Student: Christine Janssens



Dovnload 0.7 Mb.
Pagina8/10
Datum22.07.2016
Grootte0.7 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10
Besluit van de Raad van 29 mei 2000 tot vaststelling, overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, van de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie, Publ.C-197, 12 juli 2000, 3-23.

27 Conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad te Cardiff, 15 en 16 juni 1998 § 39, http://ue.eu.int/ueDocs/cms_Data/docs/pressData/nl/ec/54320.pdf; Conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad te Tampere, 15 en 16 oktober 1999, § 33,

http://www.consilium.europa.eu/ueDocs/cms_Data/docs/pressData/nl/ec/00200-r1.nl9.htm.

De verwezenlijking van verschillende instrumenten, gebaseerd op het principe van wederzijdse erkenning, werden vervolgens vooropgesteld in het Programma van maatregelen om uitvoering te geven aan het beginsel van wederzijdse erkenning van strafrechtelijke beslissingen van 30 november 2000, Publ. C-12, 15 januari 2001, 10-22.



28 Conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad te Tampere, o.c., §35. De laatste zinsnede wijst er duidelijk op dat er van in het begin een grote bekommernis was om elke overlevering te laten plaats vinden met respect van de fundamentele rechten.

29 Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, Publ. L-190, 18 juli 2002, p. 1-20.

30 J. APAP, J and S. CARRERA, “Judicial Cooperation in Criminal Matters. European Arrest Warrant. A good testing case for Mutual Recognition in the Enlarged EU?”, CEPS Policy Brief n° 46, 2004, 11, beschikbaar via: http://www.ceps.be; L. BENOIT, o.c., p. 108-109. BRANTS, C., “Het Tampere principe van wederzijdse erkenning : problemen van strafrechtelijke rechtsbescherming in de Europese Unie”, in Het plezier van de rechtsvergelijking, BOELE-WOELKI, K., BRANTS, C.H. and STEENHOFF, G.J.W. (eds.), Kluwer, Deventer, 2003, 106; CUERDA RIEZU, A., “La extradición y la orden europea de detención y entrega”, CENIPEC Nº 25, 2006, 52.

31 Een Europees aanhoudingsbevel kan worden uitgevaardigd voor feiten die door de wet van de uitvaardigende lidstaat hetzij strafbaar zijn gesteld met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, met een maximum van ten minste twaalf maanden hetzij -wanneer een straf of een maatregel reeds is opgelegd- wegens opgelegde sancties met een duur van ten minste vier maanden. Indien het lijstfeiten betreft en de rechter m.a.w. geen dubbele incriminatietoets mag doorvoeren, geldt een strenger criterium: de gedraging moet in het recht van de uitvaardigende lidstaat strafbaar zijn met een maximum van ten minste drie jaar (art. 2 Kaderbesluit EAB). Merk op dat het Kaderbesluit inzake toepassingsvoorwaarden eigenlijk ‘strenger’ is dan de Uitleveringsconventie uit 1957 omdat deze laatste, benevens de zojuist genoemde voorwaarden, ook in de mogelijkheid voorzag om de uitlevering te vragen voor een geheel van verschillende, minder ernstige delicten, die elk afzonderlijk niet aan de gestelde minimumvereisten voldeden, maar wel als een geheel (art. 2.2. Uitleveringsverdrag, 1957). Dergelijke clausule werd niet voorzien in het KB. Het is onduidelijk of dit een vergetelheid is geweest van de Europese wetgever of een bewuste keuze.

32 Zie o.a. het reeds vermelde Uitleveringsverdrag (1996) of nog: de Conventie inzake rechtshulp (2000).

33 Zie bijvoorbeeld de ophefmakende zaak Garcia Moreno, over de uitlevering van een Baskisch echtpaar, die ervan verdacht werd onderdak en hulp verschaft te hebben aan Baskische terroristen en waarbij de vraag naar de juridische kwalificatie van de feiten essentieel was voor een al dan niet uitlevering. Zie hierover: F. VERBRUGGEN, “Ook zonder Madrid en Dublin blijft de uitlevering van Moreno en García mogelijk, als Spanje een degelijk dossier heeft”, Panopticon 1997, 165-166; G. VERMEULEN en T. VANDER BEEKEN, “Uitlevering Basken aan Spanje: juridische bedenkingen bij een politieke zaak”, Recente arresten van de Raad van State 1995-1996, 226.

34 Het kaderbesluit voorziet wél dat de lidstaten een centrale autoriteit kunnen aanduiden, die de bevoegde rechterlijke autoriteit moet bijstaan (art. 7 KB EAB). Iets meer dan de helft van de lidstaten hebben hiervoor de minister van justitie aangewezen, zie: Annex bij het Verslag van de Commissie op grond van artikel 34 van het kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (gewijzigde versie), 24 januari 2006, SEC (2006) 79, 15.

35 Met name: Denemarken, Estland en Litouwen. Zie de kritiek dienaangaande van de Commissie: Annex bij het verslag van de Commissie..., o.c., 14-15.

36 A. BRAEM & B. BILQUIN, o.c., 97; M. DEL POZO PEREZ, o.c., 17.

37Voor een commentaar bij de wettelijke implementatiewetgeving van deze landen, zie, voor Frankrijk, België, Spanje en het Verenigd Koninkrijk: M.E. CARTIER (ed.), Le mandat d’arrêt européen, Brussel, Bruylant, 2005, 134-135, 155, 192, 214. Voor Nederland, zie: V. GLERUM, V., “Een evaluatie van de Nederlandse Overleveringswet”, Nullum Crimen 2006, 1-38; W.R. JONK, G.P. HAMER, en MALEWICZ, “De nieuwe overleveringswet”, D.D. 2004, 894-911.

38 Schotland en Noord Ierland worden hierbij buiten beschouwing gelaten.

39 Bijvoorbeeld in België is zowel hoger beroep (Kamer van Inbeschuldigingstelling) als cassatieberoep mogelijk. In Engeland is beroep mogelijk bij de High Court, en uitzonderlijk cassatieberoep bij de House of Lords, indien er een fundamentele rechtsvraag aan de orde is. In Frankrijk is er geen hoger beroep, maar wel cassatieberoep (Cour de Cassation) mogelijk.

40 Zie bijvoorbeeld Nederland, waar er enkel een cassatieberoep ‘in het belang van de wet’ mogelijk is of Spanje, waar noch hoger beroep noch cassatieberoep voorhanden is.

41 V. MORENO CATENA, “L’accueil du mandat d’arrêt européen en Espagne”, in Le mandat d’arrêt européen, M.E. CARTIER (ed.), o.c., 156; R. BLEXTOON, o.c., 1059, die stelt dat dit systeem een zware verantwoordelijkheid legt op de schouders van de Rechtbank van Amsterdam. Toch worden ook in deze landen naar oplossingen gezocht om toch een toetsing bij een hogere instantie te verkrijgen. Zo werden in Spanje een aantal procedures ingespannen voor het grondwettelijk hof (Tribunal Constitucional), toen geoordeeld werd dat een concrete overleveringsbeslissing in strijd werd geacht te zijn met bepaalde grondrechten. Zie o.a.: Tribunal Constitucional, 17 juli 2004, zaak 320/2004, www.laley.es; Tribunal Constitucional, 14 februari 2005, zaak 74/2005, www.laley.es; Tribunal Constitucional, 9 mei 2005, zaak 200/2005, www.laley.es.

42 Dit was alleszins de zienswijze van de Commissie bij haar voorstel voor kaderbesluit betreffende het EAB, COM (2001) 215 def, 1.

43 Ibidem. Aan de lidstaten zou wél de mogelijkheid geboden worden om op basis van een negatieve lijst aan te geven voor welke misdrijven ze geen overlevering zouden toestaan. Voor alle andere gedragingen was overlevering dan wel verplicht.

44 G. ORMAZABAL SANCHEZ, Espacio penal europeo y mutuo reconocimiento. Perspectivas alemana y espanola, Marcial Pons, Madrid, 2006, 133 ; M.-H. DESCAMPS, ‘La reconnaissance mutuelle des décisions judiciaires pénales’, Actualités de droit pénal européen 2005, 94; N. KEIJZER, ‘The double criminality requirment’, in Handbook on the European Arrest Warrant, Asser press, The Hague, Z005, 137 e.v. die een mooi overzicht geeft van de lijstfeiten die op Europees niveau reeds voorwerp zijn van harmonisatie; M. PLACHTA, “Revolution in extradition?”, European Journal of Crim. Law and Crim . Justice 2003, 185.

45 R. BLEXTOON, “Comment on an Article by Article Basis”, in Handbook on the European Arrest Warrant, o.c., 229-232; N. KEIJZER, o.c., 152-160.

46 Sommige auteurs zijn nog radicaler en stellen zelfs dat met de vage omschrijving het legaliteitsprincipe op de helling zou gezet zijn. Zie bijvoorbeeld: P. BEKAERT, o.c., 3 of B. SCHUNEMANN, “Die Rechte des Beschuldigten im internationalisierten Ermittlungsverfahren”, StraFo 2003, 348, die op basis van het principe van democratie, zelfs stelt dat een persoon enkel veroordeeld zou mogen worden voor normen waaraan hij zelf als actief burger via democratische wijze meegewerkt heeft. M.i. gaan ze hiermee een brug te ver, aangezien het kaderbesluit in kwestie geen harmonisatie beoogt, doch terug verwijst naar de wetgeving van de uitvaardigende lidstaat waar de gedraging in kwestie wél voldoende gedefinieerd wordt. Deze zienswijze werd zeer recentelijk bevestigd door het Hof van Justitie in de zaak Advocaten van de wereld. H.v.J., 3 mei 2007, zaak C-303/05, 12 september 2006, www.curia.eu.int, § 52-53, dat hierin zijn advocaat-generaal volgt: Concl. A-G Colomer, § 103-104.

47 G. MUYLLE, “De Europese Unie als ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid: het algemene kader”, in Migratie- en migrantenrecht. Deel 11: Europa in het vreemdelingenrecht. Actualia in het vreemdelingenrecht, Brugge, Die Keure, 2006, p. 3-31; G. ORMAZABAL SANCHEZ, “La Orden europea de detención y entrega y la extradición de nacionales propios a la luz de la jurisprudencia constitucional alemana”, La Ley 2006, N° 6394, Ref.°D-4 ; W. PERRON, “Sind die nationalen Grenzen des Strafrechts überwindbar?”, Zeitschrift für die gesamte Strafrechtswissenschaft 1997, 281-301; H. VAN DER WILT, “Harmonisatie van strafrecht in Europa: gewogen en te licht bevonden”, NJb. 2002, 747-752.

48 Sommige auteurs zijn van oordeel dat het niet wenselijk is om zeer gevoelige thema’s te gaan harmoniseren, zie o.a.: F. VERBRUGGEN, “(On)voorwaardelijke liefde? Strafrechtsstudie à la bolognaise in het Europa van wederzijdse erkenning in strafzaken”, Lustrumboek 40 jaar Jura Falconis 2005, 263. Andere auteurs wijzen er dan weer op dat harmonisatie niet altijd de gedroomde oplossing is omdat ze soms te veel discretionaire bevoegdheid laat aan de lidstaten, zie bijv.: V. MITSILEGAS, “The Constitutional Implications of Mutual Recognition in Criminal Matters in the EU”, C.M.L.Rev. 2006,1287.

49 H.v.J., Advocaten van de wereld, o.c., § 59. Het Hof had dit reeds eerder verkondigd in andere derde pijler arresten, zoals o.a. Gözütok & Brügge. Zie infra: “Hoofdstuk 3: De derde pijler rechtspraak van het Hof van Justitie”.

50 Zie voor een recent interne markt instrument bijvoorbeeld de fel omstreden dienstenrichtlijn: Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt, Publ. L-376 van 27.12.2006, 36-68, in het bijzonder art. 16. 3. Zie ook: Hoofdstuk 1/ A/ “1. De origine: wederzijdse erkenning in de interne markt”.


51 Er wordt immers zoveel mogelijk getracht om de betrokkene zijn straf te laten uitzitten in de lidstaat waar hij het sterkst geïntegreerd is: zie Verdrag Raad van Europa, 21 maart 1983, inzake de transfer van verooordeelde personen, http://conventions.coe.int/Treaty/en/Treaties/Html/112.htm, die duidelijk als basis gediend heeft voor het voorstel voor Kaderbesluit van Oostenrijk, Finland en Zweden inzake het Europees tenuitvoerleggingsbevel en de overbrenging van gevonniste personen tussen de lidstaten van de EU, 24 januari 2005, http://register.consilium.europa.eu/pdf/fr/05/st05/st05597.fr05.pdf . De uitgesproken straffen kunnen krachtens deze instrumenten wel enigszins aangepast worden door de staat van tenuitvoerlegging, maar niet in die mate dat ze een gevangenisstraf door een boete zouden vervangen (art. 11.1.b Verdrag Raad van Europa en art. 8.3 Voorstel Kaderbesluit).

52Over het toenemend belang van de zogenaamde Europese openbare orde, zie o.a.: M. BOSE, “Das Prinzip der gegenseitigen Anerkennung in der transnationalen Strafrechtspflege in der EU”, in Fragmentarisches Strafrecht, C. MOMSEN, R. BLOY en P. RACKOW (eds.), Frankfurt am Main, Peter Lang, 2003, 241; M. DE HOYOS SANCHO, “El principio de reconocimiento mutuo de resoluciones penales en la UE: asimilación automática o coresponsabilidad?”, RDCE 2005, 820; H. LINDAHL, “Finding a place for freedom, security and justice: the European Union’s claim to territorial unity”, E.L.Rev. 2004, 480 e.v.

53 H.v.J., Advocaten van de wereld, o.c., § 57.

54 Indien het hogerop vermeld voorstel voor Kaderbesluit van Oostenrijk, Finland en Zweden in werking zou treden, zou de lidstaat deze (discretionaire) keuzevrijheid, typerend voor het Verdrag van 1983, om al dan niet ten uitvoer te leggen overigens niet meer hebben. De discretionaire bevoegdheid van de aangezochte lidstaat om al niet in te gaan op het verzoek tot tenuitvoerlegging van een straf, wordt dan immers een verplichting, behoudens enkele expliciet vermelde weigeringsgronden (art. 8.1 Voorstel van kaderbesluit).

55 Doch ook andere implementatiewetten, die de lijstfeiten vertaald hebben naar in hun nationale recht bestaande misdrijven, werden veroordeeld. Annex bij het verslag van de Commissie..., o.c., 6 en 13. Voor voorbeelden uit de rechtspraak, waar het verbod op deze toets met de voeten wordt getreden, cfr. infra hoofdstuk II. Vooral Nederland, die de dubbele strafbaarheid toetst in het licht van de terugkeergarantie en het Verdrag van de Raad van Europa van 1983 (vereiste van dubbele strafbaarstelling) interpreteert, wordt hier door de Commissie geviseerd. De Commissie is van oordeel dat Nederland ten onrechte dit Verdrag inroept. Volgens de Commissie is dit Verdrag enkel van toepassing voor de uitvoering van een in een andere staat uitgesproken straf, wanneer die straf reeds is begonnen. Nochtans formuleert het Verdrag deze vereiste echter nergens expliciet en is men bovendien ook in de rechtsleer van mening dat het niet relevant is of de betrokkene reeds begonnen is aan het uitzitten van zijn straf, zie o.a.: L. MOREILLON & A. WILLI-JAYET, Coopération judiciaire pénale dans l’Union européenne, Brussel, Bruylant, 2005, 320.

56 Dit voorbeeld is overigens niet ontsproten aan mijn fantasie, doch de feiten werden teruggevonden in een arrest van de Audiencia Nacional (Audiencia Nacional, 11 oktober 2004, niet gepubliceerd), met dit verschil dat de betrokkene in kwestie zich ook schuldig had gemaakt aan fraude, en de Audiencia Nacional dan ook besliste tot overlevering.

57 Zie bijvoorbeeld EHJ, 10 september 1996, Zaak C-11/95, Commissie t België, ECR 1996, I-4115, § 37 en de aldaar geciteerde arresten. Het Hof stelt dat indien een lidstaat vaststelt dat een andere lidstaat het EG recht niet correct naleeft, ze maar een Verdragsschendingsprocedure moet opstarten.

58 Zie ter zake H.v.J., 31 januari 2006, zaak C-503/03, Jur. 2006, I-1097 en de hierbij horende noot van C. JANSSENS, R.W. 2006-2007, 937. In dit arrest stelt het Hof dat aan twee Algerijnen, die gehuwd waren met Unieburgers, de toegang tot een lidstaat niet ontzegd mocht worden, om de enkele reden dat ze in het Schengen Information System (SIS) opgenomen waren, ofschoon de Schengen Uitvoeringsovereenkomst (SUO) dit wel schijnt toe te staan. Het arrest onderstreept de actieve rol van de nationale autoriteiten. Deze moeten immers de SUO niet slaafs toepassen, doch actief onderzoeken en concreet nagaan of er in casu sprake was van een daadwerkelijke schending van de openbare orde, die de weigering van toegang tot het grondgebied van een lidstaat zou verantwoorden. Omdat Spanje de toegang geweigerd had zonder dit vooraf te verifiëren, werd Spanje veroordeeld.


59 Amnestie; non bis in idem tengevolge van een definitieve berechting in een lidstaat en strafrechterlijke minderjarigheid (art. 3 Kaderbesluit EAB).

60 Afwezigheid van dubbele incriminatie bij niet-lijstfeiten; vervolging lopende in de uitvoerende lidstaat; vervolging gestaakt in de uitvoerenden lidstaat; verjaring van de feiten in de uitvoerende lidstaat die rechtsmacht had; non bis in idem tengevolge van een definitieve berechting in een niet EU-lidstaat; de uitvoerende lidstaat verbindt zich ertoe de straf zelf ten uitvoer te leggen m.b.t. eigen onderdanen of ingezetenen; de feiten hebben zich volledig of gedeeltelijk buiten de uitvaardigende lidstaat voltrokken (art. 4 Kaderbesluit EAB).

61 Annex bij het verslag van de Commissie..., o.c., 8-12.

62 Annex bij het verslag van de Commissie..., o.c., 9-10. Ook Portugal, Malta en het Verenigd Koninkrijk hebben een aantal weigeringsgronden geïmplementeerd die niet stroken met het kaderbesluit.

63 S. ALEGRE & M. LEAF, o.c., 202; J APAP & S. CARRERA, “Judicial Cooperation...”, o.c., 13-14; M.H. DESCAMPS, o.c., 104.

64 H.v.J., 17 december 1970, zaak 11/70, Internationale Handelsgesellschaft, Jur. 1970, 1125.

65 Het Hof van Justitie blijkt overigens wel degelijk belang te hechten aan de preambules en het feit dat daarin soms naar niet bindende grondrechten instrumenten (zoals het Handvest van de Grondrechten) verwezen wordt: zie: H.v.J., 27 juni 2006, zaak C-540/03, Europees Parlement/Raad, www.curia.eu.int, § 38.

66 Merk op dat zelfs het uitleveringsverdrag uit 1957, niet in dergelijke weigeringsgrond voorziet. Dit heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mensen er niet van weerhouden om te stellen dat staten niet mogen meewerken aan een uitlevering, indien er duidelijke aanwijzingen zijn dat de grondrechten van de betrokkene geschonden zouden worden. Zie o.a. E.H.R.M., arrest Soering / Verenigd Koninkrijk van 7 juli 1989, serie A, n° 161, http://cmiskp.echr.coe.int/tkp197/search.asp?skin=hudoc-fr (inzake het verbod op folteren) of E.H.R.M., arrest Einhorn / Frankrijk van 16 oktober 2001, n° 71555/01, http://cmiskp.echr.coe.int/tkp197/search.asp?skin=hudoc-fr (inzake un déni de justice flagrant). Dit geldt ook voor uitleveringen tussen staten die toegetreden zijn tot het E.V.R.M. Er mag dan wel in beginsel uitgegaan worden van het vertrouwen dat de ontvangende staat de bepalingen van het verdrag zal eerbiedigen, doch dit principe moet wijken indien blijkt dat de verwijderde persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan een flagrante inbreuk op de hem in gevolge het EVRM toekomende rechten: G. MAES, Noot onder EHRM 12 april 2005, Chamaïev e.a. t. Georgië en Rusland”, Tijdschrift voor vreemdelingenrecht, 2006, 129-130.

67 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, Publ. 2000, C-364, 1.

68 Verslag van de Commissie op grond van artikel 34 van het kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002

betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de



lidstaten, COM (2005) 63 def, 6. Dit standpunt werd overigens bevestigd door toenmalig Europees Commissaris, Vitorino, in een hoorzitting voor het Europees Parlement, zie hierover: F.J. FONSECA, “La orden de detencion y entrega europea”, RDCE 2003, 91.

69 Zie o.a. de jaarlijkse rapporten van het netwerk van onafhankelijke experten inzake de toepassing van fundamentele rechten binnen de EU, beschikbaar op: http://ec.europa.eu/justice_home/cfr_cdf/index_en.htm#; A. SMEULERS & J. DE VRIES, o.c., 445 e.v., die, op basis van verschillende internationale rapporten, lidstaten indelen in verschillende categorieën, naargelang het aantal mensenrechtenschendingen, dat ze op hun actief hebben. Slechts twee lidstaten hebben blijk gegeven van een ‘onberispelijk’ parcours. Zie voor een kritische analyse op het mensenrechtenbeleid binnen de Europese Unie: S. PEERS, “Human Rights and the Third Pillar”, in The EU and Human Rights, P. ALSTON (ed.), Oxford, Oxford University Press, 167 e.v. en P. ALSTON, EU Human Rights Policy: a Study in Irony, Oxford, Oxford University Press, 2003, 195, die betreurt dat de EG noch de capaciteit noch de middelen heeft om de naleving van fundamentele rechten effectief te controleren. Van het recent opgerichte bureau van de EU voor grondrechten, moet, gezien zijn beperkte bevoegdheden inzake derde pijler aangelegenheden, wellicht ook niet te veel verwacht worden. Verordening (EG) nr.168/2007 van de Raad van 15 februari 2007 tot oprichting van een Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, Publ. L-53, 22 februari 2007, p. 1-14.

70 D. FLORE & S. DE BIOLLEY, “Des organes juridictionnels en matière pénale pour l’Union Européenne”, CDE 2006, 605-707. Deze auteurs onderzoeken of de controle van een schending van fundamentele rechten in handen van de rechter van de uitvoerende of die van de uitvaardigende lidstaat dient te komen. Ze stellen vast dat beide pistes tot een onbevredigend resultaat leiden. In de eerste veronderstelling wordt afbreuk gedaan aan de idee van één justitiële ruimte; in de andere veronderstelling wordt er mogelijkewijze afbreuk gedaan aan de fundamentele rechten van de betrokkene.

71 Het E.H.R.M. pleit voor een omstandige en feitelijke beoordeling in concreto; zie: G. MAES, o.c., 130; F. SUDRE, J.P. MARGUENAUD, J. ANDRIANTSIMBAZOVINA, A. GOUTTENOIRE & M. LEVINET, Les grands arrêts de la Cour européenne des Droits de l’Homme, Paris, Thémis, 160 e.v.

72 Inzake art. 3 EVRM is het belangrijkse criteria, zoals reeds vermeld, het voorhanden zijn van ernstige aanwijzigingen (des motifs sérieux) dat de betrokkene een ernstig risisco (un risque réel) loopt op gedragingen in strijd met art. 3 E.V.R.M. Het is hierbij o.a. van belang na te gaan of de lidstaat in kwestie duidelijke garanties kan stellen met het oog op het respecteren van art. 3 E.V.R.M. Bij afwezigheid van dergelijke garanties, wordt naar andere elementen gekeken. Het aanklagen van een algemene situatie in een lidstaat zal zelden volstaan om een schending te doen vast stellen (EHRM, zaak Chamaïev, 12 april 2005, n°36378/02, http://cmiskp.echr.coe.int/tkp197/search.asp?skin=hudoc-fr, § 352). Het voor handen zijn van verscheidene internationale rapporten, kan daarentegen wel leiden tot een schending (Chamaïev, o.c., § 366-367). In het hogerop vermelde arrest Soering schijnt het E.H.R.M. een proportionaliteitstoets te introduceren waarbij alle belangen die in het spel zijn tegen elkaar afgewogen moeten worden. Voor een kritiek hierop, zie: F. SUDRE, J.P. MARGUENAUD, J. ANDRIANTSIMBAZOVINA, A. GOUTTENOIRE & M. LEVINET, o.c., 168, die stellen dat art. 3 E.V.R.M. (verbod op folteren) onder geen beding gemoduleerd mag worden in functie van de gevaarlijkheidsgraad van de betrokken persoon of het risico dat hij betekent voor de nationale veiligheid van de staat die hem uitlevert.

73 R. BLEXTOON, o.c., 258-259.

74 Merk op dat dit een mogelijkheid is, en dat de lidstaten dus niet verplicht zijn om deze garanties effectief in hun nationale wetgeving te voorzien. Het hogerop vermeld verslag van de Commissie geeft een zeer gediversifieerd beeld, waarbij sommige lidstaten één of meer van deze garanties als facultatieve of verplichte wiegeringsgrond geïmplementeerd hebben, terwijl andere lidstaten ervoor gekozen hebben om bepaalde garanties helemaal niet te implementeren. De enige garantie die alle lidstaten geïmplementeerd hebben, betreft die inzake verstekvonnissen. Zie: Annex bij het verslag van de Commissie..., o.c., 13.

75 R. BLEXTOON, o.c., 239.

76 Ibidem, waar verwezen wordt naar wetgevingen die dergelijke fictieve bepalingen bevatten.

77 Zie dienaangaande de hogergenoemde Concl. A.-G. Léger in zaak C-283/05, 28 september 2006, www.curia.eu.int, §104-107, die weliswaar betrekking hebben op een burgerlijke zaak, doch een duidelijk beeld geven van de betekenis die -in het licht van de rechtspraak van het Hof van Straatsburg- aan dit fundamentele beginsel van een eerlijk proces toegekend moet worden.

78 R. BLEXTOON, o.c., 240.

79 Indien de procedure daarentegen al afgerond werd in het buitenland en de betrokkene veroordeeld werd, kan de betrokkene, indien de uitvoerende rechter daartoe beslist, niet overgeleverd worden en ter plekke zijn straf uitvoeren (dit is immers één van de hogerop vermelde weigeringsgronden). Ook hier spelen uiteraard voornamelijk reïntegratie argumenten.

80 R. BLEXTOON, o.c., 240.

81 Voor een overzicht van de rechtspraak van het Hof van Justitie inzake Unieburgerschap, zie bijvoorbeeld: J.D. MATHER, “The Court of Justice and the Union Citizen”, European law Journal 2005, 722-743. Voor een analyse van de Europese verblijfsrichtlijn, zie: H. VERSCHUEREN, “De nieuwe Europese verblijfsrichtlijn 2004/38 sinds 30 april 2006 van toepassing: het Europese Burgerschap op kruissnelheid”, T. Vreemd 2006, 97-127.

82 Het Hof van Justitie pleit er nochtans voor dat bij het overwegen van een uitzetting van criminele Unieburgers voldoende rekening wordt gehouden met de fundamentele rechten van de betrokkene, zoals het recht op hun gezinsleven, zie bijvoorbeeld: H.v.J., zaak C-482/01, Orfanopoulos & Oliveri, Jur. 2004, I-5257.

83 Voorstel voor een kaderbesluit van de Raad over bepaalde procedurele rechten in strafprocedures binnen de gehele Europese Unie, COM (2004) 328 def.

84 C. MORGAN, “The Case for new Safeguards at EU Level – and the Objections”, 5, niet gepubliceerde tekst, die de auteur hanteerde tijdens haar presentatie op de ERA Conferentie te Trier op 23-25 Oktober 2006.

85 C. MORGAN, o.c., 10.

86 T. SPRONKEN & M. ATTINGER, Procedural Rights in Criminal Proceedings: Existing Level of Safeguards in the European Union, 2005,

http://www.ecba.org/extdocserv/Rapportprocsafeguard_webversie_bookmarks.pdf, 79-82.

87 Zoals het Kaderbesluit 2001/220/JBZ van de Raad van 15 maart 2001 inzake de status van het slachtoffer in de strafprocedure Publ. L- 82, 22 maart 2001, blz. 1–4. Dit laatste kaderbesluit is bovendien al aan bod gekomen in de rechtspraak van het Hof van Justitie, waar de correcte rechtsbasis van dit instrument op geen enkel ogenblik ter discussie werd gesteld: H.v.J., 16 juni 2005, Zaak C-105/03, Pupino, Jur. 2005, I-5285.

88Voorstel voor een kaderbesluit van de Raad over bepaalde procedurele rechten in strafprocedures binnen de gehele Europese Unie, document van de Raad van de Europese Unie, 19 juli 2006, nr. 11583/06, http://register.consilium.europa.eu/pdf/en/06/st11/st11583.en06.pdf.

89 Aangezien veel schendingen van fundamentele (proces)rechten pas aan het licht komen na een procedure voor het EHRM (voor zover dergelijke kostelijke en tijdrovende procedure al ingesteld wordt), bieden dergelijke evaluatiemechanismen, in een Unie, waar de bescherming van fundamentele rechten een bijzondere plaats inneemt, een onontbeerlijk instrument om mogelijke tekortkomingen in een vroegere fase vast te stellen en er de nodige gevolgen aan te verbinden. De negatieve houding ter zake van enkele lidstaten moet dan ook bekritiseerd worden.

90 Voorstel van het Verenigds Koninkrijk, Tsjechië, Ierland, Malta en Slovakije, voor een resolutie inzake een eerlijke procesvoering, met een bijzondere verwijzing naar het recht op toegang tot kosteloze rechtsbijstand en een tolk, annex II bij document van de Raad van de Europese Unie, 19 juli 2006, nr. 11583/06, o.c.

91 Conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad te Tampere, o.c., § 30, 31, 33, 35 en 40. Ook in latere documenten werd het belang van zo’n instrument keer op keer benadrukt. Zie o.a.: Mededeling van de Europese Commissie, Naar een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid, o.c., 6; Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement, ‘wederzijdse erkenning van definitieve beslissingen in strafzaken’, 26 juli 2000, COM (2000) 495 def, 13; Het Haags programma— Versterking van vrijheid, veiligheid en recht in de Europese Unie, Publ. C-053, 3 maart 2005, 12.Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement, ‘Het Haags Programma: tien prioriteiten voor de komende vijf jaar. Het partnerschap voor Europese vernieuwing op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht’, COM(2005) 184 def, 10 mei 2005, 10; Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement, ‘Mededeling over de wederzijdse erkenning van strafrechtelijke beslissingen en de versterking van het wederzijdse vertrouwen tussen de lidstaten’, COM(2005) 195 def, 19 mei 2005, 6; Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement, ‘Verslag over de uitvoering van het Haags programma – 2005’, COM(2006) 333 def, 28 juni 2006, 16.

92 C. MORGAN, o.c., 15.

93 De kritiek van Salditt, die stelt dat er te weinig belangstelling uitgaat naar de rechten van de verdediging en dat de Commissie dit niet belangrijk acht, deel ik dan ook niet. De Commissie vindt dit aspect wel degelijk belangrijk; het zijn enkele lidstaten die dwars liggen. Het feit dat de Commissie de idee van een Europese verdediging, zoals ze door Salditt gepromoot wordt, niet openlijk verdedigt, heeft m.i. dan ook meer met realiteitszin dan met gebrek aan interesse te maken. Hoe zouden ze lidstaten, die momenteel niet eens minimale rechten in een dwingende rechtsinstrument willen ondertekenen, warm kunnen maken voor zo’n kostelijk nieuwe organisatie? Over het ‘Euro-defence’ systeem, zie: C. NESTLER, “European defence in trans-national criminal proceedings”, paper naar voor gebracht op de hogervermelde ERA Conferentie in oktober 2006.; F. SALDITT, “Doppelte Verteidigung im einheitlichem Raum”, St. V. 2003, 137; B. SCHUNEMANN, “Fortschritte und Fehltritte in der Strafrechtspflege der EU”, G.A. 2004, 193-209.

94 Artikel 8 Kaderbesluit EAB vereist: de identiteit en de nationaliteit van de gezochte persoon; de naam, het adres, het telefoon- en het faxnummer en het e-mailadres van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit; de vermelding dat een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis, een aanhoudingsbevel of een andere voor tenuitvoerlegging vatbare gelijkwaardige rechterlijke beslissing bestaat; de aard en de wettelijke kwalificatie van het strafbaar feit; een beschrijving van de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd, met vermelding van onder meer het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de gezochte persoon bij het strafbare feit; de opgelegde straf, indien een onherroepelijk vonnis bestaat, of de in de uitvaardigende lidstaat voor het betrokken feit geldende strafmaat; indien mogelijk, andere gevolgen van het strafbaar feit.

95 In casu blijkt dat bijna de helft van de lidstaten een Engelstalige vertaling accepteert: zie Annex bij het verslag van de Commissie...., o.c., 16-17.

96 Annex bij het verslag van de Commissie...., o.c., 20.

97 H.v.J., 16 juni 2005, Zaak C-105/03, Pupino, Jur. 2005, I-5285.

98 Indien de betrokkene instemt, dient de overlevering binnen 10 dagen plaats te vinden. In de overige gevallen geldt een termijn van zestig dagen, die uitzonderlijk en eenmalig met dertig dagen verlengd kan worden (art. 17 KB EAB).

99 Indien de informatie niet tijdig toekomt, wordt het EAB conform de nationale wetgeving van zeven lidstaten geweerd en de betrokkene terug in vrijheid gesteld. Commissie, ‘Verslag....’, o.c., 16.

100 I. JEGOUZO, o.c., 358; M. PLACHTA, o.c., 188.

101 A. WINANTS, o.c., 84. Deze bezorgdheid werd ook geuit door rechters uit verscheidene lidstaten gedurende de reeds aangehaalde ERA Conferentie van oktober 2006. Dergelijke bekommernissen, hebben sommige lidstaten er wellicht van weerhouden om de mogelijkheid van beroepsprocedures te voorzien. Uit onderzoek van de Commissie, dat op diezelfde ERA Conferentie toegelicht werd door I. Pérignon, blijkt dat de maximum termijn van 90 termijnen slechts in 5 % van de overleveringen overschreden wordt. De gemiddelde duur van een overlevering bedroeg in 2005 42 dagen, hetgeen een opmerkelijke vooruitgang betekent in vergelijking met het oude uitleveringsregime.

102 Dit was wél het geval in het oorspronkelijke voorstel van de Commissie (art. 21 COM (2001) 215). Onder de vigerende regeling wordt de betrokken lidstaat enkel verzocht Eurojust hieromtrent in te lichten (art. 17.7 KB EAB).

103 Verslag van de Commissie op grond van artikel 34 van het kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002

betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de



lidstaten, COM (2005) 63 def, 7.

104 Zo kondigde I. Pérignon, administrateur bij de Europese Commissie, op de hogervermelde ERA Conferentie trots aan dat in 2005 maar liefst 85% van de overleveringsverzoeken effectief uitgevoerd werd (terwijl dit in 2004 nog maar 60% bedroeg).

105 Voor een kwantitatief overzicht van het aantal bestudeerde arresten en het daarop betrekking hebbende aantal toegekende en geweigerde overleveringen, cfr. infra: het schematisch overzicht in bijlage 1.

106 High Court, 15 februari 2006, Hunt, http://www.bailii.org/form/search_cases.html; High Court, 23 februari 2006, Hall, http://www.bailii.org/form/search_cases.html. In de zaak Hunt werd de beslissing van de rechter in eerste aanleg vernietigd en werd beslist dat de niet vermelding van de Belgische wetsbepaling in een EAB m.b.t. het misdrijf witwassen van geld, voldoende was om de overlevering te weigeren. In de zaak Hall, die betrekking had op drugshandel en waar Duitsland nagelaten had de Duitse wetsbepaling op te geven, viel hetzelfde verdict.

107 High Court, 27 juni 2006, Von der Pahlen, http://www.bailii.org/form/search_cases.html; High Court 5 juli 2006, Pillar, http://www.bailii.org/form/search_cases.html. In Von der Pahlen aanvaardde de High Court het argument van de verdediging dat de omschrijving van fraude, bedrog en frauduleus faillissement in het voor handen zijnde EAB onvoldoende was, omdat het Oostenrijkse EAB niet voldoende verduidelijkt had wie de (concrete) slachtoffers waren; welke bedragen per afzonderlijk feit voorwerp waren van de fraudezaken (nu was er enkel een totaal bedrag vermeld) en waaruit de fraude precies bestond (de betrokkene bood valselijk aan eensgezinswoningen te verkopen, maar wat verkocht hij dan in feite: iets anders of niets?). De High Court erkent dat het niet eenvoudig is om uit te maken wanneer er precies sprake is van een onvolledige omschrijving -en waagt zich dan ook niet aan een antwoord hierop- , ze stelt enkel dat het in casu onvoldoende is (§22-23). Ook in Pillar, een andere fraude zaak wordt de overlevering geweigerd wegens onvoldoende informatie.

108 House of Lords, 17 november 2005, Armas, http://www.bailii.org/form/search_cases.html, §23-24.

109 High Court, 7 april 2006, Vey, http://www.bailii.org/form/search_cases.html. De overlevering werd geweerd in deze zaak, die handelde over de moord op een gehandicapt kind, omdat de High Court, er zelfs na een schriftelijke toelichting van het Franse openbaar ministierie, niet van overtuigd raakte dat de betrokkene in verdenking gesteld was. Ook in de zaak Mollica is deze vraag aan de orde, maar slagen de Italiaanse autoriteiten er wél in om duidelijk te maken dat de betrokkene in verdenking gesteld was. De High Court betreurt wel dat er zoveel tijd verloren is gegaan en dat dit vermeden had kunnen worden, indien het EAB op dit punt naar behoren was ingevuld. High Court, 14 december 2005, Parasiliti-Mollica, http://www.bailii.org/form/search_cases.html, §15. Ook de House of Lords veroordeelt ten zeerste praktijken waarbij de overlevering van verdachten enkel gevraagd wordt met het oog op een ondervraging om meer bewijselementen te vergaren, doch zonder dat de betrokkene al in beschuldiging gesteld is. House of Lords, 17 november 2005, Cando Armas, http://www.bailii.org/form/search_cases.html, §54.

110 De cruciale vraag voor de Engelse rechter in de zaak Vey was of de betrokkene een verdachte of een beschuldigde was. Het Franse openbaar ministerie antwoordde dat de betrokkene naar Frans recht ‘mise en examination’ was (een statuut dat zich ergens bevindt tussen ‘verdachte’ en ‘beschuldigde’). Het Franse openbaar ministerie lichtte toe dat deze fase betekende dat er ernstige aanwijzingen van schuld voorhanden waren, die het waarschijnlijk maakte dat de gezochte persoon betrokken was bij de moord en dat ze enkel nog door de onderzoeksrechter ondervraagd kon worden (§23). De District Judge had geoordeeld dat hiermee aangetoond was dat naar Frans recht de moordzaak officieel geopend was en de betrokkene overgeleverd kon worden (§25). De High Court was echter niet overtuigd en beslist uiteindelijk o.a. op basis van een arrest van het Franse Hof van Cassatie, dat de betrokkene zich (wellicht) niet in de fase van mise en examination bevond (§56).

111 High Court, 15 april 2005, Palar, http://www.bailii.org/form/search_cases.html, §9-11, waar de betrokkene verdacht werd van fraude in creditcards. In de beschrijving van de feiten werd echter vooral het daderschap van andere daders in de verf gezet en de betrokkenheid van de vermeende dader was beperkt tot een telefoongesprek, waaruit de Belgische autoriteiten hadden afgeleid dat hij could be involved. De High Court vond dit dermate vaag en onvolledig dat er geen sprake kon zijn van een ‘strafbare gedraging’ in hoofde van de betrokkene.

112 High Court, 5 april 2006, Fofana & Belise, http://www.bailii.org/form/search_cases.html; §39.

113 High Court, 15 februari 2006, Boudhiba, http://www.bailii.org/form/search_cases.html, §21.

114 High Court, 4 mei 2006, Dabas, http://www.bailii.org/form/search_cases.html, § 33. Advocaten, die inriepen dat een loutere vermelding van het wetsartikel onvoldoende was en dat de hele wettekst zou moeten bijgevoegd worden, werden in het ongelijk gesteld. High Court, 15 februari 2006, Boudhiba, http://www.bailii.org/form/search_cases.html, §29-30.

115 High Court, 20 oktober 2004, Cando Armas http://www.bailii.org/form/search_cases.html.

116 High Court, 26 mei 2006, Hilali, http://www.bailii.org/form/search_cases.html, § 17-18. Toch maakt de afweging die de rechter maakt, duidelijk dat er een opening gelaten wordt om een overlevering eventueel toch te weigeren indien de identiteitsgegevens niet zouden kloppen. Dit wordt ook in de zaak Nur duidelijk, waar de betrokkene erop wees dat zijn Somalische naam een zeer frequente naam is, die verwisseling niet uitsluit en hij verzocht dan ook dat er via het opvragen en vergelijken van foto’s meer uitsluitsel geboden zou worden. De High Court, verwerpt zijn beroep omdat de betrokkene dit argument niet op de eerste hoorzitting heeft ingeroepen, zoals de wet vereist. High Court, 10 augustus 2005, Nur,

http://www.bailii.org/form/search_cases.html, § 19.

117 Zie o.a.: Rechtbank Amsterdam, 2 juli 2004, zaak 13/097056-04, http://www.rechtspraak.nl/default.htm; Rechtbank Amsterdam, 6 augustus 2004, zaak 13/097065-2004, http://www.rechtspraak.nl/default.htm. Soms is er zelfs na bijkomende informatie toch nog onduidelijkheid en wordt er niet overgeleverd: Rechtbank Amsterdam, 13 mei 2005, zaak 13/497075-2005, http://www.rechtspraak.nl/default.htm. Uitzonderlijk moet er herhaaldelijk aangedrongen worden voor het verkrijgen van bijkomende informatie, en indien die er niet komt, wordt de overlevering geweigerd: Rechtbank Amsterdam, 8 oktober 2004, zaak 13/097.111-04, http://www.rechtspraak.nl/default.htm In twee alleenstaande gevallen was het EAB in zo’n erbarmelijke staat opgesteld, dat de overlevering onmiddellijk geweigerd werd, zonder bijkomende informatie op te vragen: Rechtbank Amsterdam, 17 juni 2005, zaak 13/497.211-2005, http://www.rechtspraak.nl/default.htm, waar de uitvaardigende (Belgische) autoriteit noch de feiten, noch de strafduur, noch de betrokkenheid verduidelijkt had. Eenzelfde nonchalance werd vastgesteld bij een Spaanse overleveringsverzoek, dat hetzelfde lot onderging: Rechtbank Amsterdam, 29 juli 2005, zaak 13/497.221-2005, http://www.rechtspraak.nl/default.htm. Uitzonderlijk werd de overlevering, zonder bijkomend opgevraagde informatie, geweigerd omdat de toepasselijke Duitse wetsbepaling inzake het misdrijf ‘informaticacriminaliteit’ (een lijstfeit) ontbrak: Rechtbank Amsterdam, 25 oktober 2005, zaak 13/497.352-2005, http://www.rechtspraak.nl/default.htm.

118 Rechtbank Amsterdam, 13 oktober 2006, zaak 13497422-2006, http://www.rechtspraak.nl/default.htm, waar de betrokkene voorhield dat hij de feiten niet gepleegd kon hebben omdat hij op dat ogenblik in de gevangenis zat. Uit bijkomende informatie bleek dat de vermelde datum van de gepleegde feiten verkeerd was.

119 Zo werd bij een EAB, waar op het eerste zicht van uitlokking sprake was geweest, dit aspect niet verder onderzocht mocht worden, omdat dit de bewijswaarde betreft. Rechtbank Amsterdam, 17 december 2004, zaak 13/097254-2004, http://www.rechtspraak.nl/default.htm. In een andere zaak werd niet ingegaan op het verzoek om bijkomende informatie op te vragen inzake geldbedragen, die op de bankrekening van de betrokkene geplaatst waren. Dit heeft immers betrekking op de verdenking (witwassen), en behoort dus niet tot de taak van de overleveringsrechter: Rechtbank Amsterdam, 15 oktober 2004, zaak 13/097173-04, http://www.rechtspraak.nl/default.htm

120 Rechtbank Amsterdam, 27 augustus 2004, zaak 13.097.114-2004, http://www.rechtspraak.nl/default.htm

121 Rechtbank Amsterdam, 27 mei 2005, zaak 13.097.110-2005, http://www.rechtspraak.nl/default.htm

122 Rechtbank Amsterdam, 9 juli 2004, zaak 13/097066-04, http://www.rechtspraak.nl/default.htm

123 Zo is er bijvoorbeeld geen probleem om de overlevering toe te staan indien in de vertaalde versie het misdrijf niet aangekruist staat (maar wel in de originele versie): Rechtbank Amsterdam, 8 oktober 2004, zaak 13/097.023-04, http://www.rechtspraak.nl/default.htm, of vice versa: Rechtbank Amsterdam, 17 december 2004, zaak 13/097254-2004, http://www.rechtspraak.nl/default.htm. Ook een verschil in de beschrijving van de feiten tussen het originele EAB (1000 gram cocaïne) en de vertaling (100 gram cocaïne) wordt afgehandeld als een kennelijke schrijffout en niet gesanctioneerd: Rechtbank Amsterdam, 24 december 2004, zaak 13/097256-2004, http://www.rechtspraak.nl/default.htm. Idem voor een andere datum in het origineel versus de vertaling: Rechtbank Amsterdam, 2 september 2005, zaak 13/497279-2005, http://www.rechtspraak.nl/default.htm. Of soms wordt erkend dat de vertaling inderdaad erbarmelijk is, maar wordt gesteld dat de minimumelementen weliswaar aanwezig zijn: Rechtbank Amsterdam, 3 maart 2006, zaak 13/497556-2005, http://www.rechtspraak.nl/default.htm.

124 Zie bijvoorbeeld: Audiencia Nacional (sala de lo penal), 1 april 2004, zaak 23/2004, www.laley.es

125 Ook niet voor een goed geïntegreerde burger, met familie en job en een blanco strafblad, die volhield dat hij onschuldig was. Aangezien de overige identiteitsgegevens wel overeenstemden, was dit de gezochte man: Audiencia Nacional (sala de lo penal), 15 juni 2004, zaak 46/2004, www.laley.es. In een andere zaak hield de betrokkene vol dat hij nooit een voet in Duitsland gezet had en dat er dus sprake moest zijn van een identiteitswisseling. Aangezien alle identiteitsgegevens echter overeenstemden en er bovendien ook een foto toegevoegd was, waar de betrokkene erg op leek, werd ook dit verweer afgeketst: Audiencia Nacional (sala de lo penal), 12 november 2004, zaak 197/2004, niet gepubliceerd.

126 Audiencia Nacional (sala de lo penal), 9 oktober 2006, zaak 23/2004, niet gepubliceerd. In deze zaak vroeg het openbaar ministerie geen overlevering omdat de overlevering blijkbaar betrekking had op een resterende straf van amper zeven dagen, voor het niet nakomen van een onderhoudsverplichting jegens de dochter van de betrokkene. Na bijkomende informatie bleek dit niet te kloppen: de betrokkene was nog niet berecht en kon tot twee jaar veroordeeld worden. De minima vereisten waren dus wel vervuld en de betrokkene werd overgeleverd.

127 Cass., 26 mei 2004, zaak P040779F, www.juridat.be; Cass. 21 September 2005, zaak P051270F, www.juridat.be

128 Cass. 1 maart 2006, zaak P060280F, www.juridat.be

129 Cass. 8 december 2004, zaak P041562F, www.juridat.be; Cass. 8 december 2004, zaak P041540F, www.juridat.be

130 Cass. 8 december 2004, zaak P041562F, www.juridat.be

131 Cass. 5 oktober 2004, zaak P041286N, www.juridat.be

132 Cass. 21 februari 2006, zaak P060243N, www.juridat.be

133 Cass. 8 december 2004, o.c.; Zo oordeelde het Hof in Cass., 26 mei 2004, o.c. dat de beschrijving dat ‘de betrokkene als lid van een Ituren commando van de ETA van september 1998 tot juni 2000 beschikte over een pand dat voor terroristische acties aangewend werd en waar springstof aangetroffen werd, alsook gereglementeerde wapens, oorlogswapens en munitie’, voldeed als omschrijving.

134 Cass. 8 december 2004, zaak P060280F, o.c.

135 Cass. 1 maart 2006, o.c.

136 Cass. 8 december 2004, zaak P041562F, o.c.

137 Cass. 8 december 2004, o.c.

138 Cass. 1 maart 2006, o.c.

139 Cass., 23 mei 2006, zaak P060707N, www.juridat.be

140 Cass. (fr.), 1 september 2004, zaak 04-84987, http://www.legifrance.gouv.fr/Cass. (fr.), 19 april 2005, zaak 05-81677, http://www.legifrance.gouv.fr/; Cass. (fr.), 19 april 2005, zaak 05-81692, http://www.legifrance.gouv.fr/

141 Cass. (fr.), 31 maart 2005, zaak 05-81260, http://www.legifrance.gouv.fr/ : in casu was het bijkomend opgevraagde document voldoende duidelijk om weer te geven in welke mate de betrokkene lid was van de terroristische organisatie (ronselen van terroristen en informatie verzamelen m.o.o. het plegen van terroristische aanslagen); Cass. (fr.), 30 maart 2005, zaak 05-81221, http://www.legifrance.gouv.fr/;

142 Cass. (fr.), 19 april 2005, zaak 05-81692, http://www.legifrance.gouv.fr/. De betrokkene had dit trouwens nooit eerder opgeworpen.

143 Cass. (fr.), 12 juli 2006, zaak 06-84256, http://www.legifrance.gouv.fr/ De omissie inzake nationaliteit wordt niet relevant geacht omdat het EAB betrekking heeft op de vervolging van de betrokkene en niet op de uitvoering van een straf.

144 Cass. (fr.), 8 juni 2005, zaak 05-82801, http://www.legifrance.gouv.fr/

145 Cass. (fr.), 28 september 2004, zaak 04-85329, http://www.legifrance.gouv.fr/

146 Voor een gedetailleerd overzicht van het type misdrijven waarvoor per lidstaat overlevering gevraagd werd, cfr. infra: Bijlage 2.

147 Zie bijvoorbeeld het hogerop in voetnoot vermelde arrest Palar.

148 High Court, Boudhiba, o.c., §41.

149 Het Verdrag van de Raad van Europa vereist echter niet dat de juridische terminologie van de strafbare gedraging identiek is in beide staten, zie: Rapport explicatif de la Convention STE 070, remarques ad art. 4, http://conventions.coe.int/Treaty/FR/Reports/html/070.htm

150 Rechtbank Amsterdam, 28 april 2006, zaak 13.497.106-2006, http://www.rechtspraak.nl/default.htm. Zo kon het desbetreffende misdrijf, dat als fraude gekwalificeerd was, onder het Nederlandse misdrijf ‘valse aangiften’ teruggebracht worden. De dubbele strafbaarheid was dus in orde. Rechtbank Amsterdam, 17 december 2004, zaak 13/097.216-2004, http://www.rechtspraak.nl/default.htm: de dubbele strafbaarheidstoets slaagt inzake een gewapende overval en een ontvoering, maar niet inzake gevangenismuiterij, omdat dit niet strafbaar is in Nederland. Rechtbank Amsterdam, 11 maart 2005, zaak 13.497.011-05, http://www.rechtspraak.nl/default.htm, de dubbele strafbaarheidstoets slaagt inzake het misdrijf ‘telefoonterreur’. Hoewel de Nederlandse strafwetgeving het misdrijf ‘telefoonterreur’ niet kent onder die benaming, kan het teruggebracht worden onder het misdrijf ‘bedreiging’.

151 Rechtbank Amsterdam, 22 maart 2006, zaak 13.097.128-2004, http://www.rechtspraak.nl/default.htm; Rechtbank Amsterdam, 5 november 2004, zaak 13.097.177-2004, http://www.rechtspraak.nl/default.htm waar in beide gevallen het misdrijf ‘deelname aan een criminele organisatie’ ter discussie stond, en de rechtbank de overlevering uiteindelijk weigerde omdat er geen sprake scheen te zijn van een gestructureerd samenwerkingsverband of een bepaalde organisatiegraad, die op een zekere bestendigheid wees. Rechtbank Amsterdam, 11 maart 2005, zaak 13.497.011-05, http://www.rechtspraak.nl/default.htm, de dubbele strafbaarheidstoets slaagt niet inzake ‘belaging’. ‘Belaging’ staat weliswaar in het Nederlandse strafwetboek maar de rechtbank is van oordeel dat de typische (Nederlandse) kenmerken voor dit misdrijf ontbreken, nl. het stelselmatig, opzettelijk inbreuk maken op een andermans persoonlijke levenssfeer.

152 Rechtbank Amsterdam, 24 december 2004, zaak 13.097.250-2004, http://www.rechtspraak.nl/default.htm, waar de toets m.b.t. het misdrijf ‘illegale handel in verdovende middelen’ slaagde. Zie daarentegen: Rechtbank Amsterdam, 23 juli 2004, zaak 13.097.059-2004, http://www.rechtspraak.nl/default.htm, waar de Nederlandse rechtbank op basis van de omschrijving een onderscheid maakte tussen de drughandel, waarvoor de overlevering toegestaan werd en het drugbezit, waarvoor de overlevering niet toegestaan werd. Zie ook Rechtbank Amsterdam, 1 maart 2005, zaak 13/097.298-04, waar de rechtbank oordeelde dat het feit dat de betrokkene 13.600.000 escudo’s transporteerde waarbij hij geen verklaring kon geven betreffende de herkomst, onvoldoende was om hem voor het lijstfeit ‘witwassen van geld’ over te leveren. De Nederlandse rechtbank deinst er niet voor terug om hier zelf de Spaanse wetgeving ter zake te analyseren.

153 Overlevering voor dit lijstfeit werd maar liefst in vijf van de zeven zaken waarin het aan bod kwam, geweigerd, zie: Rechtbank Amsterdam, 3 september 2004, zaak 13.097.123-2004, http://www.rechtspraak.nl/default.htm; Rechtbank Amsterdam, 5 november 2004, zaak 13.097.167-2004, http://www.rechtspraak.nl/default.htm; Rechtbank Amsterdam, 19 november 2004, zaak 13.097.189-2004, http://www.rechtspraak.nl/default.htm; Rechtbank Amsterdam, 22 maart 2006, zaak 13.097.128-2004, http://www.rechtspraak.nl/default.htm; Rechtbank Amsterdam, 2 juni 2006, zaak 13.097.177-2006, http://www.rechtspraak.nl/default.htm. Een uitzonderlijk geval waar het wél gehonoreerd werd, was in een zaak waar de betrokkene ook voor terrorisme gezocht werd: Rechtbank Amsterdam, 20 augustus 2004, zaak 13.097.117-2004, http://www.rechtspraak.nl/default.htm.

154 Enkel inzake ‘belaging’ en ‘bedreiging’ werd niet overgeleverd omdat het misdrijf resp. niet strafbaar was in Nederland of niet aan de vereiste minimum strafduur beantwoordde in de wetgeving van de uitvaardigende lidstaat: Rechtbank Amsterdam, 11 maart 2005, zaak 13.497.011-05, http://www.rechtspraak.nl/default.htm; Rechtbank Amsterdam, 7 februari 2006, zaak 13.497.485-2005, http://www.rechtspraak.nl/default.htm.

155 Ze benadrukt dat het volstaat dat het misdrijf in de wetgeving van de uitvaardigende lidstaat strafbaar gesteld wordt en oordeelt dat het niet langer vereist is dat de gedraging ook in de uitvoerende lidstaat strafbaar is: Audiencia Nacional (sala de lo penal), 10 februari 2004, www.laley.es

156 Zo werd o.a. geoordeeld dat het louter in het bezit zijn van 7 ampules van de medicamenten relanium en diaxepam (0,070 gr. diaxepam) in Spanje niet strafbaar was , doch integendeel zeer frequent gebruikt werden als geneesmiddel en mits doktersvoorschrift vrij verhandelbaar waren in Spanje. De overlevering werd bijgevolg geweigerd aan Litouwen. In een andere zaak werd een overlevering deels ingewilligd (inzake diefstal) doch deels geweigerd (inzake het rijden zonder rijbewijs en het in bezit zijn van een spray) aan Zweden: Audiencia Nacional (sala de lo penal), 30 september 2005, zaak 161/04, www.laley.es.

157 Audiencia Nacional (sala de lo penal), 15 juli 2005, zaak 61/05, www.laley.es. De betrokkene was een stal binnengedrongen en had er een aantal lammeren gestolen, die hij even later verkocht had op een markt. Het openbaar ministerie oordeelde dat er sprake was van falta de hurto, waarvoor overlevering niet plaats kon vinden. De rechtbank oordeelde echter dat er op basis van de feiten sprake was een zwaardere kwalificatie, namelijk robo, die wel aan de minima voldeed voor een overlevering.

158 Zie o.a.: Cass. (fr.), 31 maart 2005, zaak 05-81260, http://www.legifrance.gouv.fr/; Cass. (fr.), 30 maart 2005, zaak 05-81221, http://www.legifrance.gouv.fr/

159 Cass. (fr.), 5 augustus 2004, zaak 04-84529, http://www.legifrance.gouv.fr/. Zo werd enerzijds bedrog, oplichting, misbruik van vertrouwen, misbruik van activa en het organiseren van een frauduleuze insolvabiliteit tot het generieke misdrijf ‘fraude’ gerekend. Anderzijds werd het toekennen van voordelen aan bepaalde schuldeisers ten nadele van de massa, het in gebreke blijven een faillissement aan te geven en het niet te woord staan van de curator, niet als fraude beschouwd (want niet strafbaar in Frankrijk) en werd de overlevering daarvoor geweigerd. Zie ook Cass. (fr.), 5 augustus 2005, zaak 04-84511, http://www.legifrance.gouv.fr/, waar beslist werd dat ‘uitgifte van een niet gedekte cheque’ niet onder fraude viel en hiervoor dus niet overgeleverd kon worden. Idem voor ‘de valse verklaring onder eed, buiten een gerechtelijke procedure om’ in Cass. (fr.), 14 september 2005, zaak 04-84999, http://www.legifrance.gouv.fr/

160 Cass. (fr.), 29 november 2006, zaak 06-87993, http://www.legifrance.gouv.fr/. Voor het Tsjechische misdrijf ‘antisociaal gedrag’ werd geen equivalent gevonden in het Franse strafwetboek.

161 Cfr. infra, deel III.

162 High Court, Fofana & Belise, o.c., §25 en §29. De twee betrokkenen werden dan ook niet overgeleverd voor fraude in een georganiseerde bende.

163 In de hogervermelde terrorisme zaak, Boudhiba, werd de betrokkene eveneens beschuldigd van het gebruiken van een vals paspoort. Hij riep non bis in idem in maar dit werd niet toegekend omdat de vroegere veroordeling betrekking had op het gebruik van een ander vals paspoort, op een ander tijdstip en op een andere plaats. High Court, o.c., §31-32.

164 In een zaak waar de betrokkene veroordeeld was geweest voor het bezit van heroïne, werd het argument van het openbaar ministerie, dat dit niet hetzelfde was als de aankoop van de heroïne verworpen door de rechtbank. Er was wel degelijk sprake van één feitencomplex en non bis in idem werd toegepast. In andere drugszaken heeft non bis in idem enkel toepassing op een deel van het feitencomplex, en wordt de overlevering gedeeltelijk toegekend: Rechtbank Amsterdam, 20 januari 2006, zaak 13.497.524-2005, http://www.rechtspraak.nl/default.htm

165 Rechtbank Amsterdam, 27 mei 2005, zaak 13.497.236-2005, http://www.rechtspraak.nl/default.htm. De betrokkene werd indertijd door de Britse autoriteiten vervolgd voor cannabis, die hij in 1989 van het Verenigd Koninkrijk naar Frankrijk vervoerd had. Uit de nog voor handen zijn documentatie was het niet geheel duidelijk of hij vrijgesproken was of dat de vervolging vroegtijdig beëindigd was (“they dropped charges”). Aangezien de Britse autoriteiten het dossier vernietigd hadden, genoot de betrokkene het voordeel van de twijfel en werd hij niet overgeleverd aan Frankrijk.

166 Rechtbank Amsterdam, 27 mei 2005, zaak 13.097.110-2005, http://www.rechtspraak.nl/default.htm: De advocaat van de betrokkene riep non bis in idem in omdat het misdrijf, waarvoor de overlevering gevraagd werd (in casu: witwassen van geld), in feite ook om drughandel ging, waarvoor de betrokkene reeds in het Verenigd Koninkrijk veroordeeld was. Dit werd terecht niet aanvaard. Zie ook: Rechtbank Amsterdam, 23 juni 2006, zaak 13.497.269-2006, http://www.rechtspraak.nl/default.htm, i.v.m. een drugszaak waar de betrokkene non bis in idem inriep omdat er een transactie afgesloten was geweest. Het O.M. wees er echter op dat deze transactie op andere drugsfeiten betrekking had, aangezien ze dateerde van voor het tijdstip waarop de nieuwe feiten gepleegd waren. De rechtbank van Amsterdam volgde het parket hierin en weigerde non bis in idem toe te passen.

167 Rechtbank Amsterdam, 25 oktober 2005, zaak 13.497.352-2005, http://www.rechtspraak.nl/default.htm.

168 Audiencia Nacional, Sala de lo penal, 3 juni 2004, zaak 60/2004, www.laley.es

169 Cass. (fr.), 15 maart 2006, zaak 06-80928, http://www.legifrance.gouv.fr/, waar de Cour de Cassation erop wees dat het innen van een cheque die niet voor de betrokkene bestemd was, iets heel anders is dan feitelijke hulp bieden aan de ontsnapping van personen in voorlopige hechtenis; Cass. (fr.), 29 maart 2006, zaak 06-81183, http://www.legifrance.gouv.fr/.

170 Cass. (fr.), 26 april 2006, zaak 06-82164, http://www.legifrance.gouv.fr/. In casu had de chambre d’instruction dit onvoldoende gecontroleerd en zonder meer non bis in idem toegepast.

171 Art. 65 (2) Extradition Act 2003 stelt dat er sprake is van een extradition offence indien de volgende drie voorwaarden vervuld zijn:

-the conduct occurs in the category 1 territory and

1   2   3   4   5   6   7   8   9   10


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina