Student: Christine Janssens



Dovnload 0.7 Mb.
Pagina3/10
Datum22.07.2016
Grootte0.7 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10

HOOFDSTUK 2. DE NATIONALE RECHTER ALS SPILFIGUUR BIJ DE TOEPASSING VAN HET EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL
We stelden zonet vast dat de wijze waarop de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht(vaardigheid) vorm krijgt, in grote mate zal afhangen van de wijze waarop de nationale rechters hun rol bij de behandeling van overleveringsverzoeken opvatten.
De Europese Commissie is alvast laaiend enthousiast over de efficiënte van dit nieuwe rechtsinstrument.104 De analyse van de Europese Commissie is echter hoofdzakelijk kwantitatief van aard (hoeveel overleveringsverzoeken werden er uitgevaardigd? Hoeveel werden er toegekend? Binnen welke termijn?…) en gaat niet in op de inhoudelijke analyse, die de nationale rechters doorvoeren bij de behandeling van overleveringsverzoeken.
In wat hierna volgt, analyseren we op welke wijze de hogere rechtscolleges van vijf lidstaten sommige cruciale aspecten van het kaderbesluit inzake het EAB in hun nationale rechtspraak toegepast hebben, om vervolgens na te gaan of ze hierbij blijk hebben gegeven van zin voor evenwicht tussen de pijlers vrijheid, veiligheid en recht(vaardigheid).
Er werd gekozen voor een kwalitatieve inhoudsanalyse van de arresten van het Belgische Hof van Cassatie, de Franse Cour de Cassation, de Nederlandse Rechtbank van Amsterdam, de Spaanse Audiencia Nacional en de Britse High Court, waarbij (het merendeel van) de geselecteerde arresten gepubliceerd werden en allemaal betrekking hebben op de periode van 1 januari 2004 tot 31 december 2006.105
De keuze van deze rechtscolleges kan enigszins verwonderlijk overkomen omdat deze rechtbanken niet allen dezelfde functies vervullen. Zo beslissen de Rechtbank van Amsterdam en de Audiencia Nacional in eerste én tegelijk in laatste aanleg over de overleveringsverzoeken (met uitzondering van het cassatieberoep, in het belang van de wet, voor de Nederlandse Hoge Raad). In de overige lidstaten worden de overleveringsverzoeken in eerste aanleg op gedecentraliseerde wijze behandeld door resp. de chambres d’instruction (Frankrijk), de raadkamers (België) en de District Judges (Verenigd Koninkrijk). Belangrijke aspecten die enkel op deze lagere niveaus beslist worden, konden dus jammer genoeg niet aan bod komen in deze bespreking.
Praktische overwegingen (tijdsdruk, taalbarrières en beschikbaarheid qua arresten) noopten me tot deze selectie. Desalniettemin meen ik dat het aantal geconsulteerde arresten en het gediversifieerde aanbod van rechtsvraagstukken een interessante kijk bieden in de dagelijkse praktijk van de nationale rechter in zijn hoedanigheid van Europese rechter.
A. De inhoud van het EAB: duidelijkheid over de feiten, de identiteit van de betrokkene en zijn hoedanigheid van ‘beschuldigde’
Wanneer een nationale rechter met een EAB geconfronteerd wordt, zal hij eerst nagaan of alle elementen aanwezig zijn die in art. 8 Kaderbesluit EAB vermeld staan. In de bestudeerde rechtspraak is het verweer van de betrokkene vaak gebaseerd op de onvolledige of onduidelijke inhoud van het EAB. Een ontbrekend faxnummer of emailadres van de uitvaardigende rechter, een verkeerd geboortejaar, een onzorgvuldige vertaling, een verkeerd lijstfeit dat aangekruist werd of een vage omschrijving van de omstandigheden waarin het misdrijf zich voltrokken heeft, zijn schering en inslag. De wijze waarop nationale rechters met dergelijke tekortkomingen omgaan, verschilt soms.
Het valt meteen op dat de High Court, als beroepsinstantie, niet snel geneigd is om nog bijkomende informatie op te vragen. Wellicht is ze van oordeel dat dit bij de lagere instantie moest gebeurd zijn. Zelfs indien de Prosecution Office haar op deze mogelijkheid wijst, verkiest ze meestal toch zelf de knoop door te hakken, zonder bijkomende informatie op te vragen. Dit heeft er toe geleid dat voor kleinere nalatigheden, die via een telefoon, emailbericht of fax snel opgelost zouden kunnen worden, de High Court in een paar zaken resoluut beslist heeft om de overlevering te weigeren.106
Vooral indien de omschrijving van de feiten in haar ogen te wensen overlaat, is de High Court geneigd om de overlevering niet toe te staan.107 De High Court is, in navolging van de House of Lords, van oordeel dat de eenvoud, de snelheid en het wederzijds vertrouwen, die het EAB sieren, gebalanceerd moeten worden met de rechten van de betrokkene, door middel van een nauwgezette toepassing van de wettelijke bepalingen en procedures. 108
Soms werd er wél bijkomende informatie opgevraagd, maar bleek deze niet toereikend te zijn om de gerezen twijfel weg te nemen. In de arresten van de High Court was er soms discussie over de vraag of de betrokkene effectief in verdenking gesteld was dan wel of de buitenlandse procedure zich nog in de onderzoeksfase bevond (en de overlevering bijgevolg geweigerd moest worden).109 Het is verbazingwekkend hoe de High Court, in sommige arresten, bijkomend opgevraagde informatie ter zijde schuift en verkiest om zelf als het ware het buitenlandse recht te gaan interpreteren.110
Toch benadrukt de High Court in andere arresten dat het in geen enkel opzicht haar bedoeling is om het buitenlandse bewijsmateriaal of de grond van de zaak te evalueren, doch enkel na te gaan of er op basis van de gegeven informatie sprake kan zijn van een misdrijf, dat door de betrokkene gepleegd kan zijn.111
Deze doorgedreven controle is opvallend minder aanwezig in terrorismezaken of zaken van georganiseerde criminaliteit of mensenhandel, waar de High Court veeleer de nadruk legt op het belang van wederzijds vertrouwen en stelt dat het kaderbesluit inzake het EAB in een spirit van samenwerking moet uitgevoerd worden.112 Zo bleek de vraag of er sprake is van een verdachte of van een beschuldigde, ondanks some ambiguity in het EAB, plots niet meer zo fundamenteel.113 In een andere zaak werd de vraag of er sprake was van een crimineel feit volledig in handen gelegd van de uitvaardigende lidstaat en stelde de High Court dat ze zich zo weinig mogelijk moest inlaten met de buitenlandse wetgeving.114 Materiële vergissingen, zoals het niet aankruisen van het desbetreffende lijstfeit in de vertaalde versie, hoefden niet gesanctioneerd te worden omdat het juiste lijstfeit wel aangeduid was in het originele document en er bovendien een duidelijke omschrijving voorhanden was.115 In een andere zaak werd geoordeeld dat het feit dat het opgegeven geboortejaar, als onderdeel van de identiteitsgegevens, niet overeenstemde met dat van de betrokkene, geen obstakel mocht zijn voor een spoedige overlevering, aangezien de overige gegevens wél overeen stemden.116
De Nederlandse Rechtbank van Amsterdam gaat in het geval van onvolledige informatie, anders dan de High Court, meestal wel bijkomende informatie opvragen. In de meerderheid van de arresten heeft de bijkomende informatie ertoe geleid dat de betrokkene overgeleverd werd.117
Zo konden vage omschrijvingen immers verduidelijkt worden, foutieve vermeldingen rechtgezet en twijfels over een mogelijk onschuldverweer opgehelderd worden.118 De Rechtbank van Amsterdam laat er daarentegen geen twijfel over bestaan dat de bijkomende informatie die ze desgevallend opvraagt, geen betrekking kan hebben op het strafdossier zelf, of op elementen die verband houden met het te voeren bewijs.119 Het vertrouwensbeginsel, dat het overleveringsrecht kenmerkt, verhindert immers dat de overleveringsrechter zich met de grond van de zaak zou bezig houden.120 Ook voor de juiste toepassing van het buitenlandse straf(vorderings)recht geldt dat de lidstaten dienen uit te gaan van het vertrouwensbeginsel.121
De Rechtbank van Amsterdam is er net als de High Court van overtuigd dat men in de sterk vereenvoudigde en gestandaardiseerde procedure van het EAB, streng dient toe te zien op de juistheid van de gegevens.122 Toch mag deze strenge controle een werkbare samenwerking niet in het gedrang brengen: ‘kleine’ onzorgvuldigheden worden dan ook gemakkelijk vergeven.123
De Spaanse Audiencia Nacional heeft in alle onderzochte arresten beslist dat de beschikbare informatie in het EAB voldoende was. Nochtans werd er soms door de advocaten ingeroepen dat de feiten allesbehalve duidelijk waren of dat de betrokkenheid van de persoon in kwestie niet tot uiting kwam in het EAB. Dergelijke argumenten werden door de rechtbank echter steevast verworpen.124 Vergissingen inzake identiteitsgegevens (zoals een verkeerde geboortedatum) werden als schrijffouten afgedaan en niet verder onderzocht alvorens de overlevering toe te staan.125 De Audiencia Nacional draagt het principe van wederzijds vertrouwen duidelijk hoog in het vaandel. Bijkomende informatie werd uitzonderlijk wel eens opgevraagd, bijvoorbeeld in een zaak waar de rechtbank de overlevering uiteindelijk toestond, ondanks het feit dat zowel de verdediging als het openbaar ministerie verzocht hadden om niet over te leveren.126
Ook in België gaan de raadkamers en kamers van inbeschuldigingstelling soepel om met de vereiste inlichtingen. Dit blijkt uit het relatief grote aantal cassatieberoepen dat hierover werd ingesteld. Zo werd er o.a. geklaagd over de gebrekkige of te beknopte omschrijving van de feiten (hetgeen een schending van art. 5.4 EVRM zou uitmaken);127 het feit dat er geen origineel of eensluidend verklaard afschrift mee was opgestuurd;128 het feit dat er onjuiste data vermeld stonden;129 het feit dat het e-mailadres en faxnummer van de uitvaardigende justitiële autoriteit ontbraken130, het feit dat er een fout geslopen was in de vertaling (hetgeen een schending van het recht op een eerlijk proces zou uitmaken),131 of het feit dat de buitenlandse wetsbepalingen niet vermeld waren in het Europees aanhoudingsbevel.132 Al deze cassatiemiddelen werden door het Belgische Hof van Cassatie op basis van pragmatische overwegingen verworpen. De beknopte omschrijving werd als voldoende beschouwd omdat het kenmerkend is voor de nieuwe overleveringsprocedure, waarbij de controlebevoegdheid van de nationale rechter beperkt wordt tot een toezicht op de wettelijke voorwaarden. 133 Een foutieve datum m.b.t. de gepleegde feiten werd door de betrokkene zelf gecorrigeerd; dit stelde voor het Hof dan ook geen problemen.134 De inhoudelijke gegevens die het kaderbesluit vergt, zijn overigens niet voorgeschreven op straffe van nietigheid.135 Het ontbreken van een e-mail adres en faxnummer zijn gegevens die niet in het belang van de betrokkene vermeld staan, doch wel voor de onderzoeksgerechten bedoeld zijn. De niet vermelding van deze elementen heeft hen in casu niet belemmerd bij het vervullen van hun taak, dus dit hoeft niet gesanctioneerd te worden.136 Een foutieve vertaling is al evenmin een belemmering voor de overlevering, omdat de rechters de advocaat en de betrokkene hierover hebben ingelicht, zodat er geen sprake kan zijn van een schending van het recht op een eerlijk proces.137 Een origineel of eensluidend verklaard afschrift is enkel nodig indien de beschikbare inlichtingen de onderzoeksgerechten niet in staat stellen na te gaan of de wettelijke voorwaarden vervuld zijn.138 Discussies omtrent de identiteit van de betrokkene, tenslotte, konden door het Hof van Cassatie niet behandeld worden omdat het een feitenkwestie betreft, waarvoor dit Hof niet bevoegd is.139
Onvoldoende, onvolledige of foutieve informatie werd ook geregeld aangekaart in de Franse rechtspraak. De Cour de Cassation trad systematisch de chambre de l’instruction bij, die telkens geoordeeld had dat de verstrekte informatie voldoende was.140 Vaak was eerst bijkomende informatie opgevraagd.141 Het feit dat enkel de vertaling van het EAB beschikbaar was en niet het originele document, werd niet gesanctioneerd.142 De foutieve vermelding van de geboorteplaats en nationaliteit van de betrokkene werd ook niet bekritiseerd.143 Een verkeerde datum werd evenmin problematisch bevonden omdat uit de overige stukken duidelijk bleek dat dit een materiële vergissing betrof.144 Een onzekerheid inzake identiteitsgegevens kon niet gecontroleerd worden, omdat het voor het eerst voor de Cour de Cassation opgeworpen werd.145
B. Lijstfeiten versus niet-lijstfeiten en de dubbele strafbaarheidstoets
In hoofdstuk I werd reeds vermeld dat de nationale rechters geen dubbele incriminatie toets mogen doorvoeren voor lijstfeiten (zelfs geen marginale controle, aldus de Commissie), terwijl ze die mogelijkheid wel behouden voor niet-lijstfeiten. Bij het doornemen van de nationale rechtspraak werd nagegaan of de nationale rechters zich aan dit onderscheid hielden en of er veel zaken waren, waar bij de doorvoering van deze toets de dubbele incriminatie test faalde.
Over het algemeen zijn er weinig echte problemen van dubbele strafbaarheid aan het licht gekomen. De grote meerderheid van de EAB’s heeft betrekking op gedragingen die in alle lidstaten zonder discussie strafbaar geacht worden: drugsdelicten, levensdelicten (moord, doodslag), terrorisme en eigendomsdelicten (roof, gewapende overval).146 Fraudezaken en deelname aan een criminele organisatie kwamen ook geregeld voor, maar bleken soms iets meer tot discussie aanleiding te geven.
In de geconsulteerde arresten van de High Court kwam er geen enkele ‘echte’ discussie aan bod over de vraag of een bepaalde gedraging al dan niet aan de dubbele strafbaarheidseis voldeed. Wel waren er een aantal zaken waarin betwist werd dat er sprake kon zijn van een strafbare gedraging. Dit lag dan niet zozeer aan het feit dat het Engelse recht het aangehaalde misdrijf as such niet kende, doch wel aan een onzorgvuldige beschrijving van de betrokkenheid van de vermeende dader.147 De High Court liet er verder geen twijfel over bestaan dat de dubbele incriminatie toets niet doorgevoerd kan worden ten aanzien van lijstfeiten.148
De Rechtbank van Amsterdam daarentegen meent dat ze in bepaalde gevallen wél gerechtigd is om een dubbele incriminatietoets door te voeren inzake lijstfeiten, nl. wanneer de betrokkene een eigen onderdaan is. In die veronderstelling is het immers mogelijk dat de betrokkene via het reeds ter sprake gebrachte Verdrag van de Raad van Europa inzake de overbrenging van gevonniste personen (1983) terug naar Nederland wordt overgebracht om daar het resterende deel van zijn straf uit te zitten. Aangezien dit Verdrag enkel van toepassing kan zijn indien de gedraging in beide landen strafbaar is (art. 3.1.e Verdrag),149 past Nederland de dubbele incriminatietoets consequent toe in alle situaties waar ze een terugkeergarantie bedingt. De rechtbank hanteert hier in principe een soepel, feitelijk criterium: ze vereist geen identieke kwalificatie, doch gaat na of de feiten vallen binnen een strafbepaling, die eenzelfde strafrechtelijk belang beschermt.150 Indien er echter essentiële elementen van de Nederlandse strafbepaling ontbreken, slaagt de dubbele strafbaarheidstoets niet.151
Zelfs voor lijstfeiten, die niet door een eigen onderdaan gepleegd werden, aanvaardt de rechtbank niet automatisch dat een aangekruist lijstfeit effectief een lijstfeit is. De rechtbank van Amsterdam voert hier een marginale toets door, om na te te gaan of de feiten zo zijn omschreven dat de buitenlandse justitiële autoriteit die feiten in redelijkheid als een lijsfeit heeft kunnen aanmerken, op basis van zijn wetgeving.152 Vooral één lijstfeit -ironisch genoeg een gedraging die op Europees niveau reeds geharmoniseerd werd-, met name ‘deelname aan een criminele organisatie’, blijkt hier problematisch te zijn.153
Inzake niet-lijstfeiten (die uiteindelijk maar een zeer klein percentage uitmaken van het totaal aantal onderzochte EAB’s) wordt de dubbele strafbaarheidstoets ook altijd doorgevoerd. Uiterst zelden leverde de toets hier problemen op, die een overlevering in de weg stonden.154
De Audiencia Nacional voert geen controle (ook geen marginale) uit ten aanzien van lijstfeiten.155 Inzake niet-lijstfeiten werd voor een drietal misdrijven de overlevering geweigerd omdat de betrokken gedraging niet strafbaar was in Spanje.156 Uitzonderlijk was er een discussie tussen het openbaar ministerie en de rechtbank over de kwalificatie van bepaalde feiten naar Spaans recht.157
De voorgaande tendens wordt ook bevestigd in de Franse rechtspraak. Opvallend is hier het relatief grote aantal terrorismedossiers op verzoek van Spanje. De dubbele strafbaarheidstoets werd voor dit misdrijf echter nooit doorgevoerd en de feitenomschrijving werd, ondanks veelvuldig protest van de beklaagden, steeds voldoende geacht.158 Wat de lijstfeiten betreft, blijkt vooral het misdrijf ‘fraude’ soms problematisch te zijn. Sommige lidstaten zijn geneigd om daar een hele lijst gedragingen onder thuis te brengen, die niet noodzakelijk ook in Frankrijk strafbaar zijn. De Cour de Cassation heeft dan ook in een aantal gevallen beslist om de overlevering voor bepaalde gedragingen niet toe te staan.159 Wat de zeldzame niet-lijstfeiten betreft, doorstond slechts één gedraging de toets van de dubbele strafbaarheid niet.160
C. De weigeringsgronden
Een groot deel van de bestudeerde arresten is gewijd aan het beantwoorden van de opgeworpen weigeringsgronden. We geven hieronder een overzicht van alle verweermiddelen, die in dit verband aan bod kwamen in de geconsulteerde arresten. Deze argumenten beperken zich niet noodzakelijk tot de weigeringsgronden die voorzien zijn in het kaderbesluit. Zoals we hogerop reeds stelden, is er een groot aantal lidstaten, die ‘een schending van fundamentele mensenrechten’ als bijkomende weigeringsgrond uitdrukkelijk voorzien hebben. Daarnaast zijn er ook verdachten, die -hoewel de overleveringsrechter zich niet over de grond van de zaak kan uitspreken- toch een onschuldverweer inroepen. Tot slot weerklonken er, naar aanleiding van het arrest van het Bundesverfassungsgericht, dat de uitlevering van Duitse onderdanen paralyseerde, reciprociteitsargumenten in enkele lidstaten.
1. De in het kaderbesluit vermelde weigeringsgronden
1.1. Non bis in idem
Ofschoon het Hof van Justitie een hele rechtspraak inzake het non bis in idem ontwikkeld heeft,161 beslechtten de nationale rechtscolleges de zaken die hen voorgelegd werden exclusief aan de hand van eigen rechtspraak.
Toch is de redenering, die bijvoorbeeld de High Court volgt, in grote mate gelijklopend met die van het Hof van Justitie. De High Court pleit voor een ruime toepassing van de double jeopardy. Er worden feitelijke, en geen juridische criteria gehanteerd. Bovendien moet het non bis in idem beginsel ook toegepast worden indien de verweten gedraging in het EAB slechts gedeeltelijk overeenstemt met de feiten, waarvoor de betrokkene vroeger reeds berecht was.162 Non bis in idem vindt daarentegen (logischerwijze) geen toepassing op feiten die op een ander tijdstip of op een andere plaats gebeurd zijn.163
Ook de Rechtbank van Amsterdam hanteert een ruime toepassing van dit principe, waar feitelijke elementen primeren boven juridische.164 Indien er aanwijzingen zijn dat een betrokkene vroeger vervolgd is geweest voor dezelfde feiten en het desbetreffende dossier van de betrokkene inmiddels vernietigd werd door de justitiële autoriteiten van een lidstaat, dan kan de betrokkene vijftien jaar later niet opnieuw berecht worden, zelfs al is het niet duidelijk of de betrokkene vroeger al dan niet effectief berecht is geweest.165 Non bis in idem mag anderzijds niet zo breed geïnterpreteerd worden dat het een ander misdrijf zou dekken, 166 of dat het toegepast zou worden indien de betrokkene voor dezelfde feiten wel veroordeeld werd, doch de straf nooit onderging (omdat hij zich schuil hield in het buitenland).167
Voor de Spaanse Audiencia Nacional werd het non bis in idem beginsel in de beginperiode soms ingeroepen met het argument dat de betrokkene vroeger reeds het voorwerp geweest was van een uitleveringsverzoek. De Audiencia Nacional verwierp een dergelijk verzoek om de evidente reden dat er geen berechting en geen uitspraak over schuld of onschuld van de betrokkene plaats gevonden had.168
De Franse Cour de Cassation werd meermaals geconfronteerd met non bis in idem beroepen, waarbij de betrokkene het non bis in idem ingeroepen had (en de chambre d’instruction dit soms toegepast had) op feiten die niet als ‘dezelfde’ beschouwd konden worden.169 De Cour de Cassation benadrukt dan ook dat non bis in idem enkel toegepast kan worden om een overlevering te weigeren indien de chambre d’instruction op precieze wijze gecontroleerd heeft of de betrokkene reeds voor dezelfde feiten veroordeeld werd.170
1.2 Extra- territorialiteit
We zagen hogerop dat het kaderbesluit een facultatieve weigeringsgrond voorziet voor het geval dat het misdrijf zich geheel of gedeeltelijk buiten het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat voltrokken heeft.
De Britse uitleveringswetgeving wekt op het eerste zicht de indruk dat voor lijstfeiten geen enkel aspect van de gedraging zich op Brits grondgebied mag voltrokken hebben. 171 Dit werd dan gauw het gedroomde argument voor de advocaten om in situaties, waar een (klein) aspect van de gedragingen zich afgespeeld had in het Verenigd Koninkrijk, in te roepen dat er geen sprake kon zijn van een extradition offence. De House of Lords verwierp deze interpretatie door erop te wijzen dat er een andere mogelijke rechtsgrondslag voorhanden was, die niet vereiste dat ‘geen enkel aspect van de gedraging in het Verenigd Koninkrijk heeft plaats gevonden’. Dergelijke interpretatie is, aldus de House of Lords, zowel verenigbaar met de nationale implementatie wetgeving als met het nieuwe overleveringsregime, zoals dit werd uitgewerkt door de Raad.172 Een andere zienswijze zou een efficiënte aanpak van de transnationale criminaliteit ernstig hypothekeren.
Ook voor de Rechtbank van Amsterdam wordt er zeer frequent ingeroepen dat de feiten zich deels (of volledig) op Nederlands grondgebied hebben afgespeeld en dat de overlevering om die reden geweigerd zou moeten worden. Krachtens de Nederlandse wetgeving heeft het openbaar ministerie hier een grote zeggenschap. In principe geldt immers een weigering tot overlevering, maar het openbaar ministerie kan -hetgeen het overigens systematisch doet- op gemotiveerde wijze vorderen dat er in het belang van een goede rechtsbedeling toch overgeleverd wordt (art. 13.2 Overleveringswet). Het openbaar ministerie maakt dan een afweging van alle in het spel zijnde belangen om zijn beslissing te motiveren.173 De rechtbank kan deze afweging slechts zeer marginaal toetsen.174 Persoonlijke omstandigheden van de betrokkene halen zelden de bovenhand.175
Persoonlijke elementen spelen helemaal geen rol voor de Audiencia Nacional.176 Zelfs indien een misdrijf zich deels in Spanje voltrokken heeft, wordt er toch altijd overgeleverd omdat geoordeeld wordt dat de andere lidstaat beter geplaatst is om het onderzoek te voeren. Meestal is het onderzoek immers in die lidstaat opgestart en heeft men daar het bewijsmateriaal en de andere verdachten onder zijn hoede, zodat zich daar het zwaartepunt van het onderzoek bevindt.177
De Franse chambre d’instruction heeft, zeker in de beginfase van het EAB, wel eens beslist om niet over te leveren, omdat de feiten zich deels op het eigen grondgebied voltrokken hadden en eigen onderdanen betroffen.178 In enkele latere arresten poogde een betrokkene soms om alsnog, tegen een negatieve beslissing van de chambre d’instruction in, voor de Cour de Cassation zijn gelijk te halen, maar tevergeefs. De korte overwegingen van de Cour de Cassation geven echter duidelijk aan dat de chambre d’instruction hier veel beleidsmarge wordt gelaten om de weigeringsgrond al dan niet toe te passen.179
1.3 Gezondheidsredenen
Gezondheidsredenen zijn geen permanente weigeringsgrond, maar zij kunnen wel tot gevolg hebben dat de overlevering tijdelijk wordt opgeschort. Dit belangrijk onderscheid werd onderstreept door de Hoge Raad, die er in één van zijn arresten op wees dat gezondheidsredenen door de rechter niet mee in rekening mochten worden genomen als weigeringsgrond, waar dat ze wel ter sprake konden komen op het ogenblik dat de officier van justitie de overleveringsbeslissing effectief ten uitvoer moest leggen.180 Uitzonderlijk kwamen gezondheidsredenen toch voor de Rechtbank van Amsterdam ter sprake, namelijk toen ze in het kader van de bescherming van fundamentele rechten te berde werden gebracht. De Rechtbank van Amsterdam verwierp dit verweer, door erop te wijzen dat de betrokkene in een andere lidstaat ook een goede en aangepaste behandeling kon genieten en dat zijn fundamentele rechten dus niet geschonden zouden worden.181
Voor de High Court werden in één enkele zaak maar liefst drie psychiaters aangesteld, die dan nog tot tegenstrijdige conclusies kwamen.182 De uitvoerende rechter zag geen reden om de overlevering te weigeren. Er bestond, op basis van specifiek daartoe opgevraagde informatie, voldoende vertrouwen dat er in de uitvaardigende lidstaat gespecialiseerde centra voor psychiatrische patiënten voorhanden waren om de betrokkene te behandelen.183
Ook in Frankrijk poogde een betrokkene, die vervolgd werd voor oplichting, een nieuwe medisch attest uit te lokken omdat er op basis van het vorige geoordeeld was dat er geen humanitaire redenen waren om de overlevering uit te stellen. De Cour de Cassation oordeelde echter dat het feit dat de betrokkene ten tijde van de beslissing van de chambre d’instruction opnieuw in het ziekenhuis was opgenomen, geen nieuwe medische beoordeling vergde.184 Anders dan in Nederland, waar dergelijke beslissing in handen van het parket gelegd wordt, legt de Cour de Cassation alle beslissingsbevoegdheid, ook inzake duurtijd van de schorsing, in handen van de chambre d’isntruction.185
De Audiencia Nacional lijkt niet snel onder de indruk te zijn van ingeroepen gezondheidsredenen. Zonder deze toestand effectief na te gaan, oordeelde ze in een zaak dat de gezondheidstoestand van de betrokkene geen humanitaire noch legale weigeringsgrond uitmaakte.186
1.4 Verjaring
De verjaringsgrond werd een paar maal ingeroepen voor de Audiencia Nacional, doch zonder succes omdat deze weigeringsgrond enkel ingeroepen kan worden indien Spanje ook rechtsmacht heeft over de feiten, hetgeen hier niet het geval was.187
Ook voor het Hof van Cassatie werd benadrukt dat de verjaringsgrond enkel kan ingeroepen worden indien België ook rechtsmacht heeft in de zaak, hetgeen in casu niet bewezen werd geacht.188
Voor de Franse Cour de Cassation bleek dit een heet hangijzer. In twee opeenvolgende arresten kwam ze tot een op het eerste zicht tegenstrijdig resultaat door de verjaring in één arrest (uitsluitend) te beoordelen aan de hand van het buitenlandse recht en in een ander arrest aan de hand van het Franse recht.189 Nochtans was in beide gevallen de verplichte weigeringsgrond van toepassing omdat Frankrijk rechtsmacht had.190 Het juiste toetsingskader had m.i. in beide zaken de Franse verjaringswet moeten zijn. In zaken waar de verjaring gewoonweg aanvaard wordt, zonder toetsing aan enig kader, aarzelt de Cour de Cassation niet om het arrest te verbreken.191

1   2   3   4   5   6   7   8   9   10


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina