Steencaycken en omgeving de rupelstreek



Dovnload 69.74 Kb.
Datum24.08.2016
Grootte69.74 Kb.
DAGTRIP 1

STEENCAYCKEN EN OMGEVING


DE RUPELSTREEK
Omvat de gemeenten Hemiksem, Schelle, Niel, Boom, Rumst.

Deze streek is vanaf de Middeleeuwen uitgegroeid tot hét baksteencentrum in België. Naast de vele steenbakkerijen die hier groeiden, kwamen er ook heel wat aanverwante bedrijven : scheepswerven, een zinkfabriek in Noeveren, bloemmolens, schoen- en pantoffelnijverheid, glasnijverheid, brouwerijen. Samen zorgden ze voor een hoge tewerkstelling en relatieve welvaart in de Rupelstreek. De steenbakkerijen en meer bepaald het uitgraven van de kleivoorraden hebben het landschap van de streek voor eeuwig getekend. Boom heeft een snelle ontwikkeling gekend tot de 20ste eeuw: in 1700 waren er slechts 600 inwoners, in het begin van de 20ste eeuw 20.000.


In de jaren 1960 keerde het tij: de ene na de andere steenbakkerij ging failliet, ook met de toeleveringsbedrijven zoals de scheepsbouw ging het erg snel bergaf, er was een grote terugloop van de tewerkstelling en er bleef een verwoest landschap achter.

BOOM : WIJK HOEK
Reeds in de Middeleeuwen, bij het prille ontstaan van het dorp Boom, is er sprake van de Hoek.
De naam “Boom” komt van het Latijnse Ad arborem = “bij de boom”.

Volgens de legende kwam een boom van onbekende soort kwam aandrijven in de Rupel. Het hout was zo hard dat men tevergeefs trachtte de boom stuk te hakken. Doch, onder de hand van een beeldhouwer ontstond zonder buitengewone inspanning een schoon Mariabeeld.
Het wapenschild van de gemeente stelt een gekroonde Onze-Lieve-Vrouw met het kind Jezus op de arm en een scepter in de hand voor, poserend vóór een eik. Haar mantel is met sterren bezaaid.

Tot de 13de eeuw was dit gebied eigendom van de Heren van Grimbergen, binnen het hertogdom Brabant. Dan scheiden Boom, Rumst en Willebroek zich af, en ontstaat Het Land van Rumst, onder de graaf van Vianden. Na ongeveer 400 jaar, in 1645, koopt een zekere Boschart het deel Boom, en ontstaat de Heerlijkheid Boom, los van Rumst.


Tot ongeveer 1500 was dit een onbelangrijk gebied, bestaande uit bossen en moerassen, en voorbijgangers op de rivier herkenden de plek alleen aan een opvallende hoge boom, dus een soort baken, welke zich zou bevonden hebben in het huidige centrum van Boom, op de hoek Blauwstraat en de OLV straat. Een kapelletje heeft dit jarenlang aangeduid, maar is nu verdwenen.




’t STEENCAYCKEN


De naam Steencaycken verwijst naar de kaai waar de stenen geladen werden in de steenschuiten.

De oorspronkelijke site was de steenbakkerij Van Herck. Hun huis, nu eetcafé ‘t Steencaycken, werd gebouwd omstreeks 1800, als woning van de steenbakkerfamilie Van Herck. Na de 2de WO heeft het nog dienst gedaan als kantoor van de steenbakkerij.


In 1999 begonnen vijf langdurig werklozen aan de renovatie van de vervallen woning van de steenbakkerbaas.

Gedurende een vol jaar werkten deze mensen aan het opknappen van de woning, en de opening gebeurde in november 2000, in het bijzijn van prins Laurent. Sinds de opening is het eetcafé een succes, ook voor het toerisme, en ongeveer 14 mensen (laaggeschoold en/of langdurig werkloos), vinden er een volle of deeltijdse job. De horecaopleiding van het Provinciaal Centrum voor Deeltijds Onderwijs van Boom laat er ook leerlingen stage lopen. Soms word je bediend door iemand met een sticker op met de tekst “spreek Nederlands tegen mij”. Dit zijn dan mensen die een taalbad volgen. Ook jongeren, mensen van de Elegast, die een alternatieve straf opgelegd kregen, kan je hier tegenkomen.

Het team wordt omkaderd door een ervaren bedrijfsleider en een professionele kok.


Griet Bertels zorgde voor de binnenhuisinrichting en decoratie. Via haar vader Lucas Bertels, schilder en etalagist in het industrieterrein, kwam ze in contact met de Steenschuit . Ze is een creatieve bij en hier kreeg ze zowat de vrije hand. Alleen de uitgangspunten werden vastgelegd: de binding met Boom en de baksteen, het brouwerijwezen, de werkers en het milieu. Ze zorgde voor enkele fijne en vooral originele toetsen en voor een gemoedelijke sfeer.


De poort en de deur zijn gemaakt door Eduard Roofthooft, kunstsmid uit Boom. Binnen heb je waarschijnlijk een mooie luchter van hem gezien, en aan de andere zijde van ‘t Steencaycken zul je een trapleuning zien. Roofthooft is enorm bedrijvig geweest (hij is overleden in 1956) en heeft ook veel werken geschonken aan de gemeente. Eddy Stuer, manager van “t Steencaycken, heeft de kunstwerken toevallig ontdekt in een gemeentelijk magazijn, onder het stof op een aarden vloer, en heeft toelating gekregen van het gemeentebestuur, naar aanleiding van Monumentendag, om de kunstwerken in ’t Steencaycken aan te brengen. Roofthooft kon van zijn kunstambacht niet leven, en hij is in 1924 met de auto concessie Ford in de streek gestart. Deze zaak bestaat nu nog. Roofthooft heeft ook een vliegtuig ontworpen, maar dat is in een boom terecht gekomen.


RUPELDIJK (KAART)


Rupel: het Griekse ‘rheuma’ betekent ‘lopende water’. De Kelten gebruikten soms de Griekse taal. Rheuma is verwant met het Latijnse ‘ruere, rumpere’; met het Franse ‘ruisseau’, met het hedendaagse ‘ruisen, rumoer’, enz.
Dat is waarschijnlijk de oorsprong van de naam ‘Rupel’ (oudtijds ‘Rijmpel’).
Het wortelwoord is Rum (rivier) en Peel (moerassig land). Rupel is dus waarschijnlijk voor een stukje afkomstig van het Latijn, voor een stukje van het Kelts.

Met zijn 12 km lengte is de Rupel de kortste waterloop van België, en van Europa. De Rupel is een bijrivier van de Schelde en heeft brak water. Merkwaardig en uniek is het feit dat de rivier geen bron heeft. Ze ontstaat namelijk door de samenvloeiing van Nete en Dijle, en mondt dan 12 km verder uit de Schelde, tegenover Rupelmonde. De Rupel staat in verbinding met het zeekanaal Willebroek-Brussel.


De getijdenwerking van de Schelde zet zich voort op de Rupel, waardoor slikken en – schorren ontstaan. Slikken worden 2x per dag overstroomd er groeien geen planten op maar zijn wel een voedselbron voor vogels. Schorren daarentegen worden slechts overstroomd bij extreem hoge waterstand, er vormen zich dan rietvelden en wilgenvloedbossen.
Dat de Rupel een getijdenrivier is kunnen we duidelijk vaststellen aan ten eerste de stromingsrichting van het water en ten tweede het waterpeil dat voortdurend verandert. Hoogwaterstand bedraagt 5,3 m en laagwaterstand bedraagt 2,5 m. De breedte van de rivier is 200m. De aantrekkingskracht van zon en maan wekt de getijdenwerking op. Bij tijgevoelige rivieren is de duur van de vloed (opkomend tij) verschillend van die van de eb (afgaand tij).Vloed duurt ongeveer 5 uur, eb duurt 7 uur. Dat komt omdat ook oppervlaktewater afgevoerd wordt. Bij het wisselen van het tij spreken we van dood tij. Het ebvolume is groter dan het vloedvolume en er is meer tijd nodig om al dat water af te voeren. De vloedstroming is ook sterker dan de ebstroming .
De schepen trachten zo goed mogelijk gebruik te maken van het tij. Zij varen met het tij mee om minder energie te gebruiken en sneller hun bestemming te bereiken.
Bij stormvloed en noordwesterstorm kan het water zeer hoog komen. Het verhogen van de dijken langs de Rupel tot 8m hoogte was dan ook een deel van het Sigma-plan.

SIGMAPLAN
Om overstromingen zoals we die gehad hebben in het verleden te voorkomen. In de nacht van 31 januari 1953 deed zich de grootste stormvloedramp van de 20e eeuw voor. Na deze stormvloed was er maar één gedachte meer in de hoofden van de mensen : dit mocht nooit meer gebeuren In Nederland werd het Deltaplan bedacht en uitgevoerd. In België deed men niets tot in 1976 Vlaanderen nogmaals aan de beurt was (Ruisbroek - 800 ha en 900 woningen onder water).

Onmiddellijk werd in 1976 gestart met een plan - het Sigmaplan (met de S van Schelde). D e doelstelling is het beveiligen van het Zeescheldebekken tegen stormvloeden vanuit de Noordzee, met een kans op voorkomen van 1 keer per 10 000 jaar.

De bouwstenen: de dijken verstevigen en verhogen over een lengte van 512 km, aanleg van gecontroleerde overstromingsgebieden om zeer hoge waterstanden af te toppen en de bouw van een stormvloedkering t.h.v. Oosterweel (voorlopig bevroren)



TRANSPORT



We hebben gezien dat er in de streek enorm veel bakstenen werden geproduceerd. Dit houdt tevens in dat er op even grote schaal grondstoffen en energie moeten aangevoerd worden - goede transportmogelijkheden zijn onontbeerlijk om tot expansie te kunnen komen. In de Middeleeuwen waren er bijna geen wegen, of ze waren bijna niet of niet geschikt voor transport van goederen.
De rivieren in het algemeen en de Rupel in het bijzonder waren de transportweg bij uitstek. De Rupel maakte van de Rupelstreek als het ware een spin in het waterwegennet.
(KAART)

Via de Schelde stroomopwaarts en stroomafwaarts, de Leie, de Demer, de Durme, de Nete, de Zenne en de Dijle werden heel wat stedelijke afzetmarkten in ons land bereikbaar. De kanalen Brussel-Rupel (Willebroekse vaart 1561) en Brussel-Charleroi (1832) en later het Albertkanaal vergemakkelijkten de handel met Brussel en Wallonië en lieten de aanvoer van steenkool toe. Vanuit de Rupelstreek werden bakstenen en dakpannen vervoerd en er werd steenkool aangevoerd. Voor dit transport gebruikte men steenschuiten .



De eerste vermelding van een schip in het Schelde-Rupelgebied dateert van 1252. De “pleit” kan daarom misschien wel als de “stamvader” (of moeder ? een schip is altijd vrouwelijk…) van de schepen in dit gebied genoemd worden. Het zijn vrachtschepen die op zee varen, met een bemanning van 5 man, maar er varen ook pleiten op de binnenwateren.
De benaming schuit is zo oud als de benaming pleit. Schuiten zijn er in alle soorten, maar typerend voor de streek is de steenschuit, een klein model maar zwaar gebouwd met tamelijk hoog en stevig tuig. De steenschuit vervoert bakstenen van Boom, Terhagen, Rumst enz. naar o.a. Antwerpen. Een schipper en één jongen bemannen de schuit en doen soms wel twee reizen heen en terug op één dag – en een stuk nacht.

Steenschuiten zijn, zoals alle schepen op de rivieren in die tijd, platbodems: ze zijn op een plat vlak gebouwd, waarbij de zijkanten met een duidelijke knik op dit vlak aansluiten. Van ronde schepen zegt men dat het schip nergens stil staat, dus nergens vlakke delen of rechte lijnen in de romp vertoont. De meeste van deze vaartuigen werden destijds op maat en op het oog gebouwd, zodat vele basistypes varianten vertonen al naargelang de streek, het gebruik en de werf. De werfbaas had de lijnen in het bloed zitten, want tekeningen waren er niet.


De schuiten zijn uitgerust met een strijkmast en ze hebben houten zijzwaarden. Zwaarden waren in onze Lage Landen algemeen in gebruik. Het zijn platte houten vlakken die aan weerszijden naast de romp van de boot hangen en neergelaten worden om te laveren, zodat men tegen de wind ook nog vooruit komt. De zwaarden stabiliseren de boot en beletten het afdrijven bij zijdelingse druk van de wind. Om de dwarskracht van een zijdelingse wind om te zetten in een schuinsvoorwaartse beweging (en dus te “laveren” of “op te kruisen”), laat men het zijzwaard zakken aan de kant waar haar het schip door de wind wordt gedrukt. Dat zorgt voor de nodige zijdelingse weerstand voor de platte of ronde romp, die anders met de wind zou worden weggeduwd. Het loefzwaard (aan de kant waar de wind vandaan komt) blijft omhoog. De zwaarden vervullen de rol van een kiel bij een modern(scherp) jacht.
Korte en brede zwaarden werden vooral toegepast op de bovenrivieren en ondiepe waters, terwijl de lange smalle exemplaren meest in gebruik waren op stromend en dieper water, bv in onze streken.
Zwaarden zijn aan de buitenkant uitgehold – er kan precies één emmer water in de uitholling. Op die manier kan het water op een natuurlijke manier langs het zwaard vloeien. Aan de voorkant is het zwaard dik en naar de achterkant toe loopt het dun uit, waardoor het zeilen “aan de wind”(zeilen met wind die bijna recht van voor komt) wordt verbeterd. Het profiel van een zwaard kan vergeleken worden met een vliegtuigvleugel, eeuwen vóór er van vliegtuigen sprake is.


De zwaarden worden bediend met de zwaardloper, een touw dat van op het achterschip aan de bovenkant van het zwaard vastgemaakt is. Bij het door de wind gaan (van koers veranderen zodanig dat de wind van de andere kant komt) blijft een zwaard wel eens tegen de scheepshuid “plakken” door de drift, het afdrijven van een schip, en zakt het niet naar beneden zoals de bedoeling is. Dan gaat de schipper er op staan om het door zijn gewicht naar beneden te duwen. De ongelukkige schipper die op die manier overboord valt, geraakt meestal niet meer terug aan boord…


De lading van de steenschuiten werd aangevoerd met kruiwagens. Twee loopplanken lagen aan de schuit, één voor de ingaande en één voor de uitgaande kruiwagen. Op die manier hinderde de één de ander niet. Het “scheepsrijden” was een taak voor de vrouwen, die een lastige karwei hadden om bij hoog of laag tij de volle kruiwagens naar het schip te duwen of af te remmen. Een kruiwagen bevatte telkens 101 stenen. 100 werden er in het ruim geladen, de 101e werd naast de loopplank gezet. Op die manier was het makkelijk tellen aan het einde van de dag : het aantal stenen dat naast de loopplank stond, was het aantal honderdtallen dat in het schip geladen was. In Niel was een “scheep” steen goed voor 12.500 stuks, elders was dat 13.000.

Om overzee de baksteen te vervoeren zoals onder andere met de brand in Londen in 1966 had men andere schepen nodig. Vanaf de 19de eeuw (tevens hoogtepunt van de baksteenindustrie in de Rupelstreek) werden hiervoor schoeners ingezet.

Schoeners zijn diepstekende schepen met een scherpe kiel en hoger opgebouwd om de golven te kunnen trotseren (Foto’s). De schoener (afgeleid van het Engels, to scoon=snel weggaan), is een mooi houten vaartuig van 22m lang, met 2 achterover hellende masten.
Hoe zit het met de scheepvaart?
Tot 1997 was de Rupel de enige Belgische bijrivier waarop kleine zeeschepen konden varen. Het is een moeilijk te bevaren rivier, om de schippers te helpen staan er bakens die aanduiden waar de vaargeul zich bevindt. Op de Rupel bouwt men “kribben”, een soort dammetjes dwars in het water, die de effecten van de getijdenwerking moeten verminderen. Op de uiteinden van deze kribben staan de bakens die de vaargeul aangeven.
Een verbinding met Brussel komt er vanaf 1561 via het Kanaal van Willebroek – dit kanaal staat in verbinding met de Rupel via het sas van Klein Willebroek. Door de groei van de industrie werd er beslist om van het kanaal een echte zeevaartweg te maken. Daarom startte men in 1911 met de werken voor een nieuwe kanaalarm van Klein-Willebroek tot aan de sluis van Wintam. Deze werken waren klaar in 1922 en op die manier kwam een nieuwe verbinding met de Rupel tot stand. Het sas van Klein-Willebroek werd op deze manier ontlast en ook grotere schepen konden nu toegelaten worden op het kanaal.

Het vervoer van zowel passagiers als goederen op het kanaal van Willebroek gebeurde met trekschuiten, die via het jaagpad door paarden getrokken werden. In draf haalden die paarden zo gemiddeld een snelheid van 10 à 11 km per uur. Arme schippers die geen paard konden betalen om dat trekwerk te doen, stuurden vrouwen en kinderen langs het jaagpad om de boot vooruit te trekken. Een schipper blijft natuurlijk altijd aan boord…
Passagiersvervoer op het kanaal gebeurde in de Middeleeuwen met een “henne”of trekschuit. In Klein-Willebroek werd er van boot gewisseld en stapte men over op een “heu” of “heude” (afbeelding), een groter schip dat de grotere rivieren Rupel en Schelde aankon. Heudes waren rondgebouwde platbodems, voorlopers van de tjalken van vandaag. Ze waren sprietgetuigd (een sprietzeil of druil is een vierhoekig zeil zonder gaffel of boom. Een touw vanaf de voet van de mast loopt in schuine richting naar de achterste bovenhoek van het zeil en houdt het zo vast. Een heu had een hoge verschansing met daarachter soms een bewapening van vier tot zes stukken. Het waren "littill shippes called hoys" die o.a. in Middelburg en Arnemuiden uit Engelse schepen lading overnamen om verder landinwaarts te vervoeren, maar ze werden ook gebruikt als beurtschip voor vracht en passagiers. Hoewel er geen zekerheid over bestaat zijn er aanwijzingen dat de aanroepkreet Ahoy zijn herkomst heeft van hoei, hoy of heude.

Grotere zeeschepen konden uiteraard de ondiepe en bochtige benedenloop van de Rupel niet bevaren, en daarom werd een nieuwe aansluiting met een nieuwe zeesluis gegraven vanuit de Schelde naar het Zeekanaal naar Brussel. De nieuwe sluis moest voldoende groot zijn om zelfs zeeschepen tot 10 000 ton te versassen. Zij werd ingehuldigd in 1997. Enkel binnenschepen die Mechelen of Leuven willen bereiken via het kanaal Leuven-Dijle volgen nog de Rupel tot het Zennegat.



De pleziervaart

Stroomopwaarts bevinden zich de historische steden Mechelen en Lier. Beide steden hebben hun infrastructuur aangepast voor de pleziervaart. Stroomafwaarts kan je richting Antwerpen of naar de stille waters van Klein-Brabant en het Waasland varen. Sinds mei 2004 werd de toegang van het kanaal Willebroek –Brussel terug opengemaakt. Via de heropende sluis kan je nu van Boom langs het pittoreske Klein-Willebroek naar onze hoofdstad varen. Ook kunnen de jachthavengebruikers gemakkelijker op de Rupel komen zonder de omweg via de nieuwe sluis van Wintam te maken. (plan)

Hier komt een drijvend ponton met mobiele bar om de mogelijkheid te geven aan de pleziervaartuigen hier aan te meren .Drijvend omdat het zich moet aanpassen aan eb en vloed en de bar moet mobiel zijn omdat het bij zeer hoog tij in veiligheid moet kunnen gebracht worden.

Verklaring van de naam “jacht” :

Ook in de 15 eeuw waren er al snoodaards, toen gewoon nog smokkelaars en zeerovers genoemd, en er waren even goed James Bond-types, maar dan wel op het water dat in onze streken nogal veel voorradig was. Ze voeren met kleine, snelle zeilschepen om slechteriken te achtervolgen of te “jaghten”. Men noemde deze vaartuigen dan ook jachten, schepen dus om te jagen. Daarnaast waren er ook welstellende reders en rijke burgers die jachten lieten bouwen om hun handelsschepen tegemoet te varen of om vrienden voor een tochtje op de rivier uit te nodigen - om te stoefen zeg maar.





KLEI – CUESTA – STEENBAKKERIJEN



Op het einde van de19de eeuw waren er ongeveer 3000 mensen werkzaam in de diverse steenbakkerijen, 61 tichelgelegen (pannen en vloeren) en 35 handsteengelagen in de Rupelstreek.

Midden vorige eeuw was de tewerkstelling reeds gehalveerd en nu is alleen Wienerberger nog aan de slag in Terhagen en Niel, met ook nog Lauwers in Noeveren.


De brouwerijen verdwenen ook, de laatste in de jaren 70, de scheepswerven sloten in de jaren 60, en de ooit zo belangrijke Boomse Metaalwerken gingen dan ook failliet. Andere sectoren ondergingen hetzelfde lot, zoals de schoennijverheid, en de glasnijverheid (Rupel) na een fusie met drie Waalse bedrijven.
Resultaat: werkloosheid, een bevolking die de streek verlaat (meer dan 7000), en een landschap van putten dat achterblijft (20% van de totale oppervlakte van Boom, Rumst en Niel). In 1960 was in Boom 60% van de oppervlakte van de gemeente steenbakkerijen, kleireserve en uitgebaggerde putten.

De mensen hadden het gevoel dat de overheid geen belangstelling meer had voor de streek, die enkel nog goed genoeg was als openbaar vuilnisstort voor gemeenten en privé bedrijven.


Enkele sociaal geëngageerde mensen nemen deze negatieve gang van zaken niet meer en zo ontstaat ALR (Actiegroep Leefmilieu Rupelstreek, met o.a. Edward Borms, architect Hugo Lejon en Eddy Stuer, de huidige manager van de vzw De Steenschuit.
Hun eerste doel was om het ongecontroleerd storten te stoppen. Op alle niveaus werd er actie gevoerd, maar heel dikwijls bleek het moeilijk het cordon overheid/industrie te doorbreken. Het vraagt enorm veel doorzettingsvermogen om meer dan 10 jaar op de barricade te staan tegen het afvalterrorisme en soms verguisd te worden. Als voorbeeld de jarenlange strijd tegen Prayon Rupel om te verhinderen dat de verlaten steenbakkerijen in Niel Waelenhoek zouden gebruikt worden als gipsstort. Vandaag is het een prachtig natuurgebied.
Eind december 1983 beslist minister Lenssens tot een stortstop, via het afvaldecreet. In dat jaar werd dit stortgedenkteken opgericht.

Maar het ging de Actiegroep in eerste instantie om de lokale mensen, die veel beter verdienden dan te moeten leven in een streek die aan het verkommeren was. Daarom ontstond o.a. in 1991 de vzw De Steenschuit, om eigen projecten te ontwikkelen waar langdurig werklozen en kansarme personen aan de slag konden. Dus positief opbouwen in plaats van steeds maar kritiek te leveren.


Men zag kans om een eerste project te starten, en dat was hier, op de terreinen van Hoek 76. In 1984 had Paul Cornelis de gronden en de gebouwen opgekocht van de verlaten steenbakkerijen. Gebouwen werden aangepast of afgebroken, en in de plaats kwamen polyvalente industriële units met een oppervlakte van 50 tot 1000 meter. Ze worden verhuurd, inbegrepen enkele diensten. Nu al zijn er 26 bedrijven aan het werk, en men is bezig met verdere uitbreiding.


HET ANTISTORTGEDENKTEKEN, OOK GEKEND ALS DE RODE PIJL

Dit gedenkteken van Paul De Niel werd in 1983 opgericht, wanneer de stortstop werd afgekondigd, en is opgedragen aan Ward Borms (overleden in 2000), destijds de voorzitter van A.R.L.. De sculptuur herinnert enerzijds aan de klei die in de streek werd uitgegraven, anderzijds wil de naar beneden wijzende rode pijl ons attent maken op het gevaar in de grond, veroorzaakt door stortingen van grote hoeveelheden vuil en afvalstoffen in de putten.


Er was een tijd dat men dit storten hel normaal vond. Zelfs toen de steenbakkerijen nog op volle toeren draaiden, werden de uitgebaggerde putten al gebruikt als stortplaats.

In 1899 bijvoorbeeld verleent het gemeentebestuur van Boom aan steenbakker Vermeulen de toelating om een weg te verleggen, op voorwaarde echter dat Vermeulen de gemeente toelaat om gedurende 10 jaar vuilnis te storten in de al uitgebaggerde putten.

Dit betekende dus voor de steenbakkers nog een additionele opbrengst van de door kleiontginning achtergelaten putten.

Wat en waar werd gestort?
- vlieggas in Hemiksem, Schelle en Rumst
- huisvuil vanuit Wilrijk te Niel
- huisvuil vanuit Antwerpen in Terhagen

- huisvuil vanuit Mechelen in Rumst, OTL stort
- asbestafval van Eternit in Boom, Bosstraat
- gips van Prayon Rupel in Niel, de Schorre, Terhagen en later OTL stort
Prayon Rupel produceert fosfor en fosforzuur. Voor de productie wordt Saharazand
aangevoerd in schepen van 6000 ton. 95% van deze grondstof wordt weer afval.

Gipsafval bedraagt jaarlijks 600000 ton, waarvan 50% moet worden gestort.
Gips schijnt lichtjes radioactief te zijn.



De stortsites werden meestal afgewerkt met een laag van 30 cm aarde, dat snel weer
wegspoelde met regen en wind. Normaal moest 100 cm aarde met drainage worden voorzien.



Met de opspuiting van de putten werd gestart in de jaren 60, in het centrum van Boom, met baggerspecie uit de Rupel. De kleiputten van Krekelenberg en anderen in Boom werden opgevuld met zand- en baggerspecie afkomstig van Blaasveld waar de watersportbaan Hazewinkel werd aangelegd.

In Boom werden woningen opgetrokken op de opgespoten putten. In Krekelenberg werd een industrieterrein aangelegd van 111 ha groot.

Maar het storten ging intussen toch nog verder. De oude storten bleven lang onafgewerkt liggen en er werden zelfs plannen gemaakt tot het opzetten van een superstort.

In 1983 kocht OVAM (Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij) de terreinen van de

stilgelegde steenbakkerij Tobback-Heylen (J) te Terhagen. Na twee jaren discussie werden de terreinen in 1985 doorverkocht aan de Provincie Antwerpen voor de aanleg van het 100 ha groot recreatiegebied De Schorre. Het was zelfs de bedoeling dit recreatiegebied verder te laten lopen tot Rumst centrum. Dit zou de “groene gordel Rupel” worden, maar zover is het voorlopig nog niet gekomen


DE STEENSCHUIT VZW


Bewonersorganisaties weerden zich dus om de leefbaarheid van hun woonbuurten te behouden. Bovendien probeerden ze hun streek toeristisch aantrekkelijk te maken door het industrieel-archeologisch patrimonium te redden. Tegelijkertijd probeerde men te beletten dat de ambachtelijke kennis, o.a. op het vlak van de scheepsbouw, zou verloren gaan.

Eddy Stuer kon hier rond de verlaten ringoven en de vervallen steenbakkerwoning van Van Herck een erfpacht afsluiten van 29 jaren met het bedrijvencentrum Hoek 76. Een loods werd gebouwd en het eerste project kon van start gaan.

In deze geest van “streekbehoud” ontstond het werklozeninitiatief De Steenschuit. Door het bouwen van replica’s van historische schepen wou men laaggeschoolde langdurig werklozen de kans geven technieken en attitudes te verwerven die hen weerbaarder moeten maken op de arbeidsmarkt.

De Steenschuit vzw beschouwt het als haar opdracht om de kansarme doelgroepen waartoe ze zich richt volop kansen te geven. Zij gelooft dat iedereen recht heeft op werk. Een bezoldigde job laat een persoon meetellen in de maatschappij, maakt van een individu een iemand ipv een niemand. Men streeft naar tewerkstelling, wat leidt tot loonvorming maar wat tegelijkertijd ook maatschappelijk zinvol is.


Vandaar dat De Steenschuit haar projectdoelen schept in domeinen die door de reguliere economische sector niet als commercieel interessant worden ervaren. We denken hierbij aan cultureel- en erfgoed gelinkte projectvoorwerpen die anders niet zouden worden verwezenlijk wegens te duur of te weinig winstgevend, maar die wel door een grote groep mensen waardevol en interessant worden gevonden.

In 1993 werd het project door de VDAB erkend als beroepsopleiding en groeide er een intense samenwerking om de werklozen een gedegen vakopleiding te geven en te bemiddelen naar de arbeidsmarkt.

Intussen staat het Steenschuit-project model voor andere sociaal-maritieme initiatieven in Vlaanderen en Nederland.

Voor wie na de opleiding niet geschikt blijkt te zijn om te gaan meedraaien in het snelle tempo van het gewone arbeidscircuit, zoekt De Steenschuit naar niches die het met steun van de Minister voor Sociale Economie kan vertalen in tewerkstellingprojecten.

De niet aflatende inspanningen om opleidingsdoelstellingen te linken aan projecten met een maatschappelijk-economische bodem heeft de aandacht weten te wekken van tal van bedrijven, ministers en instanties.


Een werkgroep rond Bestendig Afgevaardigde Frank Geudens riep in 2004 Steenschuit-manager Eddy Stuer uit tot Rupeliaan van het jaar.




Spin-off-projecten:
- Sociale Werkplaats Den Hoek vzw dat eetcafé ’t Steencaycken onder zijn hoede heeft en opleiding verschaft aan 14 medewerkers.


- Het Nautisch bezoekerscentrum

- Ondersteuning bij het restaureren van de steenovens in Sint-Amands door 10 werkzoekenden.

- Het 3-maandelijks tijdschrift Ruimschoots.




Projecten:

* In 1996 werd de tweemast gaffelschoener DE RUPEL te water gelaten.


Vijf jaar heeft men gewerkt aan het bouwen van deze kopie van de gaffelschoener de Rupel. Niet minder dan 200 werklozen konden aan de slag, een stiel leren of bijscholen. Het project lukte door de samenwerking met de VDAB (RVA), de sponsoring van de privé sector, en de inzet van veel bereidwillige medewerkers.


In 1996 werd de tweemaster plechtig te water gelaten. Niet minder dan 160 mensen konden daarna een vaste job vinden.

Een gaffelschoener is een snelle langsscheepsgetuigde zeiler van Amerikaanse oorsprong. Het is een schip dat vandaag de dag bij de grote “Windjammers” hoort die bij speciale gelegenheden bv. Antwerpen aandoen tijdens de “Sail” evenement.
Bij de gaffelschoener met twee masten is de achterste mast meestal het hoogst. De naam komt van het gaffeltuig, d.w.z. het zeil hangt aan een schuin omhoog wijzend rondhout, de gaffel De naam schoener is afgeleid van het Engelse “to scoon” = snel weggaan..
De schoener De Rupel is een mooi houten vaartuig van 22m lang, met 2 achterover hellende masten. Het vaartuig heeft deelgenomen aan de vermaarde Cutty Sark Race in 2001, en is eigendom van de t-groep NV, in feite de commerciële tak van de VDAB.


Over het boegbeeld van De Rupel doet er nog een straf verhaal de ronde:

De Rupel nam deel aan de Tall Ships Race (9 Juni 2005) van Waterford (Ierland) naar Cherbourg (Frankrijk). Onderweg liep de Rupel een averij op en verloor zijn boegbeeld. Dit boegbeeld was gebeeldhouwd door Walter De Buck en zijn ploeg van loods 13 uit Gent, het zusterproject van De Steenschuit in Boom.
Wat is nu het straffe?

Niet zo lang geleden spoelde het boegbeeld weer aan op de Franse kust en werd het uiteindelijk terugbezorgd aan de ploeg van de Rupel. Hoe een dubbeltje rollen of hoe een stuk hout drijven kan. ?

* De Gentse havengemeenschap heeft bij De Steenschuit de GENTSE BARGE, een houten trekschuit uit 1785, laten nabouwen. De Barge wordt nu ingezet bij toeristische en promotionele activiteiten voor de stad Gent en haar haven.


Het sociaal, historisch en maatschappelijk project “De Gentse Barge” is een uniek concept waarbij op een ambachtelijke wijze een reconstructie van een Gents historisch schip uit de 18e eeuw werd gebouwd. De Barge was een platte trekschuit die sinds 1623 door de staten van Vlaanderen op de Brugse vaart werd ingezet om personen en goederen te vervoeren tussen Gent en Brugge – een halve dagreis. Brugge was in die tijd de zeehaven bij uitstek en in Gent zaten de rijke wevers. Het schip was prestigieus ingericht en verwierf gedurende haar bestaan een grote faam: je kon er comfortabel op reizen en ondertussen genieten van culinaire geneugten aan boord.
Trekschuiten werden getrokken door paarden De hoeveelheid en de kleur bepaalde de graad van belangrijkheid, bv. 6 witte paarden betekenden dat de trekschuit de koning vervoerde.

Koningen, keizers, aartshertogen en andere notabelen maakten dat de Barge in haar tijd een ware ambassadeursrol vervulde.

Vandaag zal dit wonderlijke schip zijn unieke ambassadeursrol blijven vervullen. Maar in tegenstelling tot de 18e eeuw zullen niet alleen de hoge gasten maar ook de gewone bezoekers kennis kunnen maken met de nieuwe Gentse Barge.


Vzw De Steenschuit heeft dit project volledig verzorgd, van de romp van 22m tot het plaatsen van de dieselmotor. Het enige onderdeel dat uiteindelijk niet in Boom werd gemaakt is dus het fameuze boegbeeld dat door het beeldhouwerscollectief uit Gent, onder de bezielende leiding van Walter De Buck, werd uitgevoerd. De tewaterlating gebeurde in juni 2003.
Een boegbeeld is een eeuwenoud symbool en scheepsattribuut, zo oud als de scheepvaart zelf. Oorspronkelijk geloofde men in een bezwerende ro, ter bescherming van het schip en zijn bemanning tegen het kwade oog, zeeduivels of ambetanteriken als geniepige onderzeeërs, paalwormen of andere onderwaterterroristen.
Dit boegbeeld is ook een statussymbool voor de Gentenaars die als eersten,naast het adellijke wapenschild, een eigen heraldiek mochten voeren als beloning voor hun diensten aan de graven van Vlaanderen in strijd tegen de Franse koningen. Het schijnt dat na veel discussies tussen de poorters, uiteindelijk beslist werd dat het een Gentse maagd zou worden.
Tijdens het maken werden door de cursisten wel enkele troetelnaampjes toebedeeld aan de maagd, zoals “De madonna met de dikke boobies”, “Ons Marina” enz.

Voor deze beide projecten is de betrokkenheid van scheepsbouwer Edward Vennekens enorm belangrijk geweest. Als eigenaar van de scheepswerf Vennekens en tevens buur, heeft hij eigenhandig alle plannen op kalk uitgetekend, en ervoor gezorgd dat de uitvoering tot een goed einde werd gebracht. Een enorme inzet van de intussen bijna 80-jarige yachtenbouwer.


* En vandaag, in 2007 wordt gewerkt aan de CLOTILDE II, een replica van een oude steenschuit (type klipperaak, die de toerist de gelegenheid zal geven om de Rupel te bevaren, gezeten op een stapel bakstenen, al dan niet onder zeil. Het is een schuit in ijzer - metaalbewerking is een knelpuntberoep waar men werklozen wil naar toe begeleiden. De mensen die aan deze boot zullen werken kunnen hier proeven van een beroep met toekomst.

Een klipperaak is een schip met een scherpe overhangende boeg, een galjoen- of klippersteven en een overhangend hek (achterste deel) waardoor geen helmstok, maar een stuurrad (haspel) werd toegepast. Deze schepen zijn in de 19e eeuw tijdens de overgang van hout- naar ijzerbouw ontstaan uit de zeegaande clipper. Klippers zijn dus van ijzer en later van staal. Op het binnenwater hadden de meeste klippers een tuigage met één mast. Aken met zo'n typische scherpe steven heten klipperaak (ijzeren aakske).
Zeeklippers (clippers) zijn over het algemeen dwarsgetuigd (de zeilen staan dwars op het schip, in tegenstelling tot “langsgetuigde” schepen) met drie masten en het waren verreweg de snelste zeilers. De naam komt van het Engelse "to clip" (snellen). Een clipper snelt als het ware over de golven in plaats van er doorheen

Vzw De Steenscuit beschikt niet over de nodige infrastructuur en heeft niet de nodige machines om een metalen schip te bouwen. Het project is daarom afhankelijk van de medewerking van Agoria, de federatie van negen bedrijfssectoren waaronder metaal. Tweede belangrijke partner is weer de RVA, die het personeel zal aanleveren. Ook voor het materiaal, geraamd op 125.000 Euro, zullen sponsors moeten gevonden worden.


Eddy Stuer raamt voorlopig een bouwtijd van drie jaren, met een inzet van 20 werklozen, hetgeen aan doorstroming ongeveer het dubbele zal zijn.

Een meevaller is dat in het Scheepsmuseum in Baasrode nog alle plannen van een identieke steenschuit beschikbaar zijn, er bestaat zelfs een maquette op schaal. Men vermoedt dat de oude schuit destijds gebouwd werd op de werf van Dewachter in Boom. Edward Vennekens moet ditmaal dus niet met kalk en Chinese inkt al de plannen opmaken.


* Ook nog in 2007 zal er gewerkt worden aan een houten 32-voets zeiljacht voor de Antwerpse Zeescouts

* In CNR te Rupelmonde werkt men in 2007 nog verder aan de restauratie van een ‘hengst’, een historisch visserszeilschip), “den Bruinen”.


De hengst is een karakteristieke Schelde-visser. Hengsten zijn open in het midden, ze voeren een gaffeltuig en hebben smalle zwaarden en brede huidplanken. Ze vissen op mosselen op garnalen. Hengsten worden soms ook gebruikt voor vervoer van materialen voor dijkwerken. (afbeelding)

* Van 2007 tot 2011 gaat men een replica bouwen van de Belgica, het schip waarmee de Gerlache in 1897 naar Antarctica zeilde.


NAUTISCH BEZOEKERSCENTRUM
In de nieuwe loods (De Moker) - geopend op 9 september 2006 (Open Monumentendag).

In de hangar van de oude ringoven werd door de Steenschuitcursisten de oude Clotilde grondig geconserveerd en definitief opgelegd. In en rond de Clotilde bouwde Toerisme Rupelstreek vzw het Nautisch bezoekerscentrum Rupelstreek verder uit.



DE CLOTILDE

Om het in geboortekaartjes-termen te zeggen: in de loop van het jaar 1994 kreeg trekschuit De Rupel er een zusje bij.Clotilde heet het - zo genoemd naar de echtgenote van de eerste schipper - en het is een zeilklipper(tje), één van de laatste ijzeren platbodems met een zeil, gebruikt voor het vervoer van bakstenen en zand.


De Clotilde is een ijzeren geklonken platbodemschip met ronde kimmen, bestemd voor vervoer van vracht over rivier en kanaal.
In het ruim

Dit wordt verteld in de Ik –vorm alsof het Clotilde zelf is die dit vertelt, met als achtergrond muziek, de zee en meeuwen.

Haar maten: 17.80 meter op 4.90 meter bij een diepgang van 1 meter en een gewicht van 53 ton. De eigenlijke geboortedatum van de Clotilde is 1910 en haar wieg stond in Boom bij scheepswerf De Wachter, voorganger van de werf Vennekes, wat de cirkel mooi rond maakt.


Het schip veranderde in de loop der jaren verschillende malen van eigenaar en van naam - achtereenvolgens werd het Blanche, Yvonne, Lucia en Maureen gedoopt maar het wordt voor De Steenschuit onherroepelijk de Clotilde. Een oud bijgeloof houdt het erbij dat je een schip best niet omdoopt als je geen onheil wil oproepen, zij het dat traditie hier meer speelt dan bijgeloof.

De Clotilde kende een bewogen levensloop, al is het moeilijk het hele verhaal te rconstrueren.


In 1936 maakt het schip een aanvaring mee waardoor het haar (holle of overhangende) klippersteven kwijtspeelt en met een fiks gehavende neus als gevolg. Een letterlijk dieptepunt kende het schip bij het begin van de oorlogsjaren, toen de toenmalige eigenaar het opzettelijk liet afzinken in de Dender om het uit de handen van de Duitse bezetter te houden.
Voordien had de Clotilde vooral gevaren als beurtschip, trekschip of sleepschip, en ook als magazijnschip, zeilend in open water. Het vervoerde allerlei soorten vrachten waaronder ook munitie. Dit laatste is een van de redenen waarom tot op heden geen motor werd ingebouwd, wat uiteraard het brand- en ontploffingsgevaar verminderde. Bij verbouwing is er wel een motor nodig, want zonder mag je gewoon de Schelde niet op.

Op het dek (opgelet voor open luiken – groep staat vooraan)

De Clotilde heeft als opbouw midscheeps een vrachtruim, vooraan een luik naar het vooronder en achteraan een bescheiden roef voor bewoning. “Bokkepoten” zijn voorzien voor het strijken van de mast, vertrekkend van dezelfde lier die ook het anker ophoudt. Het vrachtruim is afgedekt met typische ronde Vlaamse luiken, in tegenstelling tot de hoekige exemplaren die in de wandel als ‘Friese den’ worden bestempeld.


Terug naast de boot

Conserveringstechnieken : allereerst droogleggen en dan insmeren met lijnolie + cigatif (om verf te laten drogen). Als Rubens zijn doeken zonder cigatif zou geschilderd hebben dan zouden zijn doeken nog niet droog zijn.


Er zal een gat in de zijkant gebrand worden om toegang te vergemakkelijken en ook om in orde te zijn wat betreft de toegankelijkheid voor gehandicapten.
Restauratie viel te duur uit daarom werd er gekozen om een replica te bouwen. De nieuwe boot zal wel 2 meter langer zijn omdat er plaats moet voorzien worden om een motor bij te plaatsen.
De boot zal worden opgevuld met baksteen, geladen zoals vroeger, alles afgedekt met een planken vloer. De inrichting zal Spartaans zijn. In mei wordt gestart met de voorbereidingen maar pas in september zal er werkelijk iets zichtbaar zijn. Het is een hele uitdaging omdat De Steenschuit zijn knowhow heeft opgebouwd rond houten schepen, en de Clotilde is een ijzeren boot. Maar toch is er nog heel wat in hout uit te voeren: mast, roer, zwaarden, dekpanelen enz.
Ook de Clotilde moet uiteindelijk te water. Het ligt voor de hand dat de actieradius van dit schip meer beperkt blijft dan die van de schoener de Rupel : de Clotilde zal varen op de Schelde en de Rupel, op Zeeuwse en Hollandse stromen. Maar ook landinwaarts duiken nieuwe perspectieven op. Omdat we hier te maken hebben met een strijkbare mast is de bewegingsvrijheid van het schip niet beperkt door te lage of niet beweegbare bruggen. Dus op termijn hopen we aan te sluiten bij die aloude waarheid, die het erbij houdt dat de waterwegen onze oudste verbindingen vormen. En dat willen we graag verkennen hand in hand met de Clotilde.

Sint-Annakapel;(zichtbaar vanop de parking)
In 1952 werd de oude kapel afgebroken, ij moest wijken voor het verkeer. Dankzij de gulheid van de steenbakkerij Van Herck,die grond ter beschikking stelde en de bakstenen gratis leverde werd de nieuwe kapel, die nu nog bestaat, naast de plaats van de oude gebouwd.








De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina