris15, te adiuvabo16.’

Deinde leo ridet et dicit: ‘Abi! Ridere debeo.

Ridere quam17 saevire18 malo.’

Paulo post19 in angustiis est:

homo leonem magnum reti20 capit.

Leo saevit, nam fugere vult.

Mus magnam conclamationem21 audit.

Retem mordet22 et leonem servat.

Leo gratus est et dicit:

Dehinc23 parvas feras aestimo24.’
1 leo, leonis, m. = leeuw

2 mus, muris, m. = muis

3 eum (pers. vnw. in acc. enk.) = hem

4 lente = Denk aan ‘lentement (Fr.).

5 venter, ventris, m. = buik

6 crassus, a, um = dik

7 salire, io = springen

8 evigilare, evigilo = wakker worden, ontwaken

9 furiosus = Denk aan ‘furious’ (Eng.).

10 inimicus  amicus

11 edere, o = opeten

12 foedus, foederis, o. = overeenkomst, verdrag

13 olim = ooit

14 angustia, ae, v. = moeilijkheid, probleem

15 eris = jij zal zijn

16 adiuvabo (> adiuvare) = ik zal helpen

17 quam = dan

18 saevire, io > saevus

19 paulo post = niet veel later

20 rete, retis, o. = net, vangnet

21 conclamatio, conclamationis, v. = geschreeuw, geroep

22 mordere, eo = bijten, knagen aan

23 dehinc (bijwoord) = van nu af aan

24 aestimare, o = schatten, waarderen, respecteren




VII Cultuur (160)

Nubere1 vis Prisco2, non mirum est, Paula;

sapis3.

Ducere te non vult Priscus, et ille4 sapit.
1 nubere, o (+ datief) = huwen (De persoon met wie wordt gehuwd, staat in de datief.) (‘Nubere’ wordt voor vrouwen gebruikt; bij een man gebruikt men de uitdrukking ‘uxorem ducere’.)

2 Priscus, i, m. (eigennaam) = Priscus

3 sapere, io = verstandig zijn, smaak hebben

4 ille (vnw. in de nominatief) = hij



VIII Oefeningen - Differentiatie (166)
Mulier autem Hebraea1 de stirpe2 Levi

filium servare vult. Ideo abscondit3

infantulum4 per tres5 menses. Sed cum

natum6 non iam occultare7 potest, linit8

fiscellam9 scirpeam10 bitumine11 ac12 pice13.

Deinde infantem intus14 ponit et exponit

fiscellam inter arundines15 ripae16 fluminis,

dum sororem infantis stare procul17 iubet.
Ecce18 autem filia Pharaonis19 in flumine

descendit20 ut lavetur21. Mox22 in arundinibus

fiscellam cernit mittitque unam e servis.

Fiscellam a servā accipit aperitque ... ‘Est

unus ex infantibus Hebraeorum23’.
Tunc soror parvuli24 accedit. ‘Visne

inquit ‘parvo nutricem25 praestare?

Hebraeam mulierem scio.’ Respondet: ‘Ita

est. Abi.
Puella statim matrem vocat. Filia

Pharaonis ‘accipe’ inquit ‘istum26 infantem

et nutri mihi pro mercede27’. Sic mater vera

filium nutrit educitque atque filia Pharaonis

adoptat nominatque Moysen28, id est

servatum29 ex aquā’.
1 Hebraeus, a, um = Hebreeuws

2 stirps, stirpis, v. = stam (Het geslacht van de Hebreeuwse stam Levi is hier bedoeld.)

3 abscondere, o = verbergen

4 infantulus, i > infans

 infans, infantis, m. = baby

5 tres (telwoord, acc. mv., bij ‘menses’) = drie

6 natus, i, m. = zoon

7 occultare, o = verbergen

8 linire, io = insmeren

9 fiscellam > fiscina

10 scirpeus, a, um = van biezen gemaakt, biezen

11 bitumen, bituminis, o. = pek

12 ac = et, -que

13 pix, picis, v. = teer, pek

14 intus (bijwoord): binnenin, erin

15 arundo, arundinis, v. = riet

16 ripa, ae, v. = oever

17 procul (bijwoord) = op een afstand, ver (weg)

18 ecce (partikel) = kijk, kijk daar!

19 Pharao, Pharaonis = (Leid zelf de betekenis af.)

20 descendere, o = afdalen in

21 ut laveretur = om zich te wassen

22 mox (bijwoord) = weldra, spoedig daarop

23 Hebraei, Hebraeorum, m. (mv.) (eigennaam) = de Hebreeuwen

24 parvulus, i > parvus

25 nutrix, nutricis, v. = min, voedster

26 istum (aanw. vnw, acc. m. enk., bij ‘infantem’) = dat

27 merces, mercedis, v. = loon, honorarium

28 Moyses, Moysis, m. (eigennaam, acc. Moysen) = Mozes

29 servatus, a, um = gered



Statio 7



  1   2   3


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina