Studenten Statuut 2003-2004



Dovnload 1.11 Mb.
Pagina1/13
Datum25.07.2016
Grootte1.11 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   13

Studenten Statuut 2003-2004

Dit is het centrale deel van het Studentenstatuut van de Technische Universiteit Delft. Het Studentenstatuut bevat een omschrijving van de relatie tussen student en instelling in termen van door beiden te leveren prestaties.In het statuut zijn neergelegd de rechten en verplichtingen van de beide bij het onderwijsproces betrokken partijen, enerzijds de student anderzijds de instelling. Tegenover de inspanningsverplichting van de instelling zoals omschreven in dit statuut staat de inspanningsverplichting van de student om aan alle eisen voor het behalen van het afsluitend examen te voldoen binnen de daarvoor toegemeten tijd. De rechten waarop hij krachtens dit statuut aanspraak kan maken worden hem toegekend om hem hiertoe in staat te stellen. Het statuut vindt zijn wettelijke grondslag in art. 7.59 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW).Het Studentenstatuut bestaat uit:



  • een deel dat op de gehele TU Delft betrekking heeft,

  • een deel dat op een bepaalde opleiding betrekking heeft.

De concrete invulling van het opleidingsgebonden deel geschiedt door de faculteiten. De facultaire regelingen gelden alleen voor de betreffende opleiding. Zij zijn plaatsgebonden en kunnen onderling verschillen.

Het document dat voor u ligt bevat het deel van het Studentenstatuut dat op de gehele TU Delft betrekking heeft en derhalve alle studenten van de TU Delft betreft. Het bestaat uit twee delen:

Het eerste deel bevat een beschrijving van de rechten en plichten van de student, die op de wet berusten. Het brengt de rechtspositie van de student, zoals die in de wet is geregeld, in kaart. Het is dus beschrijvend van aard. Onder 'wet' worden ook begrepen die regelingen, die het CvB op grond van de wet moet treffen, bijvoorbeeld de 'Regeling financiële ondersteuning studenten'. Dergelijke regelingen zijn bijgevoegd als bijlage bij dit statuut.

Onlosmakelijk onderdeel van de rechtspositie van de student is de mogelijkheid om de naleving van zijn rechten af te dwingen. De mogelijkheden hiertoe staan beschreven in het hoofdstuk ”rechtsbescherming”.


N.B.: de Wet op de Studiefinanciering komt in dit deel wel regelmatig ter sprake, doch wordt niet apart behandeld, aangezien de Informatie Beheer Groep, die met de uitvoering van de studiefinanciering is belast, een uitgebreide brochure-reeks heeft uitgegeven; de brochures zijn kosteloos verkrijgbaar bij de Front Office van het Student Facility Centre, bij de Centrale Studentenadministratie en bij de studie-adviseurs van de faculteiten. Voorts geeft de Informatie Beheer Groep periodiek de Informatiekrant voor studerend Nederland uit, die rechtstreeks aan de studerenden wordt toegezonden
Het tweede deel van het statuut richt zich met name op de onderwijsinhoudelijke aspecten van het Studentenstatuut.
Tenslotte is in de bijlagen de integrale tekst van de belangrijkste universitaire regelingen voor studenten opgenomen.
Nadere informatie over de betekenis en de reikwijdte van de inhoud van dit statuut kan op centraal niveau verkregen worden bij het Front Office van het Student Facility Centre, Julianalaan 134, 2628 BL Delft, tel. 015 - 2788012, en op decentraal niveau bij de studieadviseurs van de faculteiten.

Inhoudsopgave


Deel I: Juridisch deel


1 Algemene bepalingen
2 Toegang en toelating
3 Inschrijving en daaraan verbonden rechten en verplichtingen
4 Financiële Ondersteuning Studenten
5 Onderwijs
6 Studiepunten, tentamens, examens en onderwijs- en

examenregeling


7 Medezeggenschap
8 Studentenvoorzieningen
9 Huisregels en ordemaatregelen
10 Rechtsbescherming
Deel II: Kwaliteit en studeerbaarheid
Bijlagen

Bijlage 1: Retributie- en Inschrijvingsbeleid 2003/2004

Bijlage 2A: Regeling financiële ondersteuning studenten (RFOS)

Bijlage 2B: Regeling financiële ondersteuning buitenlandse

studenten

Bijlage 3: Regeling studievoortgangsmeting TU Delft

Bijlage 4: Reglement voor de Studentenraad

Bijlage 5: Bestuurs- en beheersreglement TU Delft

Bijlage 6: Klachtenregeling Ongewenst Gedrag TU Delft

Bijlage 7A: Regeling Ombudsman

Bijlage 7B: Appendix Ombudsman Regulation

Bijlage 8: Beheersreglement TU Delft voor gebruik

ICT- onderwijsfaciliteiten door studenten
Bijlage 9: Gedragscode Engelse taal Master-opleidingen

Bijlage 10: Regeling vooropleidingseisen

Notities

Deel I Juridisch deel

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
1.1 Begripsbepalingen
In dit Studentenstatuut wordt verstaan onder:
a. Wet: de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, afgekort
tot WHW (Stb. 1992, 593) en zoals sindsdien in een reeks van wetten gewijzigd.

b. Awb: de Algemene wet bestuursrecht.

c. Statuut: het document als bedoeld in artikel 7.59 van de WHW.

d. Instelling: de Technische Universiteit Delft (TU Delft).

e. Opleiding: een samenhangend geheel van onderwijseenheden als bedoeld in
art. 7.3 lid 2 WHW, gericht op de verwezenlijking van welomschreven doelstellingen op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden waarover degene die de opleiding voltooit, dient te beschikken.

f. Student: degene die is ingeschreven aan de TU Delft voor het volgen van het


onderwijs en het afleggen van tentamens/examens van een opleiding.

g. Extraneus: degene die is ingeschreven aan de TU Delft voor het afleggen van tentamens/examens van een opleiding.

h. Examinandus: degene die zich onderwerpt aan een tentamen of examen.

i. Propedeuse: de propedeutische fase van een bachelor-opleiding bedoeld in art. 7.8 van de wet.

j. Bachelor opleiding: een opleiding bedoeld in art. 7.3a e.v. van de wet.
k. Master opleiding: een opleiding bedoeld in art 7.3a e.v. van de wet
l. Onderdeel: een onderwijseenheid van de opleiding in de zin van art. 7.3 lid 2

van de wet.

m. Vak: gedeelte van een onderwijseenheid, waarvoor een aparte beoordeling

plaats vindt.

n. Tentamen: een onderzoek naar kennis, inzicht en/of vaardigheid van de

examinandus met betrekking tot een bepaald onderdeel van de opleiding.

o. Deeltentamen: onderzoek naar kennis, inzicht en vaardigheden voor een vak.

Waar in dit statuut gesproken wordt over ’tentamen’ wordt in voorkomende

gevallen ook bedoeld ’deeltentamen’.

p. Afstudeerhoogleraar: hoogleraar van de faculteit, die als eerstverant-woordelijke examinator is belast met het onderwijs en de tentaminering van het onderdeel ’afstudeerproject’.

q. Practische oefening, als bedoeld in art. 7.13 lid 2 sub d van de wet,
te denken valt aan:


  • het maken van een scriptie,

  • het maken van een werkstuk of een proefontwerp,

  • het uitvoeren van een onderzoeksopdracht,

  • het deelnemen aan veldwerk of een excursie,

  • het doorlopen van een stage

r. Studiejaar: de periode die aanvangt op 1 september en eindigt op
31 augustus van het daarop volgende jaar.

s. Tijdvak: periode waarin het onderwijs wordt gegeven en die wordt afgesloten

met een tentamen, dan wel de periode, voorafgaand aan het studiejaar

gereserveerd voor het afnemen van tentamens.

t. Onderwijs- en Examenregeling (OER): een reglement dat de decaan voor elke

opleiding vaststelt met inachtneming van artikel 9.38 sub b, waarin tenminste

de onderwerpen, genoemd in artikel 7.13 lid 2 sub a tot en met v geregeld
zijn.

u. Universiteit: de TU Delft.

v. College van Bestuur (CvB): het College van Bestuur van de TU Delft.

w. Hoger Onderwijs: wetenschappelijk onderwijs (WO) en hoger

beroepsonderwijs (HBO).

x. Open Universiteit (OU): de Open Universiteit zoals bedoeld in art. 1.3 lid 3

van de WHW.

y. Decaan: waar decaan staat, kan indien relevant bestuur gelezen worden.

z. Gemengde studiefinanciering: studiefinanciering in de vorm van een beurs, al

dan niet aangevuld met een aanvullende beurs en/of een rentedragende


lening ingevolge de WSF.

aa. Cohort: een lichting studenten van een bepaald jaar.


1.2 Relatie met de WHW
Dit statuut is een Studentenstatuut als bedoeld in art. 7.59 van de wet. Het is voornamelijk gebaseerd op de wet (WHW). Ook andere wetten, bijvoorbeeld de Algemene wet bestuursrecht, komen - soms slechts zijdelings - ter sprake.

De bepalingen van het Studentenstatuut zijn slechts rechtsgeldig indien en voorzover zij niet in strijd zijn met het bepaalde bij of krachtens de wet. Het Studentenstatuut zelf schept ook rechten en verplichtingen.

Wanneer in dit statuut tussen haakjes artikelnummers worden genoemd, dan zijn dit de terzake doende artikelen uit de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Wanneer andere wetgeving wordt bedoeld, wordt dit nadrukkelijk aangegeven.

In geval het statuut in strijd zou zijn of worden met de wet kan de student daar geen rechten aan ontlenen: de formele wet gaat voor het statuut. Daarom ziet het CvB erop toe, dat het statuut wordt aangepast aan de wet, indien sprake is van strijd met de wet dan wel indien tengevolge van veranderingen in de formele wet strijd tussen wet en statuut ontstaat. Bij interpretatieverschillen tussen de Engelse en de Nederlandse tekst gaat de Nederlandse tekst voor.

Tevens zorgt het CvB ervoor dat ieder jaar wordt nagegaan of en in hoeverre het statuut nog aanpassing behoeft en maakt majeure wijzigingen in het statuut aan het begin van het studiejaar schriftelijk aan de ouderejaars studenten bekend. Eventuele tussentijdse wijzigingen van betekenis maakt het CvB bekend door middel van de daartoe bestemde organen van de universiteit.
1.3 Reikwijdte en openbaarmaking van het Statuut
De reikwijdte van het Studentenstatuut is beperkt tot de studenten aan de TU Delft. Een aantal onderwerpen is eveneens van toepassing op extraneï. Dit blijkt uit de tekst.

De universiteit is verplicht om het statuut ieder jaar aan haar studenten ter beschikking te stellen. De TU Delft kiest ervoor om de integrale tekst van het statuut aan te bieden via de internetsite van de universiteit. Daarnaast krijgt iedere eerstejaars student een korte publieksversie uitgereikt waarin de belangrijkste onderwerpen uit het statuut worden genoemd met hun vindplaats in het statuut.

Hoofdstuk 2 . Toegang en Toelating

2.1 Eisen vooropleiding
(art. 7.24 t/m 7.29 WHW)

Toegang tot een universitaire bachelor-opleiding kan op een aantal wijzen verkregen worden:

a. VWO-diploma,
b. WO-propedeutisch getuigschrift
c. WO-bachelorgetuigschrift
d. HBO-propedeutisch getuigschrift,
e. HBO-bachelorgetuigschrift
f. WO-mastergetuigschrift
g. door de minister aangewezen getuigschrift, al dan niet in Nederland afgegeven, dat als tenminste gelijkwaardig aan een VWO-diploma wordt aangemerkt,
h. door het CvB aangewezen getuigschrift, al dan niet in Nederland afgegeven, dat naar het oordeel van het CvB tenminste gelijkwaardig is aan een VWO-diploma,
i. colloquium doctumbeschikking.
2.2 Nadere vooropleidingseisen

Profielen
Met ingang van 1 augustus 1998 is de zogenaamde Profielenwetgeving in werking getreden. Deze wetgeving houdt voor het wetenschappelijk onderwijs in, dat inschrijving voor een bepaalde opleiding slechts mogelijk is op basis van een VWO-diploma, dat betrekking heeft op een bepaald profiel.

Natuur en Techniek

Voor de TU Delft geeft alleen het profiel ‘Natuur en Techniek’ recht op toelating zonder dat nadere eisen worden gesteld”. Studenten met profiel worden rechtstreeks toegelaten tot de opleidingen van de TU Delft.

Natuur en Gezondheid

Voor het profiel ‘Natuur en Gezondheid’ wordt alleen rechtstreeks toelating verkregen wanneer wiskunde B1,2 deel heeft uitgemaakt van het vakkenpakket.

Bij ministeriele regeling is echter bepaald dat ook studenten zonder wiskunde B1,2 zich kunnen inschrijven aan een opleiding bij de TU Delft. De student moet dan uiterlijk bij de afronding van de propedeutische fase de module Analyse 1 uit het instellingspakket met goed gevolg hebben afgelegd.


Voor studenten Bouwkunde geldt een afwijkende regeling: zij dienen de module Lineaire Modellen uit het instellingspakket uiterlijk bij de afronding van de propedeutische fase met goed gevolg te hebben afgelegd.

Voor de opleiding Life Science & Technology is het profiel N & G toereikend om te kunnen worden ingeschreven aan de TU Delft zonder aanvullende voorwaarden.

Zie verder bijlage 1 over het Retributie- en inschrijvingsbeleid en de Regeling Vooropleidingseisen N & G (bijlage 10).


Economie/Cultuur en Maatschappij

Voor VWO’ers met een profiel Economie & Maatschappij of Cultuur en Maatschappij geldt dat zij alleen dan kunnen worden toegelaten indien zij voor aanvang van de betreffende opleiding aan de TU Delft voldoen aan de aanvullende eisen die door de minister gesteld worden op het gebied van wiskunde (alle opleidingen), natuurkunde (uitgezonderd Technische Informatica en Technische Wiskunde) en scheikunde (alleen een eis voor Life Science & Technology en Scheikundige Technologie). Raadpleeg in dit kader het schema op pagina 43 van het Informatieboekje inschrijving 2003 – 2004 alsmede opgenomen in bijlage 1 van het statuut.


VWO-diploma (oud)
Met betrekking tot de vooropleidingseisen voor de inschrijving aan een universiteit blijven ten aanzien van de bezitters van het oud VWO-diploma, behaald volgens de tot en met 31 juli 1998 geldende voorschriften (dus niet volgens de profielwetgeving), de oude toelatingsregels van de WHW van toepassing tot en met het studiejaar 2004-2005.
De oude deficiëntieregeling blijft van toepassing tot 1 september 2005. Deze wordt hieronder weergegeven.
Voor nadere informatie over deze oude toelatingsregels kunnen studenten zich wenden tot het Front Office Student Facility Centre (zie hoofdstuk 8)


Deficiënties (oud)
De minister kan met het oog op de toegang tot de examens per opleiding één of twee vakken aanwijzen die deel moeten uitmaken van het VWO-diploma. Voor de TU Delft zijn de vakken wiskunde B en natuurkunde aangegeven. Studenten die bedoeld(e) vak(ken) niet in het eindexamenpakket hebben opgenomen en dus deficiënt zijn, dienen aan te tonen voldoende kennis in die vakken te bezitten om het onderwijs met vrucht te kunnen volgen. In de OER worden hiervoor de te stellen eisen aangegeven. Hiervoor wordt verwezen naar het opleidingsgebonden deel. In ieder geval moet(en) de deficiëntie(s) weggewerkt zijn, voordat men een examen kan afleggen.

Het CvB kan bepalen, dat iemand niet wordt ingeschreven voor de gewenste opleiding, zolang hij de deficiënties niet heeft weggewerkt. Dit kan alleen, wanneer de deficiënties redelijkerwijs niet binnen het eerste jaar van inschrijving kunnen worden opgeheven.


Deze regel geldt ook voor bezitters van andere diploma’s dan VWO.

Indien het een diploma betreft, dat in het buitenland is behaald, kan het CvB bepalen dat de bezitter van dat diploma geen examens of tentamens kan afleggen, dan 'nadat hij ten genoegen van de desbetreffende examencommissie heeft aangetoond dat hij voldoende kennis van de Nederlandse taal bezit om het onderwijs met vrucht te kunnen volgen'. Het CvB kan verdergaand bepalen dat betrokkene niet wordt ingeschreven zolang het bedoelde bewijs niet is geleverd.



Colloquium doctum
(art 7.29 WHW)

Een colloquium doctumbeschikking (toelatingsonderzoek) wordt afgegeven door het CvB, nadat door een commissie van de universiteit onderzoek is verricht naar de geschiktheid om de betreffende studie te volgen. Hierbij is kennis van de Nederlandse taal tevens een vereiste.


Om een colloquium doctum te kunnen afleggen moet men minstens 21 jaar oud zijn. Bij de Wet van 3 april 1999 (Stb170, 1999) is bepaald dat het CvB ook van deze leeftijdsgrens kan afwijken indien in bijzondere gevallen geen diploma kan worden overgelegd. Deze bepaling heeft vooral betrekking op vluchtelingen.
De eisen die bij het colloquium doctum worden gesteld worden opgenomen in de OER. Zie daarvoor het opleidingsgebonden deel van het Studentenstatuut.
Een colloquium doctumbeschikking afgegeven door het CvB geeft uitsluitend toegang tot de desbetreffende opleiding aan de instelling.
Informatie over het colloquium doctum kun je inwinnen bij het Front Office van het Student Facility Centre (zie hoofdstuk 8).

Toelatingseisen master-opleidingen
(art. 7.13 lid 3 WHW)

a. aansluitende master-opleidingen


Voor de inschrijving voor een master-opleiding is vereist het bezit van een getuigschrift van een aansluitende bachelor-opleiding. Voor sommige master-opleidingen kan tevens worden geëist dat de student een bepaalde afstudeerrichting in zijn bachelor-opleiding heeft gedaan. De examencommissie kan de student met nog enkele openstaande vakken in de Bacherloropleiding toegestaan al te starten in de Master-opleiding. De faculteit regelt dit via de onderwijs- en examenregeling .

b. toelatingseisen overige master-opleidingen

De eisen voor toelating tot een master-opleiding die niet aansluit bij een bepaalde bachelor-opleiding worden opgenomen in de onderwijs- en examenregeling. De student die zich wil inschrijven voor een dergelijke master-opleiding, dient bij de examencommissie van die opleiding een verzoek in voor de verkrijging van een toelatingsbewijs. Met dit toelatingsbewijs kan hij zich laten inschrijven voor de betreffende master-opleiding. Indien een student niet voldoet aan de toelatingseisen en indien verwacht kan worden dat hij hieraan binnen een redelijke termijn alsnog kan voldoen, wordt hem de mogelijkheid geboden om de tekortkoming weg te werken.Zie tevens bijlage 1 over het Retributie- en inschrijvingsbeleid.


Een uitgewerkt overzicht van de doorstroommogelijkheden van bachelor-opleiding naar master-opleiding binnen de TU Delft is te vinden op: http://www.tudelft.nl/images/doorstroommatrix.pdf
2.3 Toegang tot de universitaire lerarenopleiding
(art. 7.31 WHW)

Alvorens toegelaten te worden tot de universitaire lerarenopleiding moet men beschikken over een toelatingsbewijs. Dit bewijs wordt afgegeven door het CvB. Het CvB stelt de toelatingsregeling vast. De toelating vindt jaarlijks plaats, terwijl de minister een maximum aantal plaatsen kan vaststellen.


De studielast van de universitaire lerarenopleiding bedraagt 60 ECTS (42 studiepunten). Deze opleidingen volgen op een daarvoor gevolgde opleiding van 240 of 300 ECTS (168 of 210 studiepunten).

De TU Delft biedt de mogelijkheid een bevoegdheid te verwerven als eerstegraads leraar wiskunde, natuurkunde of scheikunde. Voor een deel vindt de opleiding plaats vóór afonding van de MSc-fase en voor een deel na het behalen van het MSc-dipoma. Verdere inlichtingen zijn verkrijgbaar bij het secretariaat van de TULO: technische universitaire lerarenopleiding TU Delft
(tel. 015 - 2785594).

Hoofdstuk 3. Inschrijving


3.1 Procedure inschrijving
(art. 7.32, 7.33 en 7.37 WHW)

Iedereen die aan de TU Delft gebruik wil maken van onderwijsvoorzieningen, examenvoorzieningen of andere voorzieningen ten behoeve van het onderwijs moet zich bij deze instelling inschrijven: dit kan als student en als extraneus.

Inschrijving vindt plaats voor één opleiding en geschiedt in principe voor een heel studiejaar. Indien de inschrijving plaatsvindt in de loop van het studiejaar, geldt deze voor de resterende periode van het studiejaar.
De voorwaarden voor inschrijving voor een Bacherloropleiding zijn:


  • beschikken over voldoende vooropleiding (zie hoofdstuk 2, Toegang en toelating),

  • doen van een schriftelijk verzoek tot inschrijving,

  • betalen van collegegeld, dan wel examengeld,

  • voor extraneus: toestemming van het CvB, deze wordt alleen gegeven, indien de aard of het belang van het onderwijs zich daartegen niet verzet,

  • voor bezitters van een buitenlands diploma: het bewijs van voldoende kennis van de Nederlandse taal.

Per 1 september 2003 is het niet langer mogelijk om voor de Bachelor-opleiding Bouwkunde in de loop van het studiejaar een eerste inschrijving te doen. Dit houdt in dat instroom later in het studiejaar kan leiden tot studievertraging waarvan de gevolgen voor rekening van de student zelf komen. Instroom op een ander tijdstip is alleen mogelijk op grond van een schriftelijk advies van de examencommissie van de Bachelor-opleiding. Het voorgaande geldt voor studenten die op grond van vrijstellingen in het tweede of een hoger studiejaar met de Bachelor-opleiding aanvangen, en eveneens voor de instroom in de Master-opleiding.




3.2 Inschrijving als student
(art. 7.34 WHW)

Degene die als student staat ingeschreven heeft de volgende rechten:



  1. deelname aan het onderwijs binnen de opleiding en in principe binnen de gehele TU Delft.

  2. afleggen van examens en tentamens binnen de opleiding

  3. toegang tot de bibliotheken, laboratoria e.d.,

  4. gebruik van studentenvoorzieningen,

  5. studiebegeleiding, waarbij de instelling bijzondere zorg besteedt aan degenen die behoren tot een etnische of culturele minderheid (zie voor een beschrijving van de inhoud van het begrip ‘studie­begeleiding’ het opleidingsgebonden deel),

  6. in geval van een besluit tot beëindiging van de opleiding door de minister of de TU Delft: de mogelijkheid om de opleiding binnen een redelijke tijd te kunnen afmaken aan dezelfde of aan een andere instelling voor hoger onderwijs dan de TU Delft,

  7. actief en passief kiesrecht voor de universitaire organen.


3.3 Inschrijving als extraneus
(art. 7.36 WHW)
Degene die als extraneus staat ingeschreven heeft de volgende rechten:
a) afleggen van examens en tentamens van de opleiding,
b) toegang tot verzamelingen en inrichtingen van de universiteit.

3.4 Beëindiging inschrijving
(art. 7.42 WHW)
Degene die is ingeschreven voor een opleiding kan een verzoek doen om de inschrijving te beëindigen en wel in de volgende gevallen:

  1. In geval van afstuderen: beëindiging vindt plaats met ingang van de maand volgend op de maand van afstuderen.

  2. In geval van ziekte of bijzondere familieomstandigheden. Beëindiging vindt plaats na twee volle kalendermaanden nadat de omstandigheid is ingetreden (mits de student gedurende die gehele periode door de omstandigheid verhinderd is geweest deel te nemen aan het onderwijs).

  3. Tijdens het eerste jaar van inschrijving voor de propedeutische fase: met ingang van de tweede hele maand volgend op de maand waarin het CvB het schriftelijk verzoek tot beëindiging heeft ontvangen.

  4. Met ingang van de eerste maand volgend op de maand waarin het verzoek tot beëindiging van de inschrijving is ontvangen, indien de student als gevolg van de inrichting en organisatie van de opleiding enige tijd geen onderwijs kan volgen, bijvoorbeeld in geval van wachttijden voor stages.

  5. Met ingang van de tweede hele maand volgend op de maand waarin betrokkene het verzoek heeft gedaan. Het verzoek wordt toegewezen, wanneer het naar het oordeel van het CvB ‘redelijk’ is, dat wil zeggen, de student moet een valide reden aan zijn verzoek ten grondslag leggen. Dit behoeft niet noodzakelijkerwijs een overmachtsituatie te betreffen.
    Het verzoek tot beëindiging moet worden ingediend bij het CvB. Het CvB stelt regels vast met betrekking tot de procedure. In bovengenoemde gevallen is restitutie van college- of examengeld mogelijk (zie paragraaf 3.5.3).


3.5.1 Betaling collegegeld
(artt. 7.43 t/m 7.47 WHW)

Eén van de voorwaarden om te worden ingeschreven is de betaling van collegegeld (voor de student) of examengeld (voor de extraneus).
De wet kent twee soorten collegegeld:

  • het wettelijke collegegeld,

  • het door de instelling vastgestelde collegegeld.


Wettelijk tarief

Het wettelijke collegegeld is bepaald op € 1445 voor het studiejaar 2003/2004. De WHW en de WSF 2000 geven aan welke studenten recht hebben op het wettelijk bepaalde tarief en voor welke studenten de instelling hiervan af kan wijken. Hierbij geldt voor het studiejaar 2003/2004 dat alle studenten die op 31 augustus 2003 de leeftijd van 30 jaar nog niet hebben bereikt en afkomstig zijn uit een land behorend tot de Europese Unie (EU) of de Europese Vrijhandels Associatie (EFTA), of afkomstig uit een ander land maar die studiefinanciering ontvangen krachtens de Wet op de Studie­financiering (WSF 2000), recht hebben op het wettelijk tarief.


Instellingstarief II

Na de periode waarin studenten recht hebben gehad op betaling van het wettelijk collegegeld is het door de TU Delft zelf vastgestelde instellingstarief II verschuldigd (voor studiejaar 2003-2004 € 1965,-).



Instellingstarief I

Naast instellingstarief II (€ 1965,-) hanteert de TU Delft nog twee andere instellingstarieven. Instellingstarief I is gelijk aan het wettelijke collegegeldtarief


(€ 1.445,-) en geldt voor enkele nauw omschreven categorieën studenten (bijvoorbeeld vluchtelingstudenten).

Instellingstarief III

Instellingstarief III (€ 5.900,-) geldt met ingang van studiejaar 2003/2004 in principe voor alle non-EU/EFTA-nationals die in één van de Master-opleidingen van de TU Delft instromen. Daarnaast zijn deze studenten voor het eerste jaar een servicefee van € 2370,- verschuldigd.


Echter, de TU Delft heeft bepaald dat, met de inpassing van het MSc International Programme per september 2002 binnen de reguliere Bachelor-Masterstructuur, ook rekening gehouden moest worden met de op dat moment ingeschreven doorstroom-studenten uit niet-Europese landen die al aan het reguliere Nederlandstalige Bachelor-onderwijs deelnamen. Alle studenten die op 1 september 2002 reeds waren ingeschreven dan wel zich per september 2002 zouden inschrijven, kunnen de totale opleiding (Bachelor- en Master-opleiding) afmaken onder het geldende instellings­tarief II (voor 2003/2004 € 1.965), ook als dat zou betekenen dat zij pas over drie jaar in de Masterfase in zouden stromen. Een en ander is bedoeld als overgangsmaatregel.
Deze uitzondering op indeling in Instellingstarief III geldt dus niet voor studenten uit non-EU/EFTA-landen die na 1 september 2002 zijn ingestroomd in de Bachelor en na het behalen van dit diploma willen doorstromen naar de Master-opleiding aan de TU Delft en tevens de studenten die in 2002/2003 al rechtstreeks zijn ingestroomd in de Master-opleidingen onder betaling van Instellingstarief III. Met ingang van 1 september 2002 zijn studenten uit non-EU/EFTA-landen die op of na 1 september 2002 zijn ingestroomd of zullen instromen in één van de Bachelor-opleidingen van de TUD, met ingang van de maand die volgt op de maand waarin de laatste studieactiviteit voor het Bachelor-examen is verricht, instellingstarief III verschuldigd.
Voorts geldt voor studenten uit non-EU/EFTA-landen die vóór 1 september 1997 waren ingeschreven dat zij gedurende 72 maanden (vierjarige cursusduur) resp. gedurende 84 maanden (vijfjarige cursusduur) recht hebben op betaling van het Instellingstarief I voor een voltijdse inschrijving.
Tarief deeltijdopleiding

Het tarief voor de deeltijdopleiding (technische informatica en technische bestuurskunde) bedraagt € 1209,- voor studiejaar 2003/2004



Tarief extraneus

Het tarief voor de inschrijving als extraneus bedraagt € 903,- voor studiejaar 2003/2004

De gedetailleerde omschrijving van deze categorieën en voorwaarden is terug te vinden in het Retributie- en Inschrijvingsbeleid 2003/2004 (bijlage 1).
Prijsindex
Sinds 1999-2000 wordt het collegegeld jaarlijks aangepast aan de ontwikkeling van het prijsindex­cijfer van de gezinsconsumptie.


Gespreide betaling

Voor de betaling van het collegegeld moet de TU Delft de mogelijkheid bieden om in minimaal vijf termijnen te betalen. Bij de jaarlijkse toezending van de inschrijvingsbescheiden maakt de TU Delft bekend, op welke wijze en onder welke condities het collegegeld gespreid betaald kan worden voor het betreffende studiejaar. Ook wordt dit bekend gemaakt door middel van de publicitaire organen van de TU Delft. De administratiekosten die hiervoor in rekening gebracht kunnen worden, mogen niet hoger zijn dan € 13,61 (art. 7.47 lid 1 WHW).

De TU Delft biedt de mogelijkheid om via de machtiging het collegegeld te betalen in twaalf termijnen, afhankelijk van het tarief dat van toepassing is. De kosten die aan gespreide betaling verbonden zijn in het studiejaar 2003/2004 bedragen € 11 ,50.
Voor het examengeld en het deeltijd-collegegeld geldt deze regeling ook.

3.5.2 Vermindering en vrijstelling collegegeld
(art. 7.48 WHW)
Vermindering dan wel vrijstelling van collegegeld is mogelijk in de volgende gevallen:


  • Een student komt in aanmerking voor vermindering of vrijstelling van collegegeld in geval van een tweede of volgende inschrijving aan een bekostigde instelling van WO of HBO. Dit kan dezelfde of een andere instelling van WO betreffen. Dit geldt ook indien de betrokkene eerst is ingeschreven als leerling voor een school of cursus van het voortgezet onderwijs.

  • Indien iemands inschrijving als student is beëindigd op grond van ziekte of bijzondere familie-omstandigheden en hij restitutie van een deel van het collegegeld heeft gekregen (zie 3.5.3), moet hij bij hervatting van de studie in datzelfde studiejaar voor elke maand waarin hij in dat studiejaar ingeschreven is geweest, een twaalfde deel van het volle collegegeld betalen.



De student die zich aan het begin van het studiejaar inschrijft, betaalt het volledige collegegeld.
De student die in de loop van het studiejaar wordt ingeschreven betaalt een twaalfde per maand waarin hij feitelijk is ingeschreven. De TU Delft past dit ook toe op de instellingscollegegeldtarieven, het deeltijd-collegegeld­tarief, en het examengeldtarief.

3.5.3 Terugbetaling collegegeld bij beëindiging inschrijving
(art. 7.49 WHW)
Terugbetaling van (een deel van) het collegegeld is mogelijk in de volgende gevallen:


  1. Indien de inschrijving is beëindigd na afstuderen. Volgens de wet moet voor elke maand vanaf de beëindiging 1/10e deel van het collegegeld worden terugbetaald, waarbij de maanden juli en augustus niet meetellen. De TU heeft een gunstiger restitutiebeleid dan de wet voorschrijft; ook juli en augustus kunnen worden terugbetaald. Zie voor het door de TU Delft gevoerde beleid het Informatieboekje inschrijving studiejaar 2003-2004, 'restitutie'.

  2. In alle andere gevallen, die zijn opgesomd wordt voor elke maand vanaf de beëindiging van de inschrijving een twaalfde gedeelte van het collegegeld terugbetaald.

  3. Bij overlijden van een student wordt voor elke maand na het overlijden 1/12e deel van het collegegeld terugbetaald aan de nabestaanden.

Het CvB stelt de procedure met betrekking tot de terugbetaling vast. Terugbetaling vindt nooit auto­matisch plaats: de student moet er om verzoeken. Alleen bij overlijden is dit niet het geval: de wet bepaalt niet dat de nabestaanden een expliciet verzoek moeten doen.


De beschreven regelingen gelden op grond van de wet alleen voor het wettelijk collegegeld. De TU Delft past ze echter ook toe met betrekking tot het door de instelling vastgestelde collegegeld.

3.6 Schadevergoeding nabetaling college/examengeld
(art. 15.2 WHW)
Iemand die in een bepaald studiejaar als bewijs van een afgelegd examen een getuigschrift wil ontvangen, moet hiertoe een verzoek indienen bij het CvB. Met het verzoek moet hij overleggen de bewijzen van inschrijving over de jaren, dat gebruik is gemaakt van onderwijs- dan wel examen­voorzieningen. Indien geconstateerd wordt, dat hij in enig jaar niet correct ingeschreven heeft gestaan en toch onderwijs heeft gevolgd dan wel tentamens heeft afgelegd, kan het CvB bepalen dat het getuigschrift toch kan worden uitgereikt, maar pas nadat het desbetreffende collegegeld dan wel examengeld is betaald.

Degene die niet staat ingeschreven en gebruik maakt van onderwijs- of examenvoorzieningen is een schadevergoeding verschuldigd. Op de TU Delft geldt een schadevergoedingsbedrag van € 200,- per maand dat men ten onrechte niet stond ingeschreven.



3.7 Het Retributie en Inschrijvingsbeleid van de TU Delft
De TU Delft stelt jaarlijks het Retributie- en Inschrijvingsbeleid vast. Hierin wordt bepaald welke regels gelden ten aanzien van de inschrijving en collegegeldtarieven. Hierbij kan uiteraard niet worden afgeweken van wettelijke bepalingen. Waar de wet een weg voorschrijft wordt deze gevolgd. Daar waar beleidsvrijheid mogelijk is, wordt deze nader ingevuld. Als bijlage 1 bij dit statuut is het Retributie- en Inschrijvingsbeleid 2003/2004 opgenomen. Hierin staat exact vermeld welke regels de TU Delft hieromtrent hanteert.
Hoofdstuk 4 . Financiële Ondersteuning

Studenten



4.1 Financiële ondersteuning ex art. 7.51 WHW

Studenten aan de TU Delft die als gevolg van bepaalde omstandigheden studievertraging hebben opgelopen, kunnen hiervoor door de universiteit of door anderen financieel gecompenseerd worden. In dit hoofdstuk wordt uiteengezet onder welke voorwaarden en op welke wijze je als student in aanmerking kan komen voor een vergoeding.

Binnen de TU Delft is een Centrale Commissie Financiële Ondersteuning (CCFO) ingesteld, die tot taak heeft het CvB te adviseren over de op aanvragen te nemen beslissingen.

De Commissie baseert haar adviezen op de ’Regeling Financiële Ondersteuning Studenten’ (RFOS), welke regeling als bijlage 2a is gevoegd bij dit statuut. In voorkomende gevallen zal worden verwezen naar die regeling.


Aanvragen worden formeel ingediend bij het CvB,. maar in de praktijk lever je de aanvraag in bij de Centrale Studentenadministratie, welke dienst is belast met de administratieve afhandeling. De aanvragen worden gedaan met een formulier, dat verkrijgbaar is bij de Centrale Studentenadministratie, het Front Office van het Student Facility Centre en bij de studieadviseurs.

Aangezien een aanvraag altijd vergezeld dient te zijn van een advies van de studieadviseur, moet je voordat je overgaat tot indiening, altijd een gesprek hebben met deze functionaris. De studieadviseur bespreekt met jou de aanleiding tot het doen van de aanvraag en de inrichting daarvan en voegt een advies voor de commissie bij.


Wil je in het algemeen informatie hebben over de mogelijkheden tot financiële ondersteuning, dan kun je natuurlijk ook contact opnemen met de Front Office van het Student Facility Centre of met de Centrale Studentenadministratie.

4.2 Bijzondere omstandigheden

Onder een ’vertraagde’ student verstaan we: een student, die tengevolge van bijzondere omstandigheden vertraging oploopt in de studie.

Die bijzondere omstandigheden zijn:


  • ziekte,

  • zwangerschap,

  • handicap,

  • bijzondere familieomstandigheden,

  • onderwijskundige overmacht,

  • (bestuurlijke) activiteiten,

  • topsport.

Ziekte:


tijdelijke lichamelijke, zintuiglijke of psychische kwaal van enige omvang en betekenis, aan te tonen door een medische verklaring.

Zwangerschap:

spreekt voor zich.
Handicap:

een structurele lichamelijke, zintuiglijke of psychische functiestoornis.


Bijzondere familieomstandigheden:

bijzondere situaties in je naaste omgeving, bijvoorbeeld het overlijden van een familielid.


Onderwijskundige overmacht: de opleiding is zodanig ingericht dat de student redelijkerwijze niet in staat is geweest het afsluitend examen met goed gevolg af te leggen binnen de periode waarin hij aanspraak had op gemengde studiefinanciering. Van onderwijskundige overmacht is sprake indien de inrichting van het onderwijs ontoereikend is voor het volgen van een studeerbaar programma.
(Bestuurlijke) activiteiten:



  • Lidmaatschap van de Studentenraad (op instellingsniveau of op facultair niveau), alsmede het lidmaatschap van het bestuur van een stichting, die tot doel heeft de exploitatie van studentenvoorzieningen dan wel van een daarmee naar het oordeel van het CvB gelijk te stellen orgaan.

  • De in de Garantiemaandenlijst aangegeven omstandigheden, waarin betrokkene activiteiten ontplooit ten behoeve van de Delftse universitaire gemeenschap.

  • Het lidmaatschap van het bestuur van een studentenorganisatie van enige omvang, dan wel van een vergelijkbare organisatie, bij wie de behartiging van het maatschappelijk belang op de voorgrond staat en die daartoe daadwerkelijk activiteiten ontplooit. De organisatie dient minstens 75 leden te hebben (peildatum 1 december van het studiejaar dat voorafgaat aan het studiejaar waarop de aanvraag betrekking heeft) en volledig rechtsbevoegd te zijn.

  • Deelname aan het project ”TU Delft helpt scholen leerkrachten-tekort bestrijden”. Voor studenten die zijn opgeroepen om deel te nemen aan dit project geldt als voorwaarde voor ondersteuning het gevolgd hebben van de voorbereidende didactische cursus en de ”training on the job” tijdens de werkzaamheden. Studenten kunnen maximaal voor twee studiejaren (2 x 3 garantiemaanden) in aanmerking komen voor deze regeling.

Topsport: hiervan is sprake als je uitkomt in nationale of internationale kampioenschappen, of je daarop voorbereidt. Voorwaarde is doorgaans dat het Olympisch Steunpunt (NOC/NSF) te Den Haag het niveau van de sportieve prestaties kwalificeert als categorie S1 of S2. Ook andere categorieën topsporters kunnen in aanmerking komen voor financiële ondersteuning mits deze aanvraag wordt ondersteund door een topsportverklaring van het Olympisch Steunpunt.


Buiten de hier genoemde gevallen kan een beroep gedaan worden op de regeling in uitzonderlijke situaties, waarin het geen toepassing geven aan de regeling een onbillijkheid van ernstige aard zou opleveren.

De genoemde bijzondere omstandigheden worden nader uitgewerkt in de ’Regeling financiële ondersteuning studenten’.


4.3 Procedure voor financiële ondersteuning

Zo spoedig mogelijk nadat de bijzondere omstandigheid zich heeft voorgedaan, meldt de student deze bij de studieadviseur. Deze functionaris bespreekt met de student de gevolgen van de vertraging voor de studie. Daarbij neemt hij ook de programmering van het onderwijs in aanmerking, bijvoorbeeld, wanneer je tengevolge van een ziekte een tentamenperiode mist, wordt daar rekening mee gehouden. De studieadviseur bespreekt tevens of je de vertraging in de nog resterende studietijd kunt inlopen en zo ja, op welke wijze.

Daarna dien je een aanvraag in om financiële ondersteuning bij het CvB voor de duur van de periode van de vertraging. Je moet verklaringen van deskundigen bijvoegen, bijvoorbeeld in geval van ziekte een medische verklaring en in geval van psychische problematiek een verklaring van een (studenten)psycholoog.
In dit verband moet apart worden vermeld de regeling die geldt bij vertragingen van langdurige aard. Als de vertraging naar verwachting langer dan 6 maanden zal duren dien je met de studieadviseur, de studentendecaan of de studentenpsycholoog de mogelijkheid van uitschrijving te bespreken. Als je je niet in verbinding hebt gesteld met één van deze functionarissen of zijn/haar advies niet hebt opgevolgd, wordt je verzoek om financiële ondersteuning afgewezen.

Indien je aanvraag wordt toegewezen, moet je op een bepaald moment vragen om uitbetaling van de steun. In principe geldt dat de steun wordt gegeven in aansluiting op de periode dat je basisbeurs (en eventueel aanvullende beurs) geniet. Dit betekent dat in de meeste gevallen de aanvraag om uitbetaling moet worden ingediend 2 maanden voor het einde van het vijfde jaar (studiefinanciering). In dat geval kun je rekenen op een naadloze aansluiting van de uitkering op de beursperiode. Dien je de aanvraag later in maar nog wel vóór het einde van de periode van basisbeurs, dan behoud je alle rechten op afstudeersteun maar kan tijdige betaling niet worden gegarandeerd. Als je de aanvraag indient na het einde van de periode van basisbeurs, dan krijg je de steun met ingang van de eerste van de maand, waarin je de aanvraag hebt gedaan. De maanden zonder basisbeurs, die daarbij zijn verstreken, krijg je niet meer uitbetaald. Als je de aanvraag indient nadat je bent afgestudeerd, wordt je aanvraag afgewezen.

Voor studenten die voor het eerst studiefinanciering ontvingen tussen 1 september 1995 en 1 september 1996 valt het moment van verzilvering aan het einde van het zesde jaar. Dit jaar wordt immers omgezet in een beurs als je op tijd (in de regel binnen acht jaar) afstudeert en in het zesde jaar 30 ECTS (21 studiepunten) hebt behaald.
Ben je omgezwaaid naar de TU Delft vanuit een andere universiteit en heb je aan die andere universiteit een toekenning gekregen, dan kun je deze op het voor jou van toepassing zijnde moment bij de TU Delft verzilveren. Je krijgt dan de uitkering toegekend onder de voorwaarden die bij de TU Delft gelden.

4.4 Compensatie niet behalen studievoortgangsnorm

Studenten die vóór 1 september 1996 reeds studiefinanciering ontvingen voor het volgen van een opleiding in het hoger onderwijs kunnen naast erkenning van studievertraging op grond van bijzondere omstandigheden tevens een verzoek bij het College van Bestuur indienen voor compensatie van het niet behalen van de studievoortgangsnorm over een bepaald studiejaar. Dit kan in de regel alleen indien kan worden aangetoond dat de studievoortgangsnorm niet is behaald als gevolg van de bijzondere omstandigheden. In de regel betekent dit dat er over een geheel studiejaar minimaal 6 maanden vertraging moet zijn opgelopen.


Aanvragen tot compensatie van het niet behalen van de studievoortgangsnorm van de tempobeurs worden alleen in behandeling genomen wanneer deze worden ingediend vóór 1 februari volgende op het studiejaar waarin niet is voldaan aan de studievoortgangnorm.
Ook studenten die door toedoen van bijzondere omstandigheden in het eerste jaar van studiefinanciering geen 30 ECTS (21 studiepunten) behalen of niet binnen de diplomatermijn van 10 jaar zijn afgestudeerd kunnen een aanvraag indienen voor alsnog omzetting van de prestatiebeurs. Dit is echter een IB-Groep procedure die weliswaar moet worden ingediend via het College van Bestuur (per adres Centrale Studentenadministratie) en na advies van de studieadviseur, aangezien de universiteit de aanvraag moet ondersteunen.

Voorts geldt voor studenten die in het eerste jaar niet hebben voldaan aan de prestatienorm van 30 ECTS (21 studiepunten) een zogeheten herkansingsmogelijkheid; wanneer na het eerste jaar waarin niet is voldaan aan de prestatienorm maar wel het afsluitend examen binnen de diplomatermijn (10 jaar) wordt behaald, dan wordt de prestatiebeurs over het eerste jaar alsnog door de IB-Groep omgezet in een gift.



4.5 Bestuursactiviteiten

De TU Delft hecht er belang aan om studenten die activiteiten ontplooien in het studentenleven en als gevolg hiervan studievertraging ondervinden, onder bepaalde omstandigheden hiervoor (gedeeltelijk) financieel te compenseren. Dit teneinde het verenigingsleven in Delft op een hoog peil te houden.

Met ingang van het studiejaar 2002-2003 geldt een nieuwe systematiek voor ondersteuning van bestuursactiviteiten in de vorm van garantiemaanden. Zie hiervoor ook de bijlage bij de Regeling Financiële Ondersteuning Studenten.
De nieuwe bestuursbeurzenregeling kent aan elke erkende bestuursactiviteit een van tevoren vastgesteld aantal garantiemaanden toe met een maximum van 12 maanden. De uitbetaling van de garantiemaanden vindt plaats aan het eind van de periode van gemengde studiefinanciering (basisbeursperiode). De hoogte van het bedrag bij uitbetaling van deze garantiemaanden is in de regel gelijk aan het laatst genoten basisbeursbedrag (plus eventueel de aanvullende beurs).

Van fulltime bestuursbeurzen wordt in de nieuwe regeling gesproken bij uitoefening van een bestuursactiviteit waarvoor 10, 11 of 12 maanden worden toegekend. Ook voor deze beurzen geldt dat zij uitbetaald worden aan het einde van de periode van gemengde studiefinanciering.

Alleen erkende studenten- en studieverenigingen komen in aanmerking voor opname op de lijst van garantiemaanden. Hiertoe moet de organisatie tenminste 75 leden tellen, volledig rechtsbevoegd zijn en zijn ingeschreven bij de Kamer van Koophandel.

De verenigingen die in aanmerking zijn gekomen voor garantiemaanden zijn opgenomen in de lijst die is opgenomen achter bijlage 2A.


Het CvB van de TU Delft heeft een beperkt aantal bestuursbeurzen per studiejaar beschikbaar gesteld voor topsporters. Daarvoor kom je alleen in aanmerking indien de sport die je bedrijft, door het Nederlands Olympisch Steunpunt als topsport wordt geclassificeerd. Bij je aanvraag moet je derhalve een verklaring van het NOC/NSF overleggen, zie bijlage 2A.
Voorwaarde om als student in aanmerking te komen voor garantiemaanden is dat bij aanvang van de erkende bestuursactiviteiten minimaal 72 ECTS (50 studiepunten) of het propedeutisch examen is behaald.
Daarnaast geldt als voortgangseis voor de fulltime bestuursbeurzen een gemiddeld voortgangspercentage van 70 % voorafgaand aan de aanvang van het bestuursjaar met een absolute ondergrens van 50% bij erkende bijzondere omstandigheden.

Voordat je in aanmerking kunt komen voor de bestuursbeurs, moet je een gesprek gehad hebben met de studieadviseur. In dat gesprek wordt nagegaan, of het in jouw geval, gezien de tot dan toe behaalde studievoortgang, verantwoord is om een bestuursjaar te gaan doen. De TU Delft geeft in het algemeen alleen een bestuursbeurs aan studenten die voorafgaand aan het beoogde bestuursjaar vlot hebben gestudeerd.


Tot slot geldt voor alle bestuursactiviteiten dat alleen die activiteiten worden ondersteund die vallen in de periode van gemengde studiefinanciering (basisbeurs en eventueel aanvullende beurs). Bestuursactiviteiten die in een later stadium plaatsvinden worden niet meer erkend. In het geval de bestuursperiode slechts voor een deel samenvalt met de periode van gemengde studiefinanciering zal naar rato een toekenning plaatsvinden.
N.B.

Buitenlandse studenten zonder recht op studiefinanciering kunnen onder bepaalde voorwaarden in aanmerking komen voor financiële ondersteuning vanwege bestuursactiviteiten



4.6 Uitbetaling RFOS

Aan de uitbetaling door de TU Delft van RFOS (inclusief garantiemaanden) als gift is als enige voorwaarde verbonden dat de student dient te staan ingeschreven en dat de student nog niet is afgestudeerd.


De erkende studievertraging dan wel garantiemaanden worden als regel uitbetaald in maandelijkse termijnen na afloop van de periode van gemengde studiefinanciering.
Gelijktijdig aan uitbetaling RFOS kan de student gebruik maken van zijn leenrechten bij de IB-Groep. In het geval de student hier geen gebruik van wenst te maken, dan kan er bij het verzoek tot uitbetaling RFOS een aanvullend verzoek worden ingediend om een rentedragende lening (tegen hetzelfde percentage als door de IB-Groep gehanteerd). Dit verzoek wordt alleen dan toegekend indien de student volgens zijn laatste bericht van de IB-Groep ook al een lening genoot bij de IB-Groep.

Daarnaast kan de student die zijn IBG-lening tijdens de periode van uitbetaling RFOS stopzet aan het CvB een vergoeding verzoeken vanwege het niet in het bezit hebben van de OV-Studentenkaart. Deze vergoeding is gelijk aan het bedrag dat de IB-Groep hanteert voor het niet kunnen gebruiken van de OV-Studentenkaart.



4.7 Financiële Ondersteuning van Buitenlandse studenten.
Voor buitenlandse studenten, dat wil zeggen studenten die geen aanspraak kunnen maken op studiefinanciering, is door het CvB een beperkte mogelijk tot financiële ondersteuning geopend.

Deze regeling komt in grote lijnen overeen met de uitgangspunten van de RFOS met dien verstande

dat slechts een toelage wordt verstrekt in geval van:


  • ziekte

  • handicap

  • onderwijskundige overmacht

De ondersteuning is verder beperkt tot maximaal 12 maanden en tot het bedrag van de basisbeurs voor uitwonende studenten.

Als extra voorwaarde geldt dat de aanvrager in de jarenvoorafgaand aan de betreffende omstandigheid een voortgang van gemiddeld 70 % heeft gerealiseerd.

De volledige Regeling Financiële Ondersteuning Buitenlandse Studenten (RFOBS) is opgenomen in bijlage 2b.


N.B.

Buitenlandse studenten zonder recht op studiefinanciering kunnen onder bepaalde voorwaarden in aanmerking komen voor financiële ondersteuning vanwege bestuursactiviteiten.

De voorwaarden zijn beschreven in par. 4.5.

4.8 Uitkeringen RFOS onbelast

Binnen de Wet Inkomstenbelasting 2001 gelden de uitkeringen in het kader van RFOS (inclusief garantiemaanden) als onbelastbaar inkomen. Wel vormen deze uitkeringen een drempel voor de aftrek van studiekosten. Om deze reden worden de verstrekte uitkeringen door de TU Delft doorgegeven aan de Belastingdienst.



4.9 Overige fondsen TU Delft

De TU Delft biedt tenslotte de mogelijkheid om in voorkomende gevallen een beroep te doen op een specifiek fonds met een omschreven doelstelling. Te denken valt hier aan het Universiteitsfonds, het Fonds van het CvB, het Noodfonds of het Activiteitenfonds van het Student Facility Centre.


Voorts is er de beurzenregeling voor afgestudeerden van het Hoger Technisch Onderwijs. Dit is een tijdelijke regeling, op grond waarvan aan afgestudeerden aan een hogere technische opleiding onder bepaalde voorwaarden een beurs wordt verstrekt.

Voor studie en stage in het buitenland verstrekt de TU Delft zogenaamde mobiliteitsbeurzen.


Informatie omtrent de financiële mogelijkheden, die al deze fondsen

bieden, vind je bij het Student Facility Centre. In het alhier te verkrijgen foldermateriaal vind je een gedetailleerde beschrijving van de betreffende regeling.

Heb je nog vragen, loop binnen bij het Student Facility Centre of bij je studieadviseur.
4.10 Afstudeersteun door het rijk

Studenten, die bestuurslid zijn van een landelijke politieke jongerenorganisatie of van een landelijke belangenorganisatie op onderwijsgebied en studenten, die tenminste één maand lid zijn van een visitatiecommissie, kunnen bij het ministerie van OC&W een beroep doen op het landelijk afstudeerfonds, als zij door hun activiteiten studievertraging oplopen.

Een organisatie, waarvan een bestuurslid in aanmerking wil komen voor een dergelijke steun, moet tenminste 250 betalende leden hebben. Deze organisaties mogen één bestuurslid aanwijzen voor steun uit het fonds. Er kan driemaal worden gewisseld.

De aanmeldingsdatum voor bestuursleden is 1 november.

De uitkering bedraagt circa € 1000 per maand en is fiscaal belast.

4.11 Speciale regeling voor cohort 1995-1996

In 1995-1996 is het vijfjarig curriculum wettelijk geregeld met bijbehorende studiefinancieringsrechten, inhoudende, dat dit cohort een extra leenjaar krijgt bij een cursusduur van vijf jaar, dat wordt omgezet in een gift indien de opleiding wordt voltooid binnen twee jaar na het zesde studiefinancieringsjaar (dus meestal binnen acht jaar). Ook dient in het zesde jaar van studiefinanciering te zijn voldaan aan de studievoortgangsnorm van 30 ECTS (21 studiepunten).

Deze regeling geldt alleen voor diegenen, die voor het eerst studiefinanciering ontvingen voor het volgen van een met name in de wet genoemde technische opleiding in het hoger onderwijs in het studiejaar 1995/96.

Het College van Beroep Studiefinanciering heeft uitgesproken dat ook studenten (bijvoorbeeld studenten van HBO of andere niet-technische WO-opleidingen) die per 1 september 1995 zijn ingestroomd in de nieuwe opleidingen met een vijfjarige cursusduur, onder bepaalde voorwaarden in aanmerking komen voor het extra leenjaar.

Deze bijzondere regeling voor cohort 1995-1996 geldt niet voor cohort 1995-1996 van Technische Bestuurskunde. Op dit cohort blijft de oude regel: 5 jaar beurs en 2 jaar lenen, van toepassing.

4.12 Bijzondere procedures IB-Groep i.g.v. handicap

Hoewel deze verlenging in deze bijlage niet thuis hoort, omdat zij niet bekostigd wordt door de fondsen, maar door de Informatie Beheer Groep, volledigheidshalve nog een enkel woord over deze mogelijkheid.

Indien je tengevolge van een lichamelijke of een psychische functiestoornis het afsluitend examen niet kunt afleggen binnen de periode van de gemengde studiefinanciering, kun je aan de Informatie Beheer Groep vragen om een eenmalige verlenging van twaalf maanden, waarin recht bestaat op studiefinanciering in de vorm van een gemengde toelage.

Deze verlenging vraag je aan de IB-Groep door middel van het formulier "verzoek Voorziening Prestatiebeurs", dat verkrijgbaar is bij de Centrale Studentenadministratie, bij het Front Office van het Student Facility Centre en bij de studieadviseurs van de faculteiten. Je moet een medische verklaring bijvoegen plus een verklaring van het CvB. Een verzoek dat betrekking heeft op het verkrijgen van laatstgenoemde verklaring dien je met het door de studieadviseur ondertekende RFOS-formulier in combinatie met de andere bescheiden in bij de Centrale Studentenadministratie.

Doorgaans kan een verzoek tot verlenging studiefinanciering pas ingediend worden na minimaal 2 jaar van studie aan de TU Delft. Pas dan is afdoende vast te stellen of de functiestoornis of chronische ziekte ook daadwerkelijk heeft geleid tot vertraging die niet is in te lopen binnen de periode van gemengde studiefinanciering.
Een verzoek tot verlenging van de studiefinanciëringsduur op grond van een functiestoornis leidt in de regel niet tot verlenging van de diplomatermijn van 10 jaar (voor studenten die vallen onder de prestatiebeurs). Wel kan deze termijn worden opgehoogd met de duur van de bijzondere omstandigheden, en kan zelfs in geval van een chronische aandoening door de IBG besloten worden om tot omzetting van de prestatielening in een gift, zonder dat het diploma nog behaald hoeft te worden.

Hoofdstuk 5. Onderwijs




  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   13


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina