Studentenleven Teksten (John Hacking) De hoogte, diepte, lengte en breedte van tijd



Dovnload 104.26 Kb.
Pagina1/2
Datum26.08.2016
Grootte104.26 Kb.
  1   2
Studentenleven - Teksten (John Hacking)

De hoogte, diepte, lengte en breedte van tijd


In een abdij bij een contemplatieve gemeenschap is de beleving van de tijd gekleurd. Door de regelmaat, het strakke schema en de urgentie van de gebedsmomenten krijgt ook de tijd tussen de gebeden een eigen karakter. Het is niet alleen tijd afgeleid van de gebedstijd, tijd om te werken, om bezig te zijn, om te mediteren, om in de tuin te werken, de gangen schoon te maken, de beesten te verzorgen en de zaken voor de liturgie klaar te zetten. Er schuilt een zekere mate van vrijheid en van bevrijding in deze tijd. Als de tijd om te bidden aanbreekt, wat geen opdracht is, maar een levensbehoefte voor een contemplatieve orde, kan men zich helemaal wijden aan het diepste verlangen gericht op God. Bidden en tijd om te bidden is tegemoet komen aan dit verlangen. Bidtijd is dus tijd gericht op kwaliteit, op de verdieping van de relatie met God. Daarvoor zit men tenslotte in de abdij. Maar het is ook een vorm van tijdsbesteding die nogal wat aandacht en inzet vraagt. Voortdurend bezig zijn met God is niet gemakkelijk, voortdurende aandacht en stem geven aan dit diepste verlangen kan zwaar zijn. De tijd tussen de gebeden kan ondanks de zwaarte van het werk dan ook verlichting geven, even rust, even het verlangen iets minder op de voorgrond, de relatie met God ervaren in een andere vorm en daardoor in een ander licht. De relatie blijft, de opdracht om aandacht te schenken aan dat wat je doet en zegt blijft evenzeer, maar de vorm is anders. En deze vorm heeft effect op de beleving van de tijd. Ik noem dat momenten van vrijheid. Beleven van vrijheid in het doen van de dagelijkse dingen die gedaan moeten worden. En ook hier breekt het besef door dat, net zoals het bidden geen plicht is, niet iets is waar je met tegenzin aan begint omdat je het met tegenzin doet, de dagelijkse zaken de moeite waard zijn om te doen omdat ze vanzelfsprekend zijn en een andere invulling van de relatie met God. Gebedstijd zou je toegespitste puntige tijd kunnen noemen, een vertaling van een puntig verlangen naar God, zoals een van de broeders het uitdrukte. De tijd daartussen zou je brede tijd kunnen noemen, uitgewaaierde tijd, verspreid over meerdere taken en opdrachten.

Kenmerkend voor een abdij die aan de rand van de samenleving functioneert is dat zij proberen door de afstand hun verlangen naar God te cultiveren en de verleiding om zich te laten afleiden zoveel mogelijk proberen te vermijden of te voorkomen. Dat lukt natuurlijk nooit helemaal. De samenleving dringt via oog en oor de abdij binnen, er zijn kranten en een tv, er is een internetverbinding en er zijn gasten die de adem van de drukke bezigheden buiten de muren in hun kleding en hun gedachten meedragen. Daarnaast moet een abdij financieel het hoofd boven water houden dus er moeten ook zaken worden gedaan. Daarom voorziet de regel in de vaste structuur van de gebedsmomenten. Het is een hulpmiddel om het verlangen naar God op de eerste plaats te houden. Tijd indelen in gebedsmomenten is dus eigenlijk een zegen voor de bewoner van de abdij. Het is een reddingsboei, een moment van stilte, terugtrekking, bezinning in de behoeftes van wat nodig is om de zaak binnen de abdij in contact met buiten goed te organiseren. Naast de gebedsmomenten geeft de regel ook een wijs advies hoe samen te leven en het leven binnen de abdij gestalte te geven. Ook dat is geen gemakkelijke zaak die veel wil tot stabiliteit verlangt. Deze vastigheid kan de bewoner van de abdij alleen zelf geven als de regel niet als een last maar als een hulpmiddel wordt opgevat waarin, net als een woning, het goed leven is. De regel is de taalkundige verdieping en verwoording van de ruimte -  en tijdbeleving in een abdij samen met de medebewoners. De regel is als de muren van een huis, met verschillende kamers. Een huis zonder muren, zonder dak, zonder bodem, is geen huis maar de vrije natuur. Daarin valt nauwelijks te wonen, hoogstens rond te trekken, onbeschermd tegen de afleiding die op je pad komt en de vragen die zich dan aandienen. Zonder regel is het slecht schuilen als het verkeerd gaat. Zonder regel, zonder structuur van de regel, sta je met lege handen en is willekeur in keuze en gedrag een groot gevaar. Zonder regel is er geen vrijheid maar lonkt de chaos. Dat besef dat vrijheid alleen plaatsvindt binnen een structuur kan worden geleerd op basis van ervaring. Het is illusoir om te denken dat vrijheid geen begrenzing nodig heeft. Het lichaam is al een vorm van begrenzing die wij niet kunnen overschrijden. Het lichaam dicteert ons einde als onze levenstijd op is. Het lichaam kleurt onze beleving van tijd en ruimte, het lichaam is een kleine tiran als men dat niet wil accepteren en gaat sleutelen aan het eigen voorkomen en dat wat men kan.

Het lichaam maakt de tijd zichtbaar. Met het lichaam bidden wij, denken wij, voelen wij. Met het lichaam ervaren wij de vrijheid in het gebedsmoment en daarbuiten. Met het lichaam ontwerpen wij beelden hoe wij ons verhouden tot God en hoe ons verlangen gestalte kan krijgen. Als wij dat ruimtelijk vertalen is de hoogte van de tijd en de diepte niets anders dan reiken naar God in ons verlangen, en wortelen in de aarde om als mens dit verlangen bij alle tegenslagen vol te houden. Breedte en lengte van de tijd is niets anders dan de duur en de intensiteit van ons streven, ons werken, ons leven. In feite zijn de coördinaten van de tijd, omdat deze zo abstract is, geen werkelijke coördinaten. Ze geven concreet gezien geen werkelijk houvast. Houvast geeft alleen de toewijding, het vertrouwen, de inzet en het doen zelf van het verlangen, het uitvoeren van je taken. Als bezoeker van de abdij kun en mag je hier iets van ervaren. Als deelgenoot voor een weekend kom je aarzelend op het spoor waar het werkelijk om draait in een abdij, mag je even proeven van die prachtige vrijheid die in de tijd en de structurering van de tijd zit opgesloten. Niet alleen als tegenwicht tegenover het haastige leven daarbuiten, maar vooral ook als kennismaking met een andere dimensie, een diepere dimensie in je leven dat gericht kan staan op God. Leven stemgegeven als verlangen, verlangen ingevuld als leven.

 

 Grote en kleine hemels


De meesten van ons weten wat een kleine hemel is of beter een stukje hemel op aarde. Een goede maaltijd met een perfecte wijn, het geluk als je erin slaagt iets te kopen wat je al heel lang wilde hebben, een adembenemend panorama op vakantie, een gevoel van hevig opflakkerende liefde bij het zien van je toekomstige partner. Het is maar een kleine greep uit al die hemeltjes op aarde. Het zijn meestal (kortstondige) vormen van geluk die het leven aangenaam maken en die je de moed geven om optimistisch in het leven te staan. Veel studenten die bij ons binnenlopen voor een gesprek vertellen over een dip(je) in hun leven waardoor ze het (even) niet zien zitten. Ze ervaren te weinig ‘hemelse’ momenten om door de spreekwoordelijke ‘bomen van hun zorgen het bos van een leven in balans’ te kunnen zien.  Zij zijn (even) de richting kwijt, ze weten (even) helemaal niet meer waar ze het allemaal voor doen. Ze missen houvast, ze staan niet met beide voeten op de grond want hun hoofd wordt bevolkt door spoken. Angst voor mislukking, voor afwijzing, voor te kort schieten. Sommigen voelen zich afgewezen of minderwaardig. Ze spiegelen zich aan medestudenten die in hun ogen een perfect leven leiden. Maar eigenlijk kijken ze niet verder dan hun neus lang is. Ze denken dat hun wijze van beleven en ervaren de enige is, alsof er ook in hun hoofd, niet meer ruimte mogelijk is. Een gesprek levert  door het stellen van goede vragen vaak op, dat er meer ruimte komt, dat er veel meer mogelijk is dan de persoon in eerste instantie dacht en verwachtte. Het mooie van ons werk is dan ook dat wij als studentenpastores niet een kast vol mogelijke oplossingen hoeven te hebben voor studenten in nood. Wij gaan ervan uit dat elk mens zijn eigen vragen, maar ook zijn eigen antwoorden met zich meedraagt. Alleen zijn die antwoorden niet altijd zichtbaar. Soms liggen ze verstopt onder een hoop gedachten en (waan)ideeën, zoals angst om te falen of om niet gewaardeerd te worden. En als de antwoorden boven komen omdat er geestelijk ruimte ontstaat, komen er ook weer nieuwe vragen. Dat is een voortdurend proces. Maar het moment van opluchting is als een klein stukje hemel.

Maar hoe zit het dan met ‘de (grote) hemel’? We dragen de naam Studentenkerk. Dus sommigen verwachten ook een antwoord op deze vraag. We kunnen dan naar de katechismus van de katholieke kerk verwijzen, maar dan maken we er ons wel heel makkelijk van af. Die is daar trouwens ook heel summier over als de plaats door God geschapen en eigen aan God, woonplaats van de engelen en de gelukzaligen. De hemel als de hoogste en definitieve staat van geluk, een zijn bij Christus die voor ons door zijn dood de hemel heeft geopenbaard. Maar dan weten we eigenlijk nog niet wat de hemel precies inhoudt. Daar zit misschien dan ook het probleem: we kunnen ons de hemel niet anders voorstellen dan vanuit onze lichamelijke conditie.  Met ons lichaam nemen we ruimte in, bevolken wij de ruimte. Beelden van de hemel sluiten hier op de een of andere wijze op aan. Als dat lichaam er niet meer is wordt het een heel  stuk moeilijker om hierover gedachten te vormen. Zelfs onze gedachten stammen uit ons lichamelijk brein en zijn dus hierdoor gekleurd en aan de concrete levensruimte gebonden. Daarom concentreren veel beschrijvingen van de hemel zich op het aspect tijd zonder een uitspraak te doen over de concrete ruimte. De hemel is de tijd waarin je terecht komt hierna, na dit aardse leven, als je levenstijd hier is afgelopen. Hoe dit dan eruit ziet, dat weten we niet. In de geloofsbelijdenis wordt de opstanding van het lichaam beleden, maar ook dat is met raadselen omhuld. Welk lichaam? Ook het lichaam van iemand die invalide is geworden, of door een granaatinslag totaal uiteengerukt? Welk lichaam uit welke periode van je leven? Als je door gaat vragen kom je in de problemen en kom je er al gauw achter dat je niet te letterlijk moet zijn want dan val je van de ene tegenspraak in de andere.

Maar wat zeggen wij nou tegen studenten als die naar de (grote) hemel vragen? Ik weet het niet? Of we hebben alleen maar mooie metaforen?  Of dat zoeken we op? Wij doen een gok op Wikipedia? Toch is het een belangrijke vraag ook al kennen we het antwoord niet. De vraag ‘an sich’ naar een hemel zegt iets over het verlangen van degene die haar stelt. En dat verlangen is serieus te nemen. En als je daar bent aangeland in het gesprek en het gaat over het verlangen en de wortels van het verlangen dan heb je vaste grond onder je voeten. Want zoals Berthold Brecht al zei: (ik parafraseer) het feit dat je honger hebt is genoeg bewijs ervoor dat je leeft en als mens behandeld wilt worden. Zo is het ook met tastend geloven en verlangen naar een hemel.

 

Ijlheid en ijdelheid van het bestaan


Een student vertelde dat hij het “heden” ervoer als iets heel duns. Hij had het gevoel meer in het verleden en in de toekomst te leven. In het “hier en nu” was hij voortdurend bezig met “morgen wordt het beter, als ik nu maar goed mijn best doe.” Wat is hier aan de hand? Waarom is gisteren en morgen belangrijker dan vandaag, waarom is er geen rust in de ervaring van het nu, waarom alle aandacht gericht op een situatie die nog moet aanbreken?  Veel studenten klagen over stress, studiedruk, voortdurend moeten voldoen aan verwachtingen van anderen en vooral aan verwachtingen die zij zichzelf opleggen omdat ze van mening zijn dat ze anders niet goed bezig zijn en dat ze voor zichzelf “niet goed genoeg zijn.” Als ze iets niet bereiken, een tentamen niet halen, een scriptie niet af krijgen, beschouwen ze dat als een mislukking en in het kielzog daarvan als een afgang. Ze dalen in achting in hun eigen ogen. Een mechanisme van zelfverwijt, schuldgevoel, fatalistische gedachten en depressieve gevoelens kan dan op gang komen. Ik zeg niet dat het altijd zo loopt, of dat het bij velen zó verloopt, maar uit gesprekken blijkt dat een aantal wel zo denkt en zo handelt als het gaat over zelfwaardering, zelfbeeld en leefruimte die men zichzelf gunt. De lat wordt hoog gelegd op basis van verwachtingen, prognoses al of niet realistisch. Te hoog meestal, dus onrealistisch, gevoed door een droom- of wensgedachte: “Ik moet schitteren, dan ben ik waar ik zijn moet, dan vindt iedereen mij aardig”. Als er een verlangen naar compensatie achter zit, als dat de motiverende kracht is achter een dergelijk streven is de actie bij voorbaat gedoemd om te mislukken omdat het uitgangspunt verkeerd gekozen is. Een tekort aan aandacht, een gebrek aan steun, troost, aanmoediging, grenzen en begrenzing, in een vorige fase van het leven kan in de volgende niet gecompenseerd worden met het leveren van prestaties. Presteren is iets op een ander vlak.  Tekorten op het gebied van aandacht en zorg kunnen alleen maar gecompenseerd worden door betekenisvolle anderen die jou die aandacht en liefde schenken en waar jij zijn mag zoals je bent, zonder eerst te moeten bewijzen dat je “super” bent.

Wat is het geheim achter dit ontbreken van ruimte in de  beleving van het hier en nu? Als studenten het gevoel hebben dat ze afgaan in hun eigen ogen, als ze ook nog een keer door anderen in hun omgeving op hun falen worden gewezen, hebben ze vaak de neiging om weg te lopen, te vluchten in gedrag waarin ze niet geconfronteerd worden met deze ervaringen. Het aangaan van de uitdaging om nou eens werkelijk te kijken wat er aan de hand is, een stukje zelfverkenning uit te voeren en desgewenst de gevolgen te aanvaarden door bijvoorbeeld te gaan werken aan een oplossing dat ligt niet altijd voor de hand. Dat vindt pas plaats als ze echt dreigen vast te lopen, als de opleiding via de woordvoerders laat weten dat er geen toekomst meer is voor deze student in deze studie als er niet snel verbetering optreedt. Dan wordt het mes aan de keel gezet en moet er iets gebeuren want anders dreigt de verwachte toekomst in dat beroepsveld in het water te vallen en wat dan? Goede raad is duur!


Duidelijk is inmiddels dat ruimte ervaren in het hier en nu betekent: geen stress, niet voortdurend gebukt lopen onder verwachtingen en spanningen die ook lichamelijk voelbaar worden. Ruimte vooral in je hoofd, perspectief hebben op een toekomst zonder dat je het gevoel hebt dat je nu moet presteren als een ‘idioot’ omdat je het anders niet zult halen. Wat vandaag niet lukt kan morgen ook. Je hebt een leven voor je om jezelf te ontwikkelen. Een tentamen is niet heilig, niet zaligmakend. Stof die niet aanspreekt kan ook op een andere manier interessant worden door vanuit verschillende kanten te leren kijken. Zet eens een andere bril op. Want het zijn steeds brillen die je waarneming kleuren. Ook de bril van de angst, de waan dat het niet meer goed met je komt, is uiteindelijk een bril. Gemotiveerd door slechte ervaringen weliswaar, maar misschien daarom ook overtrokken en scheef omdat het leven niet een aaneenschakeling is van slechte ervaringen. Net zomin als het omgekeerde. Dit bestaan is ijdel en ijl als je voortdurend doelen najaagt en jezelf vergeet. Als je je eigen gevoelsleven niet serieus neemt, of op de tweede of derde plaats zet. Al je bereikte doelen zullen na het behalen ervan als het ware verdampen, je overwinningen zijn van nul en generlei waarde als jezelf bent achtergebleven op het slachtveld. Waarom strijden als je er zelf niet beter van wordt in al je facetten? Niet een halve mens, rationeel sterk en vlug, maar emotioneel achtergebleven en verward is het doel, maar een hele mens – iemand die zichzelf aantreft en in de gegeven omstandigheden neemt zoals hij/zij is. Veel is onbeheersbaar in het leven en dat moet je dan ook niet willen. Niet alles is te plannen en te besturen. Zeker je eigen leven niet als een aaneenschakeling van prestaties. Daar word je dood en doodmoe van. Het leven kiezen wil allereerst dan ook zeggen leefruimte kiezen voor jezelf zodat je tot je recht komt in al je facetten. Je leven zo inrichten dat je kunt bloeien, zonder dat je voortdurend op je tenen moet lopen om doelen te halen die eigenlijk niets essentieels opleveren, behalve de vervulling van een waanidee.

Tijd om een pas op de plaats te maken en leren van de wind…


 

 

Moderne taboes


Mijn studententijd – de mooiste tijd van mijn leven! Dat zou het volgens de gangbare mening van veel studenten moeten zijn, maar is het voor velen niet. Zij ervaren deze tijd eerder als een soort “verschrikking”, of als zwaar, als een periode van eenzaamheid, een tijd waarin men zich soms minderwaardig voelt omdat zij niet zo voelen als hun medestudenten.

Maar is dit bespreekbaar onder elkaar? In de verste verte niet. Iedereen houdt de schijn op dat deze tijd van het studentenleven “uit de kunst, gezellig, te gek, niet te missen is.”Kortom een groot avontuur van ontdekkingen: van jezelf, jezelf in relatie tot anderen, en anderen in relatie tot jou. Ook thema’s als je uithoudingsvermogen, je incasseringsvermogen, je gevoel voor zelfstandigheid, het maken van de juiste keuzes, je omgaan met alleen zijn, het neerzetten van prestaties, je omgaan met studie/werkdruk komen aan de orde: eindelijk kun je laten zien wie je bent en wat je waard bent. Wanneer is je studentenleven geslaagd? Wanneer is het in jouw ogen een succes? Als je er goed doorheen bent gekomen? Zonder al teveel kleerscheuren en/of littekens? Als je veel hebt genoten en geleerd? Maar is dat criterium niet heel persoonlijk – voor iedereen weer anders omdat iedereen andere accenten legt?

Het bespreekbaar maken van de ongemakken van je studententijd – het praten over negatieve ervaringen, zaken die haaks schijnen te staan op het imago van deze tijd, is taboe. Bijna niemand durft dit aan onder medestudenten. Ook de studenten die heviger lijden dan anderen wagen het niet. Waarom zijn ze bang? Om af te gaan bij hun medestudenten en zich daardoor nog rotter, nog meer mislukt te voelen? Met als gevolg dat hun periode van ellende nog langer voortduurt. Dus houden ze de schijn maar op, trekken zich terug in hun schulp en spelen mooi weer.
Is er een uitweg uit deze impasse? Hulp zoeken bij niet studenten? Een goed gesprek? Dat is het begin van een mogelijkheid, maar biedt het ook een meer structurele oplossing, namelijk onder ogen durven zien en communiceren dat het heersende beeld van het studentenleven een ideologie is? En dat taboes er zijn om geslecht te worden, ook de allerlaatste taboes, als ze mensen in een onmogelijke positie brengen?

Studenten zijn zelf de aangewezen personen om tegen dit taboe op te staan. Zij kunnen laten zien dat er ook andere geluiden klinken die meer lijken op de waarheid. Maar durven ze dat? Durven zij zich ook van, in hun ogen misschien, zwakkere kant te laten zien? Maar wat is zwakte en wat is sterk. Om te laten zien dat je ook zwakheden hebt, om te laten zien dat alles niet van een leien dakje loopt heb je heel veel moed en heel veel kracht voor nodig. Het getuigt van zelfvertrouwen en zelfverzekerdheid om dit taboe aan te kaarten. Hiervoor is veel meer kracht nodig dan voor het in standhouden van een leugen. Hoewel dat laatste ook kracht kost. Dus studenten die openlijk laten zien waar ze werkelijk staan, ook al komt dat niet overeen met het rooskleurige beeld van de studententijd, tonen pas moed. Heel wat meer dan de branieachtige grootsprakige herrieschoppers die voor geen enkele twijfel vatbaar schijnen te zijn met betrekking tot de invulling van hun studententijd. Denk maar zo: holle vaten…en achter branie zit meestal een heel klein hartje.




Onze vrijheid is lichamelijk



 

Vrij zijn is geen zaak van het hoofd alleen, bedacht door slimme filosofen. Geen idee alleen bij Plato, Hegel, Nietzsche of Kant;  of misschien een “idee fixe” omdat “echte vrijheid” misschien illusoir is; of alleen een wens of verlangen naar vrijheid. Nee de vrijheid is lichamelijk. Dat eerst en vooral. Natuurlijk, op de eerste plaats is het hoofd deel van het lichaam, en alles wat het hoofd produceert aan gedachten, beelden en opvattingen is eigenlijk dan ook lichamelijk of tenminste ontsproten aan iemand die lichaam is en een lichaam heeft. Maar dat is mijns inziens nog te weinig, te weinig concreet. Dat heeft nog te weinig te maken met de lichamelijke oorsprong en het wezen van de vrijheid. Alleen al het feit dat wij de vraag kunnen stellen of mensen alleen maar vrij zijn, vrij kunnen zijn en dieren bijvoorbeeld niet, geeft te denken. Als mensen alleen vrijheid kunnen ervaren en andere levende wezens niet, betekent dat het volgende: vrijheid is dan een categorie van de menselijke conditie,behorend tot het proprium van de menselijke existentie. Vrijheid is dan al heel specifiek, en de beleving ervan is onlosmakelijk hieraan verbonden. Vrijheid is dan bij uitstek menselijk, menselijke vrijheid. Is een hond vrij, een merel in de tuin, een beukenboom in het park, een rotsblok in de bergen? In zekere mate wel, afgemeten dan aan bijvoorbeeld bewegingsvrijheid, transformatievrijheid, vergankelijkheid (d.w.z. vrijheid om te vergaan), en mogelijke andere vormen van vrijheid die je nog kunt bedenken. Maar denkt een hond, voelt een plant, geeft een merel betekenis aan haar leven via significante gedachten, overwegingen? Ik vermoed van niet, hoewel zeker weten kan ik het niet. Misschien is er wel een vorm van ervaren die wij als mensen niet kennen omdat ze buiten ons blikveld valt, maar die als vorm van zijn net zo goed bestaansrecht heeft als andere  vormen van zijn. Alleen maar omdat wij als mensen haar niet kennen wil dat niet zeggen dat ze er dan ook niet is. Die mogelijkheid zou ik graag open willen houden want het leven is te wonderbaarlijk om maar meteen alles aan te passen aan de menselijke maat. Dat geldt mijns inziens ook voor het geheim van leven en dood, en de overgang tussen beiden.

Vrijheid noem ik eerst en vooral lichamelijk omdat wij haar ervaren aan ons lichaam en in ons lichaam. Vrijheid is niet het vrij zijn van gebondenheid, verplichtingen, afspraken,  condities, structuren. Die laatste horen gewoon bij ons leven, wij zouden niet zonder kunnen, wij zouden elk houvast verliezen, ook geestelijk. Het feit alleen al dat wij spreken met behulp van een taal laat zien dat wij de taalstructuren nodig hebben om ons te uiten. Zijn we daardoor minder vrij? Dat is maar net wat je nastreeft. Als je met taal alles, zoveel mogelijk en zo diep mogelijk, wilt uitdrukken (en dan is het maar de vraag of de ander je begrijpt – aangrijpen kan wat je naar voren brengt) dan zou het wel eens kunnen zijn dat je teleurgesteld wordt. Zo iets moet je eigenlijk ook niet willen want wat is dat:  je aller-diepste gevoel verwoorden? Je meest intieme wensen en gedachten? Stranden die niet altijd op het oppervlak van de ervaring – zoals de zee op het strand? Over blijft schuim, golven, water dat zich terugtrekt. Zo is ook onze taal, een heen en weer, stroming, golvend. Daar moeten we het mee doen. Maar welk een vermogen, welk een kracht, welk een “power” om dingen tot uitdrukking te brengen, om beweging te veroorzaken, om harten in rep en roer te zetten. In die zin is ook taal effect van het lichaam in combinatie met gedachten, retorica en scherpzinnigheid en wat al niet meer.
Op de spirituele kalender kwam ik op de voorkant het volgende citaat tegen – dat als inspiratiebron diende voor dit stukje:  woensdag 16 december 2009: “We hoeven ons niet gevangen te voelen in de wereld die we aantreffen in elk moment, als we eenmaal beseffen hoezeer die wordt vormgegeven door onze eigen ervaringen.  SHARON SALZBERG (Een hart zo groot als de wereld. Leven met aandacht, wijsheid en mededogen, 1999)”. En op de achterkant stond:

“Ga even rustig zitten en haal een aantal keer diep adem. Voel het contact tussen je lichaam en de stoel, of waar je ook zit of ligt. Richt je aandacht op je voeten en ga dan zo langzaam naar boven totdat je bij je gezicht bent aangekomen. Laat alle spanning in de grond verdwijnen. Voel hoe de adem je neus en longen binnenkomt, hoe je borstkas en buik zich uitzetten. Blijf daar even bij. Richt je nu op je emoties: wat voel je? Wat gaat er in je om? Neem voor dit alles even de tijd en lees dan door als je zin hebt.

Alleen al door deze oefening te doen, merk je dat je ervaring van het ene op het andere moment totaal kan veranderen. Je bent waarschijnlijk even losgekomen van de gedachtestroom waarin je zat. Een moment van vrijheid. Je kunt altijd voor deze vrijheid kiezen. “
Ademhalen, ontspanning, een klein beetje afleiding, of je aandacht verleggen doet je ontdekken dat er alternatieven zijn, dat je gedachtestroom uitgezet kan worden, dat je lichamelijk kunt ervaren dat het anders kan, meer ontspannen, meer bij jezelf, meer in harmonie met jezelf. Dat is vrijheid, dit ontdekken, dit ervaren, dit weten en er naar handelen. Als onze werkelijkheid vooral een product is van onze ervaringen, gekoppeld aan onze opvattingen en meningen, dan kan die werkelijkheid misschien wel zonder veel moeite worden aangepast, ingeruild, veranderd voor een realiteit met meer ruimte, meer geestelijke vrijheid en meer lichamelijke vrijheid. Als je bijvoorbeeld denkt dat je lichaam niet deugt omdat het niet beantwoord aan bepaalde standaarden die je jezelf voorhoudt, ben je een leven lang ongelukkig als je jouw lichaam niet kunt aanpassen aan die standaard. Pas als je die standaard durft los te laten, pas als je accepteert dat je het ermee moet doen, en waarom niet goedschiks, in plaats van kwaadschiks, waarom niet van harte in plaats van met tegenzin, met weerzin, dan verandert er pas iets, ervaar je vrijheid. Je hebt, bent alleen maar jezelf; iets anders heb, ben je niet. Zelfacceptatie, acceptatie van je gegeven omstandigheden qua lichaamsbouw, gezondheid, gesteldheid qua karakter en kwaliteiten die je meedraagt of die ontbreken, daar begint het mee, en dat is ook de eerste stap op de weg van de vrijheid. Vrijheid begint bij en in het lichaam. Vrijheid, de vrijheid is lichamelijk: het is de waarneming van jezelf in het omringende landschap, de omringende context, de omgeving waarin je leeft en met mensen waarmee je jouw leven gestalte geeft. Alle andere gedachten, politieke vrijheid bijvoorbeeld, keuzevrijheid bijvoorbeeld en noem maar op, komen allen daarna. Het begint met de ervaring van je lichamelijke gesteldheid, de bewustwording van je eigen lichaam en daarmee van je eigen zijn, staan in deze wereld. Kijk om je heen, dan ontdek je wie je bent, waar je vandaan komt en waar je heen wilt. Maar het kan alleen maar met dit lichaam, dit menselijk voertuig voor je vrijheid. En als je eenmaal sterft, dan sterft met je lichaam ook je vrijheid. Maar misschien heeft de geest wel wegen en middelen bedacht om zich dan op een andere wijze te uiten, te manifesteren. Wie weet.


 

Spoiled generation”?

 

Nooit meer” thuis”

Kenmerk van de huidige tijd in de Westerse samenleving is dat wij eigenlijk “nooit meer thuis” zijn.

We zijn voortdurend onderweg: naar school, naar ons werk, naar onze hobby, naar onze vakantiebestemming, naar een plek om uit te rusten, bij te komen en terug te keren naar onze dagelijkse bezigheden. In een middeleeuwse context was je waarschijnlijk bijna “altijd thuis” omdat er door de meeste mensen buiten de handelsreiziger en de pelgrim, de geestelijke, de overheidsdienaar, vorst  en de soldaat geen reizen werden gemaakt. Iedereen bleef waar hij was: thuis. De ervaring van de wereld bleef dan ook meestal beperkt tot het eigen dorp of stad. Het begrip land was eigenlijk al een “fictie”, Europa  een onvoorstelbaar iets, en later toen de beide “Amerika’s” werden ontdekt  leidde dat tot zoveel beroering en emotie dat de meest vreemde ideeën opgang deden. Goudkoorts, zucht naar gewin, voorstellingen van een  aards paradijs, de verlangens en interpretaties waren talloos. Maar ook toen was voor de meesten niet weggelegd dat zij hun dorp of stad ooit zouden verlaten. Ze stierven waar ze waren geboren zonder ooit een voet buiten hun leefgebied te hebben gezet.

In onze tijd hebben wij door de moderne vervoersmiddelen,de toegenomen welvaart, de communicatiemiddelen onze horizon verbreed. We hebben nog wel een uitvalsbasis, daar waar we eten en slapen, maar dat voelt toch anders als een paar honderd jaar geleden. We leven als het ware in een nieuwe wereld. We noemen dat globalisering, de wereld, de globe als woonplaats. Wij zijn overal thuis, of nergens.

Wat zijn de effecten van een dergelijke ervaring? Was het vroeger beter toen men geen idee had van de uitgestrektheid van de wereld, toen men de grenzen van het leefgebied nauwelijks overschreed? Dat is natuurlijk nooit meer te achterhalen, maar het wekt wel mijn verwondering dat het voor velen van ons, zo lijkt het,  vanzelfsprekend is geworden om de wereld als leef- en woongebied te ervaren.
De concrete ruimte geeft ankerpunten in het leven, de plek waar je woont en leeft geeft houvast. Mensen gaan pas weg als zij dat houvast niet meer vinden of als er een levensbedreigende situatie ontstaat. In de geschiedenis kwamen grote massabewegingen tot stand omdat er honger werd geleden, of omdat er  gezocht werd naar nieuw leefgebied met betere kansen om te overleven en een goed bestaan op t e bouwen met het oog op de toekomst. Oorlogszuchtige motieven, hebzucht en verlangen naar roem en gewin hebben vaak een rol gespeeld in de verkenning van de “terra incognita”. Nu is de wereld grotendeels bekend, in kaart gebracht en benoemd. Google kijkt vanaf de satelliet overal op neer, elke straat, elk dorp, elke stad valt vanuit de lucht te bespieden.

Als de wereld voor velen het terrein is om zich voort te bewegen, waar vindt het individu dan nog ankerpunten, waarin vindt het houvast, ook geestelijk?

Toen de wereld klein was, vast lag in erfopvolging, in beroepskeuze en levensloop waren die ankerpunten nooit ver weg. Wie je was en wat je kon worden hing af van je sociale context. Je geestelijke vermogens en doorzettingsvermogen, je zin naar avontuur kon daar verandering in brengen zodat je kon stijgen op de sociale ladder. Heden ten dage is dat niet veranderd maar de mogelijkheden zijn enorm toegenomen. Met de concrete leefruimte is ook de geestelijke ruimte aan keuzemogelijkheden gegroeid. Het zelf dat zich herkende in de concrete situatie van alledag, “zo is het altijd geweest”, krijgt nu ongekende mogelijkheden om zich virtueel in te leven.
Alles mogelijk?
Als alles mogelijk is bestaat het gevaar dat het individu elk houvast verliest als er geen maatstaf is en geen criterium om het nieuwe te proeven en te toetsen.

De intrede van de computer in de leefwereld van het individu, reeds op jonge leeftijd, leidt niet alleen tot een nieuwe kijk op de wereld, maar geeft ook ongekende virtuele mogelijkheden. Het zelf dat al grotendeels virtueel werd beleefd, vooral in het hoofd, gaat rationeel de wereld verkennen om te ontdekken wat er te koop is. Deze virtuele exercities zetten standaarden uit, mede aangereikt door anderen en door stromingen en opvattingen in de maatschappij. Maar al gauw zal blijken dat elke standaard er maar een is en dat de mogelijkheden eindeloos blijken. Hoe vind je dan je weg in deze nieuwe ruimte? Wat is waardevol, wat van blijvende waarde, wat een houvast dat je verder brengt op je levensweg?


Met deze en andere vragen wordt de huidige generatie geconfronteerd. Toegenomen mogelijkheden brengen een enorme verantwoordelijkheid met zich mee om de juiste keuzes te maken. Zo kan het individu het beleven. Daardoor neemt de druk toe om goed te kiezen. Als alles mag en alles kan, ook op jonge leeftijd, zal een keer het moment komen dat de grenzeloze hoeveelheid zo overweldigend kan zijn dat het individu zichzelf kan verliezen. De doem van de materie, de concrete hel van het teveel wordt dan waarheid. Ouders die hun kinderen “verwennen”, dat wil zeggen geen grenzen stellen aan het verlangen om te hebben en te ondergaan kunnen hun kinderen opzadelen met een gebrek aan onderscheidingsvermogen en een gemis aan besef dat niet alles even waardevol is. Kortom door niet te leren zich dingen te ontzeggen wordt een hypotheek genomen op de toekomst waarin elke tegenslag grotere dimensies in de beleving kan krijgen dan misschien concreet het geval is. Door te ervaren dat het ook goed kan zijn om niet je zin te krijgen, door je te leren aanpassen aan de omstandigheden maak je al vroeg in de ontwikkeling kennis met de realiteit dat het leven ook hard kan zijn en dat je verliezen kunt lijden, dat je niet alles naar je hand kunt zetten.
Het lichaam als grenservaring
Grenzen en afgrenzing zijn noodzakelijk om het overzicht te behouden, om de oriëntatie niet te verliezen. Het eigen lichaam vormt zo’n grens. Het is de meest intieme en directe grens. Het eigen lichaam schept ook een lichaamsbewustzijn, een geestelijke ruimte om zich heen. Iemand op de huid zitten is letterlijk de grens van de lichamelijkheid overschrijden.

Het lichaam kan ons ook helpen om ons te oriënteren in de concrete ruimte. De beleving van het lichaam door het zelf, de verwachtingen, de verlangens, de waarneming van andere zelven in hun lichaam, het effect van communicatie en uitwisseling, dat alles heeft een sterke virtuele component. De computer is in die zin eigenlijk een uitvergroting van het zelf, een toename van de actieradius van het zelf. De machine is eindelijk deel geworden van het menselijk lichaam zonder dat we het zelf misschien in de gaten hebben. De auto, de trein, de boot en het vliegtuig waren het eigenlijk al: zij vergroten de concrete ruimte van het menselijk lichaam in de tijd en de ruimte om ons heen. Het zijn uitvergrote zelven. Ook dat wekt nauwelijks verwondering als je kijkt naar de vanzelfsprekendheid en het gemak waarmee wij ons verplaatsten.


Het lichaam is onze eerste concrete grens met de omringende wereld. In het lichaam kunnen we ons thuis voelen, hoewel dat laatste niet voor iedereen hoeft te gelden. Denk maar aan mensen die hun mannelijkheid of vrouwelijkheid beleven terwijl ze een ander ‘verkeerd’ lichaam hebben. Het lichaam kent verschillende ruimtes: allereerst de ruimte die het lichaam zelf is en die het inneemt in de ruimte om ons heen. Waar ik sta kan niet iemand anders staan. Vervolgens de ruimte die wij geestelijk innemen met ons lichaam, de ruimte om ons heen en de wijze waarop wij ons lichaam ‘poneren’, neerzetten, laten zien in de ruimte. Hoe doorschrijden we een ruimte waar naar ons wordt gekeken, wat stralen we uit, welk gevoel brengen wij met ons lichaam tot uitdrukking. Dat alles heeft met de beleving van ons lichaam en ons zelf in het lichaam te maken. Maar misschien is er ook nog een andere ruimte, minder concreet, minder op de voorgrond. Namelijk de ruimte in ons hoofd, de ruimte die wij ons voorstellen als wij helemaal alleen zijn met onszelf. Een innerlijke ruimte, de ruimte van ons denken en voelen. En misschien is er nog een andere, een diepere ruimte. In de mystieke traditie  wordt daar soms over gesproken: de diepste meest innerlijke ruimte, waar niemand bij kan komen van buiten, waar we onaantastbaar zijn, een lege ruimte, een ruimte waar wij volgens de gelovigen diep in onszelf God kunnen  ontmoeten omdat er geen hindernissen, geen invullingen, geen echte inhoud is. Uit ervaringen van martelslachtoffers, gevangen uit kampen in de Tweede Wereldoorlog,  is deze ruimte, deze onaantastbare ruimte geen fictie, maar diep ervaren werkelijkheid. Misschien hebben we nooit zo diep moeten gaan in ons leven om een ervaring te hebben van deze onaantastbare diepste grond in onszelf. Maar niet ervaren wil niet zeggen dat deze ruimte ook niet existeert.
Gevoel wijst de weg
Als er dus al verschillende ruimtes zijn vanuit ons lichaam en vanuit de ervaring van de werkelijkheid van ons lichaam in de omringende ruimte, dan kan dat betekenis  hebben voor ons “zelf – verstaan”. Gevoelens kunnen  de grenzen markeren van onze virtuele werkelijkheid als zelf. Maar gevoelens, dat weten we allemaal, zijn ook richtinggevend. Ze sturen ons gedrag, ze bepalen onze grondhouding. Luisteren naar je gevoel kan zijn als luisteren naar een innerlijk kompas. Grensoverschrijdingen in gedrag komen gevoelsmatig soms hard aan, mensen die hun eigen grenzen niet bewaken, die over zich heen laten lopen betalen vroeg of laat hiervoor een prijs. Grenzen worden ‘en masse’ overschreden in het geval van oorlog. Mensen worden opgeroepen om hun land te verdedigen, of om hun leven te geven voor een zaak. De wereldoorlogen zijn een voorbeeld van de verspilling van mensenlevens op wereldschaal. Hier telt het individu niet meer.  Geen grens is heilig.

Maar mensen kunnen ook nog op een andere manier verspild worden: namelijk als er geen beroep op hen gedaan wordt om hun talenten in te zetten, als ze worden weggezet als overbodig, nutteloos, van nul en generlei waarde. In onze maatschappij zijn er tal van individuen die dit aan den lijve ervaren en die zich in hun gedrag hieraan aanpassen. Ze houden zich staande in hun eigen wereldje van het dakloos, verslaafd, of afgeschreven zijn. Als in onze samenleving de tendens opgang maakt om alleen de allerbesten, de allerslimsten, de allersnelsten uit te kiezen, dan zullen velen het gevoel krijgen dat als zij daar niet bij horen, minder waard zijn. Ook in hun eigen ogen kunnen ze dan minder waard worden als ze nooit geleerd hebben zichzelf te waarderen als kostbaar en waardevol. Als zij zichzelf niet kennen, zichzelf niet gekend voelen allereerst door zichzelf, hoe moeten ze zich dan gedragen als anderen hen niet willen leren kennen?

Het ontbreken van grenzen in de opvoeding, de gestalte van het eigen leven, de ontdekking van je mogelijkheden en kansen, kortom grenzen in de totaliteit van je leven, behelst vele gevaren die op latere leeftijd funest kunnen uitpakken. Een grens is een uitdaging omdat ze je terugbrengt bij jezelf. Een grens stelt eisen aan je. Een grens kan een vruchtbare plaats zijn van inzicht volgens de Duitse theoloog Tillich. Een grens heeft altijd twee kanten aan de grenslijn. Een grens kan dus oriëntatie bieden, een houvast, een richtpunt, een horizon. Aan een grens kun je groeien. Je kunt haar op een positieve en op een negatieve manier overschrijden. Het gevoel kan daarbij richtingwijzer zijn – of de grens een bijdrage levert aan je welbevinden, aanzet tot groei of dat het een beperking vormt, het begin van een gevangenis. Als je  thuis bent  in je lichaam, je voelt je gevoelsmatig thuis bij jezelf, je hoeft niet elke dag van jezelf bergen te verzetten en de hemel te bestormen, je mag er zijn zoals je bent, dan ben je op de goede weg. Dan heb je alles in huis om je levensreis te reizen, een wandeling door het leven.

 

De balans tussen ambitie en persoonlijke ontwikkeling


In de cursus “Bijna afgestudeerd en wat nu?”  komen studenten die zijn afgestudeerd of die voor hun afstuderen staan, drie avonden bij elkaar om ervaringen en verwachtingen uit te wisselen omtrent studie en loopbaan. 
Het thema op de eerste avond is hun huidige situatie, wie ze zijn, wat ze tot nu toe hebben gedaan, (en waarom), en wat ze verwachten van de tijd na hun studie. De tweede avond gaat over verlangens, wensen, dromen en idealen. De derde avond over wat ze aan kwaliteiten en mogelijkheden in huis hebben. Kort samengevat handelen de avonden over: “wie ben ik, wat wil ik en wat kan ik.” De kracht van de avonden is dat studenten met medestudenten kunnen uitwisselen waar ze mee zitten, waar ze naar verlangen, waar ze bang voor zijn. Zo ontdekken ze dat zij niet de enigen zijn die vragen stellen bij hun verdere loopbaan. Of bij hun studiekeuze, die achteraf misschien niet zo goed is geweest omdat ze maar wat hebben gekozen zonder er zelf helemaal voor te willen gaan. Ouders, vrienden en betekenisvolle anderen hebben soms hun stempel gedrukt op een keuze. Sommigen waren goed in wiskunde op de middelbare school, dus werd op de universiteit hiervoor gekozen. Of psychologie leek wel leuk, want je ontdekt ook nog iets over jezelf, dus het werd psychologie bij gebrek aan alternatief. Maar als het eindpunt nadert en de keuze zich aandient om dan iets met dit vak wiskunde of psychologie te gaan doen wordt het soms problematisch. Wat wil ik ermee? Voor de klas staan en lesgeven, me verder bekwamen in onderzoek en de wetenschap ingaan? Of solliciteren bij een bank of een andere instelling waar wiskundigen worden gevraagd? Of bij een instelling voor de behandeling van psychische ziekten?

Vaak blijkt dat deze vragen pas urgent worden op het einde van de studie. Voor velen lijkt het wel of de maatschappij een groot zwart gat is, een sprong in het diepe. De veilige omgeving van de universiteit met het vaste collegerooster, de structuur die de studie biedt, de opgebouwde vriendenkring, dat alles moet worden opgegeven voor een ongewisse toekomst. Studenten die zich in hun studiekeuze laten leiden door een zekere ambitie en die helder voor ogen hebben wat ze willen, bijvoorbeeld arts worden of  tandarts, hebben een duidelijke focus. Hun studie is gestructureerd gericht op een concrete baan, hun perspectief is helder, en ook de stappen die zij hiervoor moeten zetten. Deze groep studenten neemt dan ook niet deel aan de cursus “Bijna afgestudeerd en wat nu?”.  De studenten die wel deelnemen worstelen bijna zonder uitzondering met de vraag “wat wil ik met mijn leven, welke kant ga ik op, waar doe ik het voor?” En precies op dit punt komt de relatie tussen werk/studie en zingeving/spiritualiteit/persoonlijke ontwikkeling ter sprake. Dit thema komt dan ook in alle avonden op verschillende wijze terug. Velen hebben nog niet echt een balans gevonden tussen datgene wat ze willen en datgene wat goed voor hen is. Ze hebben nog niet geleerd om hun eigen behoeftes serieus te nemen. Dat komt vaak omdat behoeftes voor de student in kwestie  niet altijd even helder zijn, soms zitten ze stopt onder andere vragen. Dat merken wij vooral in individuele gesprekken.  De nood is soms hoog. Studenten willen niet alleen maar afgerekend worden op prestaties, op studiepunten, op sociale vaardigheden. Ze willen ook gehoord en gezien worden met betrekking tot hun diepere verlangens, vragen rond leven en soms rond dood,  onzekerheden, schuldgevoelens, angsten,  opgedane positieve en negatieve ervaringen op het gebied van liefde en relaties.


In de loop der jaren hebben wij in ons werk ontdekt dat de maatschappelijke en sociale druk om te presteren is toegenomen. Onze maatschappij wordt steeds complexer en onoverzichtelijker. Om je te onderscheiden van de ‘grijze massa’ moet je opvallen, bijzonder zijn. Dit geluid komt vaak naar voren in gesprekken met studenten. Maar ook zelf leggen ze de lat hoog. Ze willen ook excelleren, vaak ongeacht de prijs die ze daarvoor moeten betalen. Studeren, zeker promoveren en baanbrekend onderzoek verrichten, lijkt soms op topsport. Je moet er veel offers voor brengen, je moet er soms veel voor laten, ook op het gebied van sociale contacten. De promotie gaat voor alles en docenten die studenten op dit pad begeleiden vinden het soms vanzelfsprekend dat werkweken van 70-80 uur worden gemaakt. In gesprekken met promovendi komt dan ook vaak de vraag naar voren hoe ze het volhouden, waar ze hun inspiratie vandaan halen en waarom ze een dergelijke investering van zichzelf eisen. Dan blijkt telkens weer dat ambitie een ding is, maar dat er ook een vaste basis moet zijn waar ze op terug kunnen vallen als het even tegen zit. Kortom dat ze in hun leven ontdekt moeten hebben wat echt belangrijk is en uit welke bronnen ze kunnen putten om het vol te houden. Het leven van een wetenschapper is tegenwoordig zo ingericht dat niet alleen de promotie extra offers vraagt aan tijd en inzet. Als je niet op de een of andere wijze helder hebt waarom je deze offers wilt brengen, hou je het niet vol. Dat wordt zichtbaar in persoonlijke gesprekken met studenten die slachtoffer worden van een burn-out. Naast talent en inzet is motivatie een voorwaarde om te slagen in je studie en je werk. En die motivatie moet ergens vandaan komen. Een aantal studenten geeft in de cursus “Bijna afgestudeerd wat nu?” aan dat het hen heerlijk lijkt om eindelijk een eigen inkomen te hebben. Gewoon materieel goed kunnen leven. Anderen daarentegen vinden dat niet genoeg. Zij verlangen meer. Vooral bij vrouwen is de wens naar een gelukkig gezin soms sterk aanwezig. Centraal staat dan de vraag hoe de carrière te combineren valt met een gezinsleven. Weer anderen gaan een heel andere richting uit. In de loop der jaren zijn er altijd een aantal deelnemers geweest die voor hun doen totaal nieuwe keuzes hebben gemaakt. Een switch in hun leven: in plaats van psycholoog yogaleraar worden, in plaats van biologie studeren kunstzinnige therapie gaan doen. Zij hebben een nieuwe weg ingeslagen die beter bij hen past. “Een mens zal zich altijd blijven afvragen waar de goede wind blaast”, om een oude western te parafraseren. Maar daar kom je alleen maar achter als je die weg gaat. Het gaat om de weg, het onderweg zijn, niet om het doel.

 


Zelfbeeld en wereldbeeld

 

De wereld hou niet van mijn.


De aardse wereld is verhard met smart.
De wereld hou niet van zachte mensen.
De wereld is zo groot zo vol geweld.
Maar ik niet en dat is wat telt.
Uren dacht ik wat nu.
Maar ik moet niet willen zijn wat ik niet ben.
Diep in mijn hart luistert mijn gevoelige stem.
Wees tevreden met wie jij ben.
Wie zeg nou jij niet pas in de wereld.
En verschrikt kijk ik op.
En denk je heb gelijk het gevoel is de wereld verrijkt.
En de aarde krijg kans op mooie glans”

 

bijdrage aan een forum op internet

 

 

Hoe ervaar ik de wereld, hoe is mijn wereld én welk beeld heb ik van mezelf? Voel ik me thuis in deze wereld, in mijn lichaam, met dit lichaam, met deze geest die mij bezielt? Dit zijn geen makkelijke vragen. Zelfbeeld en wereldbeeld hangen nauw samen omdat we de wereld niet waar kunnen nemen buiten onszelf. We zitten niet alleen vast aan ons lichaam, wij zijn ons lichaam. De consequenties van deze gedachte zijn mijns inziens niet te onderschatten. Als we rationeel bezig zijn lopen we wel eens het gevaar te handelen alsof onze wereld een wereld van gedachten is, verklaarbaar en gereed om onderzocht en van allerlei kanten bekeken te worden. Maar wat is een gedachte? Wat is de ‘materialiteit’ van een gedachte? Bestaat ze echt, is ze te bewijzen, empirisch aan te tonen? Wat is een gedachte werkelijk? Voltaire vroeg het zich al af en ook onze moderne wetenschappers weten het eigenlijk niet exact.[1] En toch denken we; en is deze tekst een opeenstapeling van gedachten die als het ware gevangen (zitten of) worden in woorden en begrippen.



De ondragelijke lichtheid van het bestaan, een titel van een roman van Kundera kan ons in een bepaalde richting wijzen om de relatie zelfbeeld en wereldbeeld nader te onderzoeken. Ik zeg met opzet ‘richting’, omdat er talloze manieren en wegen zijn om deze relatie te onderzoeken. Ik laat me graag leiden door metaforen, door woordspelingen en door poëtische teksten omdat ik vermoed dat de poëtische intuïtie net zo waardevol kan zijn als de empirische instelling ten aanzien van de werkelijkheid. Zwaarte, lichtheid, bezwaren, zwaar, licht, (als last en tegenover het donker), verlicht, bezwaard, het is een prachtig woordpaar dit zwaar en licht, dat ook door anderen is opgepakt. Zo in een inleiding over levenskunst: ‘Zwaarder worden, lichter zijn’. Dat is inderdaad een kunst: polariteiten niet uitsluiten, maar in balans leven. Letten op datgene wat werkelijk kostbaar is en zodoende het leven op zijn waarde schatten. En alle onnodige ballast afwerpen. Beide elementen bij elkaar brengen: gehechtheid en openheid. Geworteld en toch onafhankelijk leven. Verbonden met de aarde, gericht op de hemel.[2]
Staan op de aarde, gericht naar de horizon, de hemel boven je. Dat is de essentie van zwaarte en lichtheid. Ons lichaam, de zwaartekracht houdt ons beneden, maar ons hoofd zit in de wolken, wil verder, vrij zijn, ruimte voelen en beleven. De dichter Paul Celan schreef de woorden ‘zwaarder worden, lichter zijn’ in een gedicht.[3] Daaruit zijn ze ook in deze tekst geciteerd.

Als we zwaar en licht toepassen op ons zelfbeeld en ons beeld van de wereld komen we bijna vanzelfsprekend voor mijn gevoel in een religieuze context terecht. Religieus omdat het kenmerk van religie binding, verbinding is, en precies deze begrippen die met elkaar samenhangen scheppen deze band. Zwaar en licht komen samen in ons lichaam, onze geest en onze wereld. In onze taal, de verwoording van de ervaren werkelijkheid en de projecten die wij ontwerpen. Zwaar en licht is de wijze waarop wij betekenis geven aan onze ervaringen, aan datgene wat we conceptueel ons voorstellen en de ervaren substantie van ons leven: de materialiteit van ons lichaam in deze wereld: een lichaam dat kan lijden, honger heeft, behoeftes moet bevredigen, verlangens koestert, een eigen wijsheid kent. ‘Zwaar verslaafd zijn, licht in het hoofd, zwaar tafelen, - werken, licht opvatten, - maken, - zien.’ De vervoegingen zijn talloos, net zoveel als de concrete mogelijkheden in onze werkelijkheid die met zwaar en licht te maken hebben.


In mijn ogen is het religieuze nog niet hetzelfde als een concrete religie of een godsdienst. In een godsdienst oefen je een dienst uit ten behoeve van God. Bij een religieuze gevoeligheid ben je gevoelig voor de samenhang tussen de dingen, ben je je bewust van een groter geheel dan je eigen lichaam, je eigen afkomst en concrete situatie. Hoe je dat grotere geheel vervolgens inkleurt met betekenissen is een volgende stap. In de concrete religies en godsdiensten gebeurt dat op een speciale manier die meer is vastgelegd dan in het gedrag van mensen met een religieus bewustzijn. Ik hanteer het begrip religiositeit dan ook als een soort container begrip waarin ik met de theoloog Tillich zou willen zeggen: het religieuze ‘an sich’ is een vorm van een “ultimate concern (op een werkelijkheid buiten jou).”[4] Menswetenschappers zullen misschien hiertegen bezwaar aanvoeren omdat zo de functionaliteit van religies niet meer goed te meten valt, maar ik heb het vermoeden dat statistiek en statistische methoden niet de juiste manier zijn om de religiositeit van mensen te onderzoeken. Het doet aan de mensen, die op velerlei manieren betekenis geven aan hun leven geen recht, en het zegt weinig over de substantie van het religieuze gevoel. Het blijft moeilijk praten in de context van de empirie.

Desalniettemin kunnen zwaarte en licht ‘sleutels’ zijn, kernbegrippen, momenten uit een ervaring, uit een wijze van betekenisgeving om de relatie tussen hemel en aarde, tussen mens en wereld, tussen zelf en ander(en) te beschrijven. Denk maar eens na over al datgene wat jij als ‘zwaar’ ervaart in jouw leven en als tegenstelling hiervan als ‘licht’. Zijn het concrete ervaringen? Hoe zien die er dan uit? Wat is er zwaar aan, wat licht? Of zijn het ook en daarnaast je gedachten die een zekere zwaarte of lichtheid hebben? Maken je gedachten je leven zwaar of licht? Waar hecht jij in jouw leven het grootste gewicht aan? Wat vind jij het allerbelangrijkste? Geen makkelijke vraag! Ga er maar eens aanstaan.


Als je eenmaal de stap hebt gezet om deze vragen heel concreet voor jezelf te beantwoorden, daagt er misschien ook al heel voorzichtig een spoortje licht aan het einde van de horizon, een nieuwe ochtend, aarzelend, maar toch, waarmee een richting wordt aangeduid hoe om te gaan met de zware dingen in het leven. Wil je dat ze je leven blijven bepalen, op je blijven drukken, of zou je anders willen. Wat weegt het zwaarst: jouw welzijn, jouw gezondheid, jouw leven of de (soms zelfgekozen) gevangenis waarin je zit? Met andere woorden, je draagt de oplossing hoe om te gaan, met de zware dingen in je leven, al bij je. Je bent er al onderdeel van door er mee aan de slag te gaan. “Vraag en je zult gegeven worden”[5], deze wijsheid uit de bijbel bevat veel meer werkelijkheid dan we misschien op het eerste gezicht zouden vermoeden. Laat maar eens zien dat je iemand anders nodig hebt, en wacht dan op wat er gebeurt. Je zult versteld staan.

Zo is het ook met je zwakke en sterke kanten. Je draagt ze allebei bij je. Je hoeft er eigenlijk niets extra’s voor te doen om ze te tonen aan anderen, je hoeft er niet voor op je tenen te lopen, je bent dat gewoon. Maar durf je ook, durf je deze kanten van jezelf te laten zien? Daar schuilt meestal het grote probleem omdat je in je hoofd allerlei voorstellingen hebt hoe jij je hebt te gedragen. Maar maak je jouw leven daarmee niet zwaarder dan het in werkelijkheid is?

 

Ik vermoed dat wij ook anders tegen de tijd moeten aankijken, niet vanuit de wiskunde, maar vanuit de biologie. De wiskundige lineaire tijd doet eigenlijk geen recht aan ons lichamelijk beleven van de werkelijkheid. Wij zijn eigenlijk meer een soort uit waar steeds in de loop van de tijd nieuwe schillen omheen komen: foetus, baby, peuter, kind, puber, volwassen, oud, bejaard… De binnenkant verandert maar vooral ook de buitenkant, maar eigenlijk gaat de binnenkant niet echt verloren. Hij wordt wel getransformeerd, maar je blijft dezelfde mens. Een mens die weet heeft van zijn verleden en die vanuit zijn lichaam veel meer kennis heeft van zijn verleden dan hij of zij misschien vermoedt of waar wil hebben in zijn stoutste gedachten. Waar komen anders angsten en trauma’s vandaan: het zijn niet alleen opgeslagen ervaringen maar eerst en vooral neergeslagen ervaringen in het lichaam van een mens. Je lichaam, het geheel van geest en lichaam in deze, heeft er weet van en reageert.



Je draagt dus als mens alle vorige levensfasen in je mee: je bent het zelf, ze zijn niet voorbij want je lichaam is de opslagplaats ervan. Misschien zijn ze in je hoofd, in je gedachten niet meer actueel maar dat zegt helemaal niets over de werkelijkheidwaarde ervan.
[1]"I have been studying for forty years, which is forty years wasted; I teach others, and I know nothing; this situation brings into my soul so much humiliation, and disgust that life is unbearable to me. I was born, I live in time, and I do not know what time is; I find myself in a point between two eternities, as our sages say, and I have no idea of eternity. I am composed of matter; I think, and I have never been able to find out what produces thought; I do not know whether my understanding is a simple faculty in me like that of walking or of digesting, and whether I think with my head, as I take with my hands. Not only is the principle of my thinking unknown to me, but the principle of my movements is equally hidden from me. I do not know why I exist. However, people every day ask me questions on all these points; I have to answer; I have nothing any good to say; I talk much, and I remain confounded and ashamed of myself after talking.  Francois Marie Arouet (Voltaire) 1761
[2] (Anton Lichtenauer, in: Anselm Grün, Boek van Levenskunst, Kampen, Tielt 2003 p. 7)
[3] WAS GESCHAH? Der Stein trat aus dem Berge.
Wer erwachte? Du und ich.
Sprache, Sprache. Mit-Stern. Neben-Erde.
Ärmer. Offen. Heimatlich.

Wohin gings? Gen Unverklungen.


Mit dem Stein gings, mit uns zwein.
Herz und Herz. Zu schwer befunden.
Schwerer werden. Leichter sein.

Uit: P. Celan, Die Niemandsrose 1963

 

 

Wat geschiedde? De steen brak uit de berg.



Wie ontwaakte? Jij en ik.

Taal, taal. Neven-aarde. Mede-ster.

Armer. Open. Huiselijk.

 

Waarheen? Richting onvervlogen.



Met de steen mee, met ons tweeën.

Hart en hart. Te zwaar gewogen.

Zwaarder worden. Lichter wezen.

 

Vertaling T. Naakijens



 

Op het eerste gezicht komt dit gedicht gesloten over als een berg. Massief, ondoordringbaar misschien als het rotsblok dat zich losmaakt. Misschien is het gedicht wel niet zo’n goed voorbeeld om het thema zelfbeeld en wereldbeeld te illustreren. Misschien zijn de woorden van de bijdrage van internet “de wereld hou niet van mij” wel veel sprekender voor wat ik hier wil zeggen, namelijk dat je zelfbeeld de basis vormt onder je wereldbeeld. Je zelfbeeld is uitgangspunt en kerngegeven voor de ontwikkeling van je visie op de wereld. Maar we zullen zien. Misschien is het nu nog iets te vroeg om al te snel conclusies te trekken. En, het mooie van gedichten is, dat ze je in contact kunnen brengen met een geheim, een wereld die je misschien zo nog niet hebt gezien en ervaren. En omdat ze onbekend voor je is gebleven heb je ook geen intuïtie ontwikkeld om voorzichtig de vragen tastend te formuleren, om deze nieuwe wereld in kaart te brengen. Precies dit laatste is een van de taken die ik mij in deze tekst heb gesteld: een wereld in kaart brengen waar we misschien niet zoveel van weten, een wereld die heel dicht op onze huid zit, letterlijk zelf ons lichaam vormt, maar waarvan we nauwelijks de echte effecten kennen op ons verstaan van onszelf en de wereld om ons heen.

Ken ik mezelf? Wat weet ik eigenlijk van mezelf? Zijn het harde feiten, zijn het opvattingen en meningen, zijn het vermoedens? Welke gevoelens heb ik, en wat is een gevoel? Wat is een emotie, wat is in diepste wezen de materialiteit van een gedachte?

[4] Religion als Tiefendimension ist nicht der Glaube an die Existenz von Göttern, auch nicht an die Existenz eines einzigen Gottes. Sie besteht nicht in Handlungen und Einrichtungen, in denen sich die Verbindung des Menschen mit seinem Gott darstellt. Niemand kann bestreiten, dass die geschichtlichen Religionen “Religion« in diesem Sinne sind. Aber Religion in ihrem wahren Wesen ist mehr als Religion in diesem Sinne: Sie ist das Sein des Menschen sofern es ihm um den Sinn seines Lebens und des Daseins überhaupt geht.

Viele Menschen sind von etwas ergriffen, was sie unbedingt angeht aber sie fühlen sich jeder konkreten Religion fern, gerade weil sie die Frage nach dem Sinn ihres Lebens ernst nehmen. Sie glauben, dass ihr tiefstes Anliegen in den vorhandenen Religionen nicht zum Ausdruck gebracht wird, und so lehnen sie die Religion ab »aus Religion«. Diese Erfahrung lehrt uns, zu unterscheiden zwischen Religion als Leben in der Dimension der Tiefe und den konkreten Religionen, in deren Svmbolen und Einrichtungen das religiose Anliegen des Menschen Gestalt gewonnen hat. Wenn wir die Situation des heutigen Menschen verstehen wollen, müssen wir von dem Wesensbegriff der Religion ausgehen und nicht von einer spezifischen Religion, auch nicht dem Christentum. Uit: Paul Tillich: Die verlorene dimension (1958)


[5] Vgl. Matheus 7,8

 


Waar sta je voor? Welke zin geef je aan je bestaan? Met het verdwijnen van religie als zingevend kader zijn deze levensvragen naar de privésfeer verbannen. Het maatschappelijke leven werd op wetenschappelijke leest geschoeid. Maar de wetenschappelijke rationaliteit heeft veel aan geloofwaardigheid verloren. In een wereld van postmoderne meerduidigheid kun je veel kanten op zonder zeker te weten of dat ook de goede kant is. Kan religie opnieuw richting geven aan het leven van volwassenen en kinderen? Of wijst de huidige zoektocht naar religieuze beleving op een nostalgisch verlangen naar oude zekerheden? In een artikelenserie over zingeving en religie bij jongeren wil Pedagogiek in Praktijk Magazine ruimte geven aan discussie over deze vragen.


Zingeving door zelfconfrontatie 
De meeste studenten die bij ons binnenlopen zijn nieuwsgierig en staan open voor religieuze denkbeelden maar willen zich er niet mee identificeren. Vaak uit schaamte voor medestudenten, maar vooral omdat zij zich niet willen binden.

Velen geven aan dat ze ‘vooral in hun hoofd zitten’. Soms hebben ze geen idee hoe ervaringen voelen omdat ze aan het piekeren slaan.

 

Als nieuwe deelnemers aan de markt van welzijn en geluk verkennen studenten ook het religieuze leven, maar er zijn weinigen die zich aan een geloof verbinden. In deze bijdrage aan de artikelenserie over zingeving en religie biedt studentenpastor John Hacking een blik in de keuken van de Studentenkerk van de Radboud Universiteit Nijmegen. Hij laat zien hoe hun activiteiten bijdragen aan de manier waarop studenten met zingeving, religie en spiritualiteit omgaan. Door de zelfconfrontatiemethode leren studenten wie zij zijn en waar ze voor staan.  



Studenten lopen bij ons binnen om deel te nemen aan een activiteit die hen aanspreekt of omdat zij een luisterend oor verwachten in een persoonlijk gesprek. Ze hopen dat dit gesprek duidelijkheid kan bieden omtrent keuzes die ze moeten gaan maken of vragen waar ze mee zitten. Dat kunnen vragen zijn op het gebied van studie, relaties, persoonlijke interesses en geloven. Velen waarderen het dat wij als pastores belangeloos kunnen luisteren zonder dat er een beoordeling van afhangt. We zijn niet in dienst van de universiteit en we hebben er ook geen belang bij dat studenten sneller hun diploma halen. Daarvoor zitten wij niet op de campus.

Onze taak is het om een bijdrage te leveren aan het welzijn van studenten en medewerkers. Wij werken vanuit de kerken die ons hebben aangesteld, maar we beperken ons niet tot gelovige studenten. Iedereen is welkom. Wij zijn er ook niet om jongeren de kerk in te praten. Maar we zijn wel levende getuigen van een gelovige traditie.

Hoewel wij veel last hebben van oordelen in de trant van ‘een kerk is niets voor mij’ of ‘een kerk is alleen voor gelovige studenten’ slagen wij er steeds beter in deze hindernis te slechten. Uit ervaring blijkt dat meer studenten gaan deelnemen als we studenten betrekken bij de opzet en uitvoering van ons programma en hen zelf initiatieven te laten ontwikkelen. In veel nieuwe kerkelijke bewegingen trekken jongeren al de kar, maar zij beperken hun werkterrein daar tot de eigen goegemeente. Ze zijn vooral gericht op verdieping en beleving van hun geloof. Een nieuwe dynamiek en enthousiasme zijn duidelijk aanwezig. Het elan van de jongeren die naar Keulen trokken tijdens de katholieke jongerendagen in 2005 om daar de Paus te ontmoeten maakt dit zichtbaar.

 



  1   2


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina