Studenten die het gehele tentamen maken, maken alle opgaven (1 t/m 7) Het gehele tentamen is van 00 tot en met 12. 00 uur



Dovnload 50.98 Kb.
Datum17.08.2016
Grootte50.98 Kb.

Tentamen Microeconomie (31 oktober 2008)




Voordat u begint met het tentamen: lees dit voorblad goed!!!




Studenten die het gehele tentamen maken, maken alle opgaven (1 t/m 7)

Het gehele tentamen is van 9.00 tot en met 12.00 uur.



Studenten die alleen deel C maken, maken alleen de opgaven 4, 5, 6 en 7

Het tentamen voor deel C is van 9.00 uur tot en met 11.00 uur.

Indien je na 11.00 uur het door jou gemaakte werk inlevert, wordt je geacht aan het gehele tentamen te hebben deelgenomen!

Deel C mag je alleen maken als je zowel op deeltoets A als op deeltoet B minimaal het cijfer 4.5 hebt behaald.


Je mag voor 10.00 uur de zaal niet verlaten.
Dit tentamen bestaat uit 7 opgaven en 33 vragen.

Voor elke vraag kunnen maximaal 3 punten behaald worden.

Als je het volledige tentamen maakt, kun je totaal 99 punten behalen.

Als je alleen deel C maakt, kun je maximaal 42 punten behalen.


Vergeet niet op alle bladen die je inlevert, je naam en je collegekaartnummer te vermelden.
Op je tentamentafel mag alleen schrijfgerei liggen. Je mag dus niet van een rekenmachine gebruik maken.
Op je tentamentafel mag alleen door de surveillant uitgereikt papier liggen!

Eigen kladpapier mag dus niet gebruikt worden.


Je tas dient afgesloten te zijn.

Telefoons dienen uitgeschakeld te zijn en in je tas opgeborgen te worden
Je kunt alleen naar het toilet als u toestemming van de surveillant heeft.
Indien door de surveillant fraude wordt geconstateerd, kun je voor maximaal een jaar van al het onderwijs bij de faculteit worden uitgesloten.
De uitslag van dit tentamen wordt op maandag 10 november gepubliceerd.

Een uitwerking van dit tentamen is vanaf 9 november op Blackboard te vinden.


Voor inzage van het door jou gemaakte tentamen en nabespreking daarvan kun je per mail een afspraak maken (p.l.hilkhuysen@uva.nl). De inzage en nabespreking vindt plaats op donderdag 13 november.
Dit tentamen bestaat inclusief voorpagina uit 5 pagina’s.
Dit tentamen mag je na afloop meenemen.

Veel succes!!!

Lees het onderstaande goed!

Studenten die het gehele tentamen maken, maken alle opgaven (1 t/m 7)

Het gehele tentamen is van 9.00 tot en met 12.00 uur.



Studenten die alleen deel C maken, maken alleen de opgaven 4, 5, 6 en 7

Het tentamen voor deel C is van 9.00 uur tot en met 11.00 uur.



Indien je na 11.00 uur het door jou gemaakte werk inlevert, wordt je geacht aan het gehele tentamen te hebben deelgenomen!

Deel C mag je alleen maken als je zowel op deeltoets A als op deeltoet B minimaal het cijfer 4.5 hebt behaald.


Opgave 1

Voor Anna, die haar inkomen alleen aan de goederen X en Y besteedt, geldt de volgende nutsfunctie: U(X,Y) = (X+1)Y. Anna streeft naar nutsmaximering.

Zowel haar besteedbare inkomen (M) als de prijzen van de goederen X en Y (PX en PY) zijn voor Anna gegeven grootheden.


    1. Voldoen de preferenties van Anna aan de eisen van ‘monotonicity’ en ‘convexity’? Geef een duidelijke uitleg waarom de preferenties van Anna wel of niet voldoen.


Antwoord:

Ja: Zie par. 3.5 in Varian. De nutsfunctie is stijgende functie van X en van Y, dus de preferenties voldoen aan de eisen van “monotonicity”. De indifferentiecurve wordt gegeven door U(X,Y) =C, waarin C een willekeurige constant is. Dat levert Y=C/(X+1), wat een vergelijking van een hyperbool curve is. Rechts van deze curve ligt een convexe verzameling. Daarom voldoen de preferenties van Anna ook aan de eisen van “convexity”.



    1. Leidt de marginale substitutievoet (MRS) voor Anna af.

Wat voor gedrag vertoont de MRS van Anna als zij meer van goed X gaat consumeren.

Laat zien hoe je aan je antwoord bent gekomen.


Antwoord:

MRS = – MU_1/MU_2 (zie 3.6 en 4.5 in Varian). Het marginale nut van goed X is gelijk aan de partiële afgeleide van de nutsfunctie naar X, zodat MU_1 = Y. Ook rekenen we dat MU_2 = X+1, en dus MRS = – Y/(X+1).




    1. Aan welke twee voorwaarden moet voldaan zijn als er sprake is van nutsmaximering.

Leg je antwoord uit met behulp van een figuur.
Antwoord:

Deze voorwaarden zijn MRS = PX / PY en M = PX X + PY Y, zie 5.1 en 5.2 in Varian. In woorden: ten eerste, moet de marginale substitutie voet dezelfde zijn als de verhouding van de prijzen (in het optimaal punt raakt de budget lijn de indifferentiecurve). Ten tweede, moet het optimaal punt ook op de budget lijn liggen.




    1. Leidt de vraagfunctie voor goed X af.


Antwoord:

X = (M - PX)/(2PX)





    1. Leidt de vraagfunctie voor goed Y af.


Antwoord:

Y = (M + PX)/(2PY)


Voor Anna wordt vervolgens voor de hierna komende vragen het volgende gegeven:

Het besteedbare inkomen (M) van Anna bedraagt 9 euro

De prijs van goed X is 1 euro en de prijs van goed Y is ook 1 euro.

De prijs van goed X stijgt van 1 naar 2 euro.




    1. Hoe groot is de verandering in de vraag naar goed X als gevolg van de prijsstijging van goed X. Laat zien hoe je aan je antwoord bent gekomen.


Antwoord:

Als PX = 1 dan X = (9-1)/2 = 4, en als PX = 2 dan X = (9-2)/4 = 1.75. Dus de verandering ΔX = 1.75 – 4 = -2.25.




    1. Bereken de grootte van het substitutie-effect.

Laat zien hoe je aan je antwoord bent gekomen.
Antwoord:

Als PX = 1, dan X = 4. Voor PX = 2 kunnen we rekenen dat ΔM = (2-1)*4 = 4 en M+ = 13. Voor het inkomen M+ hebben we X+ = (13-2)/4 = 2.75. Dus SE = 2.75 – 4 = -1.25.




    1. Bereken de grootte van het inkomenseffect.

Laat zien hoe je aan je antwoord bent gekomen.
Antwoord:

Voor de prijs PX = 2 en het inkomen M=9 de vraag voor X is gelijk aan 7/4. Voor het inkomen M=13 rekenen we de vraag voor X als 11/4. Dus het inkomenseffect IE = -1.




    1. Wat voor type goed (normaal, inferieur of Giffen) is goed X.

Geef een duidelijke uitleg. Gebruik hierbij een figuur.
Antwoord:

Normaal goed, omdat IE en SE elkaar versterken.


Opgave 2
Voor een onderneming geldt de volgende productiefunctie: Q = L0.5K0.5; hierin stelt Q de output voor, L de hoeveelheid arbeid en K de hoeveelheid kapitaal.

De prijs van arbeid (w) bedraagt 1000 euro en de prijs van kapitaal (r) bedraagt 250 euro.





    1. Leidt voor deze onderneming een vergelijking voor de marginale productiviteit van arbeid af. Is het verloop van de marginale productiviteit van arbeid toe- dan wel afnemend? Laat zien hoe je aan je antwoorden bent gekomen.


Antwoord:

MPL = ΔQ/ΔL = 0.5L-0.5K0.5.

ΔMPL / ΔL = -0.5*0.5 L-1.5K0.5 < 0; dus afnemende meeropbrengsten

(2.2) Leg in woorden én in een formule uit wat de technische substitutievoet (TRSL,K) is.

Bepaal de TRSL,K van bovenstaande productietechnologie.

Laat zien hoe je aan je antwoord bent gekomen.


Antwoord:

TRS = – MPL / MPK = – (0.5Q/L) / (0.5Q/K) = – K/L.


(2.3) Aan welke voorwaarden moet deze onderneming voldoen wil er sprake zijn van kostenminimalisatie? Geef een duidelijke uileg.
Antwoord:

TRS = – 4; Q= L0.5K0.5.


(2.4) Leidt de kostenfunctie (C(Q)) voor deze onderneming af.
Antwoord:

We hebben dat K/L=4 en zo Q = L0.5(4L)0.5 = 2L; dus L = Q/2.

C(Q) = wL + rK = w Q/2 + r 2Q= 1000 Q/2 + 500 Q = 1000 Q.

Opgave 3

Gegeven is een markt die opereert onder de voorwaarden van de marktstructuur volledig vrije mededinging (‘perfect competition’). Voor deze markt is het volgende bekend:



  • Marktvraagcurve: QD = 15 -2P

  • Aanbodcurve: QS = 5P – 2.5

(3.1) Leg uit waarom het marktevenwicht onder de voorwaarden van de marktstructuur volledige mededinging (‘perfect competition’) Pareto efficiënt is.

Maak bij uw uitleg gebruik van een figuur.
Antwoord:

Zie 16.9 in Varian.




    1. Leidt de prijselasticiteit van de vraag en die van het aanbod af voor de evenwichtssituatie. Laat zien hoe je aan je antwoorden bent gekomen.


Antwoord:

15 – 2P = 5P – 2.5; 7 P = 17.5; P = 2.5 en Q = 10

ΕD = -2*2.5/10 = - 0.5

ES = 5*2.5/10 = 1.25

(3.3) Bereken de grootte van het consumentensurplus, van het producentensurplus en van het totale surplus. Wat is de economische betekenis van het totale surplus?

Laat zien hoe je aan je antwoorden bent gekomen



Antwoord:

CS = (7.5 -2.5)*10*0.5 = 25

PS = (2.5 – 0.5) * 10 *0.5 = 10

TS = 25 + 10 = 35. TS is een weergave van de maatschappelijke baten


De overheid gaat nu een belasting van 0.70 euro per eenheid product heffen.
(3.4) Wat wordt de nieuwe evenwichtprijs en de nieuwe evenwichtshoeveelheid op deze markt? Laat zien hoe je aan je antwoorden bent gekomen.
Antwoord:

PD = PS + 0.7

QD = 15 – 2(PS + 0.7) = 13.6 – 2PS.

QS = 5PS - 2.5

13.6 – 2PS = 5PS – 2.5; 16.1 = 7PS; PS = 2.3 en Q = 9; PD = 3.0

(3.5) Hoe groot is de verandering in het consumentensurplus en in het producenten surplus als gevolg van de belastingheffing? Laat zien hoe je aan je antwoorden bent gekomen.


Antwoord:

ΔCS = (3-2.5)*9 + (3-2.5)*0.5 = 4.75

ΔPS = (2.5-2.3)*9 +0.2*0.5 = 1.9

(3.6) Leg uit wat het begrip ‘deadweight loss’ inhoudt.

Hoe groot is het ‘deadweight loss’ als gevolg van de belastingheffing door de overheid?
Antwoord:

DWL = 0.7*0.5= 0.35



Opgave 4
Veronderstel dat de markt voor CD’s voldoet aan de eisen van de marktstructuur volledige mededinging (‘perfect competition’). Elke ondernemer op deze markt streeft naar winstmaximering. Alle ondernemingen op deze markt zijn volledig identiek.

Voor de productie van CD’s is de volgende lange termijn totale kostencurve (AC(q)) gegeven: TC(q) = 120q -20q 2 + q3; in deze functie stelt q de output van een individuele onderneming voor.

De marktvraagfunctie voor CD’s luidt als volgt: QD = 10000/P; hierin stelt QD de totale marktvraag naar CD’s voor.
(4.1) Hoeveel output produceert elke onderneming in het lange termijn evenwicht?

Licht je antwoord met behulp van een figuur duidelijk toe.



Antwoord:

In het lange termijn evenwicht bij perfect competition moet gelden dat:

P = MC en P = AC; Dus MC = AC.

120 – 20q + q2 = 120 – 40q + 3q2

120 – 20q + q2 = 120 -40q + 3q2

20q = 2q2; q=10.


(4.2) Wat is de marktprijs in het lange termijn evenwicht?

Laat zien hoe je aan je antwoord bent gekomen.


Antwoord:

In het lange termijn evenwicht geldt: P = MC. Dus: P = 120 -40q + 3q2 =120-400+300 = 20


(4.3) Hoe groot is de totale output van deze CD-markt bij het marktevenwicht op lange termijn? Hoeveel ondernemingen zijn er in het lange termijn evenwicht?

Geef een toelichting bij je antwoorden.


Antwoord:

De marktprijs is gelijk aan 20. De totale marktvraag is dan: QD = 500.

Elke onderneming produceert 10 eenheden; er zijn dus in het lange termijn evenwicht N=50 ondernemingen.
Opgave 5

Jij wordt als consultant ingehuurd door monopolist Neon. Neon die naar maximale winst streeft, geeft jou de gegevens in onderstaande tabel.





Output

Prijs

Marginale ontvangsten

Korte termijn marginale kosten

Gemiddelde variabele kosten

Q

P

MR

MC

AVC

0

100

100

150

150

15

86

71

71

107

25

75

50

41

84

34

66

33

33

72

50

50

0

63

63

(5.1) Maak op basis van alle informatie in bovenstaande tabel een figuur die van toepassing is op monopolist Neon.

.


    1. Welk advies geef jij aan monopolist Neon op grond van de bovenstaande informatie?

Licht je antwoord uitvoerig toe.

Opgave 6

Een naar maximale winst strevende monopolist verkoopt tickets voor een concert van Madonna aan de groep studenten en aan de groep werkende jongeren.

De vraagfunctie van de groep studenten luidt: QD = 800 – 100P.

De vraagfunctie van de groep werkende jongeren luidt: QD = 1600 – 100P.

De marginale kosten zijn constant en bedragen 2 euro per ticket.


    1. Leidt de totale markvraagcurve voor tickets voor een concert van Madonna af.

(totale marktvraag is de groep studenten plus de groep werkende jongeren)
Antwoord:

Studenten: QD = 800 – 100P

Werkende jongeren: QD = 1600 – 100P

Totale marktvraag: als P > 8: QD = 1600 – 100P

Totale marktvraag: als P ≤ 8: QD = 2400 – 200P


    1. Leidt de totale marginale ontvangstencurve voor tickets voor een concert van Madonna af.


Antwoord:

Inverse vraagfunctie: P = 16 – 0.01QD voor Q < 800.

Inverse vraagfunctie: P = 12 – 0.005QD voor Q ≥ 800.

MR = 16 – 0.02QD voor Q < 800

MR = 12 -0.01QD voor Q ≥ 800



    1. Welke prijs is winstmaximerend voor deze monopolist?

Hoe groot is dan de totale winst?
Antwoord:

MR = MC


12 - 0.01QD = 2. Dus: Q = 1000 en P = 7; totale winst = 7000 – 2000 = 5000.

Opmerking:

Voor Q < 800 geldt: MR = MC; 16 – 0.02QD = 2; Q = 700 en P = 9; totale winst = 6300 – 1400 = 4900. Dit is dus niet de maximale winst!





    1. Wat houdt het begrip markup pricing in?

Hoe groot is de markup van deze monopolist in de situatie van winstmaximering?
Antwoord:

P = MC /[1-1/|e|] ; [1-1/|e|] = 2/7; 1/|e| = 5/7; |e| = 7/5.


Veronderstel nu dat deze naar maximale winst strevende monopolist derdegraads prijsdiscriminatie (‘third degree price discrimination’) toepast.

Veronderstel verder dat de tickets voor het concert van Madonna niet verhandelbaar zijn tussen de groep studenten en de groep werkende jongeren.




    1. Welke prijs zal deze monopolist hanteren voor de groep studenten wanneer hij derdegraads prijsdiscriminatie toepast? Hoe groot is de totale winst dan?


Antwoord:

MR(Q) = 8 – 0.02Q

MR(Q) = MC(Q)

8 – 0.02Q = 2. Dus Q = 300 en P = 5 euro per ticket.

De totale winst voor de groep studenten is: (5-2)*300 = 900 euro.


    1. Welke prijs zal deze monopolist hanteren voor de groep werkende jongeren wanneer hij derdegraads prijsdiscriminatie toepast? Hoe groot is de totale winst dan?


Antwoord:

MR(Q) = 16 – 0.02Q

MR(Q) = MC(Q)

16 – 0.02Q = 2. Dus Q = 700 en P = 9 euro per ticket.

De totale winst voor de groep werkende jongeren is: (9-2)*700 = 4900 euro.


    1. Toon aan dat de groep die de hoogste prijs moet betalen de laagste prijselasticiteit van de vraag heeft.


Antwoord:

Zonder prijsdiscriminatie is de totale winst: 5000 euro.

Met prijsdiscriminatie is de totale winst: 5800 euro (900+4900)

De winst stijgt dus met 800 euro bij toepassing van derdegraads prijsdiscriminatie.



Opgave 7
(7.1) Wat is de meest belangrijke veronderstelling die kenmerkend is voor de marktstructuur volledige mededinging (‘purely competitive market’)?
Antwoord:

Het “price taking” gegrag, zie 22.2 in Varian.





    1. Bewijs dat een naar maximale winst strevende onderneming altijd zijn kosten zal minimaliseren.


Antwoord:

Winst is gelijk aan inkomsten minus kosten. Als kosten zijn niet minimaliseren, zijn er mogelijkheid voor de onderneming de winst toenemen. Maar dat kan niet zijn voor een onderneming die de winst maximalizeren.











De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina