Student: Christine Janssens



Dovnload 0.7 Mb.
Pagina4/10
Datum22.07.2016
Grootte0.7 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10

2. De niet (expliciet) in het kaderbesluit vermelde weigeringsgronden
2.1 Het onschuldverweer
De meeste nationale rechters weigeren resoluut om in te gaan op een eventueel onschuldverweer en stellen vast dat ze niet bevoegd zijn om de bewijslast te evalueren of het onderzoek ten gronde te voeren.192
Nederland vormt hier de uitzondering. Toch moet het feit dat Nederland op elke zitting het ‘onschuldverweer’ toetst , sterk genuanceerd worden: het betreft hier immers een zéér marginale toetsing. Het uitgangspunt van de Rechtbank van Amsterdam is dat zij niet gerechtigd is om eventuele bewijselementen te evalueren,193 maar indien de betrokkene op de terechtszitting onomstotelijk kan aantonen dat hij onschuldig is (dus toch een bewijsevaluatie?!), zal hij niet overgeleverd worden. Deze schizoïde houding van de Rechtbank van Amsterdam is duidelijk tot stand gekomen door de implementatiewetgeving, die tegen de ratio legis van het Europese kaderbesluit in, een ‘onschuldverweer’ gecreëerd heeft.194 Slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden wordt zo’n onschuldverweer gehonoreerd.195
2. 2 Fundamentele rechten
2.2.1. Algemeen
In Nederland wordt er uitgegaan van het feit dat alle lidstaten van de Europese Unie het EVRM ondertekend hebben en er dan ook vertrouwen dient te zijn in de rechtssystemen van de overige lidstaten.196
De Franse Cour de Cassation voegt hier aan toe dat men er mag van uitgaan dat de desbetreffende lidstaat geen schendingen van fundamentele rechten pleegt zolang er geen procedures zijn ingespannen tegen deze lidstaat op grond van artikel 7 EU.197 Schendingen worden regelmatig ingeroepen, maar zelden weerhouden.198
De Rechtbank van Amsterdam is, in overeenstemming met de Nederlandse overleveringswet,199 van oordeel dat een schending in principe enkel kan vastgesteld worden indien er sprake is van een flagrante schending en indien er geen rechtsmiddel meer openstaat tegen die inbreuk (in de zin van art. 13 EVRM).200

Vage en weinig concrete aantijgingen, die niet feitelijk onderbouwd zijn, maken dan ook geen kans op slagen.201 Net zomin als schendingen van fundamentele rechten die gekoppeld worden aan de overleveringswetgeving zelf.202


Ook in België wordt geregeld een beroep gedaan op mogelijke schendingen van fundamentele rechten voor de raadkamer of de K.I., doch dit wordt zelden weerhouden. Het Hof van Cassatie oordeelt dat de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel enkel kan verhinderd worden als er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat de tenuitvoerlegging tot gevolg zou hebben dat de grondrechten van de betrokkene worden aangetast, zoals die in art. 6 EU worden vastgelegd, met name die welke door het EVRM zijn gewaarborgd en die welke als algemene rechtsbeginselen van gemeenschapsrecht volgen uit de gemeenschappelijke grondwettelijke tradities binnen de lidstaten van de Europese Unie.203
In vergelijking met België, Frankrijk, Nederland en het Verenigd Koninkrijk wordt voor de Audiencia Nacional blijkbaar zelden een beroep gedaan op een mogelijk schending van fundamentele rechten. Wel werd in een aantal gevallen na de beslissing van de Audiencia Nacional beroep ingespannen voor het Spaanse grondwettelijke Hof (Tribunal Constitucional). Hierdoor liep de toegekende overlevering grote vertraging op.204 Deze opschortende procedures dienen volgens sommige dan ook enkel in zeer uitzonderlijke omstandigheden aanvaard te worden.205
2.2.2 De redelijke termijn
Wanneer er argumenten inzake het verloop van de redelijke termijn worden ingeroepen, wordt niet alleen nagegaan hoeveel tijd er effectief verlopen is. Er gaat vooral veel aandacht uit naar de drie factoren, die ook in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens regelmatig terugkeren: (1) de complexiteit van de zaak, (2) de al dan niet actieve rol van de opsporingsautoriteiten en (3) de vraag of de betrokkene zelf heeft bijgedragen aan het verloop van deze termijn.206
In de Britse rechtspraak wordt er ook uitdrukkelijk aandacht besteed aan eventuele wijzigingen in de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene (hetgeen de overlevering oppressive zou kunnen maken) 207 en ook aan de vraag of het verloop van tijd een nefaste invloed kan hebben op zijn rechten van verdediging en meer bepaald de bewijsvoering (hetgeen de overlevering unjust zou maken).208
De nationale rechters baseren zich voor de beoordeling van al deze elementen op eventuele informatie in het EAB of op bijkomend opgevraagde informatie. Het is duidelijk dat de talmende lidstaat met gegronde argumenten zal moeten komen om het tijdsverloop te kunnen rechtvaardigen. Het feit dat de betrokkene na de feiten naar een andere lidstaat verhuisd is, volstaat op zich niet om aan te tonen dat de betrokkene zich aan de justitiële autoriteiten wou onttrekken.209 Van een vertrouwen in een goed werkend buitenlands opsporingsdienst is er hier dan ook zelden sprake.210
In verband met twee terrorismezaken in Spanje werd door de advocaten vooral de termijn van de voorhechtenis, die tot vier jaar kon bedragen, aangeklaagd. De High Court was hier minder streng bij haar beoordeling van een mogelijke schending. Ze erkende weliswaar dat vier jaar naar Britse normen aan de hoge kant was, maar stelde vast dat de Spaanse regeling in principe twee jaar voorschrijft en in de praktijk slechts uitzonderlijk vier jaar bedraagt. Bovendien werd deze Spaanse norm nooit veroordeeld in Straatsburg. De High Court zag dan ook niet in waarom zij hem zou moeten veroordelen.211 Bovendien kunnen terrorisme zaken zeer complex zijn, hetgeen een lang vooronderzoek kan rechtvaardigen.212
De Rechtbank van Amsterdam stond aanvankelijk weigerachtig ten opzichte van de beoordeling van schendingen van de redelijke termijn.213 Geleidelijk aan begon ze echter over te gaan tot een beoordeling in concreto. Ze stelde dat, zelfs indien er in de uitvaardigende lidstaat nog een effective remedy ter beschikking was, hieraan in bepaalde gevallen elke betekenis ontnomen werd, namelijk wanneer er sprake is van een dusdanige schending, dat iedere dag dat het onderzoek langer duurt op zichzelf een schending uitmaakt van de fundamentele rechten van de betrokkene. Er is dan sprake van een flagrante en onomkeerbare schending, die de niet-overlevering tot gevolg moet hebben.214 Vooraleer tot de niet overlevering te beslissen, biedt de Rechtbank van Amsterdam de betrokken lidstaat wel de mogelijkheid om te duiden waarom het onderzoek zoveel vertraging heeft opgeleverd. Indien daar geen bevredigend antwoord op komt, zal de betrokkene niet overgeleverd worden.215
2.2.3 Risico op foltering of onmenselijke behandeling
Risico op foltering of onmenselijke behandelingen werd in hoofdzaak ingeroepen door terrorisme verdachten, en werd zelden aanvaard. De Britse rechters lijken uit te gaan van de premisse dat alle lidstaten het EVRM ondertekend hebben en dat de naleving hiervan dan ook vermoed mag worden. De overlevering kan alleen geweigerd worden indien er duidelijke bewijzen zijn van een ernstig gevaar dat de betrokkene slachtoffer zou kunnen worden van mishandelingen of folteringen. Rapporten van internationale organisaties die bepaalde toestanden in een lidstaat aanklagen (het in afzondering plaatsen, nachtrust verhinderen, slagen toebrengen,...) worden als anecdotal evidence gezien en buiten beschouwing gelaten. Bovendien wordt gesteld dat sommige maatregelen, zoals een regime in afzondering, voor zeer zware delinquenten soms gerechtvaardigd kunnen zijn.216 Er moet m.a.w. van een reëel en concreet gevaar sprake zijn. Het is opvallend hoeveel vertrouwen er hier -ondanks verontrustende rapporten- blijkt te bestaan tussen de buitenlandse autoriteiten.217
Ook in Frankrijk werd het risico op folteren en onmenselijke behandelingen hoofdzakelijk ingeroepen door terrorismeverdachten in het kader van een Spaanse overleveringsverzoek. De Cour de Cassation geeft blijk van een hands of beleid door te stellen dat een risico op folteren niet opgenomen werd als uitdrukkelijke weigeringsgrond en dat de chambre d’instruction zich bovendien niet kan uitspreken over de grond van het dossier.218
De Rechtbank van Amsterdam neemt ter zake dezelfde houding aan als zijn Britse collega: algemene uitspraken die niet in concreto gestaafd worden, maken geen kans op slagen. Bovendien wordt er ook op gewezen dat de betrokkene achteraf nog een effective remedy ter beschikking staat.219
Ook de Belgische gerechten stellen zich ter zake voorzichtig op en het Hof van Cassatie geeft de onderzoeksgerechten ter zake een ruime discretionaire bevoegdheid. Zo oordeelde het Hof in een terrorisme zaak dat het verslag van een onafhankelijk deskundige over Spanje (en de behandeling van terroristen aldaar) slechts een relatieve morele waarde en een algemene strekking had, waarvan de feitelijke beoordeling toekwam aan de raadkamer en de Kamer van Inbeschuldigingstelling.220


2.2.4 Recht op een eerlijk proces
Zoals bij de vorige grond, zijn het in het Verenigd Koninkrijk voornamelijk terrorisme zaken, waarbij geklaagd wordt over een potentiële miskenning van het recht op een eerlijk proces, en dit soms op basis van eerder zwakke argumenten. De terroristen zouden over verschillende gevangenissen in het land verspreid worden, waardoor de advocaten hun cliënten moeilijker zouden kunnen bereiken. Of nog: de advocaten zouden slecht betaald worden en hun job niet naar behoren vervullen. Deze argumenten werden door de High Court verworpen.221 Bovendien werd ook nog ingeroepen dat de telefoongesprekken tussen verdachten en advocaten afgeluisterd werden. Dit zou wel een schending kunnen uitmaken, maar deze aantijging kon in casu niet hard gemaakt worden.222
Voor de Rechtbank van Amsterdam werd het recht op een eerlijk proces betwist omdat een zaak toch (in eerste aanleg) behandeld was geweest, ondanks het feit dat de betrokkene geen rechtsbijstand had gekregen en evenmin een adequate verdediging. Deze argumenten werden verworpen. De rechtbank wees erop dat het geen onherroepelijk vonnis betrof en dat de betrokkene duidelijk de keuze had tussen verzet of beroep en dat hij beroep had aangetekend.223 In een andere zaak werd de onpartijdigheid van de onderzoeksrechter betwist omdat deze ongenuanceerd gesteld had dat de betrokkene intens betrokken was geweest bij een drugslaboratorium. Ook dit argument werd verworpen omdat de stelling niet feitelijk onderbouwd was en er voor de betrokkene bovendien nog een rechtsmiddel openstond.224
Ook voor het Hof van Cassatie werden tevergeefs schendingen van dit fundamenteel recht ingeroepen. Zo werd in een zaak ingeroepen dat een foutieve vertaling in het EAB het recht op een eerlijk proces schond;225 in een andere zaak werd gesteld dat het feit dat de betrokkene geboeid voor de rechter zou moeten verschijnen, zijn vermoeden van onschuld en recht op een eerlijk proces miskende.226 De rechten van de verdediging werden daarentegen wél geschonden geacht door een arrest van de Kamer van Inbeschuldigingstelling, dat een arrest van de raadkamer bevestigd had, zonder effectief te controleren of de betrokkene (die gehospitaliseerd was) of zijn advocaat de berichtgeving inzake de terechtzitting ontvangen hadden.227
Rechten van de verdediging werden ook ingeroepen voor de Franse Cour de Cassation. Het feit dat de betrokkene overgeleverd zou worden, zou volgens hem impliceren dat hij een rechtszaak, die momenteel in Frankrijk tegen hem liep, niet degelijk zou kunnen voorbereiden en dat zijn rechten van de verdediging bijgevolg geschonden zouden zijn. Dit argument werd verworpen omdat zijn advocaat steeds toegang zou hebben gehad tot zijn dossier en de uitvaardigende lidstaat bovendien bereid was gevonden om de betrokkene van tijd tot tijd over te brengen naar Frankrijk, voor zover nodig in het kader van het Franse onderzoek.228 In een andere zaak werd door de betrokkene ingeroepen dat zijn recht om gehoord te worden door de justitie van de uitvaardigende lidstaat miskend was. Hier werd laconiek op geantwoord dat de betrokkene daar zelf voor gezorgd had door naar het buitenland te vluchten. Eens hij overgeleverd was, zou hij nog voldoende gehoord worden.229
2.2.5 Recht op een privé- en familieleven
Over het algemeen schijnen rechters niet snel geneigd in te gaan op mogelijke schendingen van het recht op een privé- en familieleven.230 Ook het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is hier strenger dan voor de andere fundamentele rechten.231 Dit houdt uiteraard verband met het feit dat dit mensenrecht geen absoluut recht is en ingeperkt kan worden voor zover het noodzakelijk is in het kader van de nationale veiligheid (cfr. art. 8.2 E.V.R.M.).
De High Court stelt dat krachtens artikel 8.2 EVRM een overlevering in principe een gerechtvaardigde inbreuk uitmaakt op het desbetreffende recht, en dat een overlevering op deze grond enkel verhinderd kan worden indien er sprake is van een zeer uitzonderlijke omstandigheid, die de overlevering disproportioneel zou maken ten opzichte van de inmenging in het familieleven.232
Dergelijke beroepen worden soms nog in allerijl en als laatste redmiddel voor het Hof van Cassatie ingeroepen, die het dan als nieuw middel onontvankelijk verklaart.233
Ook voor de Franse Cour de Cassation werd art. 8 EVRM ingeroepen, meerbepaald in het kader van een gewenste terugkeergarantie.234
Voor de Rechtbank van Amsterdam werd het fundamenteel recht op een privé- en familieleven niet rechtstreeks ingeroepen, maar kwam het wel impliciet aan bod via de afweging die het O.M. moet maken telkens het misdrijf extra-territoriale elementen vertoont.235
2.3 Niet uitleveren van eigen onderdanen (op basis van reciprociteit)
Naar aanleiding van de beslissing van het Duitse Bundesverfassungsgericht, die de Duitse implementeringswetgeving tijdelijk lam legde, omdat ze in onvoldoende garanties voorzag voor de overlevering van eigen onderdanen,236 rees in veel lidstaten de vraag hoe op deze beslissing gereageerd diende te worden.
De Audiencia Nacional was één van de eerste lidstaten, die onmiddellijk het reciprociteit-argument op tafel gooide, en voortaan nog weigerde om Spaanse criminelen aan Duitsland over te leveren in het kader van het nieuwe overleveringsregime.237
Andere nationale rechters hadden een meer genuanceerd, en m.i. meer correct antwoord. De High Court onderzocht de dieperliggende filosofie van het principe van wederzijdse erkenning, zoals vervat in het EAB, en stelde dat dit principe geen “tit for tat” aanpak promoot. Het principe veronderstelt integendeel een spirit van samenwerking, die niet op het spel gezet kan worden indien één van de lidstaten, die duidelijk te goeder trouw is, tijdelijke problemen heeft met haar overleveringswetgeving.238
De Rechtbank van Amsterdam werd ook geconfronteerd met het reciprociteitsvraagstuk naar aanleiding van de beslissing van het Bundesverfassungsgericht. De rechtbank verwierp het verweer onmiddellijk door erop te wijzen dat het reciprociteitsbeginsel een principe is dat tussen staten heerst en volkomen vreemd is aan het nieuwe overleveringsregime.239 Bovendien stelde de rechtbank dat zelfs onder het oude uitleveringsregime Nederland eigen onderdanen aan Duitsland uitleverde terwijl het omgekeerde niet het geval was.240
Ook het Hof van Cassatie werd met dit vraagstuk geconfronteerd, doch diende uitspraak te doen op een ogenblik dat de nieuwe Duitse omzettingswetgeving reeds van kracht was. Het EAB kon dus eenvoudigweg krachtens deze nieuwe wet ten uitvoer gelegd worden.241
D/ De garanties
1. Recht op een nieuw proces in geval van een verstekvonnis
We stelden hogerop dat verstekvonnissen reeds onder het vroegere uitleveringsregime één van de zorgenkindjes waren. Ook in de recente rechtspraak blijken er soms duidelijk uiteenlopende visies te bestaan over de kenmerken van deze weigeringsgrond.
De House of Lords benadrukt dat een onderzoek naar de gevolgen of draagwijdte van het verstekvonnis in de wetgeving van de uitvaardigende lidstaat, zou indruisen tegen de bedoeling van het nieuwe overleveringsregime. 242
De vraag of de betrokkene recht heeft op een nieuw proces, hangt uiteraard af van de vraag of hij al dan niet behoorlijk in kennis werd gesteld van het eerste vonnis. De Britse wetgeving spreekt van deliberately absent. De High Court oordeelt dat een verwittiging op zich niet voldoende is. De betrokkene moet op een unequivocal manner afstand gedaan hebben van zijn recht om aanwezig te zijn. Dit veronderstelt een onderzoek naar de geestesgesteldheid van de betrokkene.243
De Rechtbank van Amsterdam gaat op dit punt niet zo ver als de High Court en is van oordeel dat de rechten van de verdediging niet geschonden zijn en dat er geen verzetgarantie gevraagd moet worden, indien de advocaat van de betrokkene aanwezig was of indien duidelijk blijkt dat de betrokkene behoorlijk gedagvaard was, doch zelf verzuimde aanwezig te zijn.244 Wanneer daarentegen blijkt dat de betrokkene niet behoorlijk in kennis gesteld werd, analyseert de Rechtbank van Amsterdam zorgvuldig de formulering van de garantie, al dan niet mits het opvragen van bijkomende informatie, om na te gaan of deze voldoende is om al dan niet over te leveren.245 Soms zelfs wordt de buitenlandse wetgeving geanalyseerd om na te gaan of de betrokkene in concreto de verzetprocedure nog wel kan inspannen.246
De Cour de Cassation lijkt, net als de Rechtbank van Amsterdam, een beoordeling in concreto van de garantie na te streven. Indien blijkt dat onvoldoende onderzocht werd of de betrokkene nog effectief verzet of beroep kon aantekenen, wordt de beslissing van de chambre d’instruction vernietigd.247 Indien daarentegen blijkt dat de betrokkene door zijn advocaat vertegenwoordigd was of anderszins duidelijk in kennis gesteld was van het proces, moet hij zijn vrijwillige afwezigheid niet inroepen om alsnog een garantie te verkrijgen.248
Voor de Audiencia Nacional werden daarentegen geen problemen vastgesteld met betrekking tot verstekprocedures. Er werden immers systematisch verzet/ beroep garanties gevraagd en verkregen.249 De Audiencia Nacional ging hier nooit op gedetailleerde wijze na of de garantie effectief nog toegepast kon worden. Er werd op vertrouwd dat dit wel het geval zou zijn. De Audiencia Nacional is, anders dan de andere rechtbanken, duidelijk voorstander van een toets in abstracto. De Audiencia Nacional is overigens wel op zijn hoede voor juridische constructies waarbij de betrokkene eerst verklaart dat hij zijn straf in Spanje wenst uit te zitten en vervolgens zou kunnen inroepen dat de straf niet uitvoerbaar is omdat ze bij verstek gewezen is.250
Dat deze garantie voor de juridische autoriteiten een mogelijkheid en geen verplichting is, waarbij aan de onderzoeksgerechten veel vrijheid gelaten wordt met betrekking tot de concrete inhoudelijke vereisten van de garantie, blijkt duidelijk uit een arrest van het Hof van Cassatie.251
2. De terugkeergarantie voor eigen onderdanen en ingezetenen
In de rechtspraak van de High Court kwam de terugkeergarantie niet ter sprake, hetgeen logisch is, aangezien het Verenigd Koninkrijk deze facultatieve garantie niet geïmplementeerd heeft in zijn nationale wetgeving.
De Nederlandse wetgeving voorziet dergelijke terugkeergarantie wél, en de Rechtbank van Amsterdam roept ze consequent in voor eigen onderdanen. Voor vreemdelingen gelden strengere eisen, die de rechtbank rigoureus toepast.252 Reeds vrij snel werd er door verscheidene advocaten van Unieburgers voor gepleit om ten aanzien van Unieburgers een soepelere regeling toe te passen dan t.a.v. andere vreemdelingen. Ze wezen op art. 12 EG (verbod van discriminatie op grond van nationaliteit) en art. 17 EG (reis – en verblijfsrecht voor Unieburgers) en de hieruit ontwikkelde rechtspraak van het Europees Hof van Justitie.253 De Rechtbank van Amsterdam bleek aanvankelijk niet echt onder de indruk van deze argumenten. Waar het nog logisch was dat ze dergelijke garantie niet bedong, wanneer de betrokkene niet aan de minimale (Europese )voorwaarden voldeed inzake een rechtsgeldig verblijf (voldoende inkomsten en een ziekteverzekering),254 was het minder begrijpelijk dat ze dergelijke garantie weigerde te bedingen op grond van de beperkte toekomstperspectieven van de betrokkene.255 Wellicht verhindert het strakke nationale wettelijke kader om een Europees burgerschap vriendelijke interpretatie toe te passen, doch de vraag is of deze nationale wetgeving wel conform de Europese regelgeving is.256 De rechtbank toont zich duidelijk vertwijfeld en heeft al twee maal op het punt gestaan hieromtrent een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie.257
De Audiencia Nacional vraagt meestal een terugkeergarantie voor de eigen onderdanen,258 maar niet altijd.259 Het is onduidelijk waarom ze een terugkeergarantie in het ene geval wel en in het andere geval niet bedingt. Wel is duidelijk dat de Audiencia Nacional enkel terugkeergaranties toekent aan eigen onderdanen en dat Unieburgers hier niet voor in aanmerking komen.260 Het is maar de vraag in hoeverre dit verenigbaar is met de burgergezinde interpretatie, die het Hof van Justitie aan het Unieburgerschap concept geeft.
In België zijn terugkeergaranties zeker geen evidentie, ook niet voor eigen onderdanen. De betrokkene, die meent dat de overlevering afhankelijk moet worden gesteld van een terugkeergarantie indien hij hierom verzoekt, heeft het niet bij het rechte einde.261 Het Hof van Cassatie laat er geen twijfel over bestaan dat de onderzoeksgerechten op onaantastbare wijze oordelen of voor een Belg of een ingezetene een terugkeergarantie wordt gevraagd.262 Het betreft m.a.w. duidelijk een gunstmaatregel.
De Franse Cour de Cassation was aanvankelijk dezelfde mening toegedaan als het Belgische Hof van Cassatie. Franse onderdanen die bekritiseerden dat de chambre d’instruction niet onderzocht had of een terugkeergarantie wenselijk was, werden niet gesteund. De Franse Cour de Cassation was immers de mening toegedaan dat er niet onderzocht diende te worden of de straf op eigen grondgebied zou uitgevoerd kunnen worden.263 In een later arrest bleek er een duidelijk wending te zijn in deze rechtspraak. De Cour de Cassation vernietigde immers een arrest van de chambre d’instruction omdat deze niet geantwoord had op het verzoek van de betrokkene om zijn familiale toestand mee in rekening te nemen bij de al dan niet toekenning van een terugkeergarantie.264

HOODSTUK 3. DE DERDE PIJLER RECHTSPRAAK VAN HET HOF VAN JUSTITIE: WEDERZIJDSE ERKENNING TEN GUNSTE VAN DE VEROORDEELDE & GRONDRECHTENBESCHERMING
Afgezien van het recent gevelde arrest Advocaten van de Wereld,265 heeft het Hof nog geen arresten geveld over het EAB.266 Niettemin biedt een deel van de recent ontwikkelde derde pijler rechtspraak een mooi inzicht in de wijze waarop het Hof het principe van wederzijdse erkenning, de drijvende motor achter het EAB, interpreteert.
We zagen hogerop reeds hoe het non bis in idem beginsel als wederzijds erkenning principe avant la lettre, zijn intrede deed in de SUO, en vervolgens krachtens het Verdrag van Amsterdam een verdragsrechtelijke basis verwierf. Ook in het EAB kaderbesluit neemt het non bis in idem beginsel als resp. verplichte267 - of facultatieve268 weigeringsgrond een belangrijke plaats in. Hiermee wordt meteen duidelijk dat strafrechtelijke samenwerking meer inhoudt dan veiligheidsoverwegingen. Het non bis in idem beginsel toont de keerzijde van het principe van wederzijdse erkenning, met name hoe het een halt kan toeroepen aan vervolgingen en bijgevolg een beschermende rol voor de delinquent kan betekenen.
Een ander aspect, dat tot uiting komt in de derde pijler rechtspraak van het Hof, en ongetwijfeld ook zijn repercussies zal hebben op de toekomstige rechtspraak van het Hof inzake het EAB, heeft betrekking op de pijleroverschrijdende kenmerken van deze rechtspraak, met een niet aflatende aandacht voor de bescherming van de fundamentele rechten.
A. De visie van het Hof van Justitie op het principe van wederzijdse erkenning in strafzaken
1. Wederzijdse erkenning zonder de noodzaak van een voorafgaande harmonisatie
In zijn eerste derde pijler arrest, Gozütök & Brügge, werd het Hof geconfronteerd met twee geschillen die allebei betrekking hadden op een delinquent, die een transactie had afgesloten met het openbaar ministerie.269 In beide zaken was een bepaalde geldsom betaald aan het openbaar ministerie in het kader van een procedure tot beëindiging voor de strafvervolging en in ruil daarvoor werd de zaak definitief afgesloten. Beide criminelen werden echter korte tijd later geconfronteerd met een nieuwe procedure, die opgestart werd in een andere lidstaat voor dezelfde feiten. Elk van hen riep het non bis in idem beginsel in, zoals neergeschreven in art. 54 SUO en argumenteerde dat hij in het licht van dit artikel ‘bij onherroepelijk vonnis berecht was’, ook al was er geen formeel rechterlijke beslissing voorhanden. De cruciale vraag, die het Hof moest behandelen was dus of een transactie of minnelijke schikking met een openbaar ministerie beschouwd kan worden als een ‘onherroepelijk vonnis’ in de zin van art. 54 SUO.
Niet elke lidstaat is echter vertrouwd met het transactie/ minnelijke schikking model, waarover de Nederlandse en Duitse parketten beschikken. Men kan zich dan ook gemakkelijk inbeelden dat lidstaten, die dergelijke modaliteiten in hun strafrechtelijk arsenaal niet kennen, niet snel geneigd zullen zijn in te stemmen met zo’n ruime interpretatie van art. 54 SUO. Kan men dan niet verwachten dat de soevereiniteit van het nationale strafrecht voorrang heeft, zolang de lidstaten hun nationale wetten dienaangaande niet (minimaal) geharmoniseerd hebben? Dergelijke visie past duidelijk niet in het integratiebeleid dat het Hof van Justitie voor ogen heeft. Het Hof verwerpt deze visie dan ook, door te argumenteren dat geen enkel artikel van het EU Verdrag, noch het Schengen akkoord of de SUO zelf, de toepassing van artikel 54 SUO afhankelijk stelt van harmonisatie van de strafwetgevingen van de lidstaten op het gebied van de procedures tot beëindiging van strafvervolging.270 Het Hof leidt hieruit af dat het in artikel 54 SUO verankerde beginsel non bis in idem noodzakelijkerwijze impliceert dat de lidstaten wederzijds vertrouwen hebben in hun respectieve strafrechtssystemen en dat elke lidstaat de toepassing van het in de andere lidstaten geldende strafrecht aanvaardt, ook indien zijn eigen strafrecht tot een andere oplossing zou leiden.271 In deze belangrijke paragraaf introduceert het Hof dus het principe van wederzijdse erkenning in de strafrechtelijke ruimte, door voort te bouwen op het verondersteld wederzijdse vertrouwen tussen de lidstaten.272
Ook in latere arresten heeft het Hof deze zienswijze bevestigd: een verschillende juridische kwalificatie met betrekking tot drugmisdrijven (Van Esbroeck; Van Straaten) of een verschillende regeling inzake verjaring (Gasparini e.a.) mag niet verhinderen dat het principe van wederzijdse erkenning onverkort wordt toegepast.273
Meer in het bijzonder, inzake het EAB, heeft het Hof dze zienswijze nogmaals bevestigd. Het erkent in zijn arrest Advocaten van de wereld weliswaar dat de onnauwkeurige omschrijving van de lijstfeiten kan leiden tot een disparate toepassing van het kaderbesluit, maar ziet hierin blijkbaar geen graten. Dit lijkt immers de logische consequentie te zijn van het feit dat noch het EU-Verdrag noch het kaderbesluit zelf de toepassing hiervan afhankelijk stellen van harmonisatiewetgeving.274
2. Een teleologische benadering, waarbij het Hof balanceert tussen vrijheid, veiligheid en recht(vaardigheid)
Gözütok en Brügge was niet het eerste, en zeker ook niet het laatste arrest, waarin het Hof beschuldigd werd duidelijke verdragsbepalingen met de voeten te treden.275 Veeleer dan vast te houden aan de letterlijke bewoordingen van de SUO, die tot absurde resultaten zouden kunnen leiden,276 kiest het Hof in dit arrest voor een teleologische en functionele benadering.
Het Hof brengt in zijn rechtspraak artikel 2 EU in herinnering. Dit artikel formuleert de doelstelling om de Unie te handhaven en te ontwikkelen tot een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht(vaardigheid), waarin het vrij verkeer van personen gewaarborgd wordt. Dit recht van vrij verkeer kan slechts met succes gewaarborgd worden indien de dader van een handeling weet dat hij na zijn veroordeling en het ondergaan van zijn straf of, in voorkomend geval, na de onherroepelijke vrijspraak in een lidstaat, zich binnen de Schengen ruimte kan verplaatsen zonder de vrees dat hij in een andere lidstaat kan worden vervolgd.277 Het vrij verkeer van personen, één van de basispilaren van de interne markt, is dus ook cruciaal voor de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht(vaardigheid).
In Van Esbroeck steunde het Hof op het vrij verkeer argument om zijn stelling kracht bij te zetten dat een feitelijke interpretatie van idem (de feiten zijn identiek) te verkiezen is boven een juridische interpretatie (de wettelijke bepalingen zijn identiek).278 Anders dan in Gözütok & Brügge sloot de letterlijke bewoording van bepaling 54 SUO ditmaal wél aan bij de door het Hof gegeven oplossing. In Van Esbroeck werden teleologische én tekstuele argumenten dus gecombineerd om de toepassing van het non bis in idem principe op de invoer en uitvoer van een drugtransport te verantwoorden.
In Van Straaten moest het Hof nogmaals uitspraak doen over een drug gerelateerde zaak. De zaak was innoverend omdat het Hof diende te beslechten of non bis in idem ook van toepassing was in het geval van een vrijspraak. Opnieuw werden vrij verkeer argumenten aangereikt, ditmaal in samenhang met beginselen inzake rechtszekerheid en gewettigd vertrouwen, om de toepassing van het non bis in idem beginsel te verzekeren.279
Vrijheid (in de zin van vrij verkeer) kan echter niet altijd primeren en wederzijdse erkenning moet op een redelijke wijze toegepast worden. Daarom benadrukte het Hof in Miraglia dat de doelstelling van art. 2 EU, nl. de handhaving en ontwikkeling van de Unie als een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht(vaardigheid) waarin het vrije verkeer van personen gewaarborgd is, toegepast moet worden in combinatie met passende maatregelen met betrekking tot de voorkoming en bestrijding van criminaliteit.280 De veiligheids en recht(vaardigheid)sluiken van de ruimte zouden duidelijk miskend worden indien het non bis in idem beginsel ook toepasselijk zou zijn op de beslissing van de rechterlijke autoriteiten van een lidstaat dat een zaak is beëindigd, zonder enige beoordeling ten gronde. In casu had het (Nederlandse) parket immers besloten niet verder te vervolgen om de enkele reden dat tegen dezelfde verdachte in Italië een strafprocedure op basis van dezelfde feiten was ingeleid. Miraglia toont m.i. dan ook mooi aan dat wederzijdse erkenning geen doel op zich is, doch veeleer een middel om een doel te bereiken, nl. een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht(vaardigheid) tot stand brengen.
In Gasparini speelden vrij verkeer argumenten een belangrijke rol toen het Hof besliste dat non bis in idem ook van toepassing is in het geval van een vroeger arrest, dat onontvankelijk is verklaard wegens verjaring. Toch spelen ook veiligheids- en recht(vaardigheid)selementen een rol wanneer het Hof bij de beantwoording van de tweede vraag terecht stelt dat non bis in idem niet van toepassing kan zijn op personen die in de vroegere procedure niet betrokken waren geweest en er dan evident geen sprake kan zijn van ‘bis’.281
Terwijl Gözütok & Brügge en Van Esbroeck zaken waren waar de betrokken delinquenten een gerechtvaardigd argument hadden om non bis in idem in te roepen, tonen de argumenten van de delinquenten in Miraglia en Gasparini e.a. (m.b.t.de tweede vraag) m.i. op de gevarenzone waarin het non bis in idem beginsel terecht kan komen. Ze onthullen immers dat non bis in idem door vele delinquenten (en hun advocaten) soms duidelijk gezien wordt als het perfecte verweermiddel om vervolgingen te ontlopen. Daarom is het van groot belang dat de genuanceerde evenwichtsoefening die het Hof in zijn rechtspraak gemaakt heeft, warm onthaald wordt en als leidraad dient voor de nationale rechters, die meer en meer met dergelijke zaken geconfronteerd zullen worden.
B. Het Europees Hof van Justitie en de nationale grondwettelijke hoven: verenigde krachten in de bescherming van grondrechten
1. De nationale grondwettelijke hoven en de bescherming van fundamentele rechten
Sinds het Verdrag van Amsterdam de doelstelling geformuleerd heeft om de Unie om te vormen tot een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht(vaardigheid) en de bevoegdheden van de Unie inzake visa, asiel en burgerlijke en strafrechtelijke samenwerking verhoogd heeft, staan ook fundamentele rechten hoog op de politieke agenda en hebben ze zelfs geleid tot het opstellen van een Handvest van grondrechten (2000).
Toch bleken de nationale grondwettelijke hoven niet altijd overtuigd dat de Unie of haar lidstaten op het juiste spoor zaten met de Europese strafrechtelijke agenda en de daarbij horende noodzakelijke bescherming van fundamentele rechten. Zo velden de Duitse, Poolse en Cypriotische grondwettelijke hoven kritische arresten waarin ze de nationale wetgever oplegden om hetzij de nationale EAB wetgeving aan te passen aan nationale grondwettelijke waarden, hetzij de nationale grondwettelijke waarden aan te passen aan Europese normen.282
In sommige gevallen gaat de nationale rechter tevergeefs te rade bij een nationaal grondwettelijk hof en bezorgt het Hof van Justitie uiteindelijk een grondrechten bevredigende oplossing. Dit werd onder meer duidelijk in de aanloop naar de Pupino zaak.283 Een Italiaanse rechter die geconfronteerd werd met vijfjarige kinderen die mishandeld waren door hun lerares, was ervan overtuigd dat deze kinderen best niet zouden verhoord worden in een openbaar proces, doch beter via een bijzondere procedure gehoord zouden worden. De Italiaanse wetgeving voorzag deze procedure echter slechts in een limitatief aantal omschreven gevallen. De Italiaanse rechter verwees de zaak naar het Italiaanse grondwettelijke hof, op basis van een schending van het gelijkheidsbeginsel, doch ving bot. Ontevreden met dit resultaat, stuurde de rechter vervolgens een prejudiciële vraag naar het Hof van Justitie, die op basis van een Europees kaderbesluit inzake procedurele rechten voor slachtoffers en van de verplichting tot kaderbesluitconforme interpretatie, tot het besluit kwam dat een bijzonder procedure in casu toch mogelijk moest zijn. Niet het nationale grondwettelijke hof voorzag de nationale rechter in casu dus met een grondrechten conforme oplossing, doch het Hof van Justitie.
2. Het Hof van Justitie en de bescherming van fundamentele rechten
Het Europees Hof van Justitie en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens werden in het verleden meer dan eens aan elkaar tegengesteld als zou het ene exclusief economische zaken behandelen en het laatste zich enkel uitspreken over mensenrechten. Globaal gesproken is dit ongetwijfeld juist, zeker wat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens betreft. Voor het Hof van Justitie moet er echter op gewezen worden dat dit Hof zich al decennia lang over fundamentele rechten uitspreekt, tenminste wanneer het fundamentele recht aspect betrekking heeft op een gelegenheid die onder zijn bevoegdheidssfeer valt.284
Waar in de beginjaren fundamentele rechten vaak ingeroepen werden om de vrije verkeer rechten te ondersteunen, toont recente rechtspraak aan dat fundamentele rechten ook kunnen ingeroepen worden om een dam op te werpen tegen het vrije verkeer. Economische rechten hoeven dus niet altijd te primeren in de Europese Unie.285
In het zonet geciteerde Pupino arrest aanvaardt het Hof het principe van kaderbesluitconforme interpretatie enkel onder welbepaalde voorwaarden, waarvan één de conformiteit is met fundamentele rechten, zoals ze verwoord staan in het EVRM en de nationale gemeenschappelijke constitutionele waarden.286 Dit is een zeer belangrijke nuancering, waaruit blijkt dat het Hof beseft dat het welslagen of de leefbaarheid van een strafrechtelijk beleid in de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht(vaardigheid) in grote mate afhankelijk is van een degelijke bescherming van de fundamentele rechten.

Ook in Advocaten van de wereld, beklemtoonde het Hof nogmaals het belang van een gedegen grondrechtenbescherming, dus ook bij de toepassing van het EAB.287


C. Het Europees Hof van Justitie als motor voor het Europese integratieproces
Net zoals in Gözütok & Brügge introduceerde het Hof in Pupino een basisprincipe uit de eerste pijler in de derde pijler, met name het principe van gemeenschapstrouw (art. 10 EG). Ook hier baseert het Hof zich op teleologische argumenten, zoals de in art. 1 EU geformuleerde doelstelling om een steeds hechtere Unie te worden.288 Deze doelstelling kan volgens het Hof moeilijk bereikt worden indien het principe van loyale samenwerking niet tevens van toepassing zou zijn op de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken.289
Deze verplichting tot loyale samenwerking beperkt zich niet tot de nationale rechters,290 maar geldt voor alle actoren in het strafrechtelijk systeem. Zij moeten op een actieve en transnationale wijze samenwerken, oplossingen zoeken en informatie uitwisselen, opdat het principe van wederzijdse erkenning ten volle zou kunnen spelen.

Opdat de nationale rechter bij twijfels ook een vraag zou kunnen voorleggen aan het Hof van Justitie én hierop binnen een redelijke termijn een antwoord zou krijgen, wordt er momenteel volop gewerkt aan een snelrechtprocedure.291


CONCLUSIE
A. Het EAB: revolutie of evolutie in de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht(vaardigheid)?
Het EAB betekent ongetwijfeld een belangrijke stap voorwaarts in de realisatie van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht(vaardigheid). Op belangrijke punten (juridisering, afschaffing van weigeringsgronden voor eigen onderdanen of politieke misdrijven) bouwt het duidelijk verder op oudere instrumenten. Met de afschaffing van de dubbele strafbaarheidsvereiste was vroeger reeds, weliswaar op zeer beperkte schaal, geëxperimenteerd. In die zin is het EAB eerder evolutionair dan revolutionair. Het grote verschilpunt met de vroegere regeling is dat de lidstaten nu verplicht zijn om deze nieuwe regeling toe te passen (want ze kunnen ter zake geen voorbehoud meer formuleren) en dat ze door strakke termijnen gebonden zijn, wat de efficiëntie van het overleveringsregime ontegensprekelijk ten goede is gekomen.
Het principe van wederzijdse erkenning, dat aan het EAB ten grondslag ligt, wordt vaak als dé grote revolutie in strafrechtelijke samenwerking voorgesteld. In zekere zin is het dat ook, omdat duidelijk blijkt dat dit principe in de rechtspraktijk een ware mentaliteitswijziging teweeg heeft gebracht, waardoor rechters meer samenwerken en frequent met elkaar communiceren in het kader van de Europese misdaadbestrijding. Toch moet het revolutionaire gehalte van het principe ook genuanceerd worden. Wederzijdse erkenning kan op zeer uiteenlopende wijzen ingevuld worden. We stelden dit in andere domeinen vast (interne markt, burgerlijk en handelsrecht), alsook in vroegere instrumenten van de Raad van Europa.
Cruciaal voor een efficiënte én rechtvaardige toepassing van het principe van wederzijdse erkenning in het EAB is de mate van controle die nog aan de uitvoerende lidstaat gelaten wordt en de vraag hoe die effectief ingevuld wordt. Met het EAB wordt duidelijk niet gekozen voor een automatisch of blind overleveringsregime, zoals wel eens verkeerdelijk beweerd wordt. De Europese wetgever had bij de creatie van het EAB wel degelijk een evenwichtsoefening voor ogen. Aan de uitvoerende lidstaat worden de nodige controle instrumenten (in de vorm van weigeringsgronden en garanties) ter beschikking gesteld om vrijheids- en recht(vaardigheid)sdoelstellingen te dienen, als tegengewicht voor de veiligheidsdoelstellingen, die de uitvaardigende lidstaat en de Unie als geheel nastreven.
Verschillende handelingen of houdingen van de Europese wetgever werden niet altijd even correct geïnterpreteerd (zoals de reden voor de niet uitdrukkelijke opname van een weigeringsgrond inzake een schending van fundamentele rechten) of werden soms te ongenuanceerd weergegeven (zoals de stelling als zou de bescherming van fundamentele rechten niet belangrijk zijn in de ogen van de Europese instellingen), waardoor soms de onterechte indruk werd gewekt dat enkel misdaadbestrijding in de Unie zou primeren. De Unie heeft inzake de bescherming van procedurele waarborgen duidelijk nog een weg af te leggen, maar veel hangt hierbij af van de goede wil van slechts enkele lidstaten. Het zou onterecht zijn om “Europa” als geheel de schuld te geven voor de jammerlijke vertraging, die de totstandkoming van het instrument inzake procedurele waarborgen heeft opgelopen. Deze vertraging vloeit veeleer voort uit institutionele besluitvormingsregels (unanimiteitsvereiste), die dringend aanpassing vergen in een steeds groter wordende Europese Unie, dan uit desinteresse vanwege de Europese instellingen.
Het meest kritieke punt van het EAB kaderbesluit, vanuit de benadering van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht(vaardigheid), lijkt me het absolute verbod op de toets van de dubbele incriminatie voor lijstfeiten. Het uitgangspunt (vermijden dat elk misdrijf naar de letter van de eigen nationale wetsbepaling gescreend zou worden) lijkt me verdedigbaar; de concrete uitwerking ervan (een absoluut verbod van toetsing) iets minder. Een marginale toetsing, vanuit een Europese overtuiging, moet m.i. soms mogelijk blijven om te vermijden dat er situaties zouden ontstaan waarbij allerhande (nationale) misdrijven onterecht als lijstfeit aangekruist worden en lidstaten bijgevolg via terugkeergaranties zich verplicht zouden kunnen zien om hun nationale strafrechtelijk beleid (voor die specifieke gevallen) te herzien. Een mogelijk toets hierbij is de vraag of de betrokken gedraging een schending uitmaakt van de Europese openbare orde. De toets mag daarbij echter niet louter uitdraaien op de vraag of alle essentiële element van de eigen nationale strafbepaling voorhanden zijn, zoals Nederland m.i. herhaaldelijk ten onrechte gedaan heeft.
Een leefbare ruimte van vrijheid, veiligheid en recht(vaardigheid) vereist dat aan de nationale rechters een zekere speelruimte wordt gelaten, zodat ze de nodige instrumenten ter beschikking zouden hebben om bij elk overleveringsverzoek díe oplossing te weerhouden waarmee de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht(vaardigheid) het meest gediend is. Het kaderbesluit biedt de nationale rechters hiertoe in grote mate de nodige vrijheid en het was dan ook interessant om in een volgende stap na te gaan hoe de nationale rechters dit kader verder ingevuld hebben.
B. De nationale rechter balancerend tussen vrijheid, veiligheid en recht(vaardigheid)
De doorgevoerde rechtspraakanalyse toont mooi aan hoe de nationale rechter, als spilfiguur bij de toepassing van het EAB, een evenwicht nastreeft tussen de pijlers van vrijheid, veiligheid en recht(vaardigheid). Over het algemeen slaagt hij daar vrij goed in, hoewel er toch hier en daar een paar kanttekeningen te maken zijn.
De wijze waarop met inhoudelijke gebreken van een EAB wordt omgesprongen, is in grote lijnen bevredigend. Weinigen zullen aanvaarden dat een overlevering geweigerd moet worden omdat het faxnummer van een rechterlijk autoriteit ontbreekt. Uiteraard is het anders indien fundamentelere gegevens, zoals de betrokkenheid van de gezochte persoon of zijn identiteitsgegevens te vaag of verkeerd vermeld staan. In dergelijke gevallen verdient de houding van de rechtscolleges, die dan bijkomende informatie opvragen om de twijfel weg te nemen, ongetwijfeld instemming. In sommige gevallen werd dit misschien iets te weinig gedaan. Zoals enkele rechtscolleges terecht stelden, mag de vereenvoudiging en standaardisering er niet toe leiden dat de juistheid van de gegevens veronachtzaamd wordt. Snelheid is zeker belangrijk, maar het mag niet ten koste gaan van een doordachte overleveringsprocedure. Extra informatie opvragen kan dan soms beter zijn dan overhaast over te leveren.
Nog in verband met de inhoud van de EAB’s is het toch wel zorgwekkend dat de vertalingen herhaaldelijk van erbarmelijke kwaliteit bleken te zijn. Dit is niet zo problematisch indien de nationale rechter de taal van het originele EAB ook machtig is, maar waar dit niet het geval is, kan dit toch wel vragen oproepen.
De dubbele strafbaarheidstoets, het grootste theoretische discussiepunt van de EAB regeling, leidt in de praktijk zeker niet tot excessen. Zowel inzake lijstfeiten, waar de toets eigenlijk achterwege zou moeten blijven, als voor niet-lijstfeiten, hanteren de meeste rechters deze m.i. op een aanvaardbare wijze. Over de harde kern van zware delicten, die vaak helemaal niet of slechts zeer minimaal geharmoniseerd zijn, is er zelden discussie. Enkel voor een aantal lijstfeiten, zoals fraude of deelname aan een criminele organisatie, houden nationale rechters soms nog (te) sterk vast aan hun eigen wetgeving en belemmeren ze daardoor enigszins een vlotte samenwerking in de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht(vaardigheid).
Een paar keer waagde een nationale rechter zich aan de interpretatie van het buitenlandse recht, eerder dan vertrouwen te hebben in de informatie die zijn buitenlandse rechter collega hem ter zake bezorgde. Gelukkig zijn deze blijken van wantrouwen veeleer de uitzondering, en waren ze mogelijkerwijze uitingen van de eerste groeipijnen, veeleer dan van een standvastige koers ter zake.
Inzake de weigeringsgronden en garanties stellen we een gediversifieerd beleid vast waarbij sommige gronden meestal zeer nauwkeurig gescreend worden (bijvoorbeeld non bis in idem, een schending van de redelijke termijn of de garanties bij verstekvonnissen), terwijl andere gronden veel moeilijker hard te maken zijn (bijvoorbeeld een risico op foltering of onmenselijke behandeling, een potentiële schending van het recht op een eerlijk proces of een inbreuk op het recht op een privé- of familieleven). Dergelijke tweespalt komt niet geheel als een verrassing. Een flagrante schending van een redelijke termijn is gemakkelijker vast te stellen dan een (toekomstige) foltering. Alle lidstaten zijn immers partij bij het E.V.R.M. en worden geacht de fundamentele rechten te respecteren. Wederzijds vertrouwen moet de basispremisse zijn, waarvan slechts in uitzonderlijke gevallen afgeweken kan worden, nl. indien er concrete aanwijzingen voorliggen met betrekking tot het dossier in kwestie. Officiële rapporten van onafhankelijke organisaties kunnen een indicatie zijn, maar zijn omwille van hun algemene strekking op zich meestal onvoldoende. Kan men van een nationale rechter verwachten dat hij een terrorisme verdachte (effectieve en zware bedreiging in het kader van de veiligheidspijler) op vrije voeten laat, omdat een lidstaat ooit op de vingers getikt werd voor een foltering en dit misschien in de toekomst met betrekking tot deze verdachte nog eens zal doen (zuiver hypothetische bedreiging van vrijheids- en recht(vaardigheid)sluik). M.i. maakten de nationale rechters ter zake de juiste, moeilijke keuze om in dergelijke gevallen toch over te leveren. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens verwacht trouwens ook dat er enkel bij een flagrante, concrete dreiging niet overgeleverd zal worden.
Inzake de controle op de naleving van de redelijke termijn tonen de nationale rechters zich opvallend wantrouwiger. De lange duurtijd van een proces wordt zelden toegeschreven aan de betrokkene, die zich toevallig (?) ergens in het buitenland bevond. Dat de betrokkene zich bewust schuil zou houden in het buitenland wordt zelden verondersteld. Argumenten van de uitvaardigende lidstaat, dat het onderzoek complex was en daardoor vertraging had opgelopen, worden zelden aanvaard, tenzij het terrorisme dossiers betreft. Voor deze zwaarste vorm van criminaliteit kunnen vrijheid- of recht(vaardigheid)soverwegingen het blijkbaar zelden halen van veiligheidsoverwegingen.
In sommige gevallen zijn het wel degelijk vrijheids- en recht(vaardigheid)soverwegingen die het haalden, soms zelfs ten onrechte, zoals bleek toen de Franse Cour de Cassation arresten moest verbreken omdat de lagere rechters weigeringsgronden hadden toegepast zonder ze effectief te controleren.
Het extra-territorialiteitsverweer tenslotte is een weigeringsgrond die potentieel een grote rem zou kunnen plaatsen op een efficiënte strafrechtelijke samenwerking: hoeveel misdrijven worden immers nog exclusief in één en dezelfde lidstaat gepleegd? Veel betrokkenen riepen dit argument dan ook in, maar zelden werd het aanvaard, zeker in de meeste recente arresten. Voor de nationale rechters primeert hier, een paar arresten buiten beschouwing gelaten, het belang van het onderzoek (veiligheidspremisse) en worden persoonlijke elementen (de betrokkene heeft een familie, job en hypotheek af te betalen,…) terecht van ondergeschikt belang geacht. Deze persoonlijke elementen, die nauwer aansluiten bij het vrijheids -of recht(vaardigheid)sluik, kunnen immers nadien nog, via de terugkeergarantie, gecompenseerd worden vermits de betrokkene zijn straf in de eigen lidstaat kan uitzitten.
Toch valt op hoe weinig terugkeergaranties er in sommige lidstaten bedongen worden. Van de vijf onderzochte lidstaten is Nederland de enige die dergelijke garantie steevast bedingt, zij het weliswaar enkel voor haar eigen onderdanen. Rechters uit de overige lidstaten zijn ‘hun’ criminelen liever kwijt dan rijk en resocialisatie overwegingen blijken hier van geen tel.
Globaal gesproken is de meest opvallende conclusie van deze rechtspraakanalyse wellicht het feit dat het zogezegd wantrouwen, waar in de rechtsleer zoveel over geschreven werd, zich in de praktijk zelden gemanifesteerd heeft. Nationale rechters zien zichzelf als partners in misdaadbestrijding, die samenwerken in een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht(vaardigheid), en die zich echt inzetten om deze drie pijlers zo harmonieus mogelijk met elkaar te verzoenen.
C. Derde pijler rechtspraak in het licht van het EAB
Het zeer recente arrest Advocaten van de wereld is het eerste arrest m.b.t. het EAB en er werd dan ook lang naar uitgekeken. Het Hof bevestigt in dit arrest de rechtsgeldigheid van het EAB en stelt dat het een belangrijk instrument is voor de creatie van de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid. Door te benadrukken dat de lidstaten bij de toepassing ervan de fundamentele rechten moeten respecteren, maakt het Hof meteen duidelijk dat de nieuwe Europese ruimte meer moet inhouden dan louter veiligheidsbekommernissen.
Ook andere derde pijler arresten bieden enkele duidelijke inzichten in hoe het Hof van Justitie de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht(vaardigheid) concipieert.
De non bis in idem arresten zijn een mooie indicator van de evenwichtsoefening die het Hof tussen de verschillende pijlers van vrijheid, veiligheid en recht(vaardigheid) maakt. Non bis in idem, als garantie tegen een dubbele vervolging (en dus tegen een overmaat aan veiligheidsoverwegingen) benadrukt de vrijheids- en recht(vaardigheid)stendensen binnen de nieuwe Europese ruimte. Het Hof pleit voor een ruimte toepassing van dit principe, zonder het evenwel zo ver door te drijven dat de veiligheid een illusie zou worden.
De bescherming van fundamentele rechten (EVRM en gemeenschappelijke constitutionele tradities) zijn voor het Hof al decennia lang belangrijk in de eerste pijler materies en hun belang werd in Pupino door het Hof doorgetrokken naar de derde pijler. Dit is een duidelijk bewijs dat veiligheidsoverwegingen door het Hof niet tot exclusieve prioriteit verheven werden en dat vrijheid en recht(vaardigheid) minstens even belangrijk zijn. De moeilijke toets zal er voor de nationale rechter in bestaan om dit in concrete dossiers toe te passen. De nationale rechter krijgt hier wel steun van het Hof van Justitie (via de prejudiciële procedure), maar zolang de op komst zijnde snelrechtprocedure niet effectief bestaat, is dit voor overleveringszaken, waar betrokkenen niet nodeloos lang in hechtenis kunnen worden gehouden, een schrale troost.
Pupino is daarnaast van fundamenteel belang voor de expliciete introductie van het principe van de gemeenschapstrouw in de derde pijler. De samenwerkingsplicht tussen de verschillende strafrechtelijke actoren is het meest efficiënte middel om de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht(vaardigheid) vorm te geven. De samenwerking, die de nationale rechters bij de behandeling van overleveringsverzoeken n.a.v. een EAB ten toon spreiden, is hier een mooi voorbeeld van, maar is enkel het begin. Het wederzijdse erkenning programma is ambitieus en, na het EAB, staan nog een hele rij andere derde pijler instrumenten klaar om gelanceerd te worden in de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht(vaardigheid). We mogen dan ook hopen dat ook daar de nationale autoriteiten, als Europese spelers, op zoek zullen gaan naar het juiste evenwicht tussen de uiteenlopende belangen van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht(vaardigheid).
BIJLAGE 1: SCHEMATISCH OVERZICHT VAN HET AANTAL TOEGEKENDE OVERLEVERINGEN PER LAND IN DE ONDERZOCHTE PERIODE292






Nederland

Rechtbank Amsterdam

Verenigd Koninkrijk

High Court


Frankrijk

Cour de Cassation

België

Hof van Cassatie

Spanje

Audiencia Nacional

Aantal bestudeerde arresten in de periode 1.1.2004-31.12.2006



188




28



74



34



66

Aantal arresten waar de overlevering toegekend werd



142

(76%)




18

(64%)





68

(92%)




31

(91%)




62

(94%)



Aantal arresten waar de overlevering geweigerd werd



28




10



4



3



3

Aantal arresten waar de overlevering gedeeltelijk toegekend en gedeeltelijk geweigerd werd



18



/



2

/




1


1   2   3   4   5   6   7   8   9   10


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina