Studentennummer: naam



Dovnload 120.56 Kb.
Datum22.08.2016
Grootte120.56 Kb.

Studentennummer: …………………………………
Naam: …………………………………………


Examen 1ste Kan. Onderwijskunde en 2de kan verkorting van studieduur

1ste semester 2002-2003


Lees het volgende vóór je start met het oplossen van de vragen:

  • Plaats op elk blad van dit antwoordformulier je naam en studentennummer!

  • Heb je dat ook gedaan op je roze scoreformulier?

  • Het permutatienummer wordt door ons ingevuld .

  • Bij elke vraag is slechts één antwoordalternatief juist.

  • Bij een enkele vraag moet men een combinatie van stellingen beoordelen. Als juist alternatief geldt hier die keuze waarbij àlle correcte / geldige stellingen zijn aangegeven. Zijn bijv. stelling 1 en 2 juist en men kiest het alternatief waarbij men alléén stelling 1 als correct ziet, dan heeft men niet het als 'correct' geldende alternatief gekozen. Om deze reden starten de verschillende antwoordalternatieven steeds met het woord 'Alleen'.

  • Een juist alternatief aanduiden levert een positieve score op.

  • Er wordt geen giscorrectie toegepast.

  • De helft van de vragen peilt vooral de beheersing op het weet- en inzichtsniveau. De andere helft peilt vooral de beheersing van de cursus Onderwijskunde op het toepassingsniveau..

  • Let op.

  • Er wordt soms een casus opgegeven die geldt voor de daarop volgende vraag.

  • Let ook op met de stellingen. Ze kunnen waar en onwaar zijn. Gebruik de informatie uit stellingen dus niet ondoordacht bij het beantwoorden van vorige of volgende vragen.

  • Succes!


Vraag 1

Het referentiekader voor onderwijskunde geeft een gestructureerd overzicht van processen, variabelen en actoren. De volgende stellingen schuiven beweringen over relaties in dit referentiekader naar voren die je moet beoordelen:


  1. De context op het microniveau verwijst niet naar geïnstitutionaliseerde actoren.

  2. Op het macroniveau is de context belangrijker dan op het microniveau.

  3. De actoren op het macroniveau zijn niet altijd geïnstitutionaliseerde actoren; het kunnen ook nog individuele personen zijn.

  4. Leeractiviteiten komen niet meer voor op het meso-niveau. Dit heeft geen zin meer omdat we vanaf dit niveau toch niet meer over individuele leerlingen spreken.

Welke stelling is correct? Kies één van de volgende alternatieven:


A. Alleen stelling 1 is correct.

B. Alleen stelling 2 is correct.



C. Alleen stelling 3 is correct.

D. Alleen stelling 4 is correct.



Vraag 2
In het referentiekader bestaat het didactisch handelen uit een aantal belangrijke componenten. Lees en beoordeel hierover de volgende stellingen:

  1. De keuze voor een boek of een reader bij een leerproces is een keuze voor de leerstof.

  2. Een curriculum in de opvatting van Taba komt overeen met minstens drie componenten van het didactisch handelen.

  3. De keuze voor een zelfstudiepakket zegt niets over de werkvorm die men vooropstelt.

  4. Bij het constructivisme is een uitwerking van de componenten van het didactisch handelen niet meer nodig.

Welke stelling is correct? Kies één van de volgende alternatieven:


A. Alleen stelling 1 is correct.

B. Alleen stelling 2 is correct.

C. Alleen stelling 3 is correct.

D. Alleen stelling 4 is correct.


Vraag 3
De Standaard Online, 27 01 2003

Gentse ,,wijkschool'' onwettig - Leading ladies van onderwijs botsen

BRUSSEL -- Dit keer kan de minister van Onderwijs, Marleen Vanderpoorten, het conflict, niet wijten aan ,,macho tegenstanders''. Het gaat tussen haar en een seksegenote: de Gentse schepen van Onderwijs Freya Van den Bossche. Die wil het absolute inschrijvingsrecht van ouders in haar scholen beperken door 20 procent van de plaatsen te reserveren voor kindjes uit de buurt. Onwettig, zegt Marleen Vanderpoorten. Niets van, zegt Freya Van den Bossche. Beiden hebben adviezen van eminente onderwijsjuristen in de hand.

Het leek even een stunt, maar klonk ook vertederend toen de stad Gent aankondigde (DS 26 december) dat ze in haar stadsscholen 20 procent van de plaatsen een tijdje zou reserveren voor de kindjes uit de buurt, de kansarme kinderen en de kinderen die al broertjes en zusjes hebben in die school. Anderen zouden even op een wachtlijst komen.

Gisteren haalde Marleen Vanderpoorten, de Vlaamse minister van Onderwijs, er een streep door. ,,Strijdig met het gelijkekansendecreet'', zei ze, met de gezaghebbende juristen van haar departement achter zich. Dat decreet is gemaakt om te beletten dat elitescholen proberen minder slimme of minder rijke of minder blanke kinderen af te schepen.
,,Als ouders zich met een kind aanmelden bij een school en het pedagogisch project ervan onderschrijven, mág de school niet weigeren. Ze mag zelfs niet inschatten of de leerling wel aan het project zal kunnen voldoen'', verduidelijkt de minister in een rondzendbrief.

Lees en beoordeel over dit krantenartikel de volgende stellingen:


  1. Freya Van den Bossche is een actor op het mesoniveau.

  2. De verwijzing naar "Kansarme kinderen" in dit artikel is een verwijzing naar contextfactoren in het referentiekader.

  3. "Kansarme kinderen" in dit artikel verwijzen naar de kenmerken van de lerenden in het referentiekader.

  4. Het "pedagogisch project" van een school is in het referentiekader de instructiestrategie op het mesoniveau.

Welke stelling is correct? Kies één van de volgende alternatieven:

A. Alleen stelling 1 is correct.

B. Alleen stelling 2 is correct.

C. Alleen stelling 3 is correct.

D. Alleen stelling 4 is correct.

Vraag 4

De Standaard On-line 27 01 2003



Ook het Frans wordt bedreigd

Nog deze maand beslissen de katholieke scholen hoe ze de vrijheid die ze door de nieuwe lessentabel krijgen, precies invullen. Laat het niet zijn door de taalpakketten voort af te bouwen, vraagt een groep academici en pedagogische begeleiders. Want, zo blijkt, niet alleen het Duits, ook het Frans wordt bedreigd.

De nieuwe lessentabel voor de derde graad ASO (algemeen Secundair Onderwijs) in het katholiek onderwijs heeft heel wat reactie losgeweekt. De Coördinatiecommissie Moderne Talen (de voorzitters van de betreffende leerplancommissies) is over die tabel geraadpleegd en de discussie heeft lang geduurd. Maar het VVKSO (Vlaams Verbond van het Katholiek Secundair Onderwijs) heeft in zijn finale voorstel met geen enkel bezwaar rekening gehouden, ondanks aanhoudend protest. Dat de vakken Duits en esthetica onder zware druk staan, werd al in deze krant gemeld (DS 10, 13 en 14 januari). Richtingen met Moderne Talen kunnen inderdaad niet zonder een degelijke leergang Duits, en de andere leerlingen moeten ook kansen voor een initiatie Duits behouden. Bovendien moet het gesprek met het vakkenveld kunst-muziek-esthetica positief en creatief gevoerd worden.
Maar ook het aantal lesuren Frans brokkelt verder af: de leraren komen voor een onhaalbare opdracht te staan en leerlingen die voor de opties met Moderne Talen kiezen, worden de voornaamste slachtoffers. Er zijn onvoldoende valabele argumenten om de geplande urenvermindering te verantwoorden.


De eindtermen oefenen een zware druk uit, niet alleen in de studierichtingen die moderne talen in de noemer dragen, maar in alle studierichtingen van het ASO.

De problemen stellen zich het scherpst in de studierichtingen met moderne talen. Door de verhoging van het aantal uren wiskunde merkten heel wat leraren Frans dat ze één uur moesten inleveren. Veel leerlingen, precies in deze studierichtingen, kunnen het zwaardere pakket wiskunde niet goed aan en moeten daar een onevenredig aantal studie-uren extra in steken. Terwijl er onvoldoende tijd beschikbaar blijft om de vereiste taalvaardigheid in te oefenen.
In dit artikel krijgen actoren op het macroniveau een duidelijke vrijheid om een curriculum op te bouwen. De keuze voor een bepaald curriculum en de opbouw ervan is geen eenvoudige beslissing. In de cursus is hierover een volledig thema uitgewerkt.

Beoordeel vanuit de cursus de volgende stellingen bij dit artikel uit De Standaard:



  1. Het opnemen van Duits in het curriculum omdat we in onze Belgische situatie onder andere Duits als officiële landstaal hebben, komt overeen met een aanpak volgens Bobbitt.

  2. Door rekening te houden met het feit dat heel wat leerlingen het pakket wiskunde niet aankunnen, benadert men de lerende als bron voor curriculumopbouw.

  3. In heel wat scholen werd vroeger, buiten de lesuren om, bijles voor het vak Frans. Deze aanpak kan men beschrijven als een vorm van "hidden curriculum".

  4. Het is aan de leerkracht om uiteindelijk te bepalen wat hij/zij precies nastreeft in verband met Frans in de klas en dit op basis van de eindtermen.

Welke stelling is correct? Kies één van de volgende alternatieven:



A. Alleen stelling 1 is correct.

B. Alleen stelling 2 is correct.

C. Alleen stelling 3 is correct.

D. Alleen stelling 4 is correct.



Vraag 5

De epistemologische discussie staat centraal in de cursus onderwijskunde. Daarbij stelden we objectivisme tegenover constructivisme.

Lees en beoordeel hierover de volgende stellingen:


  1. Kijken we naar de consequenties van het constructivisme voor het organiseren van instructie, dan blijft structuur belangrijk in het leerproces.

  2. Het objectivisme hecht geen belang aan het leren als proces.

  3. De twee benaderingen schuiven een tegengestelde visie op instructie naar voren.

  4. Het constructivisme bepaalt dat er geen leerstof gebruikt wordt in het leerproces van een individu.

Welke stelling is correct? Kies één van de volgende alternatieven:



  1. Alleen stelling 1 is correct.

  2. Alleen stelling 2 is correct.

  3. Alleen stelling 3 is correct.

  4. Alleen stelling 4 is correct.


Vraag 6

Lees de volgende paragraaf, overgenomen uit http://members.home.nl/kindersprookjesland/constructivisme.html :



Het constructivisme ziet de cognitie, net als de rationalisten van Plato's tijd, als de bron van alles, maar vindt hierbij wel dat de individuele, directe interactie tussen cognitie en omgeving erg belangrijk is. Hierdoor is haar stelling dat datgene wat we weten uit de echte wereld, voortkomt uit onze eigen interpretaties en ervaringen, waarbij we zelf onze eigen betekenis creëren. Het constructivisme stelt dat de interne representatie van kennis constant open is voor veranderingen, waarbij er geen objectieve realiteit is waar leerlingen naar streven. Een leerling haalt kennis uit, voor hem, relevante ervaringen (Bednar et al, 1991) waarbij met name de interactie tussen leerling en omgeving van belang is voor het leren. Als we bijvoorbeeld het aanleren van nieuwe woorden bekijken, dan zien we dat het alleen aanleren van een nieuw woord niet voldoende is. Het woord moet ook gekoppeld worden aan een bestaande context waardoor de leerling dit nieuwe woord kan koppelen aan al bestaande kennis.
Beoordeel nu de volgende stellingen die aansluiten op dit citaat:

  1. Een constructivistische visie is niet verenigbaar met een cognitivistische benadering van leren en instructie.

  2. De auteur van dit citaat pleit voor een benadering waarbij de individuele lerende de ‘viability’ van kennis in de context kan terugvinden.

  3. De beschrijving in de tekst impliceert dat sociale interactie niet belangrijk is.

  4. Uit de tekst kunnen we afleiden dat individuele ervaringen de basis vormen voor het construeren van kennis.

Welke stelling is correct? Kies één van de volgende alternatieven:

A. Alleen stelling 1 is correct.

B. Alleen stelling 2 is correct.

C. Alleen stelling 3 is correct.



D. Alleen stelling 4 is correct.
Vraag 7


(http://www.ket.org/trips/geotime/about.htm)
In bovenstaand plaatje zie je een afbeelding van een leeromgeving waarbij lerenden deelnemen aan elektronische verkenning van een natuurgebied waarbij ze geologische tijdsperioden exploreren. Het doel is dat de lerenden net als een geoloog leren gesteenten te identificeren en te dateren.

Lerenden starten in de leeromgeving heel ver terug in de tijd, 330 miljoen jaar geleden, en verkennen de geologie (gesteenten/lagen) van de staat Kentucky (USA). Daarbij kunnen ze bronnen raadplegen, een tijdslegende exploreren en met een teletijdmachine naar een geologische periode reizen om de kenmerken ervan te verkennen. Zo kunnen ze bijvoorbeeld plaatjes te zien krijgen zoals hieronder die het leven op aarde illustreren tijdens het mesozoïcum.




Vraag 7 vervolg
Lees in verband met deze website de volgende stellingen:

  1. Vanuit de discussie objectivisme / constructivisme is het overduidelijk dat deze leeromgeving de constructivistische principes volgt.

  2. In deze leeromgeving is het niet duidelijk of objectivisme primeert of dat constructivisme de bovenhand haalt.

  3. De leeromgeving illustreert hoe de lerenden tools in handen krijgen bij het leerproces.

  4. In de leeromgeving wordt gemodelleerd.

Kies één van de volgende alternatieven:



  1. Alleen stellingen 3 en 4 zijn correct.

  2. Alleen stelling 1 is correct.

  3. Alleen stellingen 2 en 3 zijn correct.

  4. Alleen stellingen 2 en 4 zijn correct.


Vraag 8

De consequenties van een keuze voor objectivisme of constructivisme zijn vèr strekkend. Lees en beoordeel hierover de volgende stellingen:



  1. Dank zij 'taal' kunnen we bij het objectivisme toch nog kennis delen met anderen.

  2. Bij het constructivisme bestaat geen waarheidsbegrip meer.

  3. Bij het objectivisme spelen individuele verschillen geen rol.

  4. Bij het constructivisme speelt een externe (bijv. een instructieverantwoordelijke) geen rol meer.

Welke stelling is correct? Kies één van de volgende alternatieven:

A. Alleen stelling 1 is correct.

B. Alleen stelling 2 is correct.



C. Alleen stelling 3 is correct.

D. Alleen stelling 4 is correct.


Vraag 9

De associatiewetten weerspiegelen de basisideeën van het behaviorisme. Lees en beoordeel de volgende toepassingen van deze wetten:



  1. Associëren we zwarten met Afrika dan hanteren we het principe van de gelijkheid.

  2. Doordat ik ’s ochtends meestal m’n krant lees bij een lekkere expresso, ontstaat - dank zij het principe van de contiguïteit – het associatiepaar ‘expresso – krant lezen’.

  3. Doordat ik in de stad Pisa enorm heb genoten van een lasagne, roept de stad Pisa meteen een lasagne bij mij op. Dit is een toepassing van het principe van de gelijkheid.

  4. Doordat ik Kim Clijsters heb zien verliezen tegen Serena Williams, kan ik beide beter onthouden. Dit is toepassing van het principe van de contrasten.

Kies één van de volgende alternatieven:



  1. Alleen stelling 1 is correct.

  2. Alleen stelling 2 is correct.

  3. Alleen stelling 3 is correct.

  4. Alleen stelling 4 is correct.


Vraag 10

Watson is één van de grondleggers van het behaviorisme. Lees even het volgende transcript uit z’n levensgeschiedenis en beoordeel vervolgens de stellingen (http://www.biozentrum.uni-wuerzburg.de/genetics/behavior/learning/behaviorism.html):

De behavioristische stelling dat menselijk gedrag kan verklaard worden op basis van reflexen, stimulus-response associaties, en het effect van bekrachtigers is afkomstig van John Broadhus Watson in zijn 1914 boek 'Behavior: An Introduction to Comparative Psychology.'. Watson was voordien zeer nauw betrokken bij het tot dan toe meest fervente onderzoeksobject in de laboratoria: de laboratorium rat. Een van z’n eerste jobs als doctoraatsstudent was namelijk het verzorgen van deze dieren. Deze dieren werden gebruikt bij onderzoek waarbij probleemoplossen van ratten werd onderzocht via navigatieopdrachten in doolhoven. Watson werd een echte rattentemmer. Hij kon hen zover brengen dat ze een doolhof oplosten voor wat voedsel als beloning. Hij bestudeerde ook het leren in de doolhoven maar vereenvoudigde de taak drastisch. Eén bepaald doolhof bestond bijv. uit één rechte gang met wat voedsel op het einde. Watson ontdekte dat wanneer hij een rat zover kon brengen dat ze dit soort doolhof konden oplossen, ze dit vrijwel automatisch begonnen te doen. Een doolhof werkt als een stimulus die door associatie leidt tot het aanzetten van zoekgedrag naar eten. Externe stimuli waren hiervoor niet meer nodig. Hij bewees dit zeer goed door te demonstreren dat ratten die in een gelijkaardige doolhof, maar met een kortere rechte gang, zich te pletter liepen tegen het einde van deze kortere gang.”

Bedoordeel nu de volgende stellingen:



  1. Watson combineert stimuli in z’n experiment met de rat. De manier waarop hij hier de rat traint wordt daarom “shaping” genoemd.

  2. Watson manipuleert de “bekrachtiging” in bovenstaande experimenten met de rat.

  3. Het experiment toont overtuigend het belang van de “Law of Exercise”.

  4. Watson gebruikt hierboven een bekrachtigingsschema om gedrag aan te leren.

Kies nu één van de volgende antwoordalternatieven:



  1. Alleen stelling 1 is correct.

  2. Alleen stelling 2 is correct.

  3. Alleen stelling 3 is correct.

  4. Alleen stelling 4 is correct.


Vraag 11

Contingency Contracting is een instructiesysteem dat op een specifieke manier de behavioristische principes implementeert. Beoordeel hierover de volgende stellingen:



  1. Het direct bekrachtigen wordt in dit systeem gerealiseerd door de proctor.

  2. De contingenties verwijzen naar de “successieve approximatie” van het gewenste gedrag.

  3. "Direct Instruction" is de uitwerking van contingency contracting als instructievorm, waarbij het Premackprincipe als systematische bekrachtiger wordt gebruikt.

  4. De lerenden hebben soms inspraak in het bepalen van de doelen en het bepalen van de bekrachtigers.

Kies nu één van de volgende antwoordalternatieven:



  1. Alleen stelling 1 is correct.

  2. Alleen stelling 2 is correct.

  3. Alleen stelling 3 is correct.

  4. Alleen stelling 4 is correct.


Vraag 12
“Schema’s” staan centraal in de cognitivistische benadering van leren en instructie. Over dit schemabegrip gaan de volgende stellingen:

    1. Het gebruik van schema’s komt alleen voor bij declaratieve kennis .

    2. Een schema als “netwerk” betekent dat het een “propositienetwerk” is.

    3. Sommige schema’s bestaan alleen uit beelden.

    4. In een schema is er steeds een “ordening” voorhanden.

Kies nu één van de volgende antwoordalternatieven:



      1. Alleen stelling 1 is correct.

      2. Alleen stelling 2 is correct.

      3. Alleen stelling 3 is correct.

      4. Alleen stelling 4 is correct.


Vraag 13

De “Cognitive Load Theory” vindt vooral veel toepassingen bij het ontwerpen van multimediaal leermateriaal.

De volgende stellingen behandelen veronderstellingen bij deze theorie:


  1. De “Cognitive Load Theory” betekent dat we proberen de intrinsieke cognitieve belasting weg te nemen.

  2. Wanneer we aan een complexe studietekst een schema toevoegen (bijv. een concept map) dat de structuur verheldert, verminderen we de extreneous cognitive load.

  3. We kunnen pas nieuwe complexe informatie verwerken wanneer de oude schema’s verwijderd zijn uit het werkgeheugen.

  4. Jonge lerenden kunnen geen complexe informatie verwerken omdat zij altijd direct cognitive load ervaren.

Kies één van de volgende alternatieven:



  1. Alleen stelling 1 is correct.

  2. Alleen stelling 2 is correct.

  3. Alleen stelling 3 is correct.

  4. Alleen stelling 4 is correct.



Vraag 14
De volgende stellingen behandelen de instructie-aanpak met ‘concept maps’.

In het voorbeeld hieronder is een dergelijke “map” uitgewerkt met betrekking tot water.

Bron: http://pages.cpsc.ucalgary.ca/~kremer/webnet96/webnet_kremer.html
Lees hierover de volgende stellingen:


  1. Volgens de theorie van Kosslyn leren we door concept maps van anderen te bewerken.

  2. “Concept maps” omvatten geen “beelden” wanneer we de terminologie van het schemabegrip volgen.

  3. Pinker verklaart de werking van concept maps door te verwijzen naar de intense interactie tussen interne representaties (schema's) en externe representaties (concept maps).

  4. Vragen we aan verschillende lerenden om een concept map te tekenen over bijv. water, dan krijgen we sterk verschillende uitwerkingen te zien. Dit betekent dat niet alle lerenden even goed hun kennis kunnen voorstellen.

Kies één van de volgende alternatieven:

  1. Alleen stelling 1 is correct.

  2. Alleen stelling 2 is correct.

  3. Alleen stelling 3 is correct.

  4. Alleen stelling 4 is correct.



Vraag 15
Bij de bespreking van de social learning theory (SLT) hebben we een film bekeken. Net zoals in deze film kunnen we ook bijv. in een anti-drugs campagne dergelijke principes toepassen.

Beoordeel hierover de volgende stellingen:



  1. Bij de SLT moeten lerenden op termijn ook zelf bekrachtiging ontvangen.

  2. De goed geselecteerde modellen vertonen “modeling” gedrag volgens de SLT.

  3. Retentieprocessen bij de subprocessen van de SLT, gebeuren op basis van visuele codes. Daarom noemt SLT ook observationeel leren.

  4. In de opvatting van Bandura werkt het zichzelf belonen voor eigen gedrag als een intrinsieke ren extrinsieke motivator.

Kies één van de volgende alternatieven:



  1. Alleen stelling 1 is correct.

  2. Alleen stelling 2 is correct.

  3. Alleen stelling 3 is correct.

  4. Alleen stelling 4 is correct.



Vraag 16
Lees de volgende stellingen over metacognitie:

  1. Metacognitie is een compleet ander type kennis. Het is niet vergelijkbaar met declaratieve en procedurele kennis.

  2. In het informatieverwerkend model komt metacognitie enkel voor als bewuste en onbewuste monitoring van de cognitieve processen.

  3. Metacognitieve kennis komen bij Brown en Flavell overeen.

  4. Wanneer metacognitie ‘automatisch’ wordt, noemt Flavell dit niet langer metacognitie.

Kies één van de volgende alternatieven:



  1. Alleen stelling 1 is correct.

  2. Alleen stelling 2 is correct.

  3. Alleen stelling 3 is correct.

  4. Alleen stelling 4 is correct.



Vraag 17

We passen even de verschillende taxonomieën voor metacognitie toe door een aantal voorbeelden aan te reiken. Lees en beoordeel de voorbeelden in de mate waarin ze correct gesitueerd zijn in een specifieke taxonomie voor metacognitie:



  1. “Het is best om de complexe berekening, gebaseerd op een wiskundige formule, nog eens over te doen”
    Dit is een voorbeeld van strategische variabele bij Brown.

  2. “Ik weet dat ik goed ben in spelling”.
    Deze uitspraak past in de taxonomie van Brown bij ”plannen”.

  3. “Ik weet dat een samenvatting maken een snelle manier is om een complexe tekst aan te pakken”
    Deze uitspraak past in de taxonomie van Flavell bij de “taakvariabelen”.

  4. “Ik weet dat ik sneller dan m’n zus studeer wanneer ik me voorbereid op een toets”
    Dit is een voorbeeld van een intra-individuele persoonsvariabele bij Flavell.

Kies één van de volgende alternatieven:



  1. Alleen stelling 1 is correct.

  2. Alleen stelling 2 is correct.

  3. Alleen stelling 3 is correct.

  4. Alleen stelling 4 is correct.



Vraag 18

Lees en beoordeel de volgende stellingen over het ontwikkelen van metacognitie:



  1. Het geven van metacognitieve ondersteuning bij de kennisverwerving betekent dat we vooral statusinformatie geven over de voortgang in het denkproces.

  2. Auteurs die de metacognitie vooral proberen te ontwikkelen door lerenden zich bewust te laten worden van hun eigen metacognitie verwerpen het aanleren van metacognitieve strategieën.

  3. Het aanleren van metacognitieve strategieën gebeurt steeds vakoverschrijdend.

  4. Kennis op een metacognitieve manier leren verwerven heeft als nadeel dat geen conditionele informatie wordt verworven.

Kies één van de volgende alternatieven:



  1. Alleen stelling 1 is correct.

  2. Alleen stelling 2 is correct.

  3. Alleen stelling 3 is correct.

  4. Alleen stelling 4 is correct.



Vraag 19


Bovenstaande schermafdruk geeft één van de bekende microwerelden weer (http://www.microworlds.com/solutions/mw.html). Microwerelden zijn verdere uitwerkingen van de Logo-wereld waarmee jonge kinderen spelenderwijs de schildpadmeetkunde konden verkennen en opbouwen.

Het afgedrukte voorbeeld is een leerspel waarmee kinderen foto's, tekst, bewegende objecten (bijen, poppetjes, dieren, …) en muziekfragmenten kunnen manipuleren. Op deze manier kunnen zelfs zeer jonge kinderen vrij complexe animaties uitwerken en deze als een soort videofilmpje laten afspelen.

In de linkerbalk staan alle mogelijke keuzes voor knippen, plakken, in- en uitzoomen, beweegbare objecten toevoegen, muziek toevoegen, muziek of stem opnemen, projecten opslaan, etc.

Deze computeromgeving kan aansluiten bij het constructivisme en kan ook benoemd worden als een soort Open LeerOmgeving (OLO).

Lees en beoordeel de volgende stellingen over dit voorbeeld:



  1. In het voorbeeld is er duidelijk sprake van scaffolding.

  2. Dit soort OLO laat enkel toe dat procedurele kennis wordt verworven.

  3. Niet alle type ‘tools’ waar in het bronnenboek is naar verwezen, komen voor in het voorbeeld zoals het hier is besproken.

  4. Bij het gebruik van een dergelijke OLO heeft de instructieverantwoordelijke geen rol meer.

Kies één van de volgende alternatieven:

    1. Alleen stelling 1 is correct.

    2. Alleen stelling 2 is correct.

    3. Alleen stelling 3 is correct.

    4. Alleen stelling 4 is correct



Vraag 20
Lees even het volgende fragment:

De theorie van het constructivisme van Piaget gaat ervan uit dat kinderen tot ontdekkingen komen omtrent gesproken en geschreven taal door actief met hun wereld bezig te zijn. Door nieuwe informatie te integreren en op te slaan in het geheugen breiden zij hun taal- en kennissysteem uit. Binnen (interactief) taalonderwijs kunnen leerkrachten de actieve inbreng van leerlingen vergroten door uit te gaan van een krachtige leeromgeving waarin leerlingen zelf keuzes kunnen maken en een eigen betekenis leren toekennen aan de leerinhoud. Van belang is dat leerlingen de gelegenheid krijgen een eigen betekenis toe te kennen aan de verschijnselen en gebeurtenissen in de wereld om zich heen en hun eigen positie daarbinnen.”

(http://www.taalsite.nl/lexicon/Constructivisme/)
Lees en beoordeel nu de volgende stellingen die aansluiten bij dit fragment:


    1. Het “zelf betekenis leren toekennen” sluit ook aan op de opvattingen van het cognitivisme.

    2. Net als Vygotsky benadrukt Piaget de centrale rol van onderwijs voor het stimuleren van de ontwikkeling van de lerende.

    3. Bij taalverwerving gaat een zuiver constructivistische opvatting niet op. Lerende zullen moeten afstappen van hun eigen persoonlijke invulling van begrippen, anders kunnen ze de anderen niet begrijpen. Dit zou anders tot subjectivisme leiden.

    4. De beschrijving over de theorie van Piaget benadrukt ook de rol van de sociale context.

Kies één van de volgende alternatieven:



      1. Alleen stelling 1 is correct.

      2. Alleen stelling 2 is correct.

      3. Alleen stelling 3 is correct.

      4. Alleen stelling 4 is correct.


Vraag 21
Lees volgend fragment m.b.t. een duidelijk opvatting over leren en instructie:
Hoewel het begrip scaffolding op zich niet zo bekend is, komt het principe veel voor in de dagelijkse praktijk. Scaffolding is een techniek voor het ondersteunen van studenten, waarbij de student langzamerhand zelfstandig wordt. Een voorbeeld is het leren spreken. Als een klein kind zegt: ‘Pappie! Aapje!’ kan de vader bijvoorbeeld antwoorden: ‘Ja, daar zit een aapje’. Het kind geeft de aanleiding tot de conversatie. Vader haakt erop in en geeft impliciet de boodschap door dat wat het kind zegt wel goed is, maar dat het mooier zou zijn het anders te zeggen. De volgende keer zal het kind misschien een deel van de zin van de vader onthouden, en zeggen: ‘Pappie! Zit aapje! , het kind heeft iets beter leren spreken, de vader kan nu iets uitgebreider antwoorden: ‘Ja, daar in die boom zit inderdaad een aapje’. De vader sluit aan bij het niveau van het kind, en geeft ondersteuning op het niveau van het kind door in hun conversatie steeds iets ingewikkelder zinnen te gaan gebruiken. Het aansluiten bij het niveau van het kind, en het spreken steeds meer aan het kind zelf over te laten noemt men scaffolding. Een ander voorbeeld van scaffolding is een gesprek tijdens een practicum waarbij een docent uitleg geeft aan een student. Uit het taalgebruik van de student, en eventueel uit de gemaakte fouten leidt de docent af op welk niveau de student zich bevindt. Hierbij past een ervaren docent –min of meer automatisch- het taalgebruik en het niveau van de uitleg aan op het niveau van de student.

(http://scaffolding.edte.utwente.nl/download/softscaf.pdf)


Lees en beoordeel nu de volgende stellingen:

  1. De kennis die het kind oppikt m.b.t. het werkwoord “zitten” is een voorbeeld van hoe hier “scientific knowledge” wordt verworven.

  2. De geschetste aanpak illustreert het uitgaan van de “zones van naaste ontwikkeling”.

  3. De rol van het aapje in het geschetste leerproces is er een van “mediation”.

  4. Het voorbeeld in het fragment geeft duidelijk aan dat het kind zelf de instructie leidt.

Kies één van de volgende alternatieven:



    1. Alleen stelling 1 is correct.

    2. Alleen stelling 2 is correct.

    3. Alleen stelling 3 is correct.

    4. Alleen stelling 4 is correct.


Vraag 22

Lees en beoordeel de volgende stellingen met betrekking tot onderwijskundig ontwerpen (Instructional Design ID):



  1. De media-modellen en productiemodellen zijn microniveau-benaderingen.

  2. In de benadering van Nadler komt geen evaluatie voor.

  3. Merrill gebruikt een vrij complex begrippenkader. Daarin verwijzen presentaties naar de mediakeuzes bij het ontwerpen van instructie.

  4. De “Instructional Events” van Gagné zijn eveneens ontwerpprincipes.

Kies één van de volgende alternatieven:



  1. Alleen stelling 1 is correct.

  2. Alleen stelling 2 is correct.

  3. Alleen stelling 3 is correct.

  4. Alleen stelling 4 is correct.



Vraag 23
Het IDI-model van het "Instructional Design Institute" ordent de ontwerpaanpak bij het uitwerken van instructie. Stel dat we een instructiepakket uitwerken voor inburgering van allochtonen tussen 25 en 35 jaar. Lees hieronder verschillende ontwerpstappen en beoordeel hun situering in het IDI-model.

Beoordeel vervolgens in welke mate ze correct gesitueerd zijn in het model:



  1. Er worden winkeliers geïnterviewd om te bepalen of de inhoud van het pakket aansluit bij maatschappelijke vragen/noden.
    Dit sluit aan bij IDI-stap 5.

  2. Er wordt voorzien dat de allochtonen uitgenodigd worden tot een zelfevaluatie.
    Dit hoort bij IDI-stap 6.

  3. Er wordt geopteerd om het pakket uit te werken aan de hand van een video en een audiocassette. Dit hoort bij IDI-stap 3.

  4. Er wordt vastgelegd dat de focus zal liggen op “administratie” en “wetgeving” en minder op “taalkennis”.
    Dit hoort bij IDI-stap 4.

Maak een keuze uit de volgende antwoordalternatieven:



  1. Alleen stelling 1 is correct.

  2. Alleen stelling 2 is correct.

  3. Alleen stelling 3 is correct.

  4. Alleen stelling 4 is correct.



Vraag 24
Merrill vraagt om doelen duidelijk te ordenen volgens zijn doelstellingenmatrix en dit om ontwerpbeslissingen beter te kunnen funderen. Lees en beoordeel hierover de volgende stellingen:

  1. De wet van Newton toepassen bij het berekenen van de valsnelheid van een voorwerp.
    Dit is het gebruiken van een procedure.

  2. Uit zichzelf de ligging van het Pantanal-gebied opzoeken in een atlas.
    Dit is het vinden van een procedure.

  3. De rol van zuurstof bij roestprocessen kunnen vertellen als antwoord op een toetsvraag.
    Dit is het herinneren van een procedure.

  4. Breuken toepassen bij het verdelen van drinkgeld.
    Dit is het gebruiken van een principe.

Kies nu één van de volgende antwoordalternatieven:



  1. Alleen stelling 1 is correct.

  2. Alleen stelling 2 is correct.

  3. Alleen stelling 3 is correct.

  4. Alleen stelling 4 is correct.


Vraag 25
Curriculumontwikkeling kan op diverse manier aangepakt worden. Lees en beoordeel hierover de volgende stellingen:

  1. Bij de aanpak van Paolo Freire laten de instructieverantwoordelijken alle vrijheid aan de lerenden.

  2. Wanneer we de “lerenden” als bron voor een curriculum gebruiken dan volgen we de Tyler-rationale.

  3. Bobbit sluit duidelijk aan bij Possner wat betreft het rekening houden met de volgende twee vragen: Welke kennis is wel en niet legitiem in een curriculum? Wie bepaalt wat legitiem is in een curriculum?

  4. Het verborgen curriculum verwijst naar de minder geëxpliciteerde doelen die een rol spelen op het microniveau.

Kies nu één van de volgende antwoordalternatieven:

  1. Alleen stelling 1 is correct.

  2. Alleen stelling 2 is correct.

  3. Alleen stelling 3 is correct.

  4. Alleen stelling 4 is correct.



Vraag 26
Leerdoelen zijn in er in “soorten”. Lees en beoordeel hierover de volgende stellingen:

  1. De Block zou akkoord gaan met de formulering van het volgende leerdoel: “Onderhoud van een motorvoertuig”.

  2. De “transferkringen” waar De Block naar verwijst hebben betrekking op de mate waarin leerdoelen meerdere gedragsniveaus weerspiegelen.

  3. Het “integratieniveau” bij De Block verwijst naar de mate waarin alle kennis op elkaar kan betrokken worden.

  4. Een “structuur” in de taxonomie van De Block verwijst naar samenhangende "relaties".

Kies nu één van de volgende antwoordalternatieven:

  1. Alleen stelling 1 is correct.

  2. Alleen stelling 2 is correct.

  3. Alleen stelling 3 is correct.

  4. Alleen stelling 4 is correct.



Vraag 27
Lees de volgende casus:

In het vijfde jaar Latijn-Wiskunde stelt men rond Nieuwjaar vast dat de resultaten voor Wiskunde en Latijn zeer slecht zijn. Ongeveer de helft van de leerlingen haalt niet de helft van de maximumscore. Na klachten van ouders stelt de directie een aantal mogelijke maatregelen voor om de scores van de leerlingen aan te passen.

Lees de verschillende voorstellen van de directie en beoordeel de bijbehorende stellingen:



  1. De directie stelt voor om elke leerling één punt meer te geven.
    Dit is een criteriumgebaseerde aanpassing van het criterium.

  2. Samen met de leerkracht wordt nagekeken welke score de leerling de vorige keer had. Is de score nu hoger dan bij de vorige meting, dan is hij/zij nu wel geslaagd.
    Dit is een vorm van “ipsative assessment

  3. Er wordt onderzocht wat de scores zijn van leerlingen in andere klassen Latijn-Wiskunde. De scores worden dan aangepast aan de gemiddelden van die andere klas.
    Dit is criteriumgerichte toetsing.

  4. De directie stelt voor om de scores voor het dagelijks werk als basis te nemen voor het eindresultaat. Het examen telt dus niet meer mee.
    Dit is normgerichte toetsing.

Welke stelling of combinatie van stellingen is correct::

    1. Alleen stellingen 1 en 3 zijn correct.

    2. Alleen stelling 2 is correct.

    3. Alleen stellingen 2 en 4 zijn correct.

    4. Alleen stellingen 1 en 3 zijn correct.

Vraag 28


Lees de volgende perstekst:
Goede cijfers voor Vlaams onderwijs

Klasse voor Leerkrachten 71, januari 1997, p. 14


Het Vlaams onderwijs levert topkwaliteit en behoort tot het beste van de wereld. Dat zeggen wij niet, maar dat komt naar voren in een internationale vergelijking. Voor wiskunde zitten de Vlaamse meisjes en jongens in de top vijf en voor wetenschappen in de top zeven. In de Europese Unie is Vlaanderen zelfs een koploper. Deze gegevens haalden de internationale pers.

Uit een in Boston voorgestelde internationale vergelijkende studie blijkt dat het Vlaams onderwijs in wiskunde en wetenschappen (natuurkunde, biologie en scheikunde) hoge ogen gooit in de wereld. Voor het eerst kreeg het Vlaams onderwijs de kans zijn resultaten voor deze studiegebieden te vergelijken met de resultaten van veertig andere landen. De Vlaamse gemeenschap werkte mee aan de grootste internationale studie, ooit op dit gebied gevoerd: The Third International Mathematics and Science Study (TIMSS).

De studie slaat op 5662 leerlingen uit twee onderzoeksjaren, het eerste en tweede jaar secundair onderwijs, 352 leerkrachten wiskunde en wetenschappen en 141 directies.

Aan het onderzoek namen 41 landen deel, waaronder Europese landen, de Verenigde Staten, Colombia, Hong Kong, Iran, Israël, Japan, Koeweit, Korea, Nieuw-Zeeland, Singapore en Thailand.

(http://www.klasse.be/archieven/archieven.taf?actie=detail&nr=333)
Beoordeel nu de volgende stellingen:

  1. In deze tekst wordt verwezen naar de “accountability” van de Vlaamse scholen.

  2. Bij deze internationale studie wordt duidelijk normgericht getoetst.

  3. In de tekst is sprake van performance indicatoren die verder gaan dan de klassieke effectiviteitsvariabelen om de kwaliteit van onderwijs te meten.

  4. Dit effectiviteitsonderzoek kan ook bijdragen aan schoolverbetering (school improvement).

Kies één van de volgende alternatieven:



  1. Alleen stelling 1 is correct.

  2. Alleen stelling 2 is correct.

  3. Alleen stelling 3 is correct.

  4. Alleen stelling 4 is correct.



Vraag 29

Beoordeel de volgende stellingen over het thema evaluatie:



  1. De "recentheid" als kwaliteitseis van evaluatie verwijst naar de afstand in de tijd tussen het afnemen van de toets en het verbeteren ervan.

  2. Wanneer we twee keer dezelfde toets afnemen en we stellen een verschillende score vast bij dezelfde leerlingen, dan schort er iets aan de validiteit.

  3. ‘Performance indicatoren’ hebben altijd als nadeel dat ze alleen gefocust zijn op eenvoudige en meetbare aspecten.

  4. Zelftoetsing heeft een duidelijke relatie met het ontwikkeling van de metacognitie.

Kies nu één van de volgende antwoordalternatieven:



  1. Alleen stelling 1 is correct.

  2. Alleen stelling 2 is correct.

  3. Alleen stelling 3 is correct.

  4. Alleen stelling 4 is correct.



Vraag 30
Drie leerbedrijven genomineerd voor Prijs beste leerbedrijf 2002
Zoetermeer, 10 december 2002
Drie leerbedrijven zijn door een deskundige jury genomineerd voor de prijs 'Beste Leerbedrijf 2002'. Het gaat om Bam Techniek B.V. in Veenendaal, voorgedragen door Intechnium, de Coöperatie Fruitmasters in Geldermalsen, voorgedragen door Aequor, en Haarmodegroep Salon Modern in Groot-Ammers, voorgedragen door KOC Nederland. De kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven droegen in totaal zeventien bedrijven voor, een recordaantal in de geschiedenis van de prijs. Op 15 januari 2003 zal de prijs worden uitgereikt.

Het beroepsonderwijs is een van de belangrijkste pijlers van de Nederlandse economie. Een belangrijk aspect van de opleidingen in het beroepsonderwijs is de beroepspraktijkvorming, het leren op de werkplek. De kwaliteit van de beroepspraktijkvorming is de dagelijks zorg van de kenniscentra voor het beroepsonderwijs in het bedrijfsleven. Dit betekent namelijk meer dan 150.000 leerbedrijven. Leerbedrijven zijn bedrijven waar mbo'ers (mbo = middelbaar beroepsonderwijs) in de praktijk worden opgeleid, naast het theoretisch deel van de opleiding dat wordt verzorgd door een regionaal opleidingen centrum (roc).
Lees nu verder de volgende stellingen over de relatie tussen de beschreven aanpak en visies op instructie:

  1. Leerbedrijven hebben als nadeel dat men geen vooraf gedefinieerde declaratieve kennis kan opdoen.

  2. Er is geen evaluatie in dit soort aanpak van het leerproces.

  3. Time-off betekent dat men niet altijd moet ‘werken’. Men respecteert ook de tijd voor het functioneren buiten het bedrijf.

  4. De aanpak geeft vooral kansen om metacognitieve kennis op te doen.

Welke stelling of combinatie van stellingen is correct? Kies één van de volgende alternatieven:

A. Alleen stelling 1 is correct.

B. Alleen stelling 2 is correct.



C. Alleen stelling 3 is correct.

D. Alleen stelling 4 is correct.


Even nadenken?


  • Heb je bij alle vragen voldoende nagedacht over de kennisbasis bij kernbegrippen, theorieën en voorbeelden?



  • Heb je eventueel die kennisbasis wat gereconstrueerd aan de hand van schema’s of tabellen in dit antwoordboekje?



  • Heb je het juiste antwoord overgebracht op het roze scoreformulier? Bij ALLE vragen?



  • Heb je alles ook in het net overgeschreven in de tweede kolom?



  • Ben je niet vergeten overal je studentennummer in te vullen?

Examen 1ste kan. Onderwijskunde & 2de kan VK – 1ste semester 2002-2003 p. van 22




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina