Strabrecht college



Dovnload 129.97 Kb.
Datum03.10.2016
Grootte129.97 Kb.
feniks
Overzicht van de geschiedenis
Tijdvakkendossier







STRABRECHT COLLEGE

Havo 4 en 5  Dus voor de aankomende twee jaar!!!!

schooljaar 2013-2014 en 2014-2015


10 Test- en examentips
Natuurlijk moet je goed leren en meedoen in de les, maar er is meer. Deze aantekeningen kunnen je helpen een test of examen beter te maken. Heel veel antwoorden op testvragen lijken juist, maar geven vaak net niet wat gevraagd wordt. Hoe kun je dit voorkomen?


1. Lees de vraag rustig en goed, zeker ook de introductie die vlak boven

de vraag staat. Raak niet in paniek als je de intro en de vraag niet

begrijpt en schrijf niet zomaar wat op: je weet vaak meer dan je in

eerste instantie denkt. Schrijf altijd wat op!


2. Start je antwoord door de vraag in het antwoord te herhalen! Het zet je alvast aan het denken!
3. De vragen staan in chronologische volgorde. Als je bij vraag 4 iets hebt opgeschreven over de 18e eeuw en bij vraag 9 iets over de 16e eeuw, dan moet je de twee vragen en antwoorden nog eens lezen.
4. Bekijk hoeveel punten je voor de vraag kan halen, vaak correspon-deert dit met het aantal redenen/oorzaken/onderdelen/voorbeelden etc. dat je moet geven in je antwoord.
5. Stel er worden twee zaken gevraagd. Jij bent niet zeker van je zaak. Schrijf dan altijd de beste reden/oorzaak/onderdeel/voorbeeld als eerste op. Wanneer er om twee onderdelen wordt gevraagd worden ook alleen maar deze onderdelen nagekeken. Misschien is het tweede onderdeel fout en het derde juist. Helaas… geen punten voor dit derde onderdeel!
6. Soms wordt er een kort antwoord van je verwacht, dit wordt dan aangegeven doordat in de vraag staat: geef, noem of noteer. Als er een langer antwoord van jou wordt verwacht staat er: leg uit of toon aan.
7. Een vraag kan bestaan uit een bewering of stelling die jij moet verdedigen of accepteren (je bent het ermee eens) of verwerpen (je bent het er niet mee eens). Je moet dan argumenten benoemen waarom jij het er wel of niet mee eens bent, alleen daar krijg je punten voor.
8. Let op bij bronnenvragen. Wanneer in de vraag staat ‘leg uit aan de hand van de bron’ of ‘toon aan met de bron’ etc., beschrijf of citeer dan ook letterlijk informatie uit de bron. Doe je dit niet, dan krijg je geen punten voor je antwoord, ook al is het correct.
9. Bij spotprenten is het zaak om heel goed naar alle elementen te kijken, een spotprent geeft altijd een mening weer over een bepaald onderwerp. Maar om deze mening te achterhalen moet je alle symbolen interpreteren. Beschrijf dus altijd eerst precies wat je ziet.
10. Sluit je antwoord altijd af met een conclusie, daarin staat geen nieuwe informatie maar nogmaals het antwoord dat jij op de vraag geeft.

Tijdvakken


Tijdvak

Periode

Jaartallen

Maatschappijtype

Begrippen

Jagers en boeren

Prehistorie

6.000.000-3000 v.Chr

.


Jagers en verzamelaars (nomadisch)

later agrarisch






Grieken en Romeinen

Oudheid

3000 v.Chr.-500 n.Chr.


Agrarisch urbaan/landbouw stedelijk






Monniken en ridders

Vroege middeleeuwen

500 – 1000 n.Chr.

Agrarisch urbaan/landbouw stedelijk, weinig steden




Steden en staten


Hoge Middeleeuwen

en Late Middeleeuwen





1000 – 1500



Agrarisch urbaan/landbouw stedelijk, meer steden




Ontdekkers en hervormers



Vroeg moderne tijd

1500 – 1600



Agrarisch urbaan/landbouw stedelijk




Regenten en vorsten


Vroeg moderne tijd

1600 – 1700



Agrarisch urbaan/landbouw stedelijk





Pruiken en revoluties


Vroeg moderne tijd



1700 – 1800



Agrarisch urbaan/landbouw stedelijk, Engeland begint industrieel




Burgers en stoomma-chines



Moderne tijd


1800 – 1900



Industrieel






Wereldoor-logen

Moderne tijd


1900 – 1950


Industrieel




Televisie en computer

Moderne tijd


1950 – 2000


Industrieel




Structuurbegrippen


Bron

Een bron is een gebruiksvoorwerp, afbeelding, film of een tekst wat informatie geeft over het verleden. Bronnen kunnen geschreven zijn of ongeschreven.


Primair


Een primaire bron is geschreven/gemaakt door iemand die de gebeurtenis zelf heeft meegemaakt. Deze kan betrouwbaarder zijn dan een secundaire bron, maar deze kan soms juist ontzettend gekleurd zijn door de band van de schrijver met de betrokkenen.


Secundair



Een secundaire bron is geschreven/gemaakt door iemand die niet bij de gebeurtenis aanwezig was. De maker van de bron heeft pas (ver) na de gebeurtenis het verhaal opgeschreven of heeft de informatie via een omweg verkregen.


Standplaats-gebondenheid



Bij iedere bron moet je je afvragen wat de achtergrond van de schrijver is. Iedereen schrijft vanuit een bepaalde achtergrond, dit bepaalt je mening. Je standplaatsgebondenheid wordt bepaald door je geloof, geslacht, leeftijd, omgeving waarin je bent opgegroeid, opleiding, etc.


Tijdgebonden


Een bron is tijdgebonden, de kennis van een bepaalde periode is anders dan de kennis van tegenwoordig. Dit zorgt ervoor dat er in diverse periodes verschillend over een bepaalde gebeurtenis gedacht kan worden, puur door de tijd waarin geleefd wordt.


Ontwikkeling


Een ontwikkeling is een gebeurtenis in de geschiedenis die niet op zichzelf staat, het heeft een beginpunt maar stopt daarmee niet. Bijvoorbeeld een toename, een afname, een opkomst of ondergang.


Continuïteit


Een ontwikkeling die stabiel blijft, een gebeurtenis blijft bestaan of een factor die niet verandert.


Discontinuïteit


Een ontwikkeling die variabel is, een gebeurtenis die verandert of een factor die niet hetzelfde blijft.


Inleven


Inleven doe je door middel van naar de tijd, de plaats en de maker van de bron te kijken. Je kijkt naar de standplaatsgebondenheid en baseert daar je mening over de bron op.


Oorzaak


Oorzaken zijn zaken/factoren waardoor iets in gang wordt gezet.

Gevolg



Resultaat van een oorzaak, uitkomst. Soms is een resultaat meteen zichtbaar/merkbaar/meetbaar, soms is de tijd tussen oorzaak en resultaat wat langer.


Indirecte oorzaak

Dit is een oorzaak die wel heeft bijgedragen aan het gevolg, maar dit gevolg was niet direct merkbaar. Het was een druppel die de emmer wel gevuld heeft, maar niet heeft laten overlopen.

Bijvoorbeeld:

Kolonisatiedrang Duitsland (indirecte oorzaak) + wraakgevoelens van Frankrijk (indirecte oorzaak) + nationalisme op de Balkan (indirecte oorzaak)  Franz Ferdinand vermoord (directe oorzaak)  WOI begint.


Directe oorzaak

Dit is een oorzaak die meteen voor een gevolg zorgt, het is de druppel die de emmer doet overlopen.

Bijvoorbeeld:

Franz Ferdinand vermoord (directe oorzaak)  WOI begint (direct gevolg)


Direct gevolg



Een direct gevolg betekent dat het resultaat van de oorzaak meteen merkbaar is.

Bijvoorbeeld:

wekker kapot (oorzaak)  verslapen (direct gevolg)


Indirect gevolg



Een indirect gevolg betekent dat het resultaat van de oorzaak niet meteen merkbaar is. Vaak zit er nog een stap tussen.

Bijvoorbeeld:

Wekker kapot (oorzaak)  verslapen (direct gevolg)  te laat op school (indirect gevolg) + volgende dag 8 uur melden (indirect gevolg)


Betrouwbaarheid



Een bron wordt opgeschreven of gemaakt door een persoon. Deze persoon maakt de bron betrouwbaar wanneer hij/zij zo min mogelijk zijn of haar eigen mening in de bron stopt. De bron is betrouwbaarder wanneer er veel feiten en details instaan, maar nog altijd is het niet gemakkelijk om de betrouwbaarheid van de bron te achterhalen, benaderen kan wel.


Bruikbaar

Geeft de bron antwoord op de vraag, dus kan je de bron gebruiken om antwoord te geven.


Representatief



Een representatieve bron geeft de mening weer van het gemiddelde. Is de bron de mening van één persoon of geeft het een algemene kant weer.




Tijdvak 1

Jagers en Boeren
Periode: pre-historie
Jaartallen: tot 3000 v Chr.



1.1 Van jagers-verzamelaars naar boeren
Kenmerkende aspecten:

1. Levenswijze van Jagers-verzamelaars


Voorbeeld uit het boek: Ohalo-cultuur leefden in eenvoudige, ronde hutten van wilgentakken. Het waren jagers-verzamelaars maar geen nomaden 20.000 jaar geleden.

Eigen voorbeeld (met uitleg): Mogelijke antwoorden: Nomadenstammen uit het huidige Afrika of de Cro-magnonmensen die de grotschilderingen van Lascaux hebben gemaakt.

2. Ontstaan van de landbouw, landbouwsamenlevingen
Voorbeeld uit het boek: Vruchtbare halvemaan, dit gebied in het Midden-Oosten was erg vruchtbaar vanwege de twee rivieren die er omheen liggen. Hier is voor het eerst de landbouw bedreven, vanuit hier is de kennis verder verspreid.

Eigen voorbeeld (met uitleg): Mogelijke antwoorden: Ook in Amerika, in de vruchtbare sikkel, hebben mensen de kennis van de landbouw ontwikkelt, dit was later in de tijd maar was geen ‘afkijken’ van het Midden-Oosten. Of in Nederland is de landbouw vanuit het Midden-Oosten, via Limburg verder verspreid.


Kernbegrippen:

1. Jagers-verzamelaars:


2. Cultuur:
3. Agrarisch:
4. Landbouwsamenlevingen:

Onderzoeksvraag:

Welke gevolgen had de Neolithische Revolutie voor de leefwijze van de mensen in de Tijd van jagers en boeren?


Beantwoord deze onderzoeksvraag door gebruik te maken van alle begrippen van de paragraaf én een voorbeeld.
Neolithische revolutie: De overgang van de samenleving van jagers-verzamelaars naar een landbouwsamenleving.
- Bevolking groeit

- Sedentaire revolutie (= het vestigen op een vaste woonplaats)

- Stevigere behuizing, soms zelfs van steen

- Ontstaan steden

- Andere werktuigen, nu ook voor de landbouw (sikkel, ploeg, maalsteen)

- Aardewerk om voedsel in te bewaren

- Meer bezittingen

- Sociale hiërarchie (= sociale statusverschillen)


Denk hierbij aan Mesopotamië.

Welke informatie kun je uit de bovenstaande bron halen?


De eerste gebieden met voedselproducties bevinden zich rond de evenaar. Nu liggen deze gebieden verder naar het noorden of zuiden.


1.2 Steden in Mesopotamië
Kenmerkende aspecten:
3. Ontstaan van de eerste stedelijke gemeenschappen
Voorbeeld uit het boek: Mesopotamië is een gebied wat in de vruchtbare halve maan ligt, in het Midden-Oosten. Hier namen de landbouwopbrengsten zo toe, dat de bevolking flink groeide en dorpen uitgroeiden tot steden.
Eigen voorbeeld (met uitleg): Mogelijke antwoorden: Jericho is de eerste stad in de wereld die ontstaan is, het ligt ook in het Midden-Oosten. Of de steden aan de Nijl in Egypte, bv. Memphis en Alexandrië.

Onderzoeksvraag:

Welke kenmerken hadden stedelijke gemeenschappen in Mesopotamië?


Beantwoord deze onderzoeksvraag door gebruik te maken van alle begrippen van de paragraaf en een voorbeeld.

- Hiërarchische opbouw

- Godsdienstig centrum

- Specialisten (mensen met een anders beroep dan boer, ambachtslieden)

- Gebruik van schrift


Voorbeeld:

Denk hierbij aan de stad Ur in Mesopotamië.

Welke van de volgende aspecten zijn kenmerken van een stedelijke gemeenschap in Mesopotamië?





Wel

Niet

Gebruik schrift

x




Specialisatie

x




Aanwezigheid farao




x

Godsdienstig centrum

x




Een natiestaat

x




Hiërarchische opbouw

x




Irrigatielandbouw

x




1.3 Egypte, staat van boeren en steden
Deze paragraaf behandelt nogmaals kenmerkend aspect 2 en 3, maar gebruikt hierbij een nieuw voorbeeld; Egypte.




Onderzoeksvraag:

Welke kenmerken van een stedelijke gemeenschap en van een natiestaat herken je in Achetaton en in de regeerperiode van farao Achnaton?


Beantwoord deze onderzoeksvraag door gebruik te maken van alle begrippen van de paragraaf en een voorbeeld

Achetaton: De nieuwe hoofdstad die Achnaton liet bouwen.


Deze stad is wel representatief voor een stedelijke gemeenschap want er is een duidelijk hiërarchie omdat Achnaton zich boven de bevolking stelt. En er is een godsdienstig centrum in de stad en Goden worden aanbeden. Omdat we spreken van een stad, is het aannemelijk dat daar ook specialisatie is. We hebben immers gezien dat wanneer de landbouwopbrengsten verbeteren en niet iedereen boer hoeft te zijn, de steden ontstaan en groeien. Vanwege de complexe samenleving en het bijhouden van de belastingen is het ook aannemelijk dat er een schrift in de stad aanwezig was.
Onder Achnaton zijn er ook kenmerken van een natiestaat omdat er een politiek bestuur aanwezig is die een eenheid wil creëren in het land.

Bepaal of jij het onderwerp Egypte beter vindt passen bij tijdvak 1 of bij tijdvak 2. Geef eerst twee argumenten voor jouw mening, geef dan een tegenargument en weerleg dit tegenargument meteen weer. Sluit je antwoord af met je conclusie.


Eigen mening


Afsluiting hoofdstuk 1
A. Bij de afsluiting staan de begrippen van dit hoofdstuk. Beantwoord de volgende vragen hierover.

  1. Leg het verband uit tussen de neolithische en de sedentaire revolutie.

De mensen waren nomadisch omdat ze niet genoeg voedsel uit de natuur konden halen. Toen de landbouw werd ontdekt groeide de voedselopbrengsten en was rondtrekken niet meer nodig.




  1. Leg het verband uit tussen de prehistorie en de historie.

In de prehistorie wordt het schrift ontdekt, dit was nodig om de complexe samenlevingen bij te kunnen houden, dit gebruik van het schrift markeert de start van de historie, dan krijgen we ook geschreven bronnen.




  1. Geef het verschil tussen een natiestaat en een stadstaat.

Bij een natiestaat streven de bewoners en de bestuurders naar een politieke en maatschappelijke eenheid binnen het hele land. Bij een stadstaat is er binnen de omgeving van de stad een eigen bestuur, rechtspraak, leger en regels. Hierbij is er dus juist geen eenheid binnen het land.




  1. Leg het verschil uit tussen het monotheïsme en het polytheïsme.

Bij het monotheïsme wordt er één God aanbeden, bij het polytheïsme zijn dit er meerderen.





  1. Leef je in, in een man van 25 in de tijd rond 15.000 voor Christus én een man in 3.000 voor Christus. Beschrijf de discontinuïteit van zijn cultuur.

Cultuur: Alles wat een groep mensen met gemeenschappelijk kenmerken voortbrengt, bijvoorbeeld taal, godsdienst, kunst, normen en waarden.


15.000 v. Christus: Op zoek naar voedsel door te jagen.
3.000 v. Christus: Eerste steden ontstaan dus de man kan boer zijn, maar kan ook ambachtsman zijn.
Discontinuïteit: Het verschil in voedsel (winnen), verschil in woonplaats (niet meer rondtrekken maar een vaste woonplaats), gebruik van het schrift komt in 3.000 voor, de man heeft meer bezittingen en kan zich meer bezig houden met kunst omdat hij niet meer rondtrekt.

B. Zet de volgende gebeurtenissen in de juiste volgorde.

1. Ontstaan schrift

2. Neolithische revolutie

3. Ontstaan Landbouwsamenleving

4. Sedentaire revolutie

5. Start historie

6. Eerste landbouwers in Nederland

7. Ötzi de ijsmummie is gevonden

8. Jagers-verzamelaars

9. Start prehistorie




9

8

2

3

6

4

1

5

7



Tijdvak 2

Grieken en Romeinen
Periode:
Jaartallen:


1. de ontwikkeling van wetenschappelijk denken en het denken over burgerschap en politiek in de Griekse stadstaat

2. de groei van het Romeinse imperium waardoor de Grieks-Romeinse cultuur zich in Europa verspreidde

3. de klassieke vormentaal van de Grieks-Romeinse cultuur

4. de confrontatie tussen de Grieks-Romeinse cultuur en de Germaanse cultuur van Noordwest-Europa

5. de ontwikkeling van het jodendom en het christendom als de eerste monotheïstische godsdiensten


2.1 De Griekse wereld
Kenmerkende aspecten:
1.

Voorbeeld uit het boek, ook uitleggen:


2.


Voorbeeld uit het boek, ook uitleggen:

Kernbegrippen:

1. Stadstaat:


2. Burgerschap:

3. Politiek:

4. Klassiek

5. Wetenschap


Onderzoeksvraag:

Hoe dachten de bewoners van het Klassieke Athene over maatschappij, politieke en wetenschap, en wat vinden we daarvan terug in onze tijd?


Beantwoord deze onderzoeksvraag door gebruik te maken van alle begrippen van de paragraaf en een voorbeeld (3 bekende namen).


2.2 Het hellenisme
Deze paragraaf behandelt nogmaals de kenmerkende aspecten 1 en 2.
Kenmerkende aspecten:
5.

Voorbeeld uit het boek, ook uitleggen:



Kernbegrippen:

1. Jodendom:

2. Monotheïsme:
Onderzoeksvraag:

Hoe ontwikkelden zich in de hellenistische tijd de Griekse wetenschap en cultuur?


Beantwoord deze onderzoeksvraag door gebruik te maken van alle begrippen van de paragraaf én een voorbeeld.


2.3 Imperium Romanum
Deze paragraaf behandelt nogmaals de kenmerkende aspecten 2 en 5.
Kenmerkende aspecten:
3.

Voorbeeld uit het boek, ook uitleggen:


4.


Voorbeeld uit het boek, ook uitleggen:

Kernbegrippen:

1. Imperium:

2. Christendom:
Leg uit hoe er in het Romeinse Rijk veel burgeroorlogen ontstonden, gebruik hierbij ook Julius Caesar als voorbeeld.

Leg uit welke ontwikkelingen het christendom en de christenen binnen het Romeinse Rijk hebben meegemaakt.



Onderzoeksvraag:

Hoe beïnvloedde de uitbereiding van het Romeinse Rijk de cultuur van de volken in West-Europa?


Beantwoord deze onderzoeksvraag door gebruik te maken van alle begrippen van de paragraaf én een voorbeeld.




2.4 De late Oudheid
Deze paragraaf behandelt nogmaals de kenmerkende aspecten 4 en 5.
Geef de drie oorzaken die problemen in het Imperium Romanum hebben veroorzaakt en leg uit hoe dit tot het einde van het Rijk heeft geleid.

Onderzoeksvraag:

Waardoor ontstond er in de late Oudheid een nieuwe, christelijke maatschappij?


Beantwoord deze onderzoeksvraag door gebruik te maken van alle begrippen van de paragraaf en een voorbeeld (de 3 keizers).

Afsluiting hoofdstuk 2
A. Bij de afsluiting staan de begrippen van dit hoofdstuk. Beantwoord de volgende vragen hierover.


  1. Leg het verband uit tussen wetenschap, filosofie en het hellenisme.



  1. Leg het verband uit tussen stadstaat, polis, imperium en limes.



  1. Leg het verband uit tussen de jodendom, christendom en monotheïsme.



  1. Geef het verschil tussen Romanisering en volksverhuizingen.




  1. Geef het verschil tussen de volgende bestuursvormen:




Bestuursvorm



Manier van besturen

Directe democratie





Indirecte democratie





Keizerrijk





Oligarchie





Republiek





Tetrarchie








  1. Geef de discontinuïteit aan van de populariteit van het jodendom tijdens het tijdvak van de Grieken en Romeinen.




  1. Schrijf twee kleine bronnen over keizer Diocletianus. Bij het eerste stukje is de schrijver een arme boer, bij het tweede stukje is de schrijver een Germaan.


B. Zet de volgende gebeurtenissen in de juiste volgorde.

1. Augustus wordt keizer van het Romeinse Rijk

2. Het christendom groeit

3. Theodosius maakt van het christendom een staatsgodsdienst

4. Pompeius verovert het Hellenistische Rijk

5. Jezus is geboren in Palestina

6. Caesar verovert Gallië

7. Keizer Trajanus verovert Dacië

8. Edict van Nantes wordt gesloten

9. Keizer Diocletianus regeert het Imperium Romanum



10. Keizer Constantijn komt aan de macht


































De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina