Student: Christine Janssens



Dovnload 0.7 Mb.
Pagina2/10
Datum22.07.2016
Grootte0.7 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10

HOOFDSTUK 1. HET KADERBESLUIT INZAKE HET EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL EN HET PARADIGMA VAN WEDERZIJDSE ERKENNING: REVOLUTIE OF EVOLUTIE IN EUROPEES STRAFRECHT?



A. Wederzijdse erkenning buiten de strafrechtelijke context
1. De origine: wederzijdse erkenning in de interne markt
Sinds het Hof van Justitie in zijn beroemde Cassis de Dijon arrest het principe van wederzijdse erkenning introduceerde en de Commissie dit vervolgens verder uitwerkte in een mededeling, is dit principe niet meer weg te denken uit de interne markt.5
Cassis de Dijon was het beginpunt van een heel nieuw beleid, dat gebaseerd was op wederzijdse erkenning in combinatie met minimumharmonisatie. Wederzijdse erkenning was de gedroomde oplossing voor een tot dan toe te loom en te gedetailleerd harmonisatiebeleid dat steevast stroef liep omdat de lidstaten geen overeenstemming bereikten. Krachtens het principe van wederzijdse erkenning moesten producten,6 die op rechtmatige wijze geproduceerd waren in één lidstaat, en waarvoor geen geharmoniseerde normen bestonden, voortaan toch in alle andere lidstaten aanvaard worden, tenzij de lidstaat van bestemming een geldige rechtvaardigingsgrond kon inroepen.
Wederzijdse erkenning genoot dus toen al niet en nu nog niet van een absolute status. Het principe kon immers geweerd worden van zodra een lidstaat kon aantonen dat de wetgeving uit het land van oorsprong niet in een gelijkwaardige bescherming voorzag voor een dwingende rechtvaardigheidgrond, zoals openbare orde of openbare gezondheid. Gelijkwaardigheid is met andere woorden het onderliggende principe en de condicio sine qua non opdat wederzijdse erkenning zijn rol kan vervullen. De moeilijke vraag of er effectief sprake was van een gelijkwaardige bescherming, lag in handen van de nationale administraties en kwam desgevallend, op een later tijdstip, bij de nationale rechter of het Hof van Justitie.
Ofschoon het principe van wederzijdse erkenning over het algemeen positief onthaald werd door alle marktspelers en het een belangrijke impuls gaf aan de creatie van de interne markt, onthulde zijn casuïstische aanpak de onzekere situatie waarmee de economische actoren geconfronteerd werden. Deze werden vaak gedwongen om kostelijke en tijdsrovende juridische procedures op te starten om hun producten en diensten erkend te krijgen in andere lidstaten.7 Bovendien werd ook duidelijk dat wederzijdse erkenning geen alternatief was voor harmonisatie, maar eerder een complementaire rol vervulde. Harmonisatie bleef noodzakelijk voor alle gevallen waarin verschillen in wetgeving en een gebrek aan gelijkwaardigheid verhinderden dat het principe van wederzijdse erkenning zijn rol kon vervullen.
2. Wederzijdse erkenning in burgerlijk- en handelsrecht
Toen het Verdrag van Amsterdam de ambitieuze doelstelling onderschreef om de Unie om te vormen tot een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht(vaardigheid), werd de noodzaak van een vrij verkeer van vonnissen duidelijker dan ooit tevoren. Nochtans waren belangrijke stappen op dit domein reeds dertig jaar eerder gezet in het EEX Verdrag, dat een procedure van erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen introduceerde voor burgerlijke en handelsmateries.8
Krachtens dit Verdrag moet een rechterlijke uitspraak van een lidstaat erkend en ten uitvoer gelegd worden in een andere lidstaat en kan ze onder geen beding inhoudelijk herzien worden (art. 29 en 34 §3 Verdrag). Erkenning of tenuitvoerlegging hoeft echter niet plaats te vinden wanneer de uitvoerende rechter één van de weigeringsgronden inroept, die dit verdrag expliciet voorziet. Wederzijdse erkenning heeft hier dus geen automatisch karakter en kan opzij worden gezet als er zich belangrijke weigeringssgronden, zoals bijvoorbeeld openbare orde, aandienen. Het Hof van Justitie bevestigde dit in zijn Krombach arrest. Het Hof herhaalde dat het EEXverdrag tot doel heeft de vereenvoudiging te verzekeren van de formaliteiten waaraan de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen onderworpen zijn. Dit doel mag echter niet worden bereikt door afbreuk te doen aan de rechten van de verdediging.9
De Brussel I Verordening, de opvolger van het EEX-Verdrag, gaat een stap verder, tenminste wat de tenuitvoerlegging van vonnissen betreft. Onder dit regime kan de tenuitvoerlegging van een vonnis plaats vinden zodra er een eenvoudig formulier aanwezig is, dat de authenticiteit van het vonnis waarborgt. De uitvoerende rechter is dus niet meer bevoegd om zelf een weigeringsgrond op te werpen en kan de tenuitvoerlegging van het vonnis enkel weigeren wanneer de authenticiteit van het vonnis aangetast is of wanneer de zaak geen burgerlijk of handelsrechterlijk karakter heeft en dus buiten het toepassingsgebied van de verordening valt. Enkel wanneer één van de partijen beslist in beroep te gaan tegen de beslissing tot tenuitvoerlegging, kan een rechter de weigeringsgronden mee in rekening nemen.10 Voor sommige auteurs is hiermee de uiterste grens van het principe van wederzijdse erkenning bereikt.11 Toch zijn er instrumenten die nog verder gaan door in belangrijke mate de exequatur procedure en de weigeringsgronden af te schaffen.12 Uiteraard is het toepassingsgebied van deze instrumenten beperkt gebleven tot domeinen die weinig of helemaal niet controversieel zijn.

De progressieve ontwikkelingen die het principe van wederzijdse erkenning in dit domein kenmerken, tonen goed aan hoe elastisch dit principe in werkelijkheid is en hoe het geminimaliseerd of gemaximaliseerd kan worden afhankelijk van de wil van de Europese wetgever, uiteraard mits de grenzen van het EG- en EU-Verdrag te respecteren. Het is hoe dan ook van groot belang zich goed te bezinnen over de vraag hoeveel wederzijdse erkenning wensbaar en haalbaar is in het integratieproces naar één juridische ruimte. Hierbij kunnen ongetwijfeld lessen getrokken worden uit het interne markt project, waar de wederzijdse erkenning nooit carte blanche gekregen heeft en waarbij een zekere controlebevoegdheid duidelijk in handen bleef van de lidstaten. Ook het Krombach arrest toont aan dat een zekere vorm van controle in handen van de nationale rechter soms wel degelijk wenselijk is.


B. Wederzijdse erkenning in justitiële samenwerking in strafzaken
1. De pionier in Europees strafrecht: de Raad van Europa
Lang voordat de Europese Unie enkele (bescheiden) bevoegdheden in strafrecht toebedeeld kreeg onder het Maastricht Verdrag (1992), waren er al verschillende internationale verdragen inzake strafrecht uitgewerkt in het kader van de Raad van Europa.
Eén van de belangrijkste instrumenten betreft ongetwijfeld het uitleveringsverdrag uit 1957, dat als prototype van de traditionele internationale samenwerking in strafzaken beschouwd kan worden.13 Dit Verdrag is immers gebaseerd op een mechanisme van uitleveringsverzoeken tussen volledig soevereine staten en wordt beheerst door typische intergouvernementele kenmerken, zoals de politieke discretionaire bevoegdheid, de dubbele incriminatie vereiste, het specialiteitsbeginsel, het wederkerigheidsprincipe, de niet uitlevering van eigen onderdanen en de niet uitlevering voor politieke misdrijven.14 Al deze kenmerken impliceerden in de praktijk een moeizame, logge en trage procedure, die, bij wijze van spreken, kon variëren van zeven dagen over zeven maanden tot zeven jaren.15
Andere instrumenten van de Raad van Europa vertoonden daarentegen, op een aantal vlakken, opvallend meer raakpunten met de huidige derde pijler instrumenten, aangezien ze gebaseerd waren op wederzijdse erkenning mechanismen.16 Het merendeel van deze instrumenten is echter nooit geratificeerd geworden, waarschijnlijk door een gebrek aan wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten van de Raad van Europa in die periode.17
2. Justitiële samenwerking in strafzaken in de EU: enkele eerste bescheiden stappen
De Europese Unie verwierf haar eerste nog bescheiden bevoegdheden in strafzaken in het Verdrag van Maastricht (1992). Nochtans waren er reeds een paar jaar eerder twee belangrijke instrumenten afgesloten tussen de Benelux, Frankrijk en Duitsland: de Schengen overeenkomst (1985) en de Schengen uitvoeringsovereenkomst (SUO, 1990), die beiden in 1997 geïmplementeerd werden in het Verdrag van Amsterdam aan de hand van een Protocol.18 De Schengen overeenkomsten waren een duidelijke en noodzakelijke reactie op de open grenzen en vrij verkeer politiek, die de interne markt kenmerkten. Ze voorzagen de nationale politiediensten en justitiële autoriteiten van de lidstaten van instrumenten inzake wederzijdse rechtsbijstand. Een belangrijke bepaling van de SUO is het in artikel 54 neergelegde non bis in idem principe, dat in feite als de eerste verdragsrechtelijke EU bepaling inzake wederzijdse erkenning in strafzaken beschouwd kan worden.19
In de periode tussen Maastricht en Amsterdam werd een niet onaanzienlijk aantal strafrechtelijke instrumenten goedgekeurd, maar bij gebrek aan een duidelijke en coherente Europese criminologische politiek, en de eerder zwakke derde pijler instrumenten, was de kwalitatieve output eerder beperkt.20 Toch werden er in die periode een aantal duidelijk signalen gegeven die erop wezen dat de derde pijler van de Unie geleidelijk evolueerde van een pure politieke, intergouvernementele samenwerking naar een meer Unie gebonden justitiële samenwerking. De EU Uitleveringsverdragen uit 199521 en 199622 beoogden een vereenvoudiging van de uitleveringsprocedure in het geval dat de betrokkene toestemde en ze schaften de weigeringsgronden, gekoppeld aan politieke misdrijven of aan de eigen onderdanen, in principe af.23 Bovendien voorzag het verdrag uit 1996 in de mogelijkheid dat rechterlijke autoriteiten direct met elkaar in contact traden met het oog op het opvragen van bijkomende informatie betreffende uitleveringsverzoeken.24 Een andere belangrijke innovatie van dit Verdrag was dat ze de dubbele incriminatie vereiste, die voor de traditionele uitleveringsverdragen zo typerend was, onder bepaalde voorwaarden afschafte voor het misdrijf ‘samenspannen of deelname aan een criminele organisatie’.25 Aangezien deze verdragen respectievelijk door slechts negen en acht lidstaten geratificeerd werden, en er bovendien tal van voorbehouden geformuleerd werden, zouden deze op zich progressieve bepalingen in de praktijk uiteindelijk niet de verhoopte resultaten brengen.
Het Verdrag van Amsterdam (1997) introduceerde, zoals reeds vermeld, de ambitieuze doelstelling om de Unie om te vormen tot een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht(vaardigheid). De justitiële samenwerking in strafzaken, één van de instrumenten om deze doelstelling te bereiken, werd versterkt door de bevoegdheden van de Europese instellingen aan te scherpen en krachtigere derde pijler instrumenten te creëren, met name de kaderbesluiten en besluiten.
Eén van de belangrijkere instrumenten uit het post-Amsterdam tijdperk is ongetwijfeld de Conventie inzake wederzijdse rechtsbijstand uit 2000.26 Deze benadrukte nogmaals het belang van direct contact tussen rechters. Bovendien maakte het in deze Conventie geïntroduceerde forum regit actum principe het mogelijk dat de uitvaardigende lidstaat aan de uitvoerende lidstaat kon verduidelijken op welke wijze bewijsmateriaal geldig vergaard diende te worden. Hoewel deze Conventie geen wederzijdse erkenning instrument was, kan men niet ontkennen dat het een belangrijke stap was naar een intensievere justitiële samenwerking.
3. Justitiële samenwerking in de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht(vaardigheid): wederzijdse erkenning en het EAB
Wederzijdse erkenning kwam in het kader van strafrechtelijke samenwerking binnen de Europese Unie voor het eerst ter sprake op de Europese Raad van Cardiff, en werd een paar jaar later, op de Europese Raad van Tampere, uitgeroepen tot dé hoeksteen van de justitiële (strafrechtelijke) samenwerking.27 Op deze Europese Raad werden de lidstaten vooreerst aangespoord om de uitleveringsverdragen uit 1995 en 1996 alnsog te bekrachtigen. Bovendien werd op deze Europese Raad gepleit om de formele uitleveringsprocedure tussen de lidstaten af te schaffen voor personen, die na een definitieve veroordeling aan de rechtspleging probeerden te ontkomen, en deze te vervangen door de overdracht zonder meer, weliswaar met inachtneming van artikel 6 van het VEU (eigen cursivering).28 Ook voor situaties waar het strafrechtelijk onderzoek lopende was en er nog geen veroordeling had plaats gevonden, dienden snell(er)e uitleveringsprocedures ingevoerd te worden (eigen cursivering).
De aanslagen van 9/11 worden vaak gekoppeld aan de tot standkoming van het Kaderbesluit inzake het EAB,29 maar met inachtname van het voorgaande dienen ze in perspectief geplaats te worden. Ze hebben ongetwijfeld bijgedragen tot een versnelde totstandkoming van het kaderbesluit, maar ze waren duidelijk niet de voornaamste reden waarom dit kaderbesluit er uiteindelijk gekomen is.30 Jarenlange ervaringen met een vaak traag, politiek getint en weinig voorspelbaar uitleveringsregime in een Europese Unie, die zich toen wou omvormen tot een ware ruimte van vrijheid, veiligheid en recht(vaardigheid), zijn veeleer de echte raison d’être van het EAB. Ook het toepassingsgebied van het Kaderbesluit toont dit duidelijk aan: terrorisme is slechts één van de misdrijven waarvoor overlevering plaats kan vinden, naast andere misdrijven die een zekere graad van ernst vertonen.31
De belangrijkste vernieuwingen die het nieuwe EAB regime teweeg brengt, kunnen grosso modo gebundeld worden rond drie krachtlijnen: (1) de juridisering van het overleveringregime; (2) een nieuw samenwerkingsklimaat: wederzijdse erkenning met de noodzakelijke checks & balances en (3) een sneller en uniformer overleveringsregime: strakke deadlines & standaardformulieren.
3.1. De juridisering van de overleveringsinstanties
Het kaderbesluit inzake het EAB stelt een rechterlijke autoriteit verantwoordelijk voor de behandeling van de overleveringsverzoeken. Hiermee wordt een trend bevestigd volgens dewelke de rechterlijke instanties een steeds belangrijkere rol toebedeeld krijgen in het kader van de Europese strafrechtelijke samenwerking.32
In een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht(vaardigheid) kwam het enigszins bevreemdend over dat een politiek orgaan (een minister), met de nodige discretionaire bevoegdheid, een beslissing nam over juridisch technische aspecten, die moest leiden tot de al dan niet toekenning van een uitlevering.33 De rol van de minister van justitie wordt in het kaderbesluit dan ook duidelijk teruggedrongen.34 Toch zijn er enkele lidstaten, die tegen de tekst en de ratio legis van het kaderbesluit in, hun minister van justitie hebben aangewezen als de bevoegde instantie voor het uitvoeren en/of uitvaardigen van een EAB.35
De juridisering van het overleveringsregime werd zeer positief onthaald in de rechtsleer. Er werd zelfs beklemtoond dat het gerechtelijk karakter van de procedure een belangrijke stap voorwaarts betekende voor een betere bescherming van de fundamentele rechten van de betrokken persoon.36
Het kaderbesluit zelf geeft geen invulling aan het concept ‘rechterlijke autoriteit’ en laat de lidstaten vrij om al dan niet in beroepsprocedures te voorzien. Deze vrijgeleide heeft er in de praktijk toe geleid dat er een zeer divers beeld tot stand is gekomen, waarbij enkele lidstaten geopteerd hebben voor een gecentraliseerd systeem, waar slechts één centrale rechtbank alle overleveringsverzoeken behandelt, terwijl andere lidstaten een gedecentraliseerde aanpak verkozen hebben.37 Zo hebben Spanje en Nederland duidelijk geopteerd voor een gecentraliseerd systeem waarbij één enkele instantie, resp. de Audiencia Nacional en de Rechtbank van Amsterdam, alle overleveringsverzoeken beslecht. België, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk38 daarentegen hebben geopteerd voor een gedecentraliseerd systeem waar resp. de raadkamer, de chambre de l’instruction, en de District Judge, Magistrates' Courts bevoegd zijn kennis te nemen van overleveringsverzoeken.
Sommige lidstaten voorzien dat de betrokkene in beroep én in cassatie kan gaan tegen de getroffen beslissing.39 Andere lidstaten hebben beslist dat er geen beroeps- of cassatieprocedure mogelijk is, of hebben de praktische toepassing daarvan aanzienlijk gereduceerd.40 Dergelijke keuze, waarbij niet voorzien wordt in de mogelijkheid van een beroepsprocedure, is begrijpelijk tegen de achtergrond van de strikte termijnen die het kaderbesluit oplegt, maar ze impliceert volgens sommigen wel dat er op nationaal niveau ingeboet wordt op de rechten van de verdediging, 41 oftewel het recht(vaardigheid)sluik van de ruimte.

3.2 Wederzijdse erkenning, met de nodige checks & balances
Het principe van wederzijdse erkenning, toegepast in het kader van de overlevering, impliceert dat elke nationale gerechtelijke autoriteit ipso facto en na een minimale controle het verzoek van een gerechtelijke autoriteit van een andere lidstaat moet erkennen.42 Overleveren moet dus de regel worden onder de nieuwe regeling, en een weigering de uitzondering. De politieke, discretionaire en soeverein getinte bevoegdheid, die onder het klassieke uitleveringsregime nog welig tierde, dient plaats te maken voor wederzijds vertrouwen en de plicht tot samenwerken, tenzij er specifiek voorziene weigeringsgronden voorhanden zijn.
3.2.1 Een tweesporenbeleid m.b.t. de dubbele incriminatie vereiste

Hogerop werd reeds vermeld dat de dubbele incriminatie vereiste als één van de steunpilaren van het traditionele uitleveringsregime beschouwd werd: personen konden enkel uitgeleverd worden, indien de uitvoerende rechter vastgesteld had dat de gestelde gedraging in de uitvaardigende én in de uitvoerende lidstaat strafbaar was.


De oorspronkelijke bedoeling van het EAB kaderbesluit was om deze vereiste volledig af te schaffen.43 Dit voorstel van de Commissie hield echter niet lang stand en in de Raad werd uiteindelijk een compromis bereikt, waarbij de dubbele incriminatie toets afgeschaft werd voor een lijst van 32 misdrijven, die in het kaderbesluit opgesomd werden (art. 2.2 KB EAB). Het betreft een lijst van gedragingen, ook wel generieke misdrijven genoemd, waarvan de Raad overtuigd was dat deze in alle lidstaten strafbaar zijn. Voor misdrijven die daarentegen niet onder één van deze 32 lijstfeiten vallen, blijft de nationale rechter wel bevoegd om de dubbele incriminatie toets door te voeren.
Het is niet onbelangrijk te beklemtonen dat met betrekking tot de 32 lijstfeiten niet de vereiste van de dubbele strafbaarheid afgeschaft wordt, doch wel de toets ervan. Er wordt m.a.w. een onweerlegbaar vermoeden gecreëerd dat deze 32 misdrijven in alle lidstaten strafbaar zijn en dat de dubbele incriminatie vereiste vervuld is van zodra de uitvaardigende lidstaat een gedraging als lijstfeit aanduidt. Een toets lijkt dan niet meer nodig te zijn. Nochtans zijn er wel voorbeelden te bedenken waar dit onweerlegbaar vermoeden duidelijk faalt.44 De twee voorbeelden die hier steevast opgeworpen worden zijn abortus en euthanisie, aangezien deze gedragingen in sommige lidstaten ondergebracht kunnen worden onder lijstfeit nummer 14 (moord en doodslag), terwijl andere landen dergelijke gedragingen hoegenaamd niet als misdrijf onder dit lijstfeit zouden thuis brengen. Doch ook van andere lijstfeiten, zoals oplichting, vervalsing, informaticacriminaliteit, namaak van producten & productpiraterij of vervalsing van administratieve documenten & handel in valse documenten, wordt de vage omschrijving bekritiseerd.45
De lijstfeiten en de daarmee gepaard gaande afschaffing van de dubbele incriminatie toets, zijn ongetwijfeld één van de scherpst bekritiseerde aspecten van dit kaderbesluit. Het grootste punt van kritiek luidt dat het in casu niet om gedefinieerde gedragingen gaat, doch wel om generieke termen, die van lidstaat tot lidstaat zeer verschillend geïnterpreteerd kunnen worden.46 Een afschaffing van de dubbele incriminatie toets zou volgens vele auteurs enkel zin hebben wanneer de 32 misdrijven op Europees niveau geharmoniseerd zijn.47 Enkel dan is er immers daadwerkelijk sprake van een zekere gelijkwaardigheid van de nationale strafwetten, en kan de wederzijdse erkenning ten volle spelen. Het is maar de vraag of in een Unie van 27 lidstaten, waar de unanimiteitsvereiste binnen de Raad nog steeds speelt inzake derde pijler wetgeving, dergelijke harmonisatiewetgeving een haalbare en wenselijke kaart is.48
Het Hof van Justitie benadrukte in zijn recente arrest Advocaten van de wereld alvast dat de toepassing van het EAB niet afhankelijk kan gesteld worden van harmonisatie van de strafwetgevingen van de lidstaten.49 Of dergelijke stellingname van het Hof ook noodgedwongen impliceert dat het gebrek aan harmonisatie onder geen beding gecompenseerd kan worden door de introductie van openbare orde clausules of andere exceptiegronden, kan m.i. uit dit arrest niet afgeleid worden. Een bevestigend antwoord op deze vraag zou enigszins verbazen, aangezien het Hof (en de Europese wetgever) in de interne markt context de vereiste van gelijkwaardigheid steevast hoog in het vaandel hebben gedragen.50 Enkel toekomstige rechtspraak van het Hof zal kunnen verduidelijken of het Hof bereid is om dergelijke drastische weg effectief in te slaan, of daarentegen, in navolging van zijn interne markt rechtspraak, de lidstaten ter zake toch enige marge van appreciatie zal laten.
De vraag rijst wat van een nationale rechter in een concreet geschil verwacht mag worden. Veronderstel dat aan de nationale rechter van lidstaat X de overlevering gevraagd wordt voor een persoon, die abortus gepleegd zou hebben conform de voorwaarden waaronder dit in lidstaat X toegestaan is en die in lidstaat X dus buiten de strafwet valt. De persoon in kwestie werd daarvoor veroordeeld of vervolgd in een lidstaat Y, waar abortus onder elk beding strafbaar gesteld wordt. De ratio legis van het kaderbesluit indachtig, moet er m.i. een onderscheid gemaakt worden tussen twee situaties, al naargelang de betrokkene de feiten in de uitvaardigende lidstaat gepleegd heeft, dan wel deels of volledig in de uitvoerende lidstaat.
In deze laatste situatie kan de nationale rechter van de uitvoerende lidstaat, mits een beroep op de weigeringsgrond van artikel 4.7 Kaderbesluit EAB, de overlevering weigeren. Deze exceptie, die het territorialiteitsbeginsel verwoordt, impliceert dat een nationale rechter gerechtigd, maar niet verplicht is om de overlevering te weigeren voor feiten die zich (geheel of gedeeltelijk) buiten het terrein van de uitvaardigende lidstaat hebben afgespeeld.
Indien de feiten zich daarentegen uitsluitend afgespeeld hebben op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, speelt logischerwijze eveneens het territorialiteitsbeginsel, dit maal ten nadele van de betrokken persoon, en zou de overlevering in principe wel toegekend moeten worden.
Toch kan dit in de praktijk problematisch worden, vooral indien de betrokkene een onderdaan of ingezetene van de uitvoerende lidstaat is. Indien hij vervolgd wordt in de uitvaardigende lidstaat, kan hij op een later ogenblik -krachtens een terugkeergarantie- teruggebracht worden naar de uitvoerende lidstaat om zijn straf daar uit te zitten. Indien hij reeds veroordeeld werd in de uitvaardigende lidstaat, kan de uitvoerende lidstaat de overlevering weigeren op voorwaarde dat deze lidstaat de straf zelf ten uitvoer zal leggen (art. 4.6 KB EAB).51
Kan men echter van lidstaten, die te kampen hebben met problemen van overbevolking van gevangenissen en schrijnende budgetten voor de strafuitvoering, verwachten dat zij personen opsluiten die naar nationaal recht niets fout gedaan hebben? Kan men de lidstaat in kwestie een strafrechtelijk beleid opdringen dat volstrekt onverenigbaar is met het strafrecht van die lidstaat? Moet men niet veeleer streven naar een overleveringsmechanisme waarbij in eerste instantie die misdrijven beteugeld worden die effectief als een aantasting van de Europese openbare orde52 beschouwd worden veeleer dan een aantasting van de openbare orde van één of meerdere lidstaten? Het Hof van Justitie wijst er in zijn recente arrest Advocaten van de wereld terecht op dat de dubbele incriminatie toets enkel werd afgeschaft voor die misdrijven die op zodanige ernstige wijze de openbare orde verstoren en de openbare veiligheid in gevaar brengen (eigen cursivering).53 Dergelijke omschrijving benadrukt een zekere graad van ernst waaraan die misdrijven moeten beantwoorden en het is m.i. niet uitgesloten dat in de praktijk sommige varianten van de lijstfeiten niet aan deze vereiste zullen voldoen.
Een andere optie zou erin bestaan om in dergelijk geval geen terugkeergarantie te bedingen (in het geval van een vervolging) of niet in te gaan op het verzoek tot tenuitvoerlegging van een buitenlandse veroordeling (in het geval van een veroordeling), doch dit zou de sociale integratie van de betrokkene dan weer niet ten goede komen.54
Tegen deze achtergrond hebben sommige lidstaten, om begrijpelijke redenen, maar tot groot ongenoegen van de Commissie, toch één of andere vorm van toets in hun nationale wetgeving voorzien. Zo heeft België bijvoorbeeld in de nationale implementatiewetgeving uitdrukkelijk gesteld dat abortus en euthanasie niet onder het lijstfeit ‘moord’ vallen. Deze nationale bepaling werd door de Commissie fel bekritiseerd omdat het conform het kaderbesluit aan de uitvaardigende lidstaat toekomt om te oordelen of een bepaalde gedraging al dan niet als lijstfeit beschouwd moet worden.55
Zelfs in situaties waarin er geen terugkeergarantie bedongen werd, kan het soms nuttig lijken om de marginale toets toch oogluikend toe te laten. Het is immers niet ondenkbaar dat de overlevering gevraagd zou worden voor een gedraging die conform het recht van één lidstaat strafbaar is, maar die, vanuit Europeesrechtelijk perspectief, helemaal niet bestraft mag worden omdat dit zou indruisen tegen basisprincipes van het Unierecht. Denk bijvoorbeeld aan een vrouw die in een lidstaat veroordeeld zou worden tot een gevangenisstraf voor de onwettige uitoefening van het beroep van arts “omdat ze geen nationaal diploma geneeskunde behaald heeft”, terwijl ze wél over een equivalent diploma uit een andere lidstaat zou beschikken.56 In dergelijke omstandigheden een gevangenisstraf opleggen zou, in het licht van de rechtspraak van het Hof van Justitie, op zijn minst disproportioneel geacht worden en zou dus zeker veroordeeld worden. Kan men verwachten dat een nationale rechter in dergelijke omstandigheden verplicht zou worden om toch tot overlevering over te gaan en als het ware mee te werken aan een inbreuk op het EG-recht? Een ontkennend antwoord op deze vraag oogt billijk, doch is, de (interne markt) rechtspraak van het Hof indachtig, niet voor de hand liggend. Dit zou immers kunnen neerkomen op een vorm van eigenrichtig, die het Hof in principe steevast veroordeelt.57 Toch zijn er ook arresten waarin het Hof duidelijk wel hamert op de actieve rol van de nationale (administratieve) instanties en waarin het Hof dan weer wel de indruk wekt dat een lidstaat soms corrigerende maatregelen kan treffen.58 Bovendien loert ook hier het E.V.R.M. om de hoek dat in artikel 5 stelt dat iemand slechts onder strikte voorwaarden van zijn vrijheid mag beroofd worden.
De hierboven weergegeven situaties zijn uiteraard uitzonderlijk en de toets die hierbij desgevallend doorgevoerd wordt, moet m.i. marginaal blijven en vanuit een Europese spirit toegepast worden. Een té ruime toepassing van de dubbele criminaliseringstoets zou de ganse overleveringssamenwerking hypothekeren. Een té restrictieve toets zou tot onrechtvaardige situaties aanleiding kunnen geven, waarbij de verhoudingen vrijheid, veiligheid en recht(vaardigheid) verstoord zouden raken. Nationale rechters mogen niet op automatische piloot gaan spelen, doch zij moeten als essentiële actoren bij de overleveringsprocedure hun verantwoordelijkheid opnemen en het wederzijds erkenningsprincipe met gezond (Europees) verstand toepassen.
3.2.2 Weigeringsgronden
Dat het principe van de wederzijdse erkenning in het EAB kaderbesluit geen absoluut en automatisch karakter heeft, komt duidelijk tot uiting in de expliciet voorziene weigeringsgronden.
Het kaderbesluit voorziet in totaal in tien weigeringsgronden, waarbij een onderscheid gemaakt wordt tussen verplichte59 en facultatieve60 weigeringsgronden (art. 3 en 4 Kaderbesluit EAB).
De bedoeling van het kaderbesluit was dat de nationale rechters met betrekking tot de facultatieve weigeringsgronden geval per geval zouden kunnen beslissen om deze al dan niet toe te passen. Veel lidstaten hebben echter, in strijd met het opzet van het kaderbesluit, gekozen om verscheidene facultatieve weigeringsgronden in hun nationale omzettingswetgeving om te vormen tot verplichte weigeringsgronden.61
Daarnaast zijn er lidstaten die het aangedurfd hebben om op eigen initiatief in hun nationale wetgeving totaal andere weigeringsgronden toe te voegen aan de lijst.62 Italië spant hier ongetwijfeld de kroon. De Italiaanse wetgeving bepaalt dat een nationale rechter de overlevering o.a. mag weigeren indien het slachtoffer ingestemd heeft met de gedraging; indien de dader een zwangere vrouw is of een moeder van een kind dat jonger dan drie jaar is; indien de dader niet wist dat de gedraging strafbaar was; indien de wetgeving van de uitvaardigende lidstaat niet in een maximum duurtijd voorziet voor de voorlopige hechtenis; indien de feiten een politiek misdrijf uitmaken of indien er onvoldoende bewijsmateriaal voorhanden is. Dergelijke verweermiddelen gaan resoluut in tegen de ratio legis van het kaderbesluit en kunnen dan ook een ernstige hinderpaal vormen voor een vlotte samenwerking.
Een interessante weigeringsgrond wordt verder gegeven door Nederland, die een onschuldverweer introduceert door te stellen dat de nationale rechter de overlevering moet weigeren indien onomstotelijk vast staat dat de betrokkene de feiten niet gepleegd kan hebben. Deze weigeringsgrond gaat prima facie duidelijk in tegen het kaderbesluit omdat het de nationale rechter van de uitvoerende lidstaat tot een beoordeling ten gronde uitnodigt, die enkel toekomt aan de rechter van de uitvaardigende lidstaat.
Een weigeringsgrond, die door verschillende lidstaten in de nationale wetgeving opgenomen werd, betreft ‘een schending van fundamentele rechten’. Het feit dat deze grond ‘enkel’ in de preambule en art. 1.3 KB vermeld werd en niet uitdrukkelijk opgenomen werd als verplichte weigeringsgrond, werd door sommige auteurs ten zeerste betreurd en zou een zoveelste bewijs zijn dat de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht(vaardigheid) voornamelijk focust op veiligheidsdoelstellingen.63
Dergelijke redenering miskent echter m.i. de ware draagwijdte van de grondrechten in het kader van de Europese Unie. De bescherming van de fundamentele rechten wordt beschouwd als één van de algemene principes, waarop de Unie gegrondvest is. Lang vooraleer de artikelen 6 en 7 geïmplementeerd werden in het EU Verdrag, werd de bescherming voor fundamentele rechten uitdrukkelijk erkend in de rechtspraak van het Hof van Justitie.64 De grondrechten doordringen met andere woorden het hele Unierecht en hun handhaving kan onder geen beding afhankelijk gesteld worden van een expliciete bepaling in een secundair wetgevingsinstrument. Deze secundaire wetgeving wordt geacht toegepast te worden in overeenstemming met de fundamentele rechten, ook als ze ‘slechts’ vermeld wordt in de preambule van een kaderbesluit of een ander wetgevingsinstrument.65
De Commissie is dan ook terecht van oordeel dat het enigszins bevreemdend zou overkomen dat een dergelijke uitzonderingsgrond expliciet zou worden opgenomen in een instrument dat wordt afgesloten tussen lidstaten, die allen partij zijn bij het Verdrag voor de Rechten van de Mens,66 die het EU verdrag (mét expliciete verwijzing naar de bescherming van de grondrechten in art. 6 en 7 EU) aanvaard hebben, en die eveneens het Handvest van de grondrechten ondertekend hebben.67 Overtredingen van mensenrechten zouden hier dan ook de uitzondering moeten zijn. De Commissie erkent niettemin dat dit niet wegneemt dat, indien er een overtreding vastgesteld wordt, de rechter gegronde redenen heeft om de tenuitvoerlegging van een aanhoudingsbevel te weigeren.68 Deze stellingname impliceert m.i. dat ook de Commissie ervan overtuigd lijkt dat er grenzen zijn aan het principe van wederzijdse erkenning en wederzijds vertrouwen.
Tal van internationale rapporten evenals arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens worden veelvuldig te berde gebracht om aan te tonen dat er in de meerderheid van de lidstaten lichte tot zware schendingen van mensenrechten vastgesteld werden en dat er hierdoor een veralgemeende trend van wederzijds wantrouwen onder de lidstaten zou heersen.69 Ik kom later nog terug op de vraag of deze trend effectief bevestigd wordt in de rechtspraak van de nationale hoven, maar wil er nu al op wijzen dat het te pas en te onpas inroepen van schendingen van mensenrechten geen vrijgeleide mag zijn om de efficiënte werking van het overleveringsrecht te saboteren. Het heikele punt in de hele regeling zal de vraag zijn tot waar de controlebevoegdheid van de uitvoerende rechter reikt en waar die van de uitvaardigende lidstaat begint.70 Fundamentele mensenrechten moeten m.i. in acht worden genomen door beide rechters, maar een overlevering kan m.i. enkel geweigerd worden indien in het concrete dossier duidelijk aangetoond wordt dat er sprake kan zijn van een flagrante schending van een mensenrecht.71 Het uitgangspunt moet m.a.w. wederzijds vertrouwen zijn, doch dit kan in uitzonderlijke omstandigheden, de rechtspraak van het EHRM indachtig,72 ter discussie gesteld worden.
3.2.3 Een tijdelijke weigeringsgrond: de opschorting omwille van ernstige humanitaire redenen
Het kaderbesluit voorziet ook dat de overlevering in uitzonderlijke gevallen tijdelijk opgeschort mag worden, indien het leven of de gezondheid van de betrokkene gevaar zou lopen (art. 23.4 Kaderbesluit EAB). Het betreft hier een klassiek verweermiddel in uitleveringszaken.
Vooral het tijdelijk aspect van deze opschorting werd bekritiseerd. Zo werd gesteld dat dergelijke gezondheidsstoornissen vaak van definitieve aard zijn, en dat er daarom ook beter voorzien was geweest in een (definitieve) weigeringsgrond.73
We zullen verderop nog zien dat bij de beoordeling van de ziektegraad het van belang is na te gaan in hoeverre de uitvaardigende lidstaat in staat is om de betrokken ziekte te behandelen. Ook hier zal de overlevering weer grotendeels afhangen van de mate waarin lidstaten elkaar daarbij wederzijds vertrouwen.
3.2.4 Garanties
Naast de weigeringsgronden, vormen de opgeëiste (en niet toegekende) garanties, een tweede vorm van excepties, die de toepassing van de wederzijdse erkenning kunnen beletten. Het kaderbesluit voorziet immers dat de nationale wetgeving de tenuitvoerlegging van een overleveringsverzoek afhankelijk kan stellen van drie vormen van garanties, die resp. betrekking hebben op verstekvonnissen, levenslange gevangenisstraffen en terugkeergaranties (art. 5 Kaderbesluit EAB).74
Verstekvonnissen worden beschouwd als één van de belangrijkste pijnpunten uit het overleveringsrecht, omwille van de bestaande discrepanties in de wetgeving van de lidstaten.75 Het kaderbesluit voorziet dat de uitvoerende rechter, die met een verstekvonnis geconfronteerd wordt, kan eisen van de uitvaardigende rechter dat de betrokkene recht heeft op een nieuw proces. Voorwaarde is wel dat de betrokkene niet aanwezig was op het verstekvonnis, omdat hij ‘niet persoonlijk gedagvaard was of anderszins in kennis gesteld was van datum en plaats van de terechtzitting’. Deze zinsnede is ongelukkig geformuleerd omdat ‘anderszins in kennis gesteld’ zou kunnen impliceren dat de kennisstelling op fictieve wijze plaats vindt, bijvoorbeeld op het gemeentehuis of op de griffie van de rechtbank, zonder dat de betrokkene effectief in kennis gesteld werd.76 Deze bepaling kan dan ook best in het licht gelezen worden van de rechtspraak van het Hof voor de Rechten van de Mens, die ter zake duidelijk stelt dat de betrokkene effectief op de hoogte diende te zijn van de gronden van een arrest, om zijn rechtsmiddel zinvol en effectief te kunnen aanwenden.77 Ook de vraag wat precies onder het begrip ‘een nieuw proces’ begrepen dient te worden, kan in het licht van de Straatsburgse rechtspraak beantwoord worden.78
Zowat de helft van de lidstaten hebben de tweede garantie, inzake levenslange gevangenisstraffen, geïmplementeerd. De nationale rechter van één van deze lidstaten kan beslissen om de overlevering voor een levenslange gevangenisstraf enkel toe te staan indien het rechtsstelsel van de uitvaardigende lidstaat de mogelijkheid van herziening van de opgelegde straf of maatregel voorziet of één of andere vorm van gratiemaatregelen kent.
De derde garantie, die betrekking heeft op de veroordeling van eigen onderdanen of ingezetenen, houdt in dat de uitvoerende rechter de overlevering kan toestaan onder de voorwaarde dat de betrokkene, na de gerechtelijke procedure, terugkeert naar de uitvoerende lidstaat om daar zijn straf te vervullen (de zogenaamde terugkeergarantie).79 Dergelijke bepaling is ongetwijfeld bedoeld om de betrokkene de mogelijkheid te bieden zijn straf uit te zitten in een vertrouwde omgeving, zodat zijn reïntegratie in de samenleving bevorderd kan worden. 80 De ruimte van vrijheid, veiligheid en recht(vaardigheid) is m.a.w. een ruimte waarin wel degelijk aandacht uitgaat naar het lot van de crimineel. Minder fraai in dit opzicht is het feit dat verscheidene lidstaten in hun nationale wetgeving of rechtspraktijk een duidelijk onderscheid maken tussen eigen onderdanen en ingezetenen. Het concept unieburgerschap, zoals voorzien in de artikelen 12, 17 en 18 EG en ontwikkeld in de rechtspraak van het Hof van Justitie, 81 lijkt in sommige lidstaten duidelijk nog niet ingeburgerd te zijn, zeker niet wat criminele unieburgers betreft.82
3.2.5 Minimumharmonisatie inzake procedurele waarborgen
We vermeldden reeds dat een voldoende graad van wederzijds vertrouwen tussen de verschillende lidstaten een basispremisse is voor een goed functioneren van het principe van wederzijdse erkenning en het EAB. In een Unie van zeventwintig lidstaten, met uiteenlopende strafrechtelijke (procedure) systemen, is het wederzijds vertrouwen echter niet altijd aanwezig.
Tegen deze achtergrond heeft de Commissie een voorstel gelanceerd voor een kaderbesluit inzake minimale procedurele waarborgen.83 Het voorstel had duidelijk de bedoeling om een aantal fundamentele rechten inzake verdediging, waarvan de meeste reeds in verscheidene internationale verdragen opgenomen waren, verder uit te werken, te verduidelijken en aan te passen aan de specifieke vereisten van het principe van wederzijdse erkenning binnen de Europese Unie.84
De vijf rechten die in het voorstel van de Commissie geselecteerd werden, omdat ze bij uitstek belangrijk geacht werden in een grensoverschrijdende context, hadden betrekking op: (1) de toegang tot rechtsbijstand zowel vóór als tijdens het proces; (2) kosteloze bijstand door een tolk/vertaler met aandacht voor de kwaliteit van de vertaling en tolkdiensten; (3) passende aandacht voor zwakke personen die de procedure niet kunnen begrijpen of volgen; (4) het recht op communicatie en het recht om contact op te nemen met onder meer de consulaire autoriteiten, in het geval van buitenlandse verdachten en (5) de verplichting om de verdachte in kennis te stellen van zijn rechten door hem een schriftelijke verklaring van zijn rechten, een zogenaamde Letter of Rights, te overhandigen. Ook werd er een mechanisme voorzien om de naleving van dit kaderbesluit te gepaste tijde te evalueren.
De grote meerderheid van de lidstaten kon zich achter dit voorstel scharen, maar aangezien de besluitvorming in de derde pijler unanimiteit vereist, is een akkoord van alle lidstaten vereist. Dit bleek in casu problematisch, omdat een aantal lidstaten bezwaren hadden geuit tegen dit voorstel, hoofdzakelijk op basis van financiële en juridisch technische argumenten.85 Eén van de financiële bezwaren luidde dat de toekenning van kosteloze rechtsbijstand (voor betrokkenen die zelf niet over voldoende financiële middelen beschikken) en kosteloze tolk- en vertalingsbijstand (voor verdachten die de proceduretaal niet verstaan) een excessieve kost voor het strafrechtelijk systeem zou teweeg brengen. Het is enigszins merkwaardig dat dergelijke argumenten opgeworpen worden. Uit een rechtsvergelijkend onderzoek uit 2005 blijkt immers dat alle lidstaten dergelijke minimumrechten wel degelijk waarborgen, zij het dat de concrete uitwerking ervan niet altijd even duidelijk is.86 Bovendien betreft het rechten, die rechtstreeks voortvloeiend uit het EVRM en de daarop gebaseerde rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, en die dus ook zonder kaderbesluit al gewaarborgd zouden moeten worden. Wat de juridische bezwaren betreft, werd o.a. opgeworpen dat er geen geschikte rechtsbasis zou zijn. Er werd nl. betwist dat artikel 31 c ‘het waarborgen van de verenigbaarheid van de in de lidstaten geldende voorschriften, voor zover nodig ter verbetering van de justitiële samenwerking in strafzaken’, hiervoor in aanmerking zou kunnen komen. Nochtans zijn er eerder al andere derde pijler instrumenten inzake procedureel strafrecht goedgekeurd, waar deze bedenkingen door de lidstaten nooit gemaakt werden.87
Het voorstel van de Commissie werd daarom ter zijde geschoven en het toenmalig Oostenrijks voorzitterschap nam het initiatief om een nieuw voorstel uit te werken. Het werd een compromis, waarbij de belangrijkste aspecten uit het vorige document overeind bleven, hoewel er weliswaar enkele toegevingen gedaan werden.88 In dit nieuwe voorstel werd het recht van een bijzondere tegemoetkoming voor de zwakkere personen afgeschaft, alsook de vereiste dat vertalers en tolken voldoende gekwalificeerd moeten zijn om nauwkeurige vertalingen af te leveren. Ook het recht op communicatie of het recht contact op te nemen met consulaire ambtenaren was niet langer vermeld. Bovendien was inzake het recht op informatie een letter of information niet langer vereist: lidstaten zouden kunnen kiezen hoe ze de betrokkene informeren (schriftelijk of mondeling), op voorwaarde dat de communicatie effectief was. Ook het evaluatiemechanisme werd afgezwakt, omdat het door sommige van de dwarsliggende lidstaten als tijdrovend en overbodig beschouwd werd.89
Toch hielden de dwarsliggende lidstaten, ondanks deze tegemoetkomingen, nog steeds voet bij stuk en kwamen ze met een alternatief voorstel voor een niet bindende resolutie, die uitblonk door algemene beschouwingen en die weinig concrete verplichtingen bevatte.90
Hoewel de noodzaak van de uitwerking van minimale procedure eisen reeds ten tijde van Tampere duidelijk benadrukt werd,91 lijkt de totstandkoming van dit instrument vandaag de dag aan een zijden draadje te hangen. Indien de dwarsliggende lidsten hun mening niet herzien en het ontwerp alsnog goedkeuren, zijn er twee alternatieve opties voorhanden: het aannemen van een niet bindende resolutie of het aannemen van het bindend kaderbesluit door de lidstaten die er wél achter staan, via de procedure van de nauwere samenwerking.92 Geen van beide oplossingen is echt bevredigend. De eerst optie heeft betrekking op een zeer vaag en algemeen instrument, waar weinig nieuws in staat en dat bovendien niet bindend is. De tweede optie zou een gediversifieerd beleid inzake fundamentele rechten, één van de basispilaren waarop de Unie gegrondvest is, in de verf zetten. Als derde optie werd gesuggereerd om deze derde pijler materie via art. 42 EU te communautariseren, zodat dit instrument met een gekwalificeerde meerderheid aangenomen zou kunnen worden. Aangezien de beslissing op grond van art. 42 EU echter zelf unanimiteit vereist, is een dergelijk scenario onrealistisch.
Het is duidelijk dat vrijheid en recht(vaardigheid) zullen inboeten als er binnen de Unie geen overeenstemming bereikt kan worden over duidelijke en uniforme minimumstandaarden. Het onevenwicht tussen de drie facetten van de ruimte wordt hier echter niet zozeer verstoord door de Europese Unie,93 die herhaaldelijk gehamerd heeft op het belang van dit instrument, dan wel door vijf lidstaten, die met hun houding de geloofwaardigheid van een Unie, die gebaseerd is op fundamentele rechtswaarborgen, dreigen te hypothekeren.
3.3 Strakke deadlines & standaardformulieren
Een laatste belangrijke innovatie van het EAB kaderbesluit heeft betrekking op de vereenvoudiging van de overleveringsdocumentatie en op de versnelling van de procedure. Hiertoe wordt een standaardformulier ontworpen (art. 8 Kaderbesluit EAB) en worden stringente termijnen voorzien (art. 17 Kaderbesluit EAB). Bovendien kan een EAB verzoek, in tegenstelling tot het oude uitleveringsregime, tegelijkertijd betrekking hebben op de aanhouding én op de overlevering van de betrokken persoon.
Het standaardformulier, dat een minimum aan informatie bevat,94 moet de uitvoerende rechter in staat stellen zich een beeld te vormen van de gestelde gedraging om vervolgens al dan niet in te stemmen met de overlevering. De uitvoerende rechter, die dus (net zoals vroeger) geen inzage heeft in het strafdossier van de uitvaardigende lidstaat, kan zich logischerwijze niet uitspreken over de grond van het dossier. Hij kan enkel een marginale toets doorvoeren betreffende de inhoudelijke vereisten van het kaderbesluit en nagaan of er eventuele weigeringsgronden kunnen toegepast worden of garanties kunnen gevraagd worden.
De nationale rechter moet uiteraard in staat zijn om de inhoud van het EAB te begrijpen. Daarom voorziet het kaderbesluit dat het originele EAB vertaald moet worden naar één van de officiële talen van de desbetreffende lidstaat, of naar een taal die de lidstaat via een verklaring aanvaard heeft (art. 8.2 Kaderbesluit EAB).95
Indien bepaalde informatie ontbreekt, voorziet het kaderbesluit dat dergelijke problemen beslecht dienen te worden door direct contact tussen de betrokken justitële autoriteiten (art. 10. 5 Kaderbesluit EAB). De meeste lidstaten hebben deze bepaling niet expliciet omgezet in hun nationale wetgeving omdat ze van oordeel zijn dat dit niet nodig is en gewoon een kwestie is van good practise.96 Nu het Hof van Justitie in zijn belangrijke Pupino arrest uitdrukkelijk erkend heeft dat het principe van gemeenschapstrouw of loyale samenwerking (art. 10 EG) ook een rol speelt in de derde pijler, lijkt een expliciete vermelding van deze samenwerkingsplicht inderdaad niet nodig.97
Aangezien het kaderbesluit korte termijnen oplegt voor het nemen van een beslissing inzake de overlevering,98 heeft een meerderheid van de lidstaten op eigen initiatief termijnen vastgelegd, waarbinnen de informatie, die soms bijkomend opgevraagd werd, ingediend moet worden.99
De korte termijnen werden over het algemeen positief onthaald omdat ze vroegere uitleveringssituaties, waarbij de betrokkene soms maanden in onzekerheid werd gelaten, vermijden en op deze wijze bijdragen aan de behandeling van de procedure binnen een redelijke termijn.100 Wel is het zo dat de korte termijnen mogelijk problematisch worden, indien uitstel gevraagd wordt of indien beroeps- en cassatieprocedures worden ingesteld tegen een beslissing.101
Toch impliceert een enkele overschrijding van deze termijnen geen rampscenario: het kaderbesluit voorziet immers niet dat de termijnen, waarbinnen een beslissing tot overlevering genomen moet worden, voorgeschreven zijn op straffe van nietigheid. Een laattijdige beslissing tot overlevering impliceert dus niet dat de betrokkene in vrijheid moet worden gesteld.102 Dergelijke drastische maatregel kan nog wel volgen nadat een definitieve beslissing tot overlevering genomen werd. Indien de betrokkene dan niet binnen de tien dagen na deze beslissing overgeleverd werd, zal deze -behoudens in een situatie van overmacht- wél in vrijheid gesteld moeten worden (art. 23.4 Kaderbesluit EAB). Het zal de justitiële autoriteiten hopelijk aanzetten om niet te talmen en snel de praktische aspecten voor de overlevering in orde te brengen, zodra er beslist werd om over te leveren.
Het feit dat de betrokkene in meer dan de helft van de gevallen overigens zelf instemt met zijn overlevering,103 en bijgevolg binnen de tien dagen na deze instemming overgeleverd kan worden, impliceert m.i. dat ook de betrokkene zelf deze snelle afhandeling op prijs kan stellen.


1   2   3   4   5   6   7   8   9   10


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina