Stigma en stigmabestrijding – Annette Plooy



Dovnload 33.51 Kb.
Datum17.08.2016
Grootte33.51 Kb.
Stigma en stigmabestrijding – Annette Plooy

Lezing gehouden op het kwartiermakerscongres, 22 mei 2007


Toen ik een jaar of tien, elf oud was, ging ik wel eens met mijn vader mee naar Wolfheze, een plaatsje vlakbij Arnhem en vlakbij de stad waar wij woonden. Mijn vader was dominee, en hij preekte zo nu en dan in het kleine kerkje in Wolfheze, waar ze geen eigen dominee konden betalen. Ik ging dan met hem mee. Waarom, weet ik eigenlijk niet.

In Wolfheze was het regionale psychiatrisch ziekenhuis gevestigd. Het was meer dan 100 jaar oud, met een hoofdgebouw waarin nog gebrandschilderde, maar ook getraliede ramen te zien waren. Als we naar het kerkje reden, reden we over het inrichtingsterrein. Zo’n klassiek terrein met oude paviljoens, veel bomen en gras en een veldje met geiten en herten. En daar zag ik ze lopen: de anderen. De anderen, dat zijn de vreemde types, degenen die anders denken, anders praten, anders lopen en anders ruiken dan de rest. Ik herinner me dat ze me nieuwsgierig maakten, en een beetje bang. Op de een of andere manier leken ze me niet helemaal menselijk. Ik praatte erover met mijn ouders, en die legden me uit dat de anderen ziek waren en vooral veel mededogen verdienden. Mijn ouders waren immers goed-christelijke mensen en hadden veel met naastenliefde. Maar als ik me niet vergis kreeg ik toch ook de boodschap mee dat ik deze zieke mensen beter een beetje uit de weg kon gaan. En dat ze thuishoorden op die plek, afgescheiden van de rest van ons.


Toen ik halverwege de jaren 80 zelf werd opgenomen in psychiatrisch ziekenhuis Wolfheze veranderde mijn leven voorgoed. Er gebeurden drie dingen met me: ik maakte kennis met angst, depressie en psychose, ik maakte kennis met de eigenaardige wereld en wetten van de psychiatrie en vooral: vanaf dat moment behoorde ik tot de anderen.

Iedereen die opgenomen is geweest kent de bijbehorende vervreemding. Het kan ergens niet. Je bent opgegroeid met de boodschap dat jij hier hoort en de anderen daar. Deze categorisatie geeft veiligheid. Daarom is ze er ook. Ze bepaalt je plaats in de wereld, geeft aan waar je thuishoort. Het kan toch niet dat je opeens van plaats verandert, dat je, en dat maakt het zo pijnlijk, bij degenen hoort waarmee de mensen die je kent geen contact hebben. Dat je bij degenen hoort die anderen uit de weg gaan.


Inmiddels had ik natuurlijk ook kennisgemaakt met de hardere kanten van het beeld van psychiatrische patiënten. Mijn ouders waren nog redelijk welwillend, de rest van de samenleving een stuk minder. Naarmate ik opgroeide maakte ik kennis met de neerbuigende termen voor gestoorden aan de koffietafel, met het beeld van de gevaarlijke gek in films en televisieseries. En ik merkte dat mensen uit mijn omgeving die psychiatrisch werden opgenomen voorgoed werden uitgesloten uit de sociale kring. Ze hoorden er niet meer bij. Deze kennis nam ik mee toen ik opgenomen werd. En die kennis bracht me ertoe om me tot het uiterste te verzetten: ik hoorde niet bij de anderen, ik zat daar verkeerd, ik was beter dan de rest van de patiënten. Ik sloot de anderen uit. Maar het was tevergeefs. Niet alleen heb ik jaren in Wolfheze moeten verblijven, dus was ik zeker niet beter dan de rest, maar als je eenmaal opgenomen bent geweest hoor je in de ogen van de wereld voorgoed bij de vreemde types, zelfs als je niet meer anders loopt of ruikt. Een ex-cliënt van de psychiatrie uit de Verenigde Staten drukte het zo uit tegenover een onderzoeker.
The general public still has a conception of mental illness. That stigma is there, there, there, and I know that real well because I live with it. I can get as healthy as the healthiest person in the world, and it won’t make a difference.
Als het al niet eens helpt om gezond te worden, hoe moet het dan als je nooit meer helemaal beter wordt?
Inmiddels leven we in het jaar 2007, is er meer kennis over psychiatrische aandoeningen beschikbaar en heeft de vermaatschappelijking van de ggz zich ingezet. In theorie vinden nu veel mensen dat psychiatrische cliënten het recht hebben in gewone woonwijken te wonen. Maar is het stigma op psychiatrische ziekte nu ook verminderd? Dit blijkt tegen te vallen. Mensen uit de psychiatrie merken dit in hun dagelijks leven, waarin ze te maken krijgen met discriminatie en uitsluiting. En het blijkt uit onderzoek, waarin het publiek gevraagd wordt naar hun beelden van en mening over psychiatrische cliënten.

Internationaal onderzoek over stigma toont vier dominante negatieve beelden over psychiatrische cliënten:

- mensen met een psychische aandoening zijn gevaarlijk

- mensen met een psychische aandoening zijn onvoorspelbaar en niet in staat aanvaarde sociale rollen te vervullen

- mensen met een psychische aandoening zijn zelf verantwoordelijk voor hun toestand

- psychische aandoeningen zijn chronisch en hebben een slechte prognose.


De sterkste beelden van psychiatrische cliënten zijn dat zij gevaarlijk en onvoorspelbaar zijn. Ook uit Nederlands onderzoek komen deze beelden naar voren. De notie van gevaar wordt gevoed door boeken en vooral films, waarin met name mensen met psychotische stoornissen vaak als extreem gewelddadig worden neergezet. En de recente berichtgeving over TBS-ers helpt ook niet echt.
Voor de oorzaken van stigmatisering worden verschillende verklaringen gegeven:

Volgens de etiketteringtheorie van Link en anderen ligt de oorzaak van stigma in het etiket van “anders zijn”. Het volgende vindt plaats:



  • men onderscheidt verschillen tussen mensen en plakt daar een etiket op

  • men koppelt de personen met het etiket aan onwenselijke eigenschappen - hiermee wordt een stereotype gevormd

  • de personen met het etiketten worden als een "zij"-groep beschouwd, die fundamenteel anders is dan de "wij"-groep

  • de personen met het etiket worden geconfronteerd met discriminatie en verlies van status.

Onderzoek heeft laten zien dat het etiket van psychiatrisch patiënt op zichzelf tot sociale afwijzing leidt. Ook als mensen zich op precies dezelfde manier gedragen, staan anderen negatiever tegenover degene met het psychiatrisch label.
De attributietheorie van Weiner stelt cognitieve en emotionele processen vast die een rol spelen bij stigmatisering van psychiatrische cliënten. Volgens deze theorie wordt afwijzing of acceptatie voor een groot deel bepaald door de “schuldvraag”. Als iemand zelf verantwoordelijk wordt gehouden voor zijn psychische toestand, bijvoorbeeld omdat hij drugs heeft gebruikt, dan veroorzaakt dit boosheid, en dit leidt weer tot sociale afwijzing. Omgekeerd leidt een inschatting dat de ander “er niets aan kan doen” tot medelijden en de neiging hem te helpen. Daarnaast hebben Corrigan en anderen een directe relatie vastgesteld tussen de perceptie van gevaar en sociale reacties. Wordt iemand met een psychische aandoening als gevaarlijk ingeschat, dan leidt dit meestal tot afwijzing, ook al wordt de ander niet verantwoordelijk gehouden voor het feit dat hij gevaarlijk is. Angst is een sterke voorspeller van sociale vermijding.

Corrigan heeft ook een andere theorie voor het bestaan van stigma gelanceerd: die van de “systeemrechtvaardiging”. Deze theorie komt er kort gezegd op neer dat het publiek door stigmatisering in het reine komt met het feit dat mensen met psychiatrische aandoeningen in inrichtingen verblijven en vaak onderworpen worden aan dwang. “Het zal dus wel nodig zijn”, is de redenering. Deze theorie verklaart niet waarom we ooit begonnen zijn met medeburgers op te sluiten, maar wel hoe negatieve beeldvorming in stand gehouden wordt.

Maar goed, wat de oorzaken van stigmatisering ook mogen zijn, de gevolgen zijn vernietigend. Deze gevolgen kunnen worden onderverdeeld in


  • sociale uitsluiting

  • discriminatie

  • zelfstigmatisering

In recent Nederlands onderzoek is het publiek gevraagd in hoeverre zij psychiatrische patiënten in hun omgeving zouden willen toelaten. Wat blijkt is dat het Nederlandse publiek terughoudender wordt naarmate contact intiemer dreigt te worden. Tot acceptatie van een psychiatrisch cliënt als buurman is men nog wel bereid, maar de meesten willen geen psychiatrisch cliënt als onderwijzer of oppas van hun kinderen. Veelzeggend is ook het onderzoeksgegeven dat 50 procent van het publiek aangeeft beslist geen psychiatrisch patiënt als vriend te willen, terwijl de andere helft van het publiek hier nog over twijfelt. Geen wonder dat zoveel psychiatrische cliënten vereenzamen.

En dan moeten we hierbij nog bedenken dat mensen bij onderzoek zoals dit nog geneigd zijn sociaal wenselijke antwoorden te geven ook. Ze willen nog tolerant overkomen. Meerzeggender is wat psychiatrische cliënten aan daadwerkelijke uitsluiting en discriminatie tegenkomen.

Psychiatrische cliënten melden sinds jaar en dag dat zij op allerlei levensgebieden worden buitengesloten en slecht behandeld. Recentelijk is een uniek wereldwijd onderzoek uitgevoerd naar de ervaringen van mensen met de diagnose schizofrenie met stigma en discriminatie (INDIGO). Hierin rapporteerden de respondenten met name nadelige behandeling op het gebied van werk, familie, sociale relaties en hulpverlening.



Brits en Amerikaans onderzoek naar het aannamebeleid van werkgevers bevestigt dat mensen met psychische aandoeningen beduidend minder gewenst zijn als werknemer dan anderen. Mede hierdoor is er sprake van een hoge werkloosheid onder psychiatrische cliënten, leidend tot armoede en marginalisatie. Wat betreft sociale relaties moeten veel mensen met psychische aandoeningen genoegen nemen met een klein sociaal netwerk. Respondenten uit het INDIGO-onderzoek melden dat zij als gevolg van hun aandoening vrienden hebben verloren. En bij het leggen van nieuwe contacten worden zij geconfronteerd met afwijzing zodra zij hun aandoening bekend maken. Van de kant van familie melden psychiatrische cliënten onbegrip en verwaarlozing. Bekend is ook het NIMBY-effect: protesten van buurtbewoners bij de komst van een woning of voorziening voor mensen met psychische aandoeningen. Daarnaast krijgen mensen met psychische aandoeningen te maken met verbale en fysieke agressie. Psychiatrische cliënten lopen een hoger risico slachtoffer te worden van geweld dan de gemiddelde burger.
Vorig jaar was ik zelf betrokken bij het INDIGO-onderzoek. Wij deden het Nederlandse gedeelte en hebben 50 mensen met de diagnose schizofrenie geïnterviewd. Wat me opviel was dat ook vaak werd genoemd hoezeer mensen zich gediscrimineerd voelden door hulpverleners in de psychiatrie. Juist de behandeling door psychiaters en verpleegkundigen werd als neerbuigend ervaren. Dit verbaasde me niet echt. Veel cliënten met wie ik spreek maken hiervan gewag. Verder heb ik het aan den lijve ondervonden en gezien. Stigmatisering is zeker niet minder onder psychiatrische hulpverleners. Misschien juist wel meer.
Op een dag kwam een verpleegkundige in Wolfheze de isoleercel binnen waarin ik op dat moment verbleef. Hij kwam me koffie brengen. Maar hij deed iets verkeerd. De deuren van de isoleercellen op die afdeling hadden een geavanceerd, elektronisch sluitsysteem. Als je het verkeerd deed viel de deur automatisch achter je in het slot. En dat gebeurde dus. De verpleegkundige, een potige jonge kerel, raakte vervolgens volkomen in paniek. Hij begon op de deur te bonken en om zijn collega te roepen. Hoewel hij me al jaren kende en wist dat ik niemand kwaad deed dan mijzelf, joeg het feit dat hij met mij opgesloten was hem enorme angst aan. Waarom? Omdat ik gevaarlijk en onvoorspelbaar was. Want ik was een psychiatrisch patiënt.
Hulpverleners in de psychiatrie zijn net als andere mensen. Opgegroeid met hetzelfde beeld van de anderen. Maar ze worden nog eens extra beïnvloed door de psychiatrische leerstellingen, waarin aan een bepaalde diagnose allerlei negatieve eigenschappen worden gekoppeld. Mensen met schizofrenie zijn potentieel gewelddadig, asociaal en verzorgen zich slecht. Mensen met neurotische klachten zijn egocentrisch, gevoelloos en houden geen rekening met anderen. En mensen op de grens, de mensen met een borderline persoonlijkheidsstoornis, zijn manipulatief, agressief en willen alleen maar aandacht. In Australië en Engeland is onderzoek gedaan naar de mening van psychiatrisch verpleegkundigen over mensen met een borderline stoornis. Zij gaven in meerderheid onverhuld toe dat zij ze allerlei negatieve eigenschappen toedichtten. Het gevolg is dat mensen met deze stoornis veroordelend benaderd worden en minder zorg krijgen dan anderen.
Psychiatrische patiënten met welke diagnose ook – vooral zij die opgenomen zijn – worden door veel psychiatrische hulpverleners als onbetrouwbaar en tweederangsburgers behandeld. Dit reflecteert niet alleen een systeem, waarin dwang aan de orde van de dag is, waarin cliënten door onzinnige huisregels tot kinderen worden gereduceerd en waarin het normale recht op autonomie niet geldt. Het reflecteert ook de manier waarop veel ggz-hulpverleners ons zien. We zijn niet alleen ziek, we kunnen ook niet bepalen wat goed voor ons is, we zijn allemaal geneigd ons te verwaarlozen en uiteindelijk zijn we allemaal inferieur aan hen. Onze ziekte maakt ons incompetent, en onze afhankelijkheid van hulp maakt ons minderwaardig.

Stigmatisering onder hulpverleners zorgt ervoor dat zij onvoldoende tegenwicht bieden aan de vooroordelen in de samenleving. Mogelijk verergeren zij die zelfs. Want waarom zou het publiek positiever over psychiatrische cliënten gaan denken als de professionals dat zelfs niet eens doen?

Maar wat misschien nog wel erger is: zij beïnvloeden de manier waarop cliënten zichzelf zien. Als je stelselmatig vernederend behandeld wordt, doet dit onvermijdelijk een aanslag op je zelfrespect. Zeker als je op je kwetsbaarst bent. Het maakt je kwaad, maar je gaat ook aan jezelf twijfelen. Mij maakt het nog steeds woedend hoe ik behandeld ben. Maar die behandeling heeft ook een blijvend inwendig stempel op me gedrukt. Misschien hadden ze wel gelijk. Zij zijn immers toch de professionals, die het kunnen weten?
Zelfstigmatisering is het meest vernietigende onderdeel van het probleem van stigma. Het wordt wel de tweede ziekte genoemd, een ziekte die ons herstel kan belemmeren en onze psychiatrische aandoening zelfs kan verergeren. Maar het is geen ziekte .. het wordt ons aangedaan.

Van zelfstigmatisering is sprake wanneer we de negatieve stereotypen die over ons leven internaliseren, wanneer we ze gaan geloven. Wanneer we gaan geloven dat we gevaarlijk, onbetrouwbaar of toch op zijn minst minder bekwaam en sociaal aanvaardbaar zijn dan anderen. En je moet wel heel erg sterk zijn om het niet te gaan geloven.

Het ergst is de twijfel. Zien mensen het aan me? Gedraag ik me wel zoals het hoort? Doe ik niet net een beetje anders? Zitten er vlekken op mijn kleren? Wat betekent die uitdrukking op haar gezicht?

Zelfstigmatisering leidt ertoe dat veel psychiatrische cliënten zich uit het sociaal verkeer terugtrekken. Zij isoleren zich, uit schaamte. Het ironische is dat zij daarmee hun rol als een van de anderen bestendigen. Zij bevestigen het beeld dat zij vreemde types zijn, met wie je geen contact kunt krijgen. En dan is de cirkel rond.


We hebben nu een Wet Maatschappelijke Ondersteuning. Een wet die gemeenten de opdracht geeft de participatie van kwetsbare groepen in de samenleving te bevorderen. Voor mensen met psychiatrische aandoeningen is inmiddels duidelijk dat hier allereerst voor nodig is dat het probleem van stigmatisering wordt aangepakt. In de afgelopen vijftien jaar, waarin de vermaatschappelijking van de ggz zo hoog in het vaandel is geplaatst, is duidelijk geworden dat de rehabilitatie en reïntegratie van psychiatrische cliënten ernstig door stigmatisering wordt belemmerd. Gemeenten kunnen dan ook niet volstaan met het aanbieden van een loket om voorzieningen aan te vragen. Er zal gerichte actie moeten komen om de beeldvorming over psychiatrische cliënten te veranderen en discriminatie te bestrijden.

In het buitenland zijn inmiddels grote, door de landelijke overheid gesteunde anti-stigmacampagnes opgezet. Zo loopt in de Verenigde Staten een federale campagne, en in het Verenigd Koninkrijk de campagne Changing Minds, every family in the land. En ook in Schotland en in Nieuw-Zeeland lopen grote campagnes. In Nederland laat de landelijke overheid het echter behoorlijk afweten. In die situatie is een belangrijke rol weggelegd voor de gemeenten. De gemeenten dienen verantwoordelijkheid te nemen voor de bestrijding van sociale uitsluiting van een deel van hun burgers. De WMO biedt hiervoor een prachtig kader.


Wat moet er gebeuren?

Bestrijding van stigma vereist een strategie. In het buitenland is het nodige onderzoek verricht naar de werkzaamheid van verschillende anti-stigmastrategieën. Onder andere door het Chicago Consortium for Stigma Research. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen drie vormen van stigmabestrijding:



  • protest

  • voorlichting

  • contact

Bij de strategie van protest wordt het publiek moreel aangesproken op zijn gedrag. Het wordt gemaand psychiatrische cliënten met respect te behandelen en zich van discriminatie te onthouden. Uit onderzoek blijkt dat dit niet goed werkt. Protest werkt vaak zelfs averechts, omdat mensen een weerzin hebben tegen de opgeheven vinger. De kans is groot dat ze juist nog negatiever over psychiatrische cliënten gaan denken.

Wat wel blijkt te werken is protest tegen stigmatiserende boodschappen in de media. Een organisatie als Stigma Watch in Amerika spreekt de media consequent aan wanneer zij verkeerde informatie geven of bijvoorbeeld in televisieseries iemand met een psychische aandoening op een manier neerzetten die de stereotypen bevestigt. Ook in Nederland zou hier meer werk van gemaakt kunnen worden. Dit lijkt vooral een taak voor cliëntenorganisaties en de GGZ.

Bij de strategie van voorlichting worden negatieve stereotypen bestreden door het publiek informatie te geven die de bestaande mythes over psychiatrische cliënten ontkracht. Het gaat dan om informatie over de aard en oorzaak van psychiatrische aandoeningen, over de kans op herstel van deze aandoeningen, over het lage risico op gewelddadigheid en over het aantal mensen met psychische aandoeningen onder de bevolking. Veel mensen denken dat psychiatrische aandoeningen zeldzaam zijn. Ook ik wist niet, toen ik met mijn vader over het terrein van Wolfheze reed, dat ik 25 procent kans liep om ergens in mijn leven zelf bij deze mensen te gaan horen. In Nederland wordt op landelijk niveau onder meer dergelijke voorlichting gegeven door het Fonds Psychische Gezondheid.

Voorlichting werkt beter dan protest, maar de werkzaamheid blijkt op de lange termijn toch beperkt. Vooroordelen blijken hardnekkig. Ontvangers van voorlichting gaan wel even anders denken, maar vallen vaak toch op den duur weer terug in hun oude overtuigingen.



De meest werkzame strategie blijkt die van contact te zijn. Uit onderzoek blijkt dat als mensen iemand met een psychiatrische aandoening op een positieve manier leren kennen, zij positiever gaan denken over alle psychiatrische cliënten. Het is daarom zaak om persoonlijke interactie tussen psychiatrische cliënten en andere burgers te stimuleren. Contact werkt omdat je aan elkaar went en omdat men psychiatrische cliënten leert kennen als toch de kwaadste niet. Wat het meest effectief blijkt is wanneer men met elkaar samenwerkt aan een gezamenlijk project. Dit geeft burgers de gelegenheid de anderen op een ongedwongen wijze te leren kennen en hun capaciteiten te ontdekken. Hier kan de gemeente een belangrijke rol spelen. Zij kan het initiatief nemen tot projecten in de wijk, in samenwerking met het welzijnswerk en eventueel de GGZ. Ook zou de integratie van psychiatrische cliënten in het reguliere buurthuis- en verenigingsleven moeten worden bevorderd. Dit kan door organisaties als de Vriendendiensten financieel te ondersteunen. De Vriendendiensten kunnen cliënten die dat nodig hebben in sociale activiteiten begeleiden en een brug slaan tussen cliënten en andere bezoekers. Overigens worden veel cliënten niet belemmerd doordat zij niet durven, maar doordat zij geen geld hebben om lid van een vereniging te worden. Gemeenten kunnen hierin voor financiële tegemoetkoming zorgen. Soms is de oplossing heel materieel.
Een strategie die ook erg effectief is, is een combinatie van voorlichting en contact. In Nederland wordt dit onder meer sinds jaar en dag uitgevoerd door Stichting Pandora. Bij deze strategie geven psychiatrische cliënten zelf de voorlichting. Zij vertellen het publiek over de aard van hun aandoening en hoe het is om daarmee te leven. Dit werkt om twee redenen: de informatie die wordt overgedragen wordt overtuigender en maakt meer indruk dan wanneer ze door hulpverleners wordt gegeven. En het publiek leert de cliënt die de voorlichting geeft kennen: de psychiatrisch patiënt krijgt een gezicht, een stem en een persoonlijkheid. Deze strategie wordt steeds meer toegepast. Vaak georganiseerd door cliëntenorganisaties, die teams van ervaringsdeskundigen trainen om als voorlichter op te kunnen treden. Gemeenten kunnen hierin een rol spelen door dergelijke projecten financieel te ondersteunen. Zij kunnen stimuleren dat doelgroepen zoals werkgevers, welzijnswerkers en medewerkers van woningbouwverenigingen ervaringsdeskundigen voor voorlichting uitnodigen. En zij kunnen hun eigen diensten en ambtenaren verplichten zich op deze wijze te laten voorlichten. Hierbij valt te denken aan politie-ambtenaren en medewerkers van sociale diensten, maar ook aan beleidsambtenaren. Ook de gemeente zelf moet betrokken worden in de bestrijding van stigma.
Psychiatrische cliënten zijn zelf het sterkst in het bestrijden van stigma. Door zich te laten kennen en door hun verhaal te doen. Deze constatering heeft consequenties. Het betekent dat cliënten ondersteund moeten worden in hun empowerment en herstel. Voordat je je durft te laten kennen en je verhaal te doen moet je immers van je zelfstigmatisering af. Je moet jezelf weer gaan waarderen en de durf opbrengen naar buiten te treden en het maatschappelijk stigma het hoofd te bieden. Herstel is het antwoord op zelfstigmatisering. En het geeft de kracht om sociale inclusie te bevechten.

In Nederland is in de afgelopen jaren een herstelbeweging tot bloei gekomen, een beweging van psychiatrische cliënten die door middel van zelfhulp en ervaringskennis werkt aan individuele en collectieve empowerment. Het begrip herstel verwijst hierin niet per se naar genezing, maar naar het terugvinden van een identiteit als compleet persoon, met capaciteiten, perspectieven en hoop. Veel psychiatrische cliënten zijn in hun identiteit gereduceerd tot hun diagnose, en leiden, onder invloed van beroerde prognoses, een leven zonder doel. De herstelbeweging stelt zich hiertegen teweer. Door de eigen kracht en kennis van cliënten aan te boren. Een bekende definitie van herstel is die van William Anthony:

“An intense, personal and unique process of change in a person’s attitude, values, feelings, goals, skills and/or roles. It is a way of living, of leading a satisfying, hopeful and useful life with the restrictions that psychiatric disabilities entail. Recovery means growing out of the catastrophic consequences of the psychiatric condition and developing a new meaning and a new purpose in one’s life”.

Dit streven wij na. De herwinning van ons zelfrespect, tegen de stroom van stigma in. En we doen het zelf, omdat we die kracht in ons hebben. Mensen met psychiatrische aandoeningen hebben vaak een uniek vermogen om te overleven. We hebben jarenlang te maken met angst en depressie, met vernederende behandeling, met bijwerkingen van medicatie en met discriminatie, maar blijven toch overeind. Werken aan herstel betekent ontdekken hoe je dat doet, en daarop verder te bouwen.


De herstelbeweging heeft inmiddels verschillende herstelprogramma’s ontwikkeld, waarin cliënten elkaar ondersteunen en ideeën uitwisselen over werkzame manieren om met hun aandoening om te gaan, om zich te versterken en hun mogelijkheden te ontwikkelen. De herstelprogramma’s zijn kweekvijvers voor ervaringsdeskundigen, die vervolgens naar buiten treden om hun verhaal te doen. Zo wordt niet alleen zelfstigmatisering bestreden, maar ook negatieve beeldvorming in de samenleving. De meest effectieve manier om het probleem van stigmatisering te bestrijden is wanneer psychiatrische cliënten zich presenteren als sterke en competente individuen. Daarmee ontkrachten wij de negatieve stereotypen. En ervaringsdeskundigen geven al enige jaren trainingen aan hulpverleners om ook de stigmatisering binnen de psychiatrie zelf aan te pakken. Ze leren hulpverleners hun eigen vooroordelen onder ogen te zien en cliënten met meer respect te behandelen.
Bestrijding van stigma en bevordering van participatie van mensen met psychische aandoeningen werkt het beste door de versterking van psychiatrische cliënten zelf. Gemeenten kunnen dit ondersteunen door te faciliteren dat cliëntgestuurde herstelprogramma’s voor zoveel mogelijk psychiatrische cliënten beschikbaar komen. Dit betekent heel concreet: financieren dat herstelprogramma’s niet alleen beschikbaar zijn in de GGZ-instellingen die bereid zijn ze aan te kopen, maar ook in de wijk kunnen worden aangeboden. Zoveel mogelijk mensen moeten ermee in aanraking kunnen komen. Dit betekent ook: zorgen dat er voldoende betaalde banen voor ervaringsdeskundigen komen die deze herstelprogramma’s kunnen leiden en die voorlichting kunnen geven aan publiek en hulpverleners. Daarmee krijgt het anti-stigmawerk een stabiele basis.
Ten slotte nog dit: bestrijding van stigma betekent niet dat psychiatrische cliënten moeten bewijzen dat ze gelijkwaardig zijn. De herstelbeweging is in de eerste plaats een emancipatie beweging, die het recht op gelijkwaardige behandeling opeist. We gaan ons niet in allerlei bochten wringen om acceptabel gevonden te worden. We zijn zoals we zijn, en hebben als zodanig recht op een volwaardige plaats in de samenleving.

Inmiddels ben ik trots op “de anderen”. En ik hoor er graag bij.










De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina